Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1703

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
200.268.732_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod niet is nageleefd geldt een restrictieve interpretatieregel, te weten de regel dat een redelijke uitlegging van een dergelijk verbod meebrengt dat de draagwijdte daarvan beperkt is te achten tot handelingen waarvan niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken als door de rechter verboden opleveren

De kern van de arresten van de Hoge Raad van 15 november 2002, (ECLI:NL:HR:2002:AE9400) en 15 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AS5238) is dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd doel en strekking van het verbod tot richtsnoer dient te nemen, zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Wat doel en strekking van het verbod zijn dient door restrictieve uitleg te worden bepaald. Vervolgens geldt dat het dictum van een uitspraak dient te worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak die tot die beslissing hebben geleid (Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369).

Het belang van de hiervoor vermelde maatstaven is hierin gelegen dat degene die het door de rechter is verboden op straffe van een dwangsom bepaalde handelingen te verrichten uit het vonnis moet kunnen begrijpen welke handelingen het betreft. In het geval van deze zaak is een restrictieve uitleg temeer van belang omdat het hier gaat om gestelde onrechtmatige hinder en het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebracht schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden. Deze maatstaf brengt mee dat ten aanzien van elke handeling waarvan wordt gesteld dat deze onrechtmatige hinder veroorzaakt de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden dienen te worden gewogen om vervolgens te oordelen of deze handeling al dan niet onrechtmatige hinder veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2020/79 met annotatie van Jongbloed, A.W.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.268.732/01

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M. van Heeren te Breda,

tegen

1 Alliander N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. Liander N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als Alliander en Liander,

advocaat: mr. E.M. Bosscher te [vestigingsplaats 2] ,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 oktober 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en Alliander en Liander als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (C/02/361875 / KG ZA 19-471)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

De voorzieningenrechter heeft in 3.1. a t/m i. van het vonnis van 1 oktober 2019 de feiten vastgesteld die zij voor de beoordeling relevant achtte. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.2.

[appellante] exploiteert schoenenwinkels, onder andere in [vestigingsplaats 2] aan de [adres 1] , op de hoek met de [straat 1] . Deze winkel heeft aan weerszijden van de ingang aan de [straat 2] twee grote etalages en een kleinere etalage in de gevel aan de [straat 1] .

3.1.3.

Liander beheert een elektriciteitsnetwerk in [vestigingsplaats 2] , waarvan deel uitmaakt een

transformatorhuis in de [straat 1] , ter hoogte van nummer [adres 2] . Middenspanning van 10.000 volt wordt daar omgezet in 220 volt, geschikt voor huishoudens. Alliander houdt de aandelen in Liander.

3.1.4.

Op 13 augustus 2018 heeft Alliander van de gemeente Amsterdam een vergunning

verkregen voor de uitvoering van renovatiewerkzaamheden met betrekking tot het transformatiehuis in de [straat 1] . Vergund is dat voor de duur van de werkzaamheden voor de rechter etalage van de voorgevel van de winkel van [appellante] een container wordt geplaatst met daarin een nieuw transformatorhuis, zodat de stroomlevering tijdens de werkzaamheden wordt gecontinueerd. De betreffende container was 2,5 meter lang, 2,2 meter breed en 2,26 meter hoog en zou nagenoeg de volledige etalageruit aan de rechterzijde van de ingang van [appellante] aan het zicht onttrekken. De renovatiewerkzaamheden zouden op 14 januari 2019 beginnen en ongeveer drie maanden in beslag nemen.

3.1.5

[appellante] heeft tegen de plaatsing van de container bezwaar gemaakt.

3.1.6.

[appellante] heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter in Arnhem), een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen Alliander en Liander. [appellante] heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter Alliander en Liander, versterkt met een dwangsom, zal verbieden een container en/of transformatorruimte, of welk ander (groot) object, voor de winkelruimte van [appellante] aan de [adres 1] te [vestigingsplaats 2] te (doen) plaatsen, althans Alliander en Liander te verbieden voor deze winkelruimte onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW te (doen) veroorzaken jegens [appellante] .

