Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1700

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
200.259.434_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Civiele hoger beroepsprocedure benadeelde partij ex art. 421 lid 4 Rv, immateriële schadevergoeding

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 421
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.259.434/01

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.F.G. Pennino te Kerkrade,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.H.M. Nijsten te Cadier en Keer,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 mei 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de politierechter van 15 februari 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als benadeelde partij en [geïntimeerde] als verdachte.

1 Het geding in eerste aanleg (Parketnr.: 03-152987-18)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de aantekening mondeling vonnis alsmede naar de brief van mr. Penino van 8 oktober 2018 (met de producties 1 t/m 9) en de brief van 8 februari 2019 (met producties 10 t/m 14).

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep,

  • -

    de memorie van grieven met twee producties,

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

Op zondag 13 augustus 2017 werd [appellant] slachtoffer van een mishandeling te [plaats]

3.1.2.

[geïntimeerde] is voor deze mishandeling vervolgd en [appellant] heeft zich in deze strafprocedure gevoegd als benadeelde partij. [appellant] vorderde primair een bedrag van € 12.982,34 aan materiële schade (medische kosten, reis/parkeerkosten, huishoudelijke hulp, verlies zelfwerkzaamheid en overige kosten) en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, subsidiair een bedrag van € 7.717,59 (materiële schade) en € 5.000,00 (immateriële schade) en meer subsidiair een bedrag voor materiële en immateriële schade in goede justitie door de rechter vast te stellen, steeds met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr.

3.1.3.

Bij uitspraak van de politierechter van 15 februari 2019 is [geïntimeerde] voor mishandeling, gepleegd op 13 augustus 2017, veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur.

Wat betreft de vordering van [appellant] heeft de politierechter voor materiële schade een bedrag van € 916,38 toegewezen en bepaald dat [appellant] in het restant van de vordering niet-ontvankelijk is, nu deze vordering zodanig ingewikkeld en onoverzichtelijk is gepresenteerd dat verdere behandeling daarvan een te zware belasting voor het strafproces vormt. Wat de immateriële schade betreft heeft de politierechter een bedrag van € 1.500,00 toegewezen en het restant van die vordering afgewezen. Verder volgt uit de aantekening mondeling vonnis dat de politierechter rekening heeft gehouden met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij van ongeveer één kwart en dit in mindering heeft gebracht op de vastgestelde omvang van de geleden schade.

3.1.4.

[geïntimeerde] noch de Officier van Justitie heeft tegen dit strafvonnis hoger beroep ingesteld.

3.2.

[appellant] komt op grond van artikel 421 lid 4 Sv in hoger beroep van de (gedeeltelijke) afwijzing van zijn vordering betreffende immateriële schade en voert daartegen twee grieven aan. Hij vordert dat het hof het vonnis inzake de beslissing op de vordering benadeelde partij zal vernietigen:

-hetzij gedeeltelijk: derhalve louter betreffende de hoogte van het door de rechtbank toegekende bedrag, althans het door de rechtbank afgewezen meerdere van dit bedrag, onder instandlating van de door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

- althans op zodanige wijze dat de schadevergoedingsmaatregel, door de rechtbank opgelegd, in stand blijft;

- althans volledig zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellant] alsnog integraal toe zal wijzen, door:

  1. [geïntimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] , te betalen ter zake de immateriële schade, gebaseerd op hetgeen op dit moment reeds bekend is geworden, een bedrag van (in totaal) € 5.000,00 dan wel een bedrag in goede justitie door het gerechtshof vast te stellen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2017, althans vanaf de dag der wettelijke opeisbaarheid, althans de dag der betekening ‘dezer’ dagvaarding in hoger beroep tot de dag der algehele vergoeding;

  2. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.

Omvang van het appel

3.3.

Indien tegen een strafvonnis geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij op grond van artikel 421 lid 4 Sv tegen dat deel van de vordering dat is afgewezen in hoger beroep komen bij de civiele rechter. Tegen dat deel van de vordering waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard, staat geen hoger beroep open. Dat gedeelte van de vordering kan de benadeelde partij in eerste aanleg aan de burgerlijke rechter voorleggen.

[appellant] beperkt dit hoger beroep dan ook terecht tot de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering betreffende de immateriële schade. Bij de beoordeling van deze vordering zijn de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over het hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

3.4.

Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen dat deel van de vordering dat door de politierechter is afgewezen, te weten het bedrag van € 3.500,00. [appellant] vordert dat het hof ofwel het vonnis gedeeltelijk vernietigt en [geïntimeerde] alsnog veroordeelt tot het restantbedrag van € 3.500,00 ofwel het vonnis volledig vernietigt en [geïntimeerde] alsnog veroordeelt tot betaling van € 5000,00. [appellant] richt geen grief tegen het oordeel van de politierechter dat sprake is van eigen schuld van ongeveer één kwart. Dit betekent dat ook het hof uitgaat van eigen schuld aan de kant van [appellant] van ongeveer één kwart (25 %). Nu [geïntimeerde] tegen het toegewezen bedrag van € 1.500,00 geen incidenteel appel heeft ingesteld, is dat bedrag in hoger beroep niet meer aan de orde.

Vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding ad € 5.000,00

3.5.

[appellant] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [appellant] . De rechtbank heeft in de strafzaak immers, op tegenspraak, mishandeling bewezen verklaard en dat levert op grond van artikel 161 Rv dwingend bewijs daarvan op.

Het gaat volgens [appellant] om een zeer ernstige mishandeling met zwaar letsel. Hij stelt daartoe dat [geïntimeerde] hem op ernstige wijze in zijn persoon heeft aangetast door een inbreuk te maken op zijn veiligheidsgevoel, lichamelijke integriteit en zijn persoonlijke levenssfeer. [appellant] wordt nog dagelijks geconfronteerd met de fysieke, mentale en sociale gevolgen.

3.6.

[geïntimeerde] bespreekt in de memorie van antwoord de toedracht van het door hem gepleegde delict, omdat volgens hem de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het incident tussen hem en [appellant] van belang zijn om de vordering te beoordelen.

Volgens [geïntimeerde] is het [appellant] geweest die als eerste [geïntimeerde] onrechtmatig heeft aangepakt. [geïntimeerde] stelt (samengevat) dat hij een relatie heeft gehad met de dochter van [appellant] en dat er op 13 augustus 2017 eerst een akkefietje is geweest tussen haar nieuwe vriend en [geïntimeerde] . Zijn ex-vriendin heeft toen [appellant] gebeld en deze is gekomen. [geïntimeerde] stelt dat hij en zijn vriendin op dat moment al weg waren, maar dat [appellant] hem toen met zijn motor is gaan zoeken. Toen hij [geïntimeerde] had gevonden, heeft hij hem aangehouden en gelijk vastgepakt. Ook heeft [appellant] zijn vriendin vastgepakt. Om zijn vriendin te beschermen tegen het agressieve gedrag van [appellant] , heeft hij hem inderdaad geschopt en is [appellant] daarbij ten val gekomen. Waarschijnlijk heeft hij daarbij het letsel opgelopen.

[geïntimeerde] stelt verder dat hij tijdens de zitting bij de politierechter ook heeft aangegeven dat hij [appellant] heeft geschopt omdat deze zijn vriendin had vastgepakt. Hij heeft aangegeven dat er sprake was van een noodweersituatie, maar de politierechter heeft dit verweer verworpen en hem veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur. Volgens [geïntimeerde] heeft de politierechter bij de beoordeling van de hoogte van de vordering uitgebreid stil gestaan bij het handelen van [appellant] en heeft hij daarbij aangegeven dat [appellant] niet bevoegd was om [geïntimeerde] aan te houden omdat er geen sprake meer was van een heterdaadsituatie. Mede door dit onrechtmatig handelen heeft de politierechter rekening gehouden met een vorm van schuld van [appellant] en daardoor is de vordering gematigd, aldus [geïntimeerde] . Hij stelt dat ook het hof bij de beoordeling van deze zaak rekening moet houden met de onrechtmatige gedragingen van [appellant] in zijn richting.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat [geïntimeerde] bij onherroepelijk strafvonnis van 15 februari 2019 is veroordeeld voor mishandeling van [appellant] , gepleegd op 13 augustus 2017. Op grond van artikel 161 Rv levert dit vonnis dwingend bewijs op van deze mishandeling. Weliswaar is het mogelijk daartegen tegenbewijs te leveren, maar nu [geïntimeerde] zelf erkent dat hij [appellant] heeft geschopt, staat de mishandeling onomstotelijk vast. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dus is hij aansprakelijk voor de door [appellant] daardoor geleden (immateriële) schade.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding (grieven 1 en 2)

3.8.

[appellant] merkt onder nr. 2 van de memorie van grieven op dat het bij de vergoeding van de immateriële schade aankomt op een schatting naar billijkheid, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden. Van der [appellant] wijst in dat verband op:

  • -

    de aard en ernst van de normschendig en hetgeen daaromtrent bekend is geworden;

  • -

    de aard en ernst van het toegebrachte fysieke letsel en de psychische klachten die daaruit voortvloeien en de overige gevolgen voor [appellant] ;

  • -

    de lange duur van de aanhoudende klachten;

  • -

    het feit dat [appellant] meerdere operaties heeft moeten ondergaan;

  • -

    de blijvende gevolgen en impact op het leven van [appellant] ;

  • -

    de aard en de ernst van de psychische problematiek, waaronder aanhoudende nare beelden/herinneringen, onveiligheidsgevoel, geen levens- en arbeidsvreugde meer, stemmingswisselingen, gedragsveranderingen en herbelevingen.

