Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
200.250.500_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening van legitieme portie. Is sprake van een gift in de zin van art. 4:65 BW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0143
JERF Actueel 2020/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.250.500/01

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna ieder afzonderlijk aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 november 2018 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 12 juli 2017, 29 november 2017 en 15 augustus 2018, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/315826 / HA ZA 16-370)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

In overweging 2 van het tussenvonnis van 12 juli 2017 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

3.1.1

Partijen zijn de (enige) kinderen uit het huwelijk van [erflater] (hierna: vader) en [erflaatster] (hierna: moeder). Vader en moeder waren gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. De akte van huwelijkse voorwaarden van 29 januari 1953 houdt onder meer een gemeenschap van winst en verlies in.

3.1.2

Vader en/of moeder hadden onroerende zaken in eigendom, te weten een woning aan de [straat 1] in [plaats] , een woning aan de [straat 2] in [plaats] en diverse percelen (landbouw)grond.

3.1.3

Vader heeft de onroerende zaak aan de [straat 1] te [plaats] laten taxeren door [de taxateur 1] , taxateur te [vestigingsplaats] (hierna: [de taxateur 1] ), ten behoeve van een verkoop aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [de taxateur 1] heeft in een taxatierapport van 1 december 2003 de onroerende zaak getaxeerd op een waarde in het economisch verkeer van € 190.600,-.

3.1.4

Vader en moeder hebben de onroerende zaak aan de [straat 2] in [plaats] en de percelen (landbouw)grond laten taxeren door ing. [de taxateur 2] van [de Makelaardij] Makelaardij (hierna: [de taxateur 2] ), ook ten behoeve van een verkoop aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [de taxateur 2] heeft in een taxatierapport van 25 augustus 2004 de aan moeder in eigendom toebehorende onroerende zaken, waarvan een deel aan derden was verpacht, getaxeerd op een waarde in het economisch verkeer van € 1.334.200,- en de aan vader in eigendom toebehorende onroerende zaken op een waarde in het economisch verkeer van € 1.174.000,-, in totaal € 2.508.200,-.

3.1.5

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de onroerende zaken van vader en/of moeder in oktober 2004 van hen gekocht.

3.1.6

De onroerende zaken zijn aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geleverd bij notariële akten van 18 oktober 2004, tegen een koopprijs voor zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] van € 1.079.520,-, zijnde de getaxeerde waarde in vrije staat, behoudens pacht/verhuur aan derden, van
€ 2.698.800,- (€ 2.508.200,- + € 190.600,-), verminderd met een waardedruk van 20% omdat het verkochte, voor zover niet verhuurd/verpacht aan derden, in huur/pacht bij de koper zou blijven of komen.

3.1.7

Bij notariële akten van verbetering van levering van 25 februari 2005 zijn de notariële akten van 18 oktober 2004 hersteld in die zin dat de koopprijs voor zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] € 1.003.874,- bedroeg, zijnde de getaxeerde waarde in vrije staat, behoudens pacht/verhuur aan derden, van € 2.698.800,-, verminderd met een waardedruk van 30% voor alleen de onroerende zaken die vader en moeder als pachter in gebruik bleven houden.

3.1.8

Vader en moeder hebben vanaf 2004 tot en met 2007 gezamenlijk een deel van de koopsom kwijtgescholden, te weten in totaal € 1.757.094,-. Het resterende bedrag van
€ 250.655,- is door moeder in 2008 geschonken aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

3.1.9

[appellant] heeft de onroerende zaken van vader en/of moeder, met uitzondering van de [straat 1] te [plaats] , laten taxeren door [de taxateur 3] van [de makelaar] Makelaar (hierna: [de makelaar] ). [de makelaar] heeft in een taxatierapport van 21 september 2006 de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, van de daarin vermelde onroerende zaken op peildatum 16 september 2006 gewaardeerd op een bedrag van in totaal € 4.002.020,-.

3.1.10

Vader is overleden op 2 januari 2007. Hij heeft bij testament van 26 november 2003 over zijn nalatenschap beschikt. Bij dat testament heeft hij tot zijn erfgenamen benoemd moeder voor een/honderdste gedeelte en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor het overige gedeelte van zijn nalatenschap. [appellant] is uitgesloten als erfgenaam.

3.1.11

[appellant] heeft in een brief van 7 maart 2007 aan notaris mr. [de notaris] te [standplaats] aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader.

