Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
23-01-2020
Zaaknummer
200.224.480_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst woonruimte.

Stelselmatig en gedurende langere periode onheus bejegenen medewerkers woningbouwvereniging, door de woningbouwvereniging ingeschakelde derden en andere huurders van de woningbouwvereniging, zijn tekortkomingen die in samenhang bezien van voldoende gewicht zijn om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2020/3 met annotatie van Machielse, A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.224.480/01

arrest van 21 januari 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.N.J. de Wilde te Etten-Leur,

tegen

Vereniging Laurentius,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Laurentius,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2019 in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 15 februari 2017 en het eindvonnis 21 juni 2017, gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, tussen [appellant] als gedaagde en Laurentius als eiseres.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    De brief met H16 formulier, ingekomen 5 december 2018, waarmee [appellant] een USB-stick heeft gedeponeerd;

  • -

    voornoemd tussenarrest van 30 april 2019;

  • -

    de bij H11 formulier van 11 november 2019 door [appellant] ingezonden processtukken;

  • -

    de bij H12 formulier van 12 november 2019 door [appellant] ingebrachte producties 12 tot en met 20;

  • -

    de bij H11 formulier van 21 november 2019 door [appellant] ingezonden processtukken;

  • -

    de op 2 december 2019 gehouden comparitie van partijen, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd en Laurentius productie 4 bij de dagvaarding in eerste aanleg (nogmaals) heeft ingebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in het tussenarrest vermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

De feiten

6.1.

In rov. 3.1 van het tussenvonnis heeft de kantonrechter feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling hebben partijen geen grieven gericht. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de feiten waarvan in dit geschil wordt uitgegaan.

6.1.1.

Laurentius verhuurde sinds 14 november 2012 aan [appellant] de woning aan de [adres] te [plaats] .

6.1.2.

[appellant] heeft in een gerechtelijke procedure onder meer gevorderd dat Laurentius door [appellant] gestelde gebreken, waaronder het warmtesysteem (de cv), daarmee samenhangende schimmel-, vocht- en tochtproblematiek, de leidingen in de woning en de isolatie (waaronder ramen) van de woning, herstelt. De kantonrechter heeft in een vonnis van 8 juli 2015 (hierna: het vonnis uit 2015) geoordeeld dat dit geen gebreken zijn in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW die Laurentius moet herstellen. De vordering van [appellant] om Laurentius te veroordelen de gebreken te verhelpen is daarom afgewezen in het vonnis uit 2015. Verder is [appellant] in dit vonnis veroordeeld tot vergoeding van de schade aan de voordeur van de woning en het vervangen van het slot in verband met een politie-inval. Partijen zijn tegen dit vonnis niet in hoger beroep gegaan.

6.1.3.

Na dit vonnis heeft [appellant] Laurentius herhaaldelijk benaderd vanwege klachten rond het warmtesysteem (de cv), de leidingen en isolatie van ramen in de woning, waarvan in het vonnis uit 2015 onherroepelijk is geoordeeld dat dit geen gebreken zijn die Laurentius hoeft te verhelpen.

6.1.4.

In een brief van 4 augustus 2015 aan [appellant] heeft Laurentius [appellant] een waarschuwing gegeven. In de brief staat dat [appellant] de medewerker van Laurentius die [appellant] op 28 juli 2015 te woord stond heeft uitgescholden voor onder meer vuile rat en viezerik en deze medewerker geen gelegenheid meer gaf tot een inhoudelijk gesprek, waarna [appellant] is verzocht het pand te verlaten. Ook staat in deze brief dat bij Laurentius en bij de politie klachten zijn binnengekomen van omwonenden, bestaande uit geluidsoverlast in de vroege ochtend en agressief gedrag richting omwonenden en voorbijgangers.

6.1.5.

In een brief van 19 oktober 2015 aan [appellant] , heeft Laurentius [appellant] nogmaals een waarschuwing gegeven en gemeld niet meer te tolereren dat [appellant] zich luidruchtig, onredelijk of bedreigend gedraagt naar haar medewerkers. In deze brief staat dat [appellant] de opzichter die op 30 september 2015 bij hem langskwam met de nodige scheldwoorden uit zijn woning heeft gezet en aanvankelijk weer fel reageerde op een medewerkster van Laurentius tijdens een gesprek op 6 oktober 2015.

