Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
29-05-2020
Zaaknummer
200.265.735_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5077
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

informeel samenlevenden, interne draagplicht schulden ex art. 6:10 BW, niet nakomen verplichtingen tav partnerpensioen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0112
PJ 2020/129
JPF 2020/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.265.735/01

arrest van 26 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.P.G. Dijkers te Twello,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 augustus 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 mei 2019, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] en [de vennootschap] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/336347 / HA ZA 18-471)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede het tussenvonnis van 10 oktober 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep tevens houdende akte eisvermeerdering met producties 1 en 2;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep met productie 8.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling.

3.1.

Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van de inmiddels beëindigde samenleving van partijen.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zij hebben samengeleefd. Na het verbreken van de relatie is de samenlevingsovereenkomst op 1 september 2017 beëindigd. De samenleving is op 15 september 2017 geëindigd.

  2. Op 1 mei 2009 hebben partijen ten overstaan van een notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende bepaald:

“(…)

De comparanten verklaarden in het kader van hun affectieve relatie met elkaar vanaf een augustus tweeduizend zes samen te leven en een gemeenschappelijke huishouding te voeren voor gezamenlijke rekening alsmede te voorzien in beider levensonderhoud en met betrekking tot de vermogensrechtelijke gevolgen van de tussen hen bestaande relatie als volgt overeen te komen:

(…)

SCHULDEN/(HYPOTHECAIRE) GELDLENINGEN

Artikel 2.

1. Ieder van partijen is met uitsluiting van de ander aansprakelijk en draagplichtig voor de schulden die hij alleen is aangegaan of die op andere wijze alleen in zijn persoon zijn ontstaan.

2. Indien door partijen ter financiering van een gemeenschappelijke woning gezamenlijk een (hypothecaire) geldlening wordt aangegaan hebben partijen de keuze de rentelasten en overige aftrekbare kosten van deze (hypothecaire) geldlening te verdelen conform de Wet Inkomstenbelasting 2001.

KOSTEN GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING EN DRAAGPLICHT

Artikel 3.

1. Zolang de samenleving voortduurt zijn partijen verplicht te voorzien in hun beider levensonderhoud, elkaar hulp en bijstand te verlenen en elkaar het nodige te verschaffen. De hieruit voortvloeiende kosten, waaronder uitdrukkelijk begrepen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding in enig jaar, worden voldaan uit het in dat jaar genoten netto-persoonlijk arbeidsinkomen van ieder van partijen, en wel naar evenredigheid daarvan; voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit de in dat jaar genoten netto-inkomsten uit vermogen van ieder van partijen, eveneens naar evenredigheid daarvan; voorzover ook deze inkomsten ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

2. Indien over enig kalenderjaar kosten van de gemeenschappelijke huishouding uit het vermogen van één van partijen zijn voldaan, worden de bedragen daarvan in het volgend jaar in mindering op de netto-persoonlijk arbeidsinkomens respectievelijk de netto-inkomsten uit vermogen van partijen gebracht voor de vaststelling van de evenredigheid, waarnaar de kosten van de gemeenschappelijke huishouding moeten worden gedragen.

3. De partij die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan haar aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere partij.

Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen verjaart twee jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar.

4. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gerekend alle dagelijkse uitgaven die passen in het gemeenschappelijke leefpatroon van partijen.

5. Onder kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden niet begrepen de loon/inkomstenbelasting (met inbegrip van premieheffing volksverzekering en de vermogensrendementsheffing).

(…)

VERBREKING SAMENLEVING

Artikel 6.

1. Indien de samenleving anders dan door het overlijden van één der partijen eindigt, worden de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen en de gemeenschappelijke schulden verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

2. Voorafgaande aan deze verdeling zal per de dag van het eindigen van de samenleving een staat van gemeenschappelijke baten en schulden worden opgesteld.

De baten worden opgenomen voor de waarde zoals bepaald in artikel 8.

De schulden worden opgenomen voor de nominale bedragen.

3. Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in ten hoogste vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na het eindigen van de samenleving.

Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.

(…)

PENSIOENEN

Artikel 7.

1. Partijen wijzen bij deze elkaar over en weer aan als pensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen, in geval de pensioenregeling(en) waarin zij deelnemen nu of te eniger tijd een partnerpensioen kent (kennen), welke aanwijzing door partijen over en weer wordt aanvaard.

2. Partijen verplichten zich ten opzichte van elkaar te zullen voldoen aan alle door het desbetreffende pensioenreglement gestelde eisen om de ander in aanmerking te laten komen voor een partnerpensioen.

3. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, zal het betreffende pensioenfonds op de hoogte worden gesteld door middel van een door beide partijen ondertekende verklaring, waarin tenminste de namen en geboortedata van beide partijen, de datum van beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding en beider adres zijn opgenomen; werkt één der partijen niet mee aan het tot stand komen van deze verklaring, dan wordt deze verklaring door de andere partij afgelegd en is deze verplicht de wederpartij een afschrift van deze verklaring toe te zenden.

WAARDERING

Artikel 8.