3.1.12

Moeder is overleden op 29 november 2012. Zij heeft bij testament van 26 november 2003 over haar nalatenschap beschikt, waarbij zij tot haar erfgenaam heeft benoemd vader voor een/honderdste gedeelte en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor het overige gedeelte van haar nalatenschap. [appellant] is uitgesloten als erfgenaam.

3.1.13

Dhr. [accountant van Belastingadviseurs en Juristen] van [Belastingadviseurs en Juristen] Belastingadviseurs en Juristen B.V. (hierna: [Belastingadviseurs en Juristen] ) heeft in een brief van 25 oktober 2013 aan [appellant] een berekening gemaakt van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader. De legitieme portie in de nalatenschap van vader is vastgesteld op € 169.801,-.

3.1.14

De advocaat van [appellant] heeft in brieven van 6 november 2013 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aanspraak gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder. In de brieven aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] staat:

Tot mij wendde zich wederom uw broer (…), in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen uw moeder. (…) Cliënt maakt aanspraak op zijn wettelijk erfdeel in de nalatenschap van uw moeder.

Gezien het bepaalde in artikel 4:78 BW zie ik gaarne van u tegemoet een afschrift van alle bescheiden die cliënt voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Voorts ontvang ik graag een afschrift van het testament van uw moeder.

Met vriendelijke groet (…)”.

3.1.15

[Belastingadviseurs en Juristen] heeft in een brief van 15 januari 2014 aan [appellant] een berekening van zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder gemaakt. De legitieme portie in de nalatenschap van moeder is vastgesteld op een bedrag van € 201.991,-:

Berekening legitimaire massa

Omvang nalatenschap cf. aangifte erfbelasting nihil

Bij: kwijtscheldingen in verband met overdracht landbouwgrond 2004 (50%) € 878.546

Bij: kwijtscheldingen in verband met overdracht landbouwgrond (na 2007) € 250.655

Bij: schenkingen jaren ’90 ad fl. 80.000,-- (50%) € 18.151

Bij: schenking effecten 2011 € 64.595

Legitimaire massa € 1.211.947

Berekening legitieme portie

1/2 x 1/3 x € 1.211.947 (legitimaire massa) € 201.991

3.1.16

[appellant] heeft de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van vader en moeder gekochte gronden die op 16 september 2006 waren aangewezen voor bestemmingswijziging tot glastuinbouw laten taxeren door [de taxateur 4] van [Makelaars, Taxateurs en Adviseurs] Makelaars, Taxateurs en Adviseurs (hierna: [de taxateur 4] ). [de taxateur 4] heeft de waarde in het economisch verkeer van deze gronden, op basis van een prijsafspraak tussen ZLTO en Zeeland Seaports, vastgesteld op
€ 3.161.445,- en daarbij aangegeven dat [de makelaar] deze gronden had gewaardeerd voor een bedrag van € 1.402.180,-.

3.1.17

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben op 25 februari 2016 een bedrag van € 371.792,- aan [appellant] voldaan (€ 169.801,- + € 201.991,-).

De procedure in eerste aanleg

3.2.1

In eerste aanleg vorderde [appellant] , bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

- primair hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling aan hem van
€ 625.589,- (abusievelijk is € 997.381,- vermeld, terwijl de betaling van € 371.792,- hierop in mindering had moeten worden gebracht en het juiste bedrag € 625.589,- is, aldus [appellant] ), vermeerderd met wettelijke rente over € 169.801,- vanaf 29 november 2012 en over
€ 455.788,- vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening en over € 371.792,- vanaf 6 november 2013 tot 25 februari 2016; en
- subsidiair afzonderlijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling aan hem van de helft van de bedragen en wettelijke rente zoals hiervoor onder primair vermeld;

- zowel primair als subsidiair: kosten rechtens.