3.1.7.

Bij vonnis in kort geding van 11 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter in Arnhem voor zover van belang, het volgende beslist:

“5.1. verbiedt Alliander en Liander om een container en/of transformatorruimte of welk ander (groot) object te (doen) plaatsen voor de winkelruimte van [appellante] aan de [adres 1] [het hof leest: [juist adres (adres 1)] ] te [vestigingsplaats 2] ,

5.2.

veroordeelt Alliander en Liander om aan [appellante] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,”

3.1.8.

Alliander heeft een andere wijze van uitvoering van de benodigde werkzaamheden bedacht en het plaatsen van een container met een transformatorhuis voor de winkel van [appellante] achterwege gelaten. Voor het uitvoeren van de renovatiewerkzaamheden heeft Alliander een derde, [Electro] Electro BV, ingeschakeld. Om de renovatiewerkzaamheden te kunnen uitvoeren moest de [straat 1] worden opengebroken bij het transformatorhuis. Hierdoor was het nodig dat er zand en stenen werden aangevoerd en afgevoerd. [Electro] Electro BV heeft aan [Transport] Transport opdracht gegeven om een containerbak voor de [adres 3] te plaatsen. Per abuis heeft [Transport] Transport op maandag 1 juli 2019 tussen 6.00 en 10.45 uur en op donderdag 11 juli 2019 tussen 7.00 en 13.00 uur een containerbak met een hoogte van een meter voor de winkelruimte van [appellante] geplaatst.

3.1.9.

[appellante] heeft zich vervolgens jegens Alliander en Liander op het standpunt gesteld dat daarmee het verbod zoals gegeven in het vonnis in kort geding van 11 januari 2019 is overtreden zodat dwangsommen van in totaal € 50.000,00 (2 x € 25.000,00) zijn verbeurd. [appellante] heeft de executie van het vonnis aangezegd.

3.2.1.

In deze procedure vorderen Alliander en Liander om [appellante] te gebieden zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasso van dwangsommen op grond van het dictum van het vonnis van 11 januari 2019, voor zover dit betrekking heeft op het plaatsen van een afvalbak op 1 juli 2019 en 11 juli 2019.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben Alliander en Liander, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Alliander en Liander zijn geen dwangsommen aan [appellante] verschuldigd, omdat zij niet in strijd hebben gehandeld met het verbod zoals gegeven in het vonnis van 11 januari 2019. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het kortstondig plaatsen van een afvalbak met een beperkte hoogt geen inbreuk oplevert op datgene wat de voorzieningenrechter heeft verboden. Alliander en Liander voeren verder aan dat zij niets van doen hebben met het ‘(doen) plaatsen’ van een containerbak voor de winkelruimte van [appellante] , omdat de containerbak tegen door hen uitdrukkelijk gegeven instructies in is geplaatst door de firma [Transport] in opdracht van [Electro] Electro BV. Voor zover er wel sprake is van een overtreding van het vonnis, is het volgens Alliander en Liander naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om dwangsommen te executeren en is sprake van misbruik van recht.

3.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het bestreden vonnis van 1 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende overwogen.

“3.6. In het vonnis van 11 januari 2019 is in 5.1. van het dictum het verbod opgelegd om een container en/of transformatorruimte, of welk ander (groot) object te (doen) plaatsen voor de winkelruimte van [appellante] .

3.7.

In rechtsoverweging 4.4. van het vonnis van 11 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter daartoe het volgende overwogen.