De goederen die krachtens de voorgaande artikelen worden verdeeld of worden overgenomen, worden gewaardeerd door partijen (…) in onderling overleg. Bij gebreke van overeenstemming zal de waardering geschieden door een deskundige. (…) Bij de waardering van de tot het einde van de samenleving bewoonde woning wordt uitgegaan van de waarde in onbewoonde staat.

(….)

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.

a) Het hiervoor in deze overeenkomst bepaalde, wordt mede bepaald ter voldoening aan een dringende morele verplichting van partijen jegens elkaar, om de langstlevende van hen zo goed mogelijk verzorgd achter te laten, welke natuurlijke verbintenis bij deze wordt omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis.

b) (….)

Tevens eindigt deze overeenkomst indien partijen anders dan in onderling overleg:

a. geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren; dan wel

b. volgens de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven.

c) Ten aanzien van deze samenlevingsovereenkomst kiezen partijen voor toepassing van Nederlands recht.

(…)”

[appellant] is op 27 maart 2014 een koopovereenkomst aangegaan voor de inventaris en goodwill van Restaurant [restaurant 1] voor een bedrag van in totaal € 90.000,-- (productie 7, inleidende dagvaarding). De koopsom minus de waarborgsom/aanbetaling van € 9.000,-- (derhalve € 81.000,--) moest op 13 juni 2014 op de bankrekening van Stichting Derden Gelden [stichting] worden voldaan onder vermelding van “Restant koopsom Restaurant [restaurant 1] [ [nummer] ]”.

Partijen zijn op 8 april 2014 een doorlopend krediet aangegaan bij Interbank voor € 75.000,-- (productie 9, inleidende dagvaarding). Partijen dienen maandelijks een bedrag van € 750,-- terug te betalen.

[appellant] heeft op 5 mei 2014 [beheer] Beheer B.V. opgericht waarvan hij directeur is. Daarnaast is op 5 mei 2014 [de vennootschap] opgericht waarvan [beheer] Beheer B.V. enige aandeelhouder is (productie 8, inleidende dagvaarding).

Op 11 juni 2014 is vanuit het doorlopend krediet een bedrag van € 74.998,67 naar de gezamenlijke rekening van partijen eindigend op * [rekeningnummer 1] overgemaakt. Vervolgens is vanaf die gezamenlijke rekening op 11 juni 2014 een bedrag van € 17.580,-- overgemaakt naar de bankrekening van [de vennootschap] met de omschrijving “Prive storting” en € 31.000,-- naar de stichting Derden Gelden [stichting] met de omschrijving “Restaurant [restaurant 1] ( [nummer] ) deel 1”. Op 12 juni 2014 is een bedrag van € 50.000,-- overgemaakt naar de Stichting Derden Gelden [stichting] met de omschrijving “Restaurant [restaurant 1] ( [nummer] ) deel 2” (productie 10 bij de inleidende dagvaarding).

Bij vonnis van de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, van 1 maart 2018 zijn partijen veroordeeld tot nakoming van de door hen getroffen regeling met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die erop neerkomt dat [appellant] zijn medewerking zal verlenen aan de verkoop en levering daarvan.

[de vennootschap] verkeert sinds 14 augustus 2018 in staat van faillissement.

Het faillissement van [de vennootschap] is op 20 juni 2019 opgeheven wegens gebrek aan baten.

[de vennootschap] is uitgeschreven uit het Handelsregister.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] [appellant] en [de vennootschap] gedagvaard. [geïntimeerde] vordert (in conventie):

I.

A. Vordering met betrekking tot de privé-inleg in de gezamenlijke woning van partijen:

  1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] € 20.324,55, met privévermogen heeft geïnvesteerd in de gezamenlijke woning van partijen en;

  2. [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 20.324,55 te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan hem is betekend;

B. (Regres)vordering met betrekking tot doorlopend krediet bij Interbank N.V.;

  1. te verklaren voor recht dat alle betalingsverplichtingen uit hoofde van het doorlopend krediet, door partijen gezamenlijk afgesloten bij Interbank N.V. op 8 april 2014 in de interne verhouding tussen partijen voor het geheel (100%) voor rekening komen van [appellant] gelet op het aandeel van [appellant] in die schuld onder gelijktijdige verklaring voor recht dat [geïntimeerde] tot en met juni 2018 € 36.000,-- heeft bijgedragen aan alle bijbehorende betalingsverplichtingen en;

  2. [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 36.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan hem is betekend;

[appellant] te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 750,-- per maand danwel het feitelijk door [geïntimeerde] aan Interbank betaalde maandbedrag voor elke maand dat [geïntimeerde] aan de betalingsverplichtingen jegens Interbank voldoet uit hoofde van het doorlopend krediet van partijen gezamenlijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening door [geïntimeerde] aan Interbank, voor elke maand dat [appellant] met ingang van de datum van dagvaarding in gebreke blijft, en:

C. Vordering met betrekking tot de privé-inleg in het vermogen van [appellant] :

  1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] € 4.500,--, heeft geïnvesteerd in (het vermogen van) [appellant] dan wel in het vermogen van [de vennootschap] , en:

