Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1666

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
29-05-2020
Zaaknummer
200.273.850_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:10568
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wordt ingetrokken. Kan dit? Geen bewijs voor de dringende reden

Arbeidsrecht WWZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0592
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 28 mei 2020

Zaaknummer : 200.273.850/01

Zaaknummer eerste aanleg : 8086690 AZ VERZ 19-92

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. S. Deliran te 's-Gravenhage,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. F.H.H.M. Degens te Voerendaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 november 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 4 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2020;

- de op 30 april 2020 gehouden mondelinge digitale behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Deliran;

- de heer [gevolmachtigd directeur] , gevolmachtigd directeur van [verweerster] , bijgestaan door mr. Degens.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is met ingang van 19 maart 2019 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten tot en met 18 november 2019, in dienst getreden van [verweerster] in de functie van assistent monteur tegen een loon van € 1.941,00 bruto per maand.

  2. Op 3 september 2019 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij van de zijde van [verweerster] te kennen is gegeven dat zij van een klant te horen had gekregen dat [appellant] drugs had gebruikt. Bij brief van diezelfde datum heeft [verweerster] [appellant] op staande voet ontslagen. In die brief schrijft [verweerster] :

“(…) Vanmorgen is geconstateerd dat u in strijd met deze gedragscode heeft gehandeld door verdovende middelen te gebruiken tijdens de werktijd. Vanwege het door u getoonde volstrekt onaanvaardbare gedrag, bestaande uit het gebruiken van verdovende middelen tijdens werktijd en het aldus in strijd handelen met deze gedragscode, heb ik u mondeling op staande voet ontslagen (zoals bedoeld in artikel 7:678 BW). Dit ontslag bevestig ik u thans schriftelijk. Voor zover u meerdere keren verdovende middelen zou hebben gebruikt tijdens werktijd merk ik hierbij op dat iedere keer afzonderlijk dat u zulks heeft gedaan en aldus in strijd heeft gehandeld met de gedragscode, alsmede deze voorvallen in onderlinge samenhang beschouwd, aangemerkt kunnen worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet.”

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] de kantonrechter verzocht:

  1. primair: vernietiging van de onverwijlde opzegging en wedertewerkstelling, subsidiair: toekenning van een billijke vergoeding van € 10.000,00 alsmede de gefixeerde vergoeding (ter hoogte van het loon over de periode 3 september 2019 tot en met 31 oktober 2019) en om het beding in de studiekostenovereenkomst waarin wordt bepaald dat [appellant] de studiekosten moet terugbetalen ingeval van een ontslag op staande voet, te ontbinden;

  2. [verweerster] te veroordelen tot het maken van een herberekening van het loon over mei en augustus 2019 en een nieuwe loonstrook ter hand te stellen en het bijbehorende loon binnen veertien dagen na beschikking te betalen;

  3. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over iedere te late betaling van het loon;

  4. voor recht te verklaren dat de in de studiekostenovereenkomst opgenomen bepaling omtrent verschoven uitbetaling van studie-uren nietig is;

  5. voor recht te verklaren dat de afspraak om verlof in te leveren voor doktersbezoek nietig is, althans voor maximaal acht uren per jaar;

  6. voor recht te verklaren dat het afboeken van verlof tijdens arbeidsongeschiktheid onrechtmatig is;

  7. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

Aan het verzoek onder 1. heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij geen drugs heeft gebruikt. Aan de verzoeken onder 2. en 3. is ten grondslag gelegd dat het loon over de maanden mei en augustus niet (volledig) is uitbetaald. Het verzoek onder 4 is onderbouwd met de stelling dat de studiekostenovereenkomst in strijd is met de CAO. De verzoeken onder 5 en 6 zijn in hoger beroep niet herhaald en worden om deze reden verder buiten beschouwing gelaten.

3.2.3.