‘Thans moet dan aangenomen worden dat vanaf 14 januari 2019 gedurende drie maanden een container voor de rechter etalage van de voorgevel van de winkel van [appellante] zal worden geplaatst, een hekwerk de [straat 1] deels zal blokkeren, de etalages van [appellante] aan de rechterzijde van de ingang en aan de [straat 1] onzichtbaar zullen zijn en een hekwerk de uitmonding van de [straat 1] op [straat 2] grotendeels ontoegankelijk zal maken, zoals op de kaart is te zien. Aannemelijk is dat, als gevolg hiervan, de stroom winkelend publiek op [straat 2] vanuit zuidelijke richting feitelijk wordt weggehouden bij de etalages en de entree van de winkel van [appellante] en vanuit noordelijke richting door de versmalling van [straat 2] ter hoogte van de container en de stroom tegemoet komende wandelaars die om die container heen moet, naar rechts zal worden gedrongen, evenals weg van de winkel van [appellante] , minder gemakkelijk naar binnen

gaan en daarom minder tot het doen van aankopen zijn geneigd. Aannemelijk is dan ook dat de container tot een aanzienlijk verlies aan omzet voor [appellante] zal leiden, daargelaten of dit verlies over drie maanden € 150.000,00 bedraagt zoals zij zelf inschat. In dit kort geding moet derhalve ervan uitgegaan worden dat de container voor [appellante] ernstige hinder oplevert.’

3.8.

De vordering van [appellante] waarop de voorzieningenrechter heeft beslist is blijkens rechtsoverweging 3.2. kort gezegd gebaseerd op de stelling dat de voorziene plaatsing, gedurende 3 maanden, van een container voor de rechter etalage van haar winkel en het daarbij behorende afbakeningshekwerk de zichtbaarheid en bereikbaarheid van deze winkel zodanig zal beperken dat zij aanzienlijke omzetschade zal lijden. Uit de als productie 10 overgelegde dagvaarding blijkt dat de vordering van [appellante] de voorgenomen langdurige plaatsing van een container met daarin een transformator betreft.

3.9.

Ook het tussen partijen voorafgaand aan en in de betreffende kort geding procedure gevoerde debat ziet enkel op de voorgenomen langdurige plaatsing van een container met daarin een transformator.

3.10.

Dit blijkt evenzo uit de feiten die aan de beoordeling van het geschil ten grondslag liggen. In het vonnis van 11 januari 2019 is vermeld dat voor de renovatie nodig is dat elders voor de duur van de werkzaamheden een container met daarin een transformator wordt geplaatst (rechtsoverweging 2.3.) en dat die container 2,5 m lang, 2,2 meter breed en 2,26 m hoog is en nagenoeg de volledige etalageruit aan de rechterzijde van de ingang aan het zicht zal onttrekken (rechtsoverweging 2.10.).

3.11.

Uit het vorenstaande kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat het oordeel van de voorzieningenrechter bij vonnis van 11 januari 2019 ziet op de voorgenomen plaatsing van een container met daarin een transformator en het daarbij behorende afbakeningshekwerk gedurende een periode van drie maanden. Dit brengt mee dat de in het dictum van het vonnis van 11 januari 2019 verboden plaatsing van “een container en/of transformatorruimte of welk ander (groot) object” zo dient te worden uitgelegd dat plaatsing voor een lange duur van een alternatief voor het transformatorhuis met een grote omvang is verboden. Nu op 1 juli 2019 en op 11 juli 2019 gedurende slechts een aantal uren voor de winkel van [appellante] een container-bak met een hoogte van een meter is geplaatst ten behoeve van het aan- en afvoeren van stenen, wordt geoordeeld dat geen sprake is van overtreding van het verbod.”

Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] geboden om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasso van dwangsommen op grond van het dictum van het vonnis van 11 januari 2019 voor zover dit betrekking heeft op het plaatsen van de containerbak op 1 juli 2019 en op 11 juli 2019, en [appellante] in de proceskosten van Alliander en Liander veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep 1 genummerde grief aangevoerd en onder nummer 30 van haar memorie van grieven ook tegen de beslissing over de proceskosten gegriefd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Alliander en Liander.

Alliander en Liander hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.4.