6.1.6.

In een interne mail van 21 januari 2016 van een medewerker van Laurentius staat:

Ik had vanochtend, donderdag 21/1/2016 Dhr [appellant] , [adres] aan de telefoon.

(…)

Hij begon met: “het zal allemaal weer wel komen door die corrupte criminele maffia vrouw bij jullie, die “omhoog geneukte [roepnaam medewerker Laurentius] ”, die zou er wel voor gezorgd hebben, dat zijn nieuwe unit (CV) het weer niet doet en er geen monteur langskomt”.

6.1.7.

In een verklaring van een andere medewerker van Laurentius van 21 januari 2016 staat dat [appellant] die dag nog tweemaal heeft gebeld, dat [appellant] tijdens het telefoongesprek naar een medewerker van Laurentius heeft verwezen als ‘omhoog geneukte trut’ die ‘lid is van een criminele organisatie’, dat [appellant] niet luisterde en dat de medewerker er niet tussenkwam en heeft opgehangen.

6.1.8.

In een brief van 28 januari 2016 aan [appellant] heeft Laurentius aangekondigd de rechter te zullen verzoeken een einde te maken aan de huurovereenkomst en de woning te zullen ontruimen indien [appellant] niet vrijwillig een verklaring tekent waarin hij onder meer erkent zich in het verleden meerdere malen ontoelaatbaar agressief en beledigend te hebben uitgelaten en verklaart zijn gedrag te zullen aanpassen teneinde ontruiming te voorkomen (hierna: de gedragsaanwijzing).

6.1.9.

In een brief van 18 oktober 2016 van Laurentius aan [appellant] staat onder meer:

  • -

    dat in september 2016 een aannemer en glaszetter in opdracht van Laurentius in de woning van [appellant] zijn geweest naar aanleiding van klachten van [appellant] , dat [appellant] jegens hen diverse scheldwoorden heeft geuit en een dreigende houding heeft aangenomen en dat zij hebben aangegeven niet meer naar het adres van [appellant] te willen gaan;

  • -

    dat op 13 oktober 2016 twee medewerkers van [installatiebedrijf] in opdracht van Laurentius samen met een medewerker van Laurentius zijn langs geweest bij [appellant] om de cv en de leidingen na te kijken, dat zij geen mankementen constateerden, dat [appellant] tegen hen begon te schreeuwen en te schelden en hen uit huis heeft gezet, dat de drie medewerkers deze situatie als bijzonder vervelend en bedreigend hebben ervaren en hebben aangegeven niet meer naar de woning van [appellant] te willen gaan;

  • -

    dat [appellant] het klantencontactcenter van Laurentius heeft bestookt met agressieve telefoontjes vol scheldpartijen en beledigingen, waarna de medewerkers van het klantcontactcenter hebben aangegeven [appellant] niet langer te woord te willen staan.

6.1.10.

In een mutatierapport van de politie van 20 oktober 2016 staat onder meer:

Vanmorgen had (…) woningbouwvereniging Laurentius contact opgenomen met de politie ivm problemen irt betrokkene [appellant] .

(…)

[appellant] heeft namelijk vandaag minimaal 20x naar de WBV [hof: woningbouwvereniging] gebeld.

Hij heeft onder andere de advocaat aan de telefoon gehad en die is door [appellant] uitgescholden.

Verder heeft [appellant] een heleboel uitspraken gedaan welke kennelijk allemaal op het randje zitten van strafbare feiten.

[appellant] heeft ook aangegeven dat hij wel naar het kantoor toe zou komen.

Hierop is bij de WBV besloten om vandaag en morgen een beveiliger in te huren voor toegangscontrole!

6.1.11.

In een interne notitie van Laurentius staat dat [appellant] op 10 november 2016 zes keer heeft gebeld vanuit een anoniem nummer zodat hij niet geblokkeerd kan worden, dat [appellant] een storing aan warm water heeft gemeld en alleen maar heeft gescholden.