Bij verweerschrift heeft [verweerster] te kennen gegeven dat zij het ontslag op staande voet intrekt. Dit had zij bij brief een dag eerder, 17 oktober 2019, reeds aan de gemachtigde van [appellant] medegedeeld. Volgens [verweerster] heeft dit tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tot en met 18 november 2019 doorloopt en heeft zij zich dienovereenkomstig bereid verklaard het loon over september, oktober en november 2019 te betalen op de daartoe overeengekomen momenten, zijnde aan het eind van de maand. Verder heeft zij gemotiveerd verweer gevoerd tegen de overige loonvorderingen.

3.2.4.

Bij brief van 21 oktober 2019 heeft [appellant] zijn verzoek als volgt gewijzigd:

Het onder I Primair verzochte wenst verzoeker in te trekken (kort samengevat: vernietiging van de opzegging en herstel van de arbeidsrelatie);

Onder I als Meer subsidiair aan te vullen met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsrelatie op zo kort mogelijke termijn en het toekennen van een billijke vergoeding à € 10.000,- (…) wegens het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ex art. 7:671c BW.

3.3.

Na de mondelinge behandeling op 29 oktober 2019 heeft de kantonrechter bij de bestreden beschikking de verzoeken afgewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het toewijzen van zijn verzoeken, zijnde, kort samengevat:

  • -

    te verklaren voor recht dat aan de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt;

  • -

    de werkgever te veroordelen tot betaling aan de werknemer van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto;

  • -

    de werkgever te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding;

  • -

    te verklaren voor recht dat het studiekostenbeding niet rechtsgeldig is;

  • -

    de werkgever te veroordelen tot het verstrekken en uitbetalen van een eindafrekening;

  • -

    de werkgever te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de maand augustus 2019 met wettelijke verhoging;

  • -

    de werkgever te veroordelen tot betaling van wettelijke rente en

  • -

    de werkgever te veroordelen in de kosten van beide procedures.

3.5.

Door middel van grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter de onderlinge verhouding van de gewijzigde verzoeken onjuist heeft beoordeeld. De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] het verzoek om de opzegging te vernietigen heeft ingetrokken. De conclusie is dan, aldus de kantonrechter, dat de arbeidsovereenkomst door deze opzegging rechtsgeldig is geëindigd. Aan het meer subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan dan niet meer worden toegekomen. Dit verzoek wordt afgewezen.

3.5.1.

[appellant] betoogt dat hij op grond van artikel 7:681 BW recht heeft op een billijke vergoeding, hetgeen hij ook subsidiair heeft gevorderd. Toen hij zijn primaire verzoek introk, werd dit subsidiaire verzoek het primaire verzoek. De kantonrechter had dit verzoek moeten toewijzen, aldus [appellant] .

3.5.2.

[verweerster] stelt dat, toen [appellant] zijn primaire verzoek introk, hij expliciet een keuze had moeten maken voor de billijke vergoeding. Dit heeft hij verzuimd en dus is het oordeel van de kantonrechter correct.

3.5.3.

Het hof is van oordeel dat de wijziging in zijn verzoeken die [appellant] wilde bewerkstelligen inhield dat hetgeen hij subsidiair vorderde, namelijk een billijke vergoeding en de gefixeerde vergoeding, na wijziging door intrekking van hetgeen hij primair verzocht, zijn primaire verzoek werd. Daaraan heeft hij een “meer subsidiair” verzoek toegevoegd hetgeen voor verwarring heeft gezorgd omdat dit “meer subsidiair” ervan uitgaat dat er ook nog een subsidiair verzoek voorlag. Dit was niet het geval. Nu de verzoeken in hoger beroep duidelijk zijn geformuleerd, komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van hetgeen is verzocht. Deze grief behoeft dan ook geen verdere beoordeling.

3.6.

Middels grief 4 betoogt [appellant] dat er geen dringende reden aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag lag. [appellant] betwist dat hij drugs heeft gebruikt.

[verweerster] stelt dat [appellant] zich daaraan wel schuldig heeft gemaakt. Zij realiseert zich dat de bewijslast van deze stelling bij haar ligt. Zij wil haar bron beschermen en biedt geen bewijs aan. De bronbescherming prevaleert, aldus [verweerster] .