[appellante] keert zich met grief 1 tegen de uitleg die de voorzieningenrechter bij het bestreden vonnis aan het door de voorzieningenrechter in Arnhem op 11 januari 2019 opgelegde verbod heeft gegeven. [appellante] betoogt het volgende. Het ging er [appellante] niet alleen om dat er geen mobiele transformator(ruimte) voor de winkel zou worden geplaatst. Zij wilde geen enkele transformator(ruimte), of container, of welk ander (groot) object voor haar winkel hebben. Ieder (groot) object zou immers tot omzetderving leiden. [appellante] heeft een ruim geformuleerde vordering ingesteld en die is toegewezen. Uiteraard lag aan die vordering een feitencomplex ten grondslag. [appellante] heeft de voorzieningenrechter in Arnhem in algemene zin uitgelegd wat een (groot) object voor de winkel van [appellante] zal betekenen. Een dergelijk object drukt de passanten weg en de winkel wordt daardoor veel minder zichtbaar en bereikbaar en dat leidt tot omzetderving. Dit heeft de voorzieningenrechter in Arnhem aangenomen blijkens overweging 4.4. van het vonnis van 11 januari 2019. Het enkele feit dat [appellante] destijds in haar dagvaarding heeft gesteld dat volgens opgave van Aliander en Liander gedurende een periode van circa 2 ½ maand een mobiele transformatorruimte voor haar winkel zou worden geplaatst wil nog niet zeggen dat het voor [appellante] akkoord zou zijn als dat een (veel) kortere periode zou zijn. [appellante] wilde immers niets voor haar winkel hebben, niet lang en niet kort(er). Ook het plaatsen van een container of ander (groot) object voor de winkel van [appellante] zou tot omzetderving leiden en is ook onrechtmatig. De voorzieningenrechter in Breda heeft haar oordeel gebaseerd op overweging 4.4. van de voorzieningenrechter in Arnhem. Dat is te beperkt. Ook de overwegingen 4.2. t/m 4.8. moeten in aanmerking worden genomen omdat al die overwegingen gezamenlijk tot de eindbeslissing hebben geleid. Alliander en Liander hebben het vonnis van 11 januari 2019 blijkens correspondentie van hun advocaat op dezelfde wijze uitgelegd als [appellante] , namelijk dat zij niets voor de winkel [appellante] mochten (doen) plaatsen. Als de voorzieningenrechter in Arnhem de bedoeling had om enkel het langdurig plaatsen van een container, of welk ander (groot) object voor de winkel van [appellante] te verbieden dan had dat in de beslissing moeten worden opgenomen, maar dat is niet gebeurd. Het feit dat de dwangsom is opgelegd voor “iedere dag of gedeelte daarvan” bevestigt dat het Alliander en Liander niet was toegestaan een container, of welk ander (groot) object, gedurende enkele uren voor de winkel te plaatsen.

3.5.

Alliander en Liander hebben zich, kort gezegd, achter de door de voorzieningenrechter bij het bestreden vonnis gegeven uitleg en overige overwegingen geschaard.

3.6.

Het hof oordeelt als volgt. Het gaat in deze procedure om een vordering van Alliander en Liander om [appellante] bij wijze van voorlopige voorziening te gebieden de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter in Arnhem te staken. Het spoedeisend belang bij deze voorziening is ook in hoger beroep niet in geschil.

3.7.1.

Met grief 1 legt [appellante] de uitleg van het door de voorzieningenrechter in Arnhem aan Alliander en Liander opgelegde verbod aan het hof voor en betoogt zij dat Alliander en Liander op 1 en 11 juli 2019 in strijd met dat verbod hebben gehandeld. Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop.

3.7.2.

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming (gebod) niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de - in dit geval - voorzieningenrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400).

3.7.3.