  2. [appellant] en [de vennootschap] hoofdelijk des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 4.500,--, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding aldus:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] en [de vennootschap] hoofdelijk des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd te veroordelen tot betaling van € 4.500,-- binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan [appellant] en [de vennootschap] is betekend;

D. Vordering met betrekking tot de privé-inleg in het vermogen van [appellant] :

  1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] € 7.652,--, heeft geïnvesteerd in (het vermogen) van) [appellant] dan wel in het vermogen van [de vennootschap] en:

  2. [appellant] en [de vennootschap] hoofdelijk des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 7.652,--, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding aldus:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] en [de vennootschap] hoofdelijk des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd te veroordelen tot betaling van € 7.652,-- binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan [appellant] en [de vennootschap] is betekend;

E. Vordering met betrekking tot de privé-inleg in het vermogen van [de vennootschap]

  1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] € 12.000,-- heeft geïnvesteerd in (het vermogen van) [de vennootschap] en:

  2. [de vennootschap] te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 12.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen onder gelijktijdige kwijting en vrijwaring van [de vennootschap] , danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [de vennootschap] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan haar is betekend;

F. (Regres)vordering met betrekking tot de twee geldleningsovereenkomsten ( [naam 1] en [naam 2] (naar het hof begrijpt: [geïntimeerde] ):

  1. te verklaren voor recht dat alle betalingsverplichtingen uit hoofde van de genoemde twee geldleningsovereenkomsten van [appellant] met [naam 1] respectievelijk [naam 2] voor het geheel (100%) voor rekening komen van [appellant] onder gelijktijdige verklaring voor recht dat [geïntimeerde] tot en met juni 2018 € 6.120,-- heeft voldaan uit de uit dien hoofde verschuldigde betalingsverplichtingen en;

  2. [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling aan [geïntimeerde] van € 6.120,-- te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan hem is betekend;

G. Vordering met betrekking tot de kosten van de huishouding:

[appellant] te veroordelen tot nakoming van de afspraken aldus, dat [appellant] is gehouden met ingang van 1 januari 2016 tot 1 september 2017 maandelijks € 500,--, mitsdien € 10.000,-- ten titel van kosten van de huishouding te voldoen aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan hem is betekend;

H. Vordering met betrekking tot de verdeling van de Seat Ibiza met kenteken [kenteken] :

[appellant] te veroordelen tot nakoming van de afspraken aldus, dat [appellant] is gehouden € 625,-- ten titel van overbedelingsvordering te voldoen aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding:

  • -

    primair door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, danwel indien de verkoopopbrengst daartoe niet toereikend is;

  • -

    subsidiair door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 (naar het hof begrijpt: dagen) nadat het ten deze te wijzen eindvonnis rechtsgeldig aan hem is betekend;

II.

Vordering met betrekking tot de verdeling van de inboedel:

primair te verklaren voor recht dat een allesomvattende verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden zodat ter zake geen verdeling of verrekening meer hoeft plaats te vinden, danwel:

subsidiair te bepalen dat al hetgeen zich aan zaken, de inboedel betreffend, in de echtelijke woning bevindt, wordt toegescheiden aan [geïntimeerde] zonder dat [geïntimeerde] ter zake nog een vergoeding is verschuldigd aan [appellant] , danwel:

meer subsidiair de zaken, de inboedel betreffend, te verdelen op een door de rechtbank te bepalen wijze;

Met betrekking tot vorderingen I A-H en II:

I. [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding, alsook in de nakosten en:

II. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] de wettelijke rente over de proceskosten alsook de nakosten wanneer deze niet uiterlijk zijn voldaan binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

3.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 10 oktober 2018 heeft de rechtbank overwogen dat [de vennootschap] failliet is verklaard en dat op grond van het bepaalde in art. 29 Faillissementswet daarmee de procedure tegen [de vennootschap] van rechtswege is geschorst om alleen dan te worden voortgezet indien de verificatie van de vordering betwist wordt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot aanhouding van de procedure tussen [geïntimeerde] en [appellant] en een comparitie van partijen gelast.

3.2.4.

In het eindvonnis van 29 mei 2019 heeft de rechtbank:

  1. [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 60.391,43, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 6 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  2. [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 750,-- per maand met ingang van 1 juli 2018 dan wel het feitelijk door [geïntimeerde] sindsdien aan Interbank N.V. betaalde maandbedrag voor elke maand dat [geïntimeerde] aan de betalingsverplichtingen jegens Interbank N.V. voldoet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening aan Interbank N.V.;

  3. bepaald dat [geïntimeerde] gerechtigd is de hem op grond van het vonnis toekomende bedragen zoveel mogelijk te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning;

  4. voor recht verklaard dat een allesomvattende verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden, zodat ter zake geen verdeling of verrekening meer behoeft plaats te vinden;

  5. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  6. de proceskosten tussen partijen gecompenseerd;

  7. het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. [de vennootschap] is niet in hoger beroep gekomen van het beroepen vonnis en is evenmin door partijen in het hoger beroep betrokken.