Het hof concludeert dat de dringende reden, gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] , in rechte niet is komen vast te staan. Dat [verweerster] heeft afgezien van bewijslevering komt voor haar rekening en risico. Daarmede staat vast dat [verweerster] [appellant] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Grief 4 slaagt. De verklaring voor recht dat aan de onverwijlde opzegging geen dringende reden ten grondslag ligt, kan dan ook worden toegewezen.

3.7.

Middels grief 6 betoogt [appellant] dat hij recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW.

[verweerster] stelt dat deze grief niet is gericht tegen een specifiek onderdeel van de bestreden beschikking en om die reden niet kan worden toegewezen. Subsidiair wijst zij op het feit dat het ontslag is ingetrokken zodat om die reden geen gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is.

Het hof verwerpt het verweer van [verweerster] . [appellant] heeft in eerste aanleg aanvankelijk subsidiair en, na wijziging van zijn verzoek, primair een gefixeerde schadevergoeding van drie maanden verzocht en de kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen. De grief is dus gericht tegen dit onderdeel van de beschikking.

Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] zich ter zitting expliciet en ondubbelzinnig op het standpunt heeft gesteld dat [verweerster] het door haar gegeven ontslag op staande voet (de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst) niet kan intrekken omdat dat ontslag een eenzijdige rechtshandeling is die slechts met toestemming van [appellant] kan worden ingetrokken, en die toestemming – zo begrijpt de kantonrechter [appellant] – niet is gegeven. De kantonrechter deelt deze opvatting van [appellant] . Tegen dit oordeel is, terecht, geen grief gericht.

Grief 6 slaagt. [verweerster] is de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. De verzochte gefixeerde schadevergoeding, zijnde een bedrag gelijk aan “het salaris van [appellant] tussen 3 september 2019 tot en met 31 oktober 2019”, zal het hof toewijzen.

3.8.

Middels grief 5 betoogt [appellant] dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, zulks op

grond van artikel 7:681 BW.

3.8.1.

[verweerster] stelt dat, nu [appellant] niet uiterlijk ter zitting een keuze heeft gemaakt tussen een beroep op vernietiging en het onderhavige verzoek, dit verzoek moet worden afgewezen.

Het hof is van oordeel dat [appellant] tijdig een keuze heeft gemaakt. Hij heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling bij brief van 21 oktober 2019 zijn beroep op vernietiging ingetrokken en geopteerd voor de billijke vergoeding. Het hof verwijst naar r.o. 3.5.3. van dit arrest.

3.8.2.

[appellant] verzoekt om een billijke vergoeding van ter hoogte van € 10.000,--. Ter onderbouwing van de verzochte hoogte verwijst hij naar het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . Hij is onder druk gezet om in te stemmen met het ontslag. Hij acht het niet onwaarschijnlijk dat [verweerster] hem heeft ontslagen in verband met zijn arbeidsongeschiktheid en de wens om gebruik te kunnen maken van het studiekostenbeding. Tot slot stelt [appellant] dat hij als gevolg van het ontslag studievertraging heeft opgelopen.

[verweerster] wijst erop dat de arbeidsovereenkomst zonder het ontslag nog maar een paar maanden had geduurd, dat [appellant] inmiddels ander werk had gevonden, dat het ontslag niets te maken had met de arbeidsongeschiktheid of het studiekostenbeding en [verweerster] betwist de gestelde studievertraging.