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod niet is nageleefd geldt een restrictieve interpretatieregel, te weten de regel dat een redelijke uitlegging van een dergelijk verbod meebrengt dat de draagwijdte daarvan beperkt is te achten tot handelingen waarvan niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken als door de rechter verboden opleveren (HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5238).

3.7.4.

De kern van deze jurisprudentie is dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd doel en strekking van het verbod tot richtsnoer dient te nemen, zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Wat doel en strekking van het verbod zijn dient door restrictieve uitleg te worden bepaald. Vervolgens geldt dat het dictum van een uitspraak dient te worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak die tot die beslissing hebben geleid (Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369).

3.8.

Het belang van de hiervoor vermelde maatstaven is hierin gelegen dat degene die het door de rechter is verboden op straffe van een dwangsom bepaalde handelingen te verrichten uit het vonnis moet kunnen begrijpen welke handelingen het betreft. In het geval van deze zaak is een restrictieve uitleg temeer van belang omdat het hier gaat om door [appellante] gestelde onrechtmatige hinder. Zoals de voorzieningenrechter in Arnhem in 4.2. van het vonnis van 11 januari 2019 - onder andere - heeft overwogen hangt het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebracht schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden. Deze maatstaf brengt mee dat ten aanzien van elke handeling waarvan wordt gesteld dat deze onrechtmatige hinder veroorzaakt de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden dienen te worden gewogen om vervolgens te oordelen of deze handeling al dan niet onrechtmatige hinder veroorzaakt.

3.9.

Het hof acht voor de uitleg van het door de voorzieningenrechter in Arnhem gegeven verbod de volgende overwegingen van het vonnis van 11 januari 2019 van belang. In overweging 3.2. vermeldt de voorzieningenrechter dat [appellante] haar vordering daarop baseert dat de voorziene plaatsing, gedurende drie maanden, van een container voor de rechter etalage van haar winkel en het bijbehorende afbakeningshekwerk de zichtbaarheid en de bereikbaarheid van deze winkel zodanig zal beperken dat zij aanzienlijke omzetschade zal lijden. In overweging 4.1. heeft de voorzieningenrechter vermeld dat aan de orde is of Alliander en Liander plaatsing van de container voor de etalage van [appellante] moet worden verboden omdat dit voor [appellante] zo hinderlijk is dat de plaatsing jegens haar onrechtmatig is. Het hof stelt vast dat in de vastgestelde feiten van het vonnis van 11 januari 2019 uitsluitend een container met de afmetingen 2,5 meter lang, 2,2 meter breed en 2,26 meter hoog wordt vermeld (2.10.) en voorts de feitelijke situatie zoals die als gevolg van de plaatsing van bouwhekken zou bestaan (2.5.). In overweging 4.4. heeft de voorzieningenrechter vervolgens overwogen, zoals ook in 3.7. van het bestreden vonnis is geciteerd, dat vanaf 14 januari 2019 gedurende drie maanden een container voor de rechter etalage van de voorgevel van de winkel van [appellante] zal worden geplaatst, een hekwerk de [straat 1] deels zal blokkeren, de etalages van [appellante] aan de rechterzijde van de ingang en aan de [straat 1] onzichtbaar zullen zijn en een hekwerk de uitmonding van de [straat 1] op [straat 2] grotendeels ontoegankelijk zal maken, zoals op de kaart is te zien. De voorzieningenrechter heeft het gevolg van uitsluitend deze feitelijke omstandigheden, te weten een aanzienlijk verlies aan omzet, beoordeeld en geconcludeerd dat sprake is van onrechtmatige hinder. Uit overweging 4.5. en volgende volgt dat de voorzieningenrechter slechts als bijkomend argument in aanmerking neemt dat Alliander en Liander geen alternatieven voor de renovatiewerkzaamheden hebben onderzocht.

3.10.