3.3.1.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor wat betreft de toegewezen vorderingen onder nummers 1 en 2 zoals in rov. 3.2.4 weergegeven en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen:

1. een bedrag van € 38.391,43 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 6 juli 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

2. een bedrag van € 375,-- per maand met ingang van 1 juli 2018 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening aan Interbank;

en het beroepen vonnis voor het overige in stand te laten.

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden en met inachtneming van de vermeerdering van eis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van de regresvordering onder D:

I. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 6.502,11, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 1 juli 2018 dan wel een datum die het hof juist acht aldus:

primair: door [appellant] te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen nadat het ten deze te wijzen eindarrest rechtsgeldig aan hem is betekend, dan wel;

subsidiair: door te bepalen dat [geïntimeerde] is gerechtigd zijn vordering te verrekenen met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen;

ten aanzien van de vordering met betrekking tot het nabestaandenpensioen:

II. [geïntimeerde] primair te machtigen tot het opstellen van een afstandsverklaring ter zake van voor [appellant] opgebouwde rechten ter zake van partnerpensioen, opgebouwd onder klantnummer [klantnummer] bij RaboBedrijvenPensioen en onder pensioenkenmerk [pensioenkenmerk] bij Zwitserleven onder gelijktijdige bepaling dat het in deze te wijzen arrest ex art. 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van dat deel van de afstandsverklaring dat ziet op de daarvoor vereiste wilsverklaring van [appellant] , dan wel:

III. subsidiair [appellant] te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, dan wel op een bedrag vast te stellen dat het hof juist acht, die [geïntimeerde] lijdt als gevolg van het verzuim cq. wanprestatie van [appellant] door [geïntimeerde] in strijd met de afspraken niet als zijn partner te hebben aangemeld bij de pensioenfondsen c.q. –verzekeraars van [appellant] , erin bestaande dat [geïntimeerde] ten onrechte waarden heeft opgebouwd ter zake van [appellant] toekomende rechten op nabestaandenpensioen voor het geval [geïntimeerde] overlijdt, dan wel;

IV. meer subsidiair: een beslissing te nemen die het hof juist acht;

Zowel in principaal als in incidenteel appel:

V. [appellant] en mr. Stoffels hoofdelijk – des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd – te veroordelen te vergoeden aan [geïntimeerde] de proceskosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van heden, dan wel een door het hof te bepalen datum tot de dag van algehele voldoening, en daarnaast [appellant] en mr. Stoffels hoofdelijk – des dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd – te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de 16e dag na de dag dat het hof arrest heeft gewezen tot aan de dag van algehele voldoening.

3.4.

De grieven van partijen gaan over de volgende onderwerpen:

  • -

    het doorlopend krediet bij Interbank N.V. (grief 1 [appellant] );

  • -

    de kosten van de huishouding (grief 2 [appellant] );

  • -

    de investering in het vermogen van [appellant] met een bedrag van € 6.502,11 (grief A [geïntimeerde] );

  • -

    het partnerpensioen (vermeerdering van eis [geïntimeerde] ).

3.4.1.

Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel appel gelet op hun onderlinge samenhang zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken.

3.4.2.

Voordat het hof aan de beoordeling van de grieven toekomt, overweegt het hof als volgt.

De vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen zoals in deze zaak aan de orde (zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap, de zogenoemde “informeel samenlevenden”), wordt niet bepaald door de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerd partners zijn opgenomen. Die regels lenen zich niet voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden. Aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moet beoordeeld worden of er een vergoedingsrecht geldend kan worden gemaakt.

Daarbij ligt het in de rede te onderzoeken of tussen de informeel samenlevenden een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in art. 6:248 lid 1 BW bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (art. 6:213 BW). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat informeel samenlevenden met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijk dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt.

Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.

Het voorgaande laat nog onverlet dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Dat informeel samenlevenden ervan hebben afgezien een wettelijk geregelde vorm van samenleving (huwelijk of geregistreerd partnerschap) aan te gaan (of zelfs over de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken te maken), staat daaraan niet in de weg. De afspraak om te gaan samenleven, raakt in de praktijk onvermijdelijk ook hun vermogensrechtelijke verhouding.

Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Degene die aanspraak maakt op vergoeding, dient de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht is jegens de ander (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707).

Doorlopend krediet bij Interbank N.V.

3.5.

De rechtbank overwoog als volgt:

“4.8. Deze vordering heeft betrekking op een lening die gezamenlijk door [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) en [appellant] (hof: [appellant] ) is aangegaan ten behoeve van het door [ [appellant] ] over te nemen restaurant. Tussen [ [geïntimeerde] ] en [ [appellant] ] is niet in geschil dat in de onderlinge verhouding uitsluitend [ [appellant] ] draagplichtig is voor de aan deze lening verbonden verplichtingen. Evenmin is in geschil dat [ [geïntimeerde] ] deze verplichtingen tot op heden heeft voldaan en dat hem uit dien hoofde een totaalbedrag van € 36.000,00 toekomt voor de periode tot en met juni 2018 en dat [ [appellant] ] aan [ [geïntimeerde] ] vanaf 1 juli 2018 maandelijks een bedrag van € 750,00 moet betalen. De rechtbank zal de vordering toewijzen op de hierna in het dictum vermelde wijze.”