3.2.2

Aan deze vordering heeft [appellant] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van vader en moeder gekochte onroerende zaken zijn veel te laag getaxeerd door [de taxateur 2] . [appellant] heeft de onroerende zaken in 2006 laten taxeren door [de makelaar] voor een bedrag van € 4.002.020,-, waarvan een bedrag van
€ 1.402.180,- de gronden betrof waarop de glastuinbouwontwikkelingen betrekking hadden. Deze gronden zijn geherwaardeerd door [de taxateur 4] , die uitkwam op € 3.161.445,-. De totale waarde van de onroerende zaken is dus € 5.761.285,- (de door [de makelaar] getaxeerde waarde van € 4.002.020,- minus € 1.402.180,- plus € 3.161.445,-).
De koopsom van de onroerende zaken bedroeg tweemaal € 1.003.875,-, zodat een bedrag van € 3.753.535,- (€ 5.761.285,- minus de koopsommen) moet worden aangemerkt als een bevoordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door vader en moeder. Dit bedrag moet als gift worden opgenomen in de berekening van de legitimaire massa in de nalatenschap van moeder, die daarom € 4.965.482,- bedraagt (€ 1.211.947,- + € 3.753.535,-).
De legitieme portie van [appellant] in de nalatenschap van moeder is € 827.580,- (½ x 1/3 x
€ 4.965.482,-). De legitieme portie in de nalatenschap van vader is € 169.801,-. Dit is bij elkaar opgeteld € 997.381,- (€ 827.580,- + € 169.801,-). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben al
€ 371.792,- voldaan, zodat een bedrag resteert van € 625.589,-, aldus [appellant] .

3.2.3

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4

In het tussenvonnis van 12 juli 2017 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het, gelet op het verschil in visie op de waarde van de onroerende zaken in het taxatierapport van [de taxateur 2] , in de rede lag om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zou daarna eventueel worden toegekomen aan een beoordeling van de overige (juridische) geschilpunten tussen partijen. De rechtbank heeft een onderzoek bevolen ter beantwoording van de in rov. 5 van het tussenvonnis opgenomen vragen, met benoeming van dhr. J.C. Vette, Taxaties & Advies te [kantoorplaats 1] (hierna: Vette), tot deskundige en onder de bepaling dat [appellant] het voorschot op de kosten van de deskundige diende over te maken.

3.2.5

In het tussenvonnis van 29 november 2017 heeft de rechtbank overwogen dat Vette in een brief van 22 september 2017 had medegedeeld de opdracht terug te geven in verband met de aansprakelijkheidsbeperkende voorwaarden. De rechtbank heeft Vette ontheven van zijn taak als deskundige en ing. A.L.M. Woestenberg, werkzaam bij [Grondbeleid Adviesbureau] Grondbeleid Adviesbureau BV te [kantoorplaats 2] (hierna: Woestenberg) benoemd tot nieuwe deskundige.

3.2.6

In het eindvonnis van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] akkoord zijn gegaan met benoeming van Woestenberg tot deskundige en dat van [appellant] geen bericht was ontvangen, waarna Woestenberg bij tussenvonnis van 29 november 2017 tot deskundige is benoemd. De rechtbank heeft overwogen dat de advocaat van [appellant] bij brief van 7 februari 2018 heeft laten weten dat [appellant] door de benoeming van Woestenberg tot deskundige was overvallen, dat hij een andere deskundige wenste en het voorschot niet zou voldoen. De rechtbank heeft deze bezwaren als tardief terzijde gelaten, vastgesteld dat [appellant] het voorschot van de deskundige niet heeft betaald en de deskundige dan ook geen onderzoek heeft verricht en niet heeft gerapporteerd. Daarmee is de stelling van [appellant] , dat de waarde van de onroerende zaken in het taxatierapport van [de taxateur 2] aanzienlijk hoger is, niet vast komen te staan. De rechtbank heeft het ervoor gehouden dat de verkoop tegen een reële waarde heeft plaatsgevonden, zodat van een gift aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alleen al om die reden geen sprake is. De vordering van [appellant] is afgewezen en [appellant] is in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] veroordeeld.

De procedure in hoger beroep

3.3

[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 29 november 2017 en 15 augustus 2018 en tot het alsnog, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de beroepen vonnissen. Zij hebben in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het tussenvonnis van 12 juli 2017 en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis van 15 augustus 2018.

Internationale aspecten

3.5

[appellant] woont in België, zodat de zaak internationale aspecten heeft. De rechtbank is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (art. 3 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten) en de toepasselijkheid van het Nederlands recht (art. 10:145 BW en art. 3 lid 1 Haags erfrechtverdrag 1989).