Uit het vorenstaande volgt dat de uitleg die aan het door de voorzieningenrechter in Arnhem gegeven verbod moet worden gegeven is dat het verbod inhoudt het plaatsen van een container met de afmetingen 2,5 meter lang, 2,2 meter breed en 2,26 meter hoog, of een voorwerp met vergelijkbare afmetingen, gedurende een langere periode voor de etalage van [appellante] aan [straat 2] . Doel en strekking van dit verbod is het voorkomen van een aanzienlijk verlies aan omzet voor [appellante] .

3.11.

Hetgeen [appellante] in de toelichting op grief 1 heeft aangevoerd leidt niet tot een andere uitleg. Bij de uitleg van het gegeven verbod gaat het er niet om wat [appellante] voor ogen had en wat zij niet wenste, maar welk feitencomplex zij ter beoordeling aan de voorzieningenrechter heeft voorgelegd, over welk feitencomplex de voorzieningenrechter blijkens de overwegingen van het vonnis heeft geoordeeld en welke feiten en omstandigheden hij blijkens de overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. De omstandigheid dat de voorzieningenrechter in Arnhem aan het verbod een dwangsom per dag(deel) heeft verbonden is niet van betekenis voor de uitleg van het verbod. Tot slot geldt dat, anders dan [appellante] betoogt, de advocaat van Alliander en Liander de uitleg die [appellante] op grond van uitsluitend de letterlijke tekst van het petitum geeft, niet heeft onderschreven. De advocaat heeft immers gemeld dat een dergelijke strikte uitleg naar de mening van haar cliënte niet strookt met de veroordeling uit het vonnis.

3.12.

Aan de orde is nu of de handelingen op 1 en/of 11 juli 2019 zijn aan te merken als een inbreuk op het door de voorzieningenrechter in Arnhem gegeven verbod zoals door het hof uitgelegd. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Allereerst geldt dat de hoogte van de op 1 en 11 juli 2019 geplaatste container veel geringer is dan die van de oorspronkelijk beoogde container, zodat geen sprake is van een voorwerp met vergelijkbare afmetingen als waar het verbod op ziet. Voorts is de periode van plaatsing zeer kort en niet aan te merken als een plaatsing gedurende een langere periode waar het verbod op ziet. De negatieve gevolgen van de op 1 en 11 juli 2019 geplaatste container, zonder het voornoemde hekwerk, voor de zichtbaarheid van de etalages van de winkel van [appellante] zijn gelet op de hoogte van die container en de duur van de plaatsing ook niet te vergelijken met de gevolgen van de aanvankelijk beoogde container met hekwerk. Niet aannemelijk is dat de op 1 en 11 juli 2019 geplaatste container een verlies aan omzet, laat staan een aanzienlijk verlies aan omzet, veroorzaakt. [appellante] heeft daarover ook niets gesteld.

3.13.

De slotsom is dat gegeven de uitleg die aan het aan Alliander en Liander opgelegde verbod moet worden gegeven de plaatsing op maandag 1 juli 2019 tussen 6.00 en 10.45 uur en op donderdag 11 juli 2019 tussen 7.00 en 13.00 uur van een containerbak met een hoogte van een meter voor de winkelruimte van [appellante] geen handelingen zijn die in strijd zijn met het door de voorzieningenrechter in Arnhem bij vonnis van 11 januari 2019 gegeven verbod.

3.14.

Uit het vorenstaande volgt dat grief 1 niet slaagt. Voor het slagen van de tweede grief, gericht tegen de beslissing over de proceskosten, is vereist dat grief 1 slaagt. Dat is niet het geval. Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2019 zal worden bekrachtigd. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Alliander en Liander in hoger beroep veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad zoals is gevorderd. Deze kosten worden begroot op € 741,00 aan griffierecht en € 1.074,00 aan salaris advocaat, begroot op basis van 1 punt van het toepasselijke tarief II).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 1 oktober 2019, gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van Alliander en Liander in hoger beroep, tot heden begroot op € 741,00 aan griffierecht en € 1.074,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Cremers, P.W.A. van Geloven en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2020.

griffier rolraadsheer