Het hof acht, gegeven alle feiten en omstandigheden, een vergoeding van € 2.000,-- billijk. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] vanaf eind september, begin oktober 2019 een andere baan had. Dat hij als gevolg van het ontslag inkomensschade heeft geleden, is gesteld noch gebleken. Voorts is van belang dat [appellant] een contract bij [verweerster] had voor bepaalde tijd en dat niet gebleken is dat dit zou worden voortgezet na 18 november 2019. De hoogte van de vergoeding is met name gebaseerd op het feit dat [verweerster] [appellant] op staande voet heeft ontslagen wegens drugsgebruik terwijl dit niet bewezen wordt. Daarmee heeft [verweerster] jegens [appellant] ernstig verwijtbaar gehandeld. Daar komt bij dat [verweerster] weliswaar dit ontslag heeft willen intrekken maar tot op de dag van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij [appellant] geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Dit had wel op haar weg gelegen, nu zij in beide situaties, indien intrekking wel of niet mogelijk is, betalingen aan [appellant] verschuldigd was, namelijk ofwel het loon tot het einde van het dienstverband ofwel de gefixeerde schadevergoeding.

3.8.3.

Grief 5 slaagt. Het hof zal de gevorderde billijke vergoeding tot een bedrag van
€ 2.000,-- toewijzen.

3.9.

Middels grief 2 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de overige verzoeken moeten worden afgewezen nu er geen connexiteit is met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

[appellant] onderbouwt dit met de stelling dat artikel 7:686a lid 3 BW toelaat dat nevenvorderingen kunnen worden ingediend met het verzoekschrift.

[verweerster] stelt dat de verzoeken die niet zien op de beëindiging terecht door de kantonrechter zijn afgewezen.

Het hof oordeelt over de verzoeken die in hoger beroep voorliggen. Deze hebben allen voldoende connexiteit tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van de eerste drie verzoeken en het verzoek aangaande de eindafrekening bestaat daarover tussen partijen geen verschil van mening. De verzoeken ten aanzien van de studiekosten en het achterstallig salaris van augustus hebben betrekking op de eindafrekening nu [verweerster] heeft bepleit dat zij in verband met het einde van de arbeidsovereenkomst het door haar verschuldigde salaris over de maand augustus 2019 verrekent met vorderingen uit hoofde van de studiekosten en de verlofdagen. Er is dus ook hier voldoende connexiteit om de verzoeken inhoudelijk te beoordelen. De grief slaagt.

3.10.1.

Middels grief 7 betoogt [appellant] dat terugvordering van studiekosten en/of salaris dat betaald is, in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid maar tevens ook in strijd is met goed werkgeverschap. [verweerster] betwist dit en stelt dat het beding rechtsgeldig is overeengekomen. [verweerster] heeft toegelicht dat zij een bedrag van € 796,-- aan studiekosten heeft verrekend met het loon van, zo wordt in hoger beroep betoogd, augustus 2019. Het gaat hier om 10 scholingsdagen, de eerste op 22 maart 2019 en de laatste op 30 augustus 2019.

3.10.2

Het hof stelt vast dat, met uitzondering van de dag in augustus, [verweerster] het loon over deze scholingsdagen aan [appellant] heeft uitbetaald en dat zij dit loon nu wenst terug te vorderen middels verrekening. Het is dan aan [verweerster] om te stellen op grond waarvan zij een tegenvordering op [appellant] heeft. Zij verwijst daarvoor enkel naar de schriftelijk overeengekomen studiekostenovereenkomst. Deze biedt evenwel voor de terugvordering geen grondslag. Overeengekomen is dat de studiedagen niet worden uitbetaald via het reguliere salaris. Het bedrag aan salaris wordt gereserveerd en eerst uitbetaald volgens een glijdende schaal, aldus de overeenkomst. De tegenvordering van [verweerster] is niet gebaseerd op nakoming van deze overeenkomst door [appellant] en is ook niet gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst van [appellant] . Het is [verweerster] die, in afwijking van deze regeling, aan [appellant] het loon heeft uitbetaald. In beginsel heeft [appellant] ook recht op het overeengekomen maandloon. Krachtens de overeenkomst heeft [verweerster] een inhouding bedongen maar zij heeft van dit recht geen gebruik gemaakt. Dit geldt dan met uitzondering van de dag in augustus 2019 nu dit maandloon nog niet is uitbetaald.