Incidenteel hoger beroep

3.6

Het incidenteel hoger beroep wordt eerst behandeld. Als de daarin opgeworpen grief slaagt, heeft [appellant] bij zijn grieven I tot en met III in het principaal hoger beroep geen belang meer, omdat die grieven dan niet meer tot de beoogde toewijzing van zijn vordering tot betaling van € 625.589,- (of tweemaal € 312.794,50), vermeerderd met wettelijke rente, kan leiden.

3.7

Met hun grief in het incidenteel hoger beroep betogen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat de rechtbank, alvorens een deskundige te benoemen, eerst had moeten ingaan op het verweer dat geen sprake is geweest van een gift c.q. schenking bij de aankoop van de onroerende zaken. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten dat hiervan sprake is, omdat zij de onroerende zaken tegen een reële prijs in eigendom hebben verkregen en bij vader en moeder geen sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling. Met het benoemen van een deskundige gaan aanzienlijke kosten gemoeid die mogelijk onnodig worden gemaakt, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

3.8

Deze grief slaagt.

3.9

Art. 4:65 BW bepaalt, kort gezegd, dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden zoals bedoeld in dat artikel.

3.10

Volgens art. 7:186 lid 2 BW wordt als gift aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Niet voldoende is dat degene die een ander bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen, zich daarvan bewust is. Vereist is dat diens wil is gericht op bevoordeling van die ander (HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272). Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld (PHR 25 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1083).

3.11

[appellant] stelt, samengevat, dat [de taxateur 2] de onroerende zaken van vader en/of moeder in 2004 heeft getaxeerd voor een te laag bedrag. Hij heeft de onroerende zaken in 2006 door [de makelaar] laten taxeren, waarbij geen rekening is gehouden met de ontwikkelingen betreffende de glastuinbouw die in oktober 2004 al wel bekend waren. [appellant] heeft de gronden waarop de glastuinbouwontwikkelingen betrekking hadden laten herwaarderen door [de taxateur 4] . De meerwaarde van de gronden beloopt € 3.753.535,-. Deze bevoordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door vader en moeder dient te worden aangemerkt als een gift die in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de omvang van zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder, aldus [appellant] .

3.12

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben betwist dat sprake is van een gift. Zij hebben hiertoe onder meer naar voren gebracht dat zij een geruime tijd met vader en moeder in gesprek waren over de overdracht van de onroerende zaken. Zij zijn in dit traject begeleid door [Belastingadviseurs en Juristen] .
[de taxateur 2] , een beëdigd agrarisch taxateur en makelaar in Zeeuws-Vlaanderen, heeft de onroerend zaken getaxeerd op een waarde in het economisch verkeer. [de taxateur 1] , een beëdigd taxateur, had de onroerende zaak aan de [straat 1] in [plaats] al getaxeerd. De totale koopsom van de over te dragen onroerende zaken kwam te liggen op € 2.698.800,-.
De notaris heeft bij het verlijden van de akten van levering op 18 oktober 2004 de totale koopsom verminderd met een waardedruk van 20%, omdat enkele onroerende zaken bij vader en moeder in gebruik bleven. Vader boerde in die tijd nog volop en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben met vader en moeder reguliere pachtcontracten gesloten.
De behandelend accountant wees erop dat de notariële akten van levering van 18 oktober 2004 niet correct waren. Ten onrechte was de totale getaxeerde waarde verminderd met een waardedruk van 20%. In de akten van levering van 25 februari 2005 is deze omissie gecorrigeerd. Een deel van de onroerende zaken, namelijk de gronden in verpachte staat en de woning aan de [straat 1] in [plaats] , zijn overgedragen tegen 100% van de getaxeerde waarde. De overige landbouwgrond en de woning aan de [straat 2] in [plaats] zijn overgedragen voor 70% van de getaxeerde waarde, omdat vader en moeder deze zaken als pachter in gebruik hielden. Nu de onroerende zaken in eigendom zijn verkregen tegen betaling van een reële prijs, is geen sprake van een gift, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
Bij vader en moeder was ook geen sprake van een bevoordelingsbedoeling. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben van vader en moeder begrepen dat zij slechts wilden voorkomen dat [appellant] na hun overlijden aanspraak zou kunnen maken op de eigendomsrechten op het onroerend goed. Vader en moeder hebben overwogen om het onroerend goed bij testament middels legaten aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] over te dragen, maar op advies van de accountant en na overleg met de belastingdienst is uiteindelijk besloten om de overdracht tijdens leven te laten plaatsvinden zodat vader en moeder er verzekerd van zouden zijn dat het conform hun wens was geregeld. Vader en moeder kwamen beiden uit een familie van landbouwers. Het lag in de lijn der verwachtingen dat [appellant] op termijn vader zou opvolgen in het bedrijf. Daartoe is een maatschap opgericht, die slechts enkele jaren heeft bestaan. In die jaren was het voor vader en moeder duidelijk geworden dat zij in [appellant] geen opvolger hadden waaraan zij hun gronden c.q. hun eigendomsrechten konden en wilden overdragen.
Bij vader en moeder was bekend dat [appellant] recht had op zijn legitieme portie. Om die reden is het onroerend goed getaxeerd door een beëdigd agrarisch taxateur. Het was de bedoeling van vader en moeder om de gronden tegen een reële waarde te verkopen en de koopprijs vervolgens in jaarlijkse termijnen in de vorm van schenkingen aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] kwijt te schelden, zodat over een deel van hun vermogen 10% schenkingsrecht werd afgedragen in plaats van 20% erfbelasting bij hun overlijden. Pas bij het kwijtschelden van (delen van) de koopprijs is voldaan aan de vereisten voor een gift en bestond bij vader en moeder de wil tot bevoordeling, aldus nog steeds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