6.1.12.

In een mail van 17 november 2016 klaagt een buurtbewoner over [appellant] bij Laurentius. In de mail staat onder meer:

  • -

    dat zij en haar kinderen bang zijn voor [appellant] , hem als bedreigend ervaren en amper de deur uit durven;

  • -

    dat [appellant] roept dat hij ervoor gaat zorgen dat haar kinderen worden afgepakt;

  • -

    dat [appellant] iedereen op straat uitscheldt en zijn middelvinger opsteekt;

  • -

    dat [appellant] vroeg in de ochtend geluidsoverlast veroorzaakt door boren in huis of roepen op straat;

  • -

    dat meerdere bewoners vanwege [appellant] verhuisd zijn;

  • -

    het verzoek aan Laurentius om hieraan iets te doen.

6.1.13.

In een melding klaagt een andere buurtbewoner over [appellant] . In de melding staat onder meer:

  • -

    dat de buurtbewoners van vier huisnummers plus nog meerdere buurtbewoners die te bang zijn om op te komen voor zichzelf, overlast ondervinden van [appellant] ;

  • -

    dat [appellant] mensen op straat uitscheldt en daarbij kinderen betrekt;

  • -

    dat kinderen uit de buurt zich niet veilig voelen op straat;

  • -

    dat meerdere malen per week sprake is van geluidsoverlast in de ochtend;

  • -

    het verzoek aan Laurentius om iets te doen.

6.1.14.

In een mail van 17 november 2016 klaagt een derde buurtbewoner bij Laurentius over [appellant] . In de mail staat onder meer:

  • -

    dat deze bewoner al vaker heeft geklaagd over [appellant] ;

  • -

    dat ze al weken wordt uitgescholden door [appellant] , dat hij zijn middelvinger naar haar uitsteekt, roept dat haar kinderen worden afgepakt en dat ze een vieze verrader is;

  • -

    dat ze dit als bedreigend ervaart;

  • -

    dat [appellant] vaak op straat tegen zijn ouders staat te schelden wat eng is voor de kinderen die er spelen;

  • -

    dat veel buurtbewoners last hebben van [appellant] en bang voor hem zijn;

 het verzoek aan Laurentius om iets te doen.

6.1.15.

In een mail van 13 juli 2017 van een buurtbewoner aan Laurentius staat onder meer:

  • -

    dat [appellant] haar filmt, naar haar toekomt op straat, naar haar roept in de tuin, haar uitscheldt voor kankerjunkie en hoer en zijn middelvinger naar haar uitsteekt;

  • -

    dat [appellant] iedereen op straat filmt uitscheldt en zijn middelvinger opsteekt;

  • -

    dat [appellant] mensen die aan de riolering in de straat aan het werk waren heeft uitgescholden voor kinderverkrachter;

  • -

    dat hij vanaf zes uur in de ochtend een compressor aanzet die kabaal maakt;

  • -

    dat iedereen op straat bang is voor hem.

6.1.16.

In een mail van 13 juli 2017 van een andere buurtbewoner aan Laurentius staat onder meer:

  • -

    dat [appellant] haar heeft uitgescholden voor kinderverkrachter;

  • -

    dat [appellant] haar zoon heeft gefilmd;

  • -

    dat [appellant] alles in de straat filmt;

  • -

    dat stratenmakers haar hebben verteld dat [appellant] hen heeft uitgescholden voor kinderverkrachters;

  • -

    dat zij zich niet prettig voelt en dat er sprake is van een angstcultuur in de straat.

6.1.17.

Bij dagvaarding van 26 oktober 2016 is Laurentius de onderhavige procedure gestart tegen [appellant] waarin Laurentius ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft gevorderd.

6.1.18.

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst per 22 juni 2017 ontbonden en [appellant] onder meer veroordeeld binnen twee weken na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen.

6.1.19.

Op 1 augustus 2017 heeft Laurentius de woning van [appellant] ontruimd.

De procedure in eerste aanleg bij de kantonrechter

6.2.1.