Met grief 1 komt [appellant] op tegen dit oordeel van de rechtbank.

3.6.

Ter toelichting op zijn grief voert [appellant] het volgende aan.

In 2013 zagen partijen een restaurant te koop staan en zijn zij gaan kijken. Zij vonden het allebei de moeite waard en zijn toen gezamenlijk gaan informeren naar financieringsmogelijkheden. [geïntimeerde] heeft onder andere contact opgenomen met de heer [adviseur] die als adviseur werkzaam was voor het bedrijf waarvoor [geïntimeerde] werkte in die tijd. De heer [adviseur] heeft [appellant] en [geïntimeerde] voorgesteld een lening aan te gaan bij Interbank N.V.. Uit de e‑mail tussen de heer [adviseur] en [appellant] blijkt dat de af te sluiten lening bij Interbank N.V. als privé-besteding zou worden aangewend (productie 5 bij de memorie van grieven). De lening bij Interbank N.V. hebben partijen gezamenlijk afgesloten voor de aankoop c.q. het opstarten van [de vennootschap] . Bij het afsluiten van de lening is het de bedoeling geweest van partijen gezamenlijk om het geleende bedrag bij Interbank te investeren in de aankoop c.q. start van het restaurant [de vennootschap] Beide partijen zijn dan ook draagplichtig voor de door hen beiden gezamenlijk aangegane geldlening bij Interbank N.V. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [appellant] naar de e-mail van [geïntimeerde] waarin [geïntimeerde] aangeeft dat hij en [appellant] de lening gezamenlijk zijn aangegaan voor het starten van het restaurant [de vennootschap] (productie 6 bij de memorie van grieven) en art. 2 van de samenlevingsovereenkomst.

3.7.

[geïntimeerde] voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren.

[appellant] heeft tijdens de comparitie van partijen op 8 maart 2019, derhalve in rechte, ondubbelzinnig, erkend dat in de onderlinge verhouding tussen partijen alleen [appellant] draagplichtig is voor de verplichtingen verbonden met de lening die gezamenlijk door partijen is aangegaan voor het door [appellant] over te nemen restaurant. [geïntimeerde] wijst hiertoe op de erkenning van [appellant] dat het gehele door [geïntimeerde] aan Interbank N.V. betaalde bedrag van € 36.000,-- door [appellant] aan [geïntimeerde] is verschuldigd evenals de door [geïntimeerde] periodiek aan Interbank N.V. reeds betaalde en nog te betalen bedragen van

€ 750,-- per maand. Volgens [geïntimeerde] is sprake van een gerechtelijke erkentenis (artikel 154 Rv). Dit brengt met zich dat het hof de verschuldigdheid van de verplichting tot het geheel terugbetalen door [appellant] aan [geïntimeerde] van alle door [geïntimeerde] aan Interbank N.V. verrichte en nog te verrichten betalingen als vaststaand dient aan te nemen.

Niet in geschil is dat [geïntimeerde] heeft voldaan aan alle betalingsverplichtingen jegens Interbank N.V. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] tot 1 juli 2018 € 36.000,-- aan Interbank N.V. heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft voor dit bedrag een regresvordering op [appellant] . Dat geldt eveneens voor de door [geïntimeerde] gedane periodieke betalingen vanaf 1 juli 2018. Eveneens staat vast, nu daartegen geen grieven zijn opgeworpen, dat [appellant] met ingang van 6 juli 2018 tot aan de dag er algehele voldoening wettelijke rente verschuldigd is.

De grief van [appellant] is gericht tegen (naar het hof begrijpt: doelt [geïntimeerde] op) rov. 4.18 van de rechtbank. De grief treft geen doel omdat het bedrag van € 60.391,43 niet juist is. Dit door de rechtbank toegewezen bedrag omvat ook (betaling van) alle andere bedragen waartoe de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld en waartegen [appellant] niet heeft gegriefd. [appellant] had daarom een grief moeten richten tegen rov. 4.8. Ten aanzien van de periodieke betalingsverplichtingen van € 750,-- per maand heeft [appellant] geen grief gericht.

Nu [appellant] niet tegen rov. 4.8 en ten aanzien van de periodieke betalingsverplichtingen grieven heeft gericht, is hij ook om die reden niet-ontvankelijk in zijn grief of dient deze te worden afgewezen.

Het enkele feit dat het krediet als privébesteding zou worden aangewend, is rechtens niet relevant voor de vraag wie in de onderlinge verhouding voor terugbetaling van de schuld draagplichtig is. Bepalend voor ieders omvang van de interne draagplicht is het gedeelte van de schuld dat partijen in hun onderlinge verhouding aangaat, gelet op het bepaalde in art. 6:10 BW. Het gehele krediet is aangewend voor de financiering van de onderneming van [appellant] . Daarmee staat vast dat het bestedingsdoel niet privé is geweest dan wel voor privébestedingen (van [geïntimeerde] ) zou zijn aangewend. Het geld is daarentegen aangewend voor de financiering van het vermogen van [appellant] , te weten van zijn vennootschap [de vennootschap] . Dat betekent dat de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst in de interne verhoudingen tussen partijen geheel voor rekening van [appellant] komen. Dit volgt ook uit art. 2 van de samenlevingsovereenkomst.