Het hof concludeert dat de studiekostenovereenkomst geen grondslag biedt voor de tegenvordering en de stellingen van [verweerster] geven geen onderbouwing voor een ambtshalve aanvulling van de grondslag.

3.10.3.

Grief 7 slaagt. Toegewezen kan worden een verklaring voor recht dat [verweerster] jegens [appellant] geen recht heeft op terugvordering van het genoten loon over 9 studiedagen. De verzochte verklaring voor recht wordt bij gebrek aan belang niet verder beoordeeld.

3.11.1.

Middels grief 8 komt [appellant] op tegen de afwijzing van de loonvordering over de maand augustus 2019. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat dit loon niet is uitbetaald; [verweerster] heeft gesteld dat dit is verrekend met bovenstaande tegenvordering, de teveel opgenomen verlofdagen en een vergoeding voor niet teruggebrachte bedrijfskleding.

3.11.2.

Het hof heeft bij de beoordeling van grief 7 reeds geoordeeld over de verrekening van de studiekosten; daarvoor ontbreekt een grondslag. Wel biedt de overeenkomst een grondslag om het loon over de ene studiedag in augustus ter hoogte van € 79,60 netto niet uit te keren. Tegen de berekening van de hoogte ervan heeft [appellant] geen verweer gevoerd. Het gaat hier om een reservering van een netto bedrag maar nu dit nooit aan [appellant] zal worden uitgekeerd en er een afrekening tussen partijen plaatsvindt, zal het hof in het dictum rekening houden met het bruto bedrag van € 94,32 bruto, nl € 11,79 (het bruto uurloon volgens het loonstrookje) x 8 uren.

De verrekening van de vordering ten aanzien van de bedrijfskleding is niet toewijsbaar nu [appellant] heeft aangegeven dat hij deze zal terugbrengen. De tegenvordering ten aanzien van teveel opgenomen vakantiedagen heeft [verweerster] gebaseerd op artikel 57 lid 3 CAO. Deze bepaling houdt in:

“Bij het einde van de dienstbetrekking kan de werkgever de door de werknemer te veel genoten (gedeelten van) vakantiedagen/uren verrekenen met hetgeen hij aan deze werknemer verschuldigd is, indien de beëindiging van het dienstverband geschiedt op verzoek van de werknemer.”

Nu het dienstverband is geëindigd middels een onverwijlde opzegging door de werkgever, en niet op verzoek van [appellant] , biedt voormelde bepaling geen grond voor de gestelde verrekening door [verweerster] .

3.11.3.

Grief 8 slaagt en de vordering tot betaling van het loon over de maand augustus 2019 minus de inhouding van € 94,32 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente kan worden toegewezen.

3.12.

Grief 3 is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Ook deze grief slaagt, nu naar het oordeel van het hof de verzoeken in eerste aanleg grotendeels hadden moeten worden toegewezen. [verweerster] had in de proceskosten in eerste aanleg moeten worden veroordeeld. In hoger beroep zal [verweerster] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij eveneens in de proceskosten worden veroordeeld.

3.13.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de verzoeken toewijzen zoals in het dictum geformuleerd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat aan de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] op 3 september 2019 geen dringende reden ten grondslag ligt;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van het salaris van [appellant] tussen 3 september 2019 tot en met 31 oktober 2019;

verklaart voor recht dat er geen grondslag is voor de terugvordering van het genoten salaris gedurende de opleidingsdagen;

veroordeelt [verweerster] tot het verstrekken en uitbetalen aan [appellant] van een eindafrekening;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van het achterstallig salaris over de maand augustus 2019 minus een bedrag van € 94,32 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf de datum van verschuldigdheid;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van:

  • -

    de eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op de datum van het bestreden vonnis van 4 november 2019 op € 81,00 aan griffierecht en op
    € 720,00 aan salaris advocaat;

  • -

    het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op
    € 332,00 aan griffierecht en op € 2.148,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.H. Schoenmakers, P.P.M. Rousseau en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020.