In eerste aanleg vorderde Laurentius primair - samengevat - de huurovereenkomst te ontbinden en [appellant] te gelasten de woning te ontruimen en te veroordelen tot betaling van
€ 711,13 per maand vanaf de datum van ontbinding tot aan oplevering. Subsidiair vorderde Laurentius [appellant] te veroordelen een gedragsaanwijzing te ondertekenen op straffe van een dwangsom en te bepalen dat bij overtreding daarvan alsnog de ontbinding en ontruiming zullen worden toegewezen.

Aan deze vorderingen heeft Laurentius ten grondslag gelegd dat [appellant] ernstig tekort is geschoten in zijn verbintenis zich als goed huurder te gedragen door zich niet neer te leggen bij het vonnis uit 2015 en zich verbaal agressief en bedreigend te gedragen richting medewerkers van Laurentius, door Laurentius ingeschakelde derden (waaronder aannemers) en omwonenden, tevens zijnde huurders van Laurentius.

6.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.3.

In het tussenvonnis van 15 februari 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat genoegzaam is gebleken dat sprake is van ontoelaatbaar gedrag van [appellant] , maar dat deze gedragingen van [appellant] (vooralsnog) onvoldoende zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst, ook omdat niet (voldoende) is gesteld dat de veiligheid van de door Laurentius genoemde personen in gevaar is geweest of dat [appellant] zich direct jegens een persoon fysiek dreigend heeft gedragen.
De kantonrechter heeft in rov. 3.4.2. van het tussenvonnis overwogen in het ontoelaatbare gedrag van [appellant] aanleiding te zien om [appellant] te veroordelen tot nakoming van zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen en een gedragsaanwijzing te ondertekenen met de volgende inhoud:

(…) Ik ben bereid om mijn gedrag aan te passen en zal mij niet schofferend, bedreigend en agressief te gedragen jegens medewerkers van Laurentius, medewerkers van het kantoor van de gemachtigde van Laurentius, andere door Laurentius ingeschakelde derden (waaronder aannemers) en omwonenden. Kortom, ik ben bereid om mij in de toekomst onder alle omstandigheden binnen de algemene fatsoensnormen te gedragen.

Ik realiseer mij en ik erken dat - als ik deze afspraak schend, oftewel als ik mij nogmaals ontoelaatbaar gedraag richting voormelde personen - Laurentius met recht bij de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde kan vorderen (…)”.

6.2.4.

In het eindvonnis van 21 juni 2017 heeft de kantonrechter geconstateerd dat [appellant] geen gedragsaanwijzing heeft ondertekend en dat dit een zwaarwegende omstandigheid vormt bij de beantwoording van de vraag of de tekortkoming van [appellant] de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Op basis hiervan, samen met zijn eerdere ontoelaatbare gedrag en de omstandigheid dat [appellant] na het tussenvonnis feitelijk ook niet naar de gedragsaanwijzing heeft gehandeld en zijn ontoelaatbare gedrag heeft voortgezet, acht de kantonrechter de gevorderde ontbinding en ontruiming gerechtvaardigd (rov. 2.3).

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst per 22 juni 2017 ontbonden, [appellant] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen en aan Laurentius € 711,13 te betalen per maand of gedeelte daarvan dat [appellant] het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten

Het hoger beroep

6.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en gevorderd Laurentius te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft voldaan met rente terug te betalen en Laurentius te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontoelaatbare gedrag is voortgezet en betoogt hij dat hij goede redenen had om de gedragsaanwijzing niet te tekenen, dat hij die inmiddels wel heeft getekend en dat zijn gedrag niet zodanig ernstig was dat hiermee een tekortkoming vaststaat die de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. [appellant] stelt vanwege achterdocht en nare ervaringen uit het verleden overdreven te kunnen reageren, maar dat hij geen slechte huurder was en dat het nu goed gaat.
Met grief 2 komt [appellant] op tegen de veroordeling € 711,13 per maand te moeten betalen tot aan de ontruiming, tegen de proceskostenveroordeling en tegen het feit dat de kantonrechter de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

6.3.2.