Dat op de kredietaanvraag is vermeld dat het bestedingsdoel een privébesteding betrof, was omdat reguliere kredietverstrekkers niet bereid waren tot het verstrekken van krediet omdat een onderpand ontbrak. Voor een doorlopend krediet was gelet op het goede inkomen van [geïntimeerde] geen onderpand nodig.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het doorlopend krediet bij Interbank N.V. en dat partijen het doorlopend krediet zijn aangegaan om de start van het restaurant [restaurant 2] mogelijk te maken. Partijen verschillen van mening wie in de interne verhouding tussen partijen draagplichtig is voor (de aflossing en rente van) het doorlopend krediet.

3.8.2.

Ten aanzien van het primaire verweer van [geïntimeerde] dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis (te weten dat [appellant] het geheel door [geïntimeerde] aan Interbank N.V. betaalde bedrag van € 36.000,-- aan [geïntimeerde] verschuldigd is en dat de door [geïntimeerde] periodiek aan Interbank N.V. reeds betaalde en nog te betalen bedragen van € 750,-- per maand door [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd is) overweegt het hof als volgt.

Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij (art. 154 Rv). De gerechtelijke erkentenis is een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig, erkennen, een handeling waarop niet mag worden teruggekomen; men is aan een gerechtelijke erkentenis eens en voor al, ook in een verdere instantie, gebonden (Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 114).

Uit de stukken blijkt dat [appellant] niet aanwezig was bij de comparitie van partijen in eerste aanleg maar dat zijn advocaat, mr. Stoffels, namens hem het woord heeft gevoerd. Op pagina 4 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg, gehouden op 8 maart 2019 (productie 5 in hoger beroep) is opgenomen:

“Mr. Stoffels: niet langer wordt betwist dat [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) vanuit zijn privérekening € 750,= per maand heeft betaald. Dat blijkt uit de nadere stukken. U vraagt wat dan nu het standpunt van [appellant] (hof: [appellant] ) is. [appellant] erkent dat hij het gevorderde bedrag van € 36.000,= verschuldigd is.”

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] daarmee gerechtelijk erkend dat hij een bedrag van € 36.000,-- aan [geïntimeerde] verschuldigd is en dat [geïntimeerde] vanuit zijn privérekening € 750,-- per maand heeft betaald. Er is immers sprake van een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig erkennen. Voor zover grief 1 [appellant] tegen de veroordeling tot dat bedrag aan [geïntimeerde] is gericht, faalt de grief. Echter, naar het oordeel van het hof ligt in deze gerechtelijke erkenning van [appellant] niet besloten dat hij ook (gerechtelijk) heeft erkend dat alleen hij, [appellant] , in de onderlinge verhouding tussen hem en [geïntimeerde] draagplichtig is voor de schuld aan Interbank N.V.. Het hof zal dan ook een oordeel geven over deze interne draagplicht voor het krediet.

3.8.3.

Volgens art. 6:10 BW zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Hierbij staat het volgende voorop.

“Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108, voetnoten weggelaten.)

3.8.4.

Naar het oordeel van het hof gaat de schuld aan Interbank N.V. partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft aan. [geïntimeerde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de schuld alleen [appellant] aangaat nu de schuld is aangegaan om de aankoop van het restaurant door [appellant] mogelijk te maken. Weliswaar heeft [geïntimeerde] geen bemoeienis gehad met het restaurant (althans: dat is door partijen niet aangevoerd) maar hij is wel samen met [appellant] de lening bij Interbank N.V. aangegaan om [appellant] te helpen bij de verkrijging van het restaurant, hetgeen kan worden verklaard uit de affectieve relatie van partijen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] zich, toen de relatie nog voortduurde, de lening heeft aangetrokken, in die zin dat hij de maandelijkse betalingsverplichtingen voldeed. Partijen hebben voorts ook geen schriftelijke afspraken gemaakt over de interne draagplicht voor deze lening.

Naar het oordeel van het hof is het, gelet op deze omstandigheden, in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, die (ex-) samenwoners jegens elkaar in acht hebben te nemen dat beide partijen draagplichtig zijn c.q. blijven voor de gezamenlijk aangegane schuld.

3.8.5.

Resumerend betekent dit dat grief 1 van [appellant] slaagt voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat hij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 750,-- per maand met ingang van 1 juli 2018 dan wel het feitelijk door [geïntimeerde] sindsdien aan Interbank N.V. betaalde maandbedrag voor elke maand dat [geïntimeerde] aan de betalingsverplichtingen jegens Interbank N.V. voldoet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening aan Interbank N.V.. Het hof zal het beroepen vonnis op dit punt vernietigen.

Kosten van de huishouding

3.9.

De rechtbank overwoog als volgt:

“4.15. [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) vordert € 10.000,00 van [appellant] (hof: [appellant] ), stellend dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] maandelijks met € 500,00 zou bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, maar dat [appellant] die bijdrage over de periode januari 2016 tot september 2017 niet heeft betaald.