3.13

Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 12 juli 2017 dat voor wat betreft de waarde van de woning aan de [straat 1] in [plaats] moet worden uitgegaan van het taxatierapport van [de taxateur 1] , zodat het hof hier ook vanuit dient te gaan.

3.14

Het hof is van oordeel dat [appellant] , gelet op het verweer van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , zijn stelling dat [de taxateur 2] de onroerende zaken van vader en/of moeder voor een te laag bedrag heeft getaxeerd niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd.

3.15

Tussen partijen staat vast dat de peildatum waarop moet worden beoordeeld of sprake is van een gift in dit geval 18 oktober 2004 is. Het taxatierapport van [de taxateur 2] , een beëdigd taxateur en NVM-makelaar in Zeeuws-Vlaanderen, is opgemaakt op 25 augustus 2004. Gesteld noch gebleken is dat de door [de taxateur 2] getaxeerde waarde van de onroerende zaken op 18 oktober 2004 anders zou zijn. [appellant] heeft weliswaar verwezen naar de in zijn opdracht opgemaakte taxatierapporten van [de makelaar] en [de taxateur 4] , maar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben terecht naar voren gebracht dat deze rapporten van een latere datum, respectievelijk 16 september 2006 en 10 maart 2015 zijn en dus niet zien op de peildatum van 18 oktober 2004.