Laurentius heeft incidenteel hoger beroep ingesteld voor het geval het hof de vonnissen in eerste aanleg niet zonder meer zou bekrachtigen en daartoe één grief opgeworpen. Daarin betoogt Laurentius dat de gedragingen van [appellant] tot aan het tussenvonnis voldoende ernstig zijn om de ontbinding te rechtvaardigen (en dat het niet tekenen van de gedragsaanwijzing voor dit oordeel niet nodig is).

6.4.1.

Het hof zal grief 1 in principaal hoger beroep en de in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingestelde grief - die beide zien op de vraag of de ontbinding en ontruiming op goede gronden zijn toegewezen - gezamenlijk behandelden.

6.4.2.

Laurentius heeft gesteld dat [appellant] zich niet kon neerleggen bij het vonnis uit 2015 en gedurende langere periode (zomer 2015 tot aan de ontruiming in augustus 2017) stelselmatig medewerkers van Laurentius, door Laurentius ingeschakelde derden (waaronder aannemers) en omwonenden waaronder huurders van Laurentius onheus heeft bejegend door hen te bedreigen en uit te schelden.

6.4.3.

[appellant] heeft betwist bedreigingen te hebben geuit naar medewerkers van Laurentius, door Laurentius ingeschakelde derden of naar buurtbewoners. [appellant] heeft gesteld dat de buurt hem heeft weggepest en dat Laurentius hem uitlokte. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant] opnames van gesprekken en een uitgewerkte transcriptie daarvan ingebracht in de procedure. De opnames betreffen met name gesprekken tussen [appellant] en medewerkers van Laurentius over de periode 13 september 2016 tot en met 7 november 2016. Verder heeft [appellant] een verklaring ingebracht van zijn moeder en van de partner van zijn moeder. Zijn moeder verklaart onder meer dat de ramen en het warmwatersysteem niet deugden, dat [appellant] niet uitdaagt, maar dat bij hem irritatie is ontstaan omdat Laurentius afspraken niet nakwam en dat voor [appellant] warm water erg belangrijk is, onder meer ter voorkoming van stress en vanwege zijn oorsuizen. De partner van zijn moeder heeft verklaard [appellant] dagelijks te halen en te brengen en dat [appellant] geen medewerkers van Laurentius of buurtbewoners heeft bedreigd.

Maatstaf ontbinding

6.4.4.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst en dat de afweging in het kader van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW bij beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, plaatsvindt aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

Bejegening medewerkers Laurentius en door Laurentius ingeschakelde derden

6.4.5.

[appellant] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende betwist dat de problemen in de woning, die voor [appellant] de reden vormden om contact op te nemen met Laurentius, onderdeel waren van de eerdere procedure en dat daarover in het vonnis van 2015 onherroepelijk is beslist dat dit geen gebreken zijn die Laurentius moet verhelpen. [appellant] stelt slechts dat deze problemen nog steeds niet zijn verholpen.

Op 28 juli 2015 is [appellant] bij Laurentius langs geweest vanwege de schade aan de voordeur die hij op grond van het vonnis uit 2015 dient te vergoeden. Op 30 september 2015 heeft [appellant] een opzichter van Laurentius langs laten komen voor vochtproblemen in de kruipruimte en op 21 januari 2016 heeft [appellant] met Laurentius gebeld vanwege de cv en het raam in keuken. In het vonnis uit 2015 is onherroepelijk geoordeeld dat dit geen gebreken zijn die Laurentius moet verhelpen. Eind september/begin oktober 2016 heeft [appellant] weer bij Laurentius geklaagd over onder meer de cv en de leidingen.