Volgens grief 1 heeft de politierechter ten onrechte geoordeeld dat in de rechtspraak onvoldoende steun is te vinden voor toekenning van het gevorderde bedrag van € 5.000,00. Ter onderbouwing wijst [appellant] op een aantal uitspraken, die naar zijn mening vergelijkbaar zijn en waarbij een smartengeld vergoeding van € 5.000,00 (ECLI:NL:RBMNE:2014:4759) respectievelijk € 8.000,00 (rolnummer 97-2835) is toegekend. Grief 2 klaagt erover dat de politierechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan categorie 3 van de Letsellijst Schadefonds Geweldmisdrijven (prod. 9 bij de brief van 8 oktober 2018). [appellant] merkt op dat een polsfractuur onder categorie 2 (€ 2.500,00) valt, maar er spelen nog andere lichamelijke klachten zoals een gebroken 2e lendenwervel, hoofdpijn en tinnitusklachten. Daarnaast kampt [appellant] met cognitieve problemen en psychische klachten en daarom is toepassing van categorie 3

(€ 5.000,00) redelijk.

3.9.

[geïntimeerde] daarentegen is van mening dat de politierechter een juiste belangenafweging heeft gemaakt. Hij betwist de door [appellant] in nr 2 van de memorie van grieven genoemde zes punten alsook de door [appellant] gestelde psychische klachten en de gestelde impact op het leven van [appellant] . Daarbij wijst [geïntimeerde] erop dat de politierechter bij het vaststellen van de hoogte van de smartengeldvergoeding rekening heeft gehouden met de onrechtmatige handelingen van [appellant] zelf. Wat betreft de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven merkt [geïntimeerde] op dat dit slechts een indicatieve lijst is, waarbij sec naar het letsel wordt gekeken en geen rekening wordt gehouden met de feiten en omstandigheden. [appellant] merkt zelf op dat zijn letsel onder categorie 2 valt en er is geen reden waarom het letsel onder categorie 3 valt, waarbij hij betwist dat sprake is van psychisch leed.

3.10.

Het hof stelt voorop dat de begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Nu het bij [appellant] gaat om letselschade, zijn bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding vooral de aard en de ernst van het letsel relevante omstandigheden. Zie ook de door [appellant] genoemde omstandigheden. Maar ook ‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) is bij het begroten van de schade van belang. Nu zoals hiervoor is overwogen, in dit hoger beroep wordt uitgegaan van ongeveer 25% eigen schuld, is van het naar billijkheid vast te stellen bedrag in ieder geval slechts 75% toewijsbaar.

3.11.

[appellant] stelt wel in nr. 1 van de memorie van grieven dat het gaat om een zeer ernstige mishandeling met zwaar letsel, maar uit de aantekening mondeling vonnis blijkt echter dat [geïntimeerde] voor eenvoudige mishandeling (artikel 300 Sr) is veroordeeld, niet voor zware mishandeling (artikel 302 Sr). Verder blijkt uit de aantekening mondeling vonnis niet waaruit de mishandeling heeft bestaan en tot welk letsel dat heeft geleid. [geïntimeerde] heeft zelf tijdens de zitting bij de politierechter erkend dat hij [appellant] heeft geschopt en dat deze daarbij ten val is gekomen. Op grond van deze erkenning staat naar het oordeel van het hof vast dat [geïntimeerde] [appellant] in ieder geval een keer heeft geschopt alsook dat [appellant] daarbij ten val is gekomen. Dat [appellant] daarbij letsel heeft opgelopen, acht [geïntimeerde] waarschijnlijk. Daarmee heeft [geïntimeerde] in wezen erkend dat [appellant] letsel heeft opgelopen, in ieder geval heeft hij dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond daarvan staat als niet weersproken vast dat [appellant] bij de mishandeling zijn pols heeft gebroken.

[appellant] stelt voorts dat hij aan zijn pols een aantal malen is geopereerd, dat hij daaraan blijvende schade heeft overgehouden en verwijst in dat verband naar het als productie 2 overgelegde medisch dossier. Ook verwijst hij ter onderbouwing van de door hem gestelde psychische klachten en de impact daarvan op zijn leven naar datzelfde medisch dossier. Aldus heeft [appellant] zijn stellingen omtrent de ernst en de gevolgen van het letsel evenwel onvoldoende geconcretiseerd. Het hof is van oordeel dat in dit geval niet kon worden volstaan met een enkele verwijzing naar een omvangrijk en ongeordend overgelegd medisch dossier. Het is niet de taak van het hof om zelf in dat dossier op zoek te gaan naar de relevante (medische) stukken. Van (de advocaat van) [appellant] had verwacht mogen worden dat hij het hof daarbij concreet had gewezen op de in het licht van zijn stellingen relevante medische stukken en/of verklaringen. Nu [appellant] dat heeft nagelaten, is zijn vordering bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing niet toewijsbaar. Ook is bewijslevering daarom niet aan de orde. De grieven blijven steken in algemeenheden.

3.12.

Dit betekent dat de grieven 1 en 2 falen.

3.13.

Het beroepen vonnis wordt voor zover in dit hoger beroep aan de orde, dus ten aanzien van de beslissing inzake het afgewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, bekrachtigd.

3.14.

[appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] . Deze kosten worden begroot op:

  • -

    aan griffierechten € 324,00

  • -

    aan salaris advocaat € 759,00 (1 x tarief I).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de politierechter van de rechtbank Limburg van 15 februari 2018 voor zover in dit hoger beroep aan de orde;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 324,00 aan griffierecht en op € 759,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M. van Ham en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2020.

griffier rolraadsheer