3.16

Volgens [appellant] is de door [de taxateur 2] aangehouden hectareprijs voor landbouwgrond te laag geweest en is ten onrechte geen rekening gehouden met bekende waarde verhogende omstandigheden, met name de aanwijzing van een deel van de gronden als gebied voor glastuinbouw. Er is volgens hem geen sprake van een reële zakelijke transactie, alleen al vanwege de aanzienlijke verschillen tussen de taxaties die partijen hebben laten verrichten. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben dit gemotiveerd weersproken.
Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] moet worden uitgegaan van het taxatierapport van [de taxateur 2] omdat [de makelaar] ten onrechte uniforme prijzen per hectare heeft gerekend. [de makelaar] heeft geen rekening gehouden met de aard van het onroerend goed, bijvoorbeeld een stuk dijk voor een woning (perceel [sectieletter 1 +sectienummer 1] ), een bietenstortplaats (perceel [sectieletter 1 + sectienummer 2] ) of percelen bermen/dijk ( [sectieletter 2 + sectienummer 3] , [sectieletter 2 + sectienummer 4] , [sectieletter 2 + sectienummer 5] en [sectieletter 2 + sectienummer 6] ) en ook niet met de verpachte of verhuurde staat van percelen ( [sectieletter 2 + sectienummer 7] , [sectieletter 2 + sectienummer 8] , [sectieletter 2 + sectienummer 9] , [sectieletter 2 + sectienummer 10] , [sectieletter 3 + sectienummer 11] en [sectieletter 4 + sectienummer 12] ). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben betoogd dat [de makelaar] niet in de opstallen is geweest om deze te taxeren, noch in 2004 noch in 2006, dat [de makelaar] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stijgende waardeontwikkeling gedurende die periode en evenmin met de na 18 oktober 2004 door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan de opstallen verrichte (onderhouds)werkzaamheden.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben ook betwist dat [de taxateur 2] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanwijzing van een deel van de gronden als gebied voor glastuinbouw. Volgens hen was het in 2004 niet duidelijk en niet zeker dat glastuinbouw ontwikkeld zou worden en ook niet dat vader en moeder land in eigendom hadden dat daarvoor in aanmerking zou komen. Zij hebben ter onderbouwing hiervan verwezen naar het taxatierapport van [de makelaar] , waarin staat: “(…) De gemeente Terneuzen is bezig met de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied Kanaalzone (…). Een gedeelte van de gronden ligt in de Autrichepolder en ligt in dit plan. Er is nog geen zekerheid over deze plannen, vandaar dat in deze taxatie geen rekening is gehouden met deze plannen in deze waardering (…)”. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben pas vanaf 1 augustus 2005 informatieve bijeenkomsten over glastuinbouw plaatsgevonden. Bij beslissing van 4 november 2008, dus vier jaar na de koop van de onroerende zaken van vader en moeder, heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland besloten over de goedkeuring van het daartoe door de gemeenteraad van Terneuzen op 26 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan. Daarna zijn hiertegen nog procedures gevoerd bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ook door [appellant] die zich heeft verweerd tegen de komst van de glastuinbouw in de Kanaalzone. Verder heeft [de taxateur 4] volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in haar taxatierapport blijkbaar hun percelen in de Autrichepolder in zijn geheel in de herberekening betrokken, terwijl niet alle grond, maar slechts een deel voor glastuinbouw en dus voor verkoop aan Zeeland Seaports in aanmerking kwam.

[appellant] heeft dit alles niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.17

[appellant] heeft niet betwist dat de woning aan de [straat 1] in [plaats] en de gronden in verpachte staat dienden te worden overgedragen tegen respectievelijk 100% van de getaxeerde waarde en de woning aan de [straat 2] in [plaats] en de overige (landbouw)gronden voor 70% van de getaxeerde waarde, zodat het hof uitgaat van de juistheid hiervan.

[appellant] is in zijn berekening van de legitieme portie in de nalatenschap van moeder weliswaar uitgegaan van 100% van de in zijn opdracht getaxeerde waarde van de onroerende zaken, maar dit leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot een ander oordeel.

3.18

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de koopprijs van de onroerende zaken, die is gebaseerd op de taxatierapporten van [de taxateur 2] en [de taxateur 1] , geen reële waarde is. Bewijslevering, al dan niet door een deskundige, is niet aan de orde.

3.19

Het voorgaande wordt niet anders indien daarbij het standpunt van [appellant] wordt betrokken dat noch [geïntimeerde 1] , noch [geïntimeerde 2] ervaring heeft in de landbouw en de gronden niet zijn verkocht in het kader van bedrijfsopvolging, terwijl hij actief is als agrarisch ondernemer en de gronden in zijn bedrijf goed in exploitatie had kunnen nemen.

3.20

Naar het oordeel van het hof is gelet op alle omstandigheden van dit geval, waaronder de familieverhoudingen, geen bevoordelingsbedoeling bij de verkoop en het vaststellen van de koopprijs aanwezig geweest bij vader en moeder.