De uitgewerkte opnames van telefoongesprekken tussen [appellant] en medewerkers van Laurentius bevestigen naar het oordeel van het hof dat [appellant] zich niet kan neerleggen bij het onherroepelijk oordeel in het vonnis uit 2015 over onder meer het warmtesysteem en dat [appellant] Laurentius hierover is blijven lastigvallen. Uit de opnames ontstaat een beeld van gesprekken waarin met name [appellant] aan het woord is en medewerkers van Laurentius amper aan het woord komen. In de opnames verwijt [appellant] medewerkers van Laurentius hem te provoceren en expres lang te laten wachten door problemen aan onder meer het warmtesysteem en de fundering niet op te lossen, terwijl dit problemen zijn waarvan onherroepelijk is beslist dat die geen gebrek vormen en Laurentius die dus niet hoeft te verhelpen. Door zich niet neer te leggen bij het onherroepelijk rechterlijk oordeel dat Laurentius niet verplicht is deze problemen te verhelpen en Laurentius stelselmatig te blijven lastigvallen met dezelfde klachten, heeft [appellant] zijn verplichting geschonden zich als goed huurder te gedragen.

Ook bevestigen de opnames dat [appellant] medewerkers van Laurentius uitscheldt. Zo verwijst [appellant] in een gesprek van 21 september 2016 met een medewerker van Laurentius naar een opzichter van Laurentius als “misselijk mannetje”, “vuilakje” en “ziekelijk, psychisch gestoord mens”. In een gesprek van 23 september 2016 verwijst [appellant] naar een medewerker van Laurentius als “klaploper”, “een vuil, vies, smerig lafbekje” en een “psychopaatje”.

Uit de opname van het bezoek van een medewerker van Laurentius op 13 oktober 2016 blijkt dat deze medewerker [appellant] aan de hand van foto’s wil laten zien dat de leidingen in orde zijn, waarna [appellant] boos wordt en de medewerker hem tot rust maant. Vervolgens blijkt uit de opname dat [appellant] de medewerker van Laurentius zijn huis uitstuurt onder de woorden “rot op uit mijn huis, wegwezen kneus, opdonderen laffe, vieze vuile corrupte hond, oprotten”.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat Laurentius zijn gedrag uitlokte. Uit de geluidsopnames blijkt dat de medewerkers van Laurentius steeds beleefd blijven en proberen [appellant] inhoudelijk uitleg te geven.

6.4.6.

Dat medewerkers van Laurentius of door Laurentius ingeschakelde derden deze houding van [appellant] dermate vervelend en bedreigend hebben ervaren dat zij daarom niet meer naar zijn woning durven of willen gaan, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende betwist met de verklaring van de partner van zijn moeder dat [appellant] zich nooit bedreigend heeft uitgelaten. Laurentius heeft [appellant] in een brief van 18 oktober 2016 erop gewezen dat een door Laurentius ingeschakelde aannemer, een door Laurentius ingeschakelde glaszetter en tenminste vijf medewerkers van Laurentius hem niet langer te woord willen staan vanwege zijn gedrag (rov. 6.1.9.). Uit de mutatie in het politierapport (rov. 6.1.1.0.) blijkt dat [appellant] vervolgens Laurentius heeft bestookt met telefoontjes, waarbij hij de advocaat van Laurentius heeft uitgescholden en Laurentius zich dermate bedreigd voelde, dat Laurentius een beveiligingsbedrijf en de politie heeft ingeschakeld. Dat de partner van de moeder van [appellant] bij deze incidenten aanwezig was, is niet gesteld of gebleken.

6.4.7.

Het hof stelt vast dat [appellant] in de periode september tot en met oktober 2016 meerdere medewerkers van Laurentius of door Laurentius ingeschakelde derden heeft uitgescholden, dat [appellant] een medewerker van Laurentius zijn huis heeft uitgejaagd en dat betrokkenen de houding van [appellant] als dreigend hebben ervaren. Dat [appellant] ook eerder op 28 juli 2015 medewerkers van Laurentius heeft uitgescholden voor vuile rat en viezerik (rov. 6.1.4.), op 30 september 2015 een opzichter met de nodige scheldwoorden uit zijn woning heeft gezet (rov. 6.1.5.) en op 21 januari 2016 een medewerker van Laurentius heeft uitgemaakt voor onder meer corrupte criminele maffia vrouw (rov. 6.1.6.) sluit wat betreft handelen en gebruikte scheldwoorden daarbij aan. [appellant] heeft deze incidenten, die Laurentius steeds schriftelijk heeft gemeld aan [appellant] , naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist.