4.16

[appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde afspraak niet weersproken, maar stelt dat hij in de door [geïntimeerde] genoemde periode met in totaal € 4.000,00 heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. [geïntimeerde] betwist dat op zijn beurt. [appellant] heeft in zijn conclusie van antwoord aangekondigd bankafschriften te overleggen, maar heeft dat niet gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding [appellant] alsnog gelegenheid te bieden bewijsstukken in het geding te brengen van de gestelde betalingen. Nu [appellant] de gestelde betalingen niet heeft onderbouwd, wordt het verweer van [appellant] verworpen. Dat betekent dat [appellant] de gevorderde € 10.000,00 moet betalen. De niet betwiste rente over dat bedrag wordt eveneens toegewezen.”

Met grief 2 komt [appellant] op tegen dit oordeel van de rechtbank.

3.10.

Ter toelichting op zijn grief voert [appellant] het volgende aan.

Als productie 7 legt [appellant] bankafschriften van zijn bankrekening eindigend op * [rekeningnummer 2] over van de periode 16 februari 2016 tot en met november 2016. Hieruit blijkt dat betalingen zijn verricht naar de gezamenlijke bankrekening van partijen eindigend op * [rekeningnummer 3] . Het gaat om een totaalbedrag van € 4.000,-- dat op de gezamenlijke rekening is gestort als bijdrage in de kosten van de huishouding. [appellant] biedt bewijs, in het bijzonder door het horen van getuigen waaronder hemzelf en zijn vader. aan van zijn stellingen, hetgeen niet nader door hem is gespecificeerd.

3.11.

[geïntimeerde] voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren.

Welke overweging en/of beslissing van de rechtbank niet juist zou zijn heeft [appellant] niet gesteld. Partijen hebben afgesproken dat [appellant] maandelijks € 500,-- zou bij dragen in de kosten van de huishouding. Deze afspraak is door de advocaat van [appellant] schriftelijk bevestigd op 25 augustus 2017. Uit de door [appellant] op de gezamenlijke rekening gestorte bedragen blijkt niet dat deze zijn verricht als bijdrage in de kosten van de huishouding. Verder komen de gestorte bedragen ook niet overeen met het tussen partijen afgesproken bedrag. [geïntimeerde] betwist dat uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde bankafschriften blijkt dat [appellant] uitvoering heeft gegeven aan de afspraak van partijen.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] met € 500,- per maand zou bijdragen in de kosten van de huishouding. Volgens [appellant] heeft hij in totaal € 4.000,-- bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het hof begrijpt uit het petitum van [appellant] dat hij stelt dat [geïntimeerde] daardoor geen € 10.000,-- maar € 6.000,-- van hem te vorderen heeft.

[appellant] heeft in hoger beroep bankafschriften overgelegd van zijn bankrekening eindigend op * [rekeningnummer 2] (productie 7). Hieruit blijken de volgende overboekingen naar de gezamenlijke bankrekening van partijen eindigend op * [rekeningnummer 3] :

- 16-02-16 € 800,--

- 29-03-16 € 700,--

- 16-06-16 € 750,--

- 28-07-16 € 700,--

- 09-09-16 € 700,--

- 18-11-16 € 350,--

Omschrijvingen bij de overgeboekte bedragen ontbreken.

Het hof stelt vast dat uit de bankafschriften volgt dat de betalingen door [appellant] steeds hebben plaatsgevonden na de uitbetaling van zijn salaris door [beheer] Beheer B.V. van (in de meeste gevallen) € 846,--. Ten aanzien van de laatste overboeking blijkt dat deze is gedaan na ontvangst van een teruggaaf ten aanzien van de Inkomstenbelasting 2015. In totaal heeft [appellant] € 4.000,-- overgemaakt naar de gezamenlijke rekening. Het hof stelt, gelet op die feiten en omstandigheden, vast dat het overmaken van deze bedragen door [appellant] heeft plaatsgevonden ter voldoening aan de afspraak die partijen hebben gemaakt over de kosten van de huishouding. Dat de bedragen die [appellant] heeft overgeboekt niet overeenkomen met de afspraak dat hij € 500,-- per maand zou bijdragen en een omschrijving bij de overboekingen ontbreekt, doen daar niet aan af. Niet gesteld of gebleken is immers dat voor [appellant] andere redenen of afspraken bestonden, bijvoorbeeld op grond van de samenlevingsovereenkomst of andere tussen partijen gemaakte (stilzwijgende) afspraken, om bedragen naar de gezamenlijke rekening over te boeken anders dan ter voldoening van de bijdrage van [appellant] in de kosten van de huishouding. [geïntimeerde] heeft ten slotte ook niet aangevoerd wat de grondslag van de overboekingen (anders dan als bijdrage in de kosten van de huishouding) wel is geweest. Hetgeen [geïntimeerde] verder in eerste aanleg heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Dat betekent dat grief 2 van [appellant] slaagt en dat het beroepen vonnis op dit punt zal worden vernietigd. Dit betekent dat op het bedrag van € 60.391,43 waartoe [appellant] is veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 4.000,-- in mindering zal worden gebracht (derhalve resteert een bedrag van € 54.391,43 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 juli 2018.).

Investering in vermogen van [appellant] met een bedrag van € 6.502,11

3.13.