Niet in geschil is dat vader en moeder, die zich hebben laten voorlichten door de notaris, na advies van de accountant en in overleg met de belastingdienst zelf hebben besloten om de onroerende zaken tijdens hun leven aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te verkopen en dat ook hebben gedaan. Vader en moeder waren zich ervan bewust dat de verkoop aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voordelen voor henzelf met zich zouden meebrengen. De eigendomsrechten van de onroerende zaken zouden in dat geval alleen aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toekomen, zoals zij kennelijk wensten, en niet aan [appellant] of anderen buiten de familie. Dat het volgens [appellant] niet nodig was om de gronden te verkopen om te voorkomen dat hij aanspraak zou kunnen maken op eigendomsrechten maakt dit niet anders.
De koopprijs bij de overdracht was gebaseerd op de door [de taxateur 2] en [de taxateur 1] getaxeerde waarde in het economisch verkeer. Zowel [de taxateur 2] als [de taxateur 1] zijn beëdigd taxateurs alsmede NVM-, respectievelijk VBO-makelaar in Zeeuws-Vlaanderen. Niet kan worden vastgesteld dat deze, en de in de notariële akten van 25 februari 2005 vermelde koopprijzen, gebaseerd op de getaxeerde waarde verminderd met een waardedruk van 30% voor de onroerende zaken die vader en moeder als pachter in gebruik bleven houden, geen reële waarde is. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gevolgd in hun betoog dat pas vier jaar later, in 2008, duidelijk werd dat een deel van het onroerend goed in aanmerking kwam voor glastuinbouwontwikkelingen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de koopsom aanvankelijk verschuldigd was. Een deel van de koopsom is vervolgens door vader en moeder kwijtgescholden. Na het overlijden van vader heeft moeder het restant geschonken. Door tijdens leven al te schenken, hoefde over de nalatenschap van vader en moeder minder erfbelasting te worden betaald. Dit is geen bevoordelingsbedoeling, maar de bedoeling om te kiezen voor een zo gunstig mogelijk fiscaal regime en de betrokkenheid van accountant [accountant van Belastingadviseurs en Juristen] is daar een extra aanwijzing voor. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben erkend dat de latere kwijtschelding en schenking van de koopsom wel als gift is aan te merken. Zij hebben deze bedragen betrokken in de berekening van de legitieme portie van [appellant] in de nalatenschap van moeder.

3.21

De slotsom is dat de grief in incidenteel hoger beroep slaagt.

In principaal hoger beroep

3.22

De grieven I tot en met III in het principaal hoger beroep richten zich, samengevat, tegen de benoeming van Woestenberg tot deskundige en de afwijzing van de vordering van [appellant] tot betaling van € 625.589,-. Deze grieven behoeven geen bespreking. Ook als (één van) deze grieven zou(den) slagen, dan leidt dat niet tot toewijzing van de vordering van [appellant] tot betaling van € 625.589,- (of tweemaal € 312.794,50).

3.23

Grief IV richt zich tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] tot betaling van de wettelijke rente over € 371.792,- over de periode vanaf 6 november 2013 tot 25 februari 2015.

3.24

De aanspraak op wettelijke rente moet worden bepaald aan de hand van art. 6:119 BW en art. 6:81 e.v. BW. Vereist is dat de vordering opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim is.

3.25

[appellant] stelt dat hij tijdig aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder en uitbetaling daarvan. Hij heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herhaaldelijk om de bescheiden verzocht die nodig zijn om de legitieme portie te berekenen. Die gegevens zijn nimmer verstrekt, zodat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in verzuim verkeerden. Zij hebben ondanks het betalingsverzoek tot 25 februari 2016 enige betaling achterwege gelaten, aldus [appellant] .

3.26

Het hof is van oordeel dat de brief van de advocaat van [appellant] (zie rov. 3.1.14) niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van art. 6:82 lid 1 BW waarmee [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in verzuim zijn komen te verkeren. Niet gebleken is dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] eerder in verzuim zijn gebracht dan met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 10 mei 2016. Zij hadden voor die tijd, op 25 februari 2016, al het bedrag van € 371.792,- aan [appellant] voldaan, zodat zij geen wettelijke rente verschuldigd zijn. Grief IV kan niet tot toewijzing van de vordering van [appellant] leiden.

In principaal en incidenteel hoger beroep

3.27

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zullen de kosten van de procedure in eerste aanleg en het principaal hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna te melden. Grief V in principaal hoger beroep slaagt.

3.28

In het incidenteel appel blijft een kostenveroordeling achterwege omdat het betrekking heeft op een geschilpunt dat het hof ook zonder dat incidenteel beroep had moeten behandelen, als (één van) de grieven in het principaal hoger beroep zou(den) slagen.

3.29

Op grond van voorgaande zal het hof het vonnis van 15 augustus 2018 vernietigen, maar alleen voor zover [appellant] is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . De proceskosten in eerste aanleg en in principaal hoger beroep zullen worden gecompenseerd aldus dat elke partij de eigen kosten draagt. De vonnissen waarvan beroep zullen voor het overige worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van 15 augustus 2018, maar alleen voor zover [appellant] in rov. 3.2 van het dictum is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;

en in zoverre opnieuw recht doende:

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in het principaal hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, M.E. Smorenburg en H.K.N. Vos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2020.

griffier rolraadsheer