Bejegening omwonenden

6.4.8.

In het dossier zitten verklaringen van tenminste vier verschillende omwonenden omtrent overlast die [appellant] volgens hen veroorzaakte (rov. 6.1.12 - 6.1.16.). In de verklaringen staat dat [appellant] deze omwonenden, maar ook andere mensen op straat uitschold voor onder meer kinderverkrachter, ook als daar kinderen bij waren en dat [appellant] dreigde hun kinderen af te pakken. In de verklaringen staat dat omwonenden bang waren voor [appellant] , dat meerdere personen om die reden zijn verhuisd en dat [appellant] zodra hij buitenkwam iedereen, waaronder buurtbewoners en kinderen, filmde. Laurentius heeft gesteld dat drie gezinnen vanwege [appellant] zijn verhuisd en dat in de periode vanaf 2015 tot aan de ontruiming op 1 augustus 2017, 148 overlastmeldingen zijn binnengekomen over [appellant] vanuit acht verschillende adressen, maar dat betrokkenen dusdanig angstig waren dat zij anoniem wensten te blijven.

6.4.9.

Ter onderbouwing van zijn betwisting een slecht huurder te zijn beroept [appellant] zich op de verklaring van zijn moeder en van diens partner. Zij verklaren dat [appellant] werd uitgedaagd door buurtbewoners in plaats van andersom. De partner van de moeder van [appellant] heeft verder verklaard dat [appellant] zich niet bedreigend heeft geuit tegen mensen in de buurt.

6.4.10.

Dat [appellant] zodra hij buitenkwam iedereen op straat filmde ondanks klachten hierover van de buurt, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende betwist. Verder heeft [appellant] met de verklaring dat hij is uitgedaagd door de buurt en niet heeft gedreigd onvoldoende betwist buurtbewoners te hebben uitgescholden. Zelfs als vast zou komen te staan dat buurtbewoners [appellant] hebben uitgedaagd, heeft [appellant] zich niet als goed huurder gedragen door omwonenden continu te filmen ondanks hun bezwaar daartegen en uit te schelden voor onder meer kinderverkrachter, ook wanneer daar kinderen bij zijn. Dat omwonenden dergelijk gedrag als intimiderend/bedreigend hebben ervaren komt het hof aannemelijk voor.

Oordeel ontbinding

6.4.11.

[appellant] heeft zich niet neergelegd bij het onherroepelijk rechterlijk oordeel dat Laurentius niet verplicht is bepaalde door [appellant] geconstateerde problemen aan de woning te verhelpen en [appellant] is Laurentius blijven lastigvallen met klachten over deze problemen. In de communicatie hierover heeft [appellant] gedurende langere periode en stelselmatig meerdere medewerkers van Laurentius, of door Laurentius ingeschakelde derden, onheus bejegend door hen uit te schelden en/of weg te jagen, hetgeen deze medewerkers en derden dermate dreigend hebben ervaren dat zij [appellant] niet langer te woord durven of willen staan. Dit heeft ertoe geleid dat Laurentius beveiliging heeft ingehuurd.

Ook heeft [appellant] langere periode stelselmatig buurtbewoners op straat uitgescholden en ondanks hun bezwaar daartegen gefilmd, waardoor zij zich niet veilig voelden op straat. Tenminste vier van deze bewoners hebben Laurentius verzocht hiertegen op te treden.

Naar het oordeel van het hof zijn deze tekortkomingen van [appellant] in onderlinge samenhang bezien van voldoende gewicht om de huurovereenkomst te ontbinden. Het belang van [appellant] bij het huren van woonruimte van Laurentius weegt niet op tegen het belang van Laurentius, bij het zorgen voor een veilig werkklimaat voor haar werknemers en door haar ingeschakelde derden en bij het beschermen van het ongestoord woongenot van haar andere huurders. Van Laurentius kon in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [appellant] zou voortzetten. Mede gelet op de aan [appellant] gegeven waarschuwingen (rov. 6.1.4 en 6.1.5) moet het [appellant] duidelijk zijn geweest dat Laurentius zijn ontoelaatbare gedrag niet zou tolereren. Het hof zal daarom het vonnis van de kantonrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning bekrachtigen.

6.4.12.

[appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat hij destijds in een moeilijke periode verkeerde. Voor zover [appellant] dit aanvoert als omstandigheid die maakt dat de ontbinding niet is gerechtvaardigd, heeft hij deze stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende handen en voeten gegeven. Het feit dat [appellant] last had van oorsuizen en belang had bij warm water, maakt het oordeel van het hof dat zijn tekortkomingen als huurder de ontbinding rechtvaardigen niet anders. Verder heeft [appellant] toegelicht dat het vanaf ongeveer vier maanden na de ontruiming bergopwaarts met hem is gegaan. [appellant] heeft een andere huurwoning gevonden en gedraagt zich naar eigen zeggen als goed huurder. Problemen met de nieuwe verhuurder en buurtbewoners heeft hij niet. Daarnaast is [appellant] als zelfstandige aan het werk. Tot slot wijst [appellant] erop dat hij in hoger beroep alsnog de gedragsaanwijzing heeft getekend.

Deze omstandigheden maken echter de tekortkomingen uit het verleden die ten grondslag liggen aan de ontbinding niet ongedaan. Bovendien zegt het gedrag van [appellant] richting zijn huidige verhuurder niets over zijn gedrag jegens Laurentius. Anders dan de kantonrechter acht het hof het al dan niet tekenen van de gedragsaanwijzing bovendien niet een zwaarwegende omstandigheid bij beantwoording van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.

De door [appellant] aangevoerde omstandigheden maken het oordeel van het hof niet anders.

Overigens is het wel prijzenswaardig dat [appellant] na de ontruiming vanuit een daklozenbestaan heeft weten op te klimmen en zijn situatie heeft weten te stabiliseren.

6.4.13.

Het voorgaande brengt mee dat grief 1 slaagt voor zover daarin wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat het niet tekenen van de gedragsaanwijzing een zwaarwegende omstandigheid is, maar voor het overige faalt. Grief 1 in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep slaagt. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

Grief 2

6.4.14.

De kantonrechter heeft [appellant] naar het oordeel van het hof op goede gronden veroordeeld een bedrag van € 711,13 per maand te betalen voor elk(e) (deel van een) maand dat [appellant] de woning na ontbinding feitelijk in gebruik houdt. Anders dan [appellant] stelt, is dit geen dwangsom om ontruiming te bewerkstelligen, maar een (schade)vergoeding in verband met het na ontbinding van de huurovereenkomst onrechtmatig gebruik van de woning, waarvan de hoogte gelijk is aan de huurprijs (artikel 7:225 BW).

6.4.15.

[appellant] komt ertegen op dat de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Nu de ontruiming heeft plaatsgevonden heeft [appellant] geen belang meer bij beoordeling van deze grief. Overigens heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof de veroordeling op goede gronden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, gezien de vastgestelde tekortkomingen en het belang van Laurentius bij beëindiging van de huurovereenkomst (rov. 6.4.11.).

6.4.16.

Nu het hof de bestreden vonnissen bekrachtigt, blijft ook de proceskostenveroordeling van de eerste aanleg in stand. Om dezelfde reden dient de vordering van [appellant] te worden afgewezen om Laurentius te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft voldaan met rente terug te betalen, daargelaten dat Laurentius betwist dat [appellant] enig bedrag heeft betaald.

Proceskosten hoger beroep

6.5.

Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Gezien de samenhang tussen het principaal en het incidenteel hoger beroep zal het hof daarin één proceskostenveroordeling uitspreken. Het hof begroot de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Laurentius tot op heden op € 716,00 aan griffierecht en € 2.148,00 aan salaris advocaat (2 punten van tarief II).

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van 15 februari 2017 en 21 juni 2017;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van Laurentius op € 716,00 aan griffierecht en € 2.148,00 aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, A.L. Bervoets en J.K. Six-Hummel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2020.

griffier rolraad