De rechtbank overwoog als volgt.

“Ten aanzien van het bedrag van € 6.502,11 heeft [appellant] (hof: [appellant] ) betwist dat een rechtsgrond tot terugbetaling bestaat. Uit de door [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) overgelegde bankafschriften volgt dat op 10 juni 2014 een bedrag van € 6.502,11 met de omschrijving “Verkoop aandelen Aegon” op de rekening is bijgeschreven en vermengd is geraakt met het op de bankrekening staande saldo, dat dat saldo daarna verder is vermengd met een bijschrijving van € 74.998,67 van Interbank. Daarna is een bedrag van € 17.580,00 overgemaakt naar de bankrekening van [restaurant 2] met als omschrijving “Privé storting”, en vervolgens bedragen van achtereenvolgens € 31.000,00 en € 50.000,00 naar de Stichting Derder Gelden [stichting] , met als omschrijving “Restaurant [restaurant 1] ”. De rechtbank stelt vast dat [geïntimeerde] in de processtukken geen rechtsgrond heeft genoemd op grond waarvan [appellant] gehouden is het bedrag van € 6.502,11 terug te betalen. Uit de enkele bij- en afschrijving van de genoemde bedragen volgt nog geen plicht tot terugbetaling. De ter comparitie nog door [geïntimeerde] gestelde onverschuldigde betaling is verder in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering af voor zover die gericht is tegen [appellant] . Voor zover de vordering is gericht tegen [restaurant 2] dient [geïntimeerde] die ter verificatie bij de curator in te dienen.”

Met grief A komt [geïntimeerde] op tegen dit oordeel van de rechtbank.

3.14.

Ter toelichting op zijn grief voert [geïntimeerde] het volgende aan.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde bankafschriften blijkt dat hij op 10 juni 2014 een bedrag van € 6.502,11 met de omschrijving “verkoop aandelen AEGON” op de gezamenlijke bankrekening van partijen heeft bijgeschreven. Tegen deze overweging is geen grief gericht zodat vast staat dat [geïntimeerde] met € 6.502,11 eigen (privé) vermogen de gezamenlijke bankrekening van partijen heeft verrijkt, “mitsdien met privé heeft geïnvesteerd in een gezamenlijk “goed” in de zin van de wet, meer in het bijzonder een vermogensrecht, uit hoofde van welk vermogensrecht partijen in hun onderlinge verhouding in beginsel ieder zijn gerechtigd tot de helft van het batige saldo.”.

Echter, in rechte heeft [appellant] uitdrukkelijk erkend dat uitsluitend [geïntimeerde] deze gezamenlijke rekening van partijen eindigend op * [rekeningnummer 1] heeft gevoed. [geïntimeerde] verwijst daarvoor naar rov. 4.10 van het beroepen vonnis en het proces-verbaal van de comparitie van partijen, pagina 3. Door dit met zoveel woorden te erkennen geldt in hoger beroep als vaststaand dat deze rekening eindigend op * [rekeningnummer 1] uitsluitend door [geïntimeerde] is gevoed. Gelden van [geïntimeerde] kunnen dan ook niet vermengd zijn met gelden van [appellant] zodat uitsluitend [geïntimeerde] gerechtigd is tot het (gehele) batig saldo op deze rekening op enig moment. [geïntimeerde] heeft dan ook een vorderingsrecht van € 6.502,11 jegens [appellant] . Uit het saldo blijkt ook dat het door [geïntimeerde] ingelegde vermogen niet in zijn vermogen is of kan zijn teruggevloeid.

Subsidiair stelt [geïntimeerde] dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt. [geïntimeerde] heeft immers privévermogen ingelegd waardoor hij is verarmd en het vermogen van [appellant] is toegenomen met dit bedrag, althans de helft daarvan. Door de bijschrijving op de gezamenlijke rekening werd [appellant] immers gerechtigd voor ten minste de helft van het op dat moment batige saldo. [geïntimeerde] beroept zich niet op onverschuldigde betaling.

3.15.

[appellant] voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren.

[appellant] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 (zoals hiervoor in rov 3.4.2. weergegeven) alsmede naar art. 2 van de samenlevingsovereenkomst. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat ieder van partijen met uitsluiting van de ander aansprakelijk en draagplichtig is voor de schulden die hij alleen is aangegaan of die op andere wijze alleen in zijn persoon zijn ontstaan.

Het doorlopend krediet bij Interbank N.V. zijn partijen gezamenlijk aangegaan. Het was de bedoeling van partijen dat zij gezamenlijk geld zouden inbrengen en dat het restaurant dat terug zou betalen. Het restaurant is aangekocht voor € 90.000,--, waarvoor een gezamenlijke lening bij Internbank N.V. is afgesloten en het resterende bedrag (€ 15.000,--) van de gezamenlijke Rabo-spaarrekening is betaald. Het bedrag dat door [geïntimeerde] wordt gevorderd is uiteindelijk terechtgekomen bij [de vennootschap] en niet in het privévermogen van [appellant] . Dit wordt ook door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel erkend. [geïntimeerde] stelt namelijk dat [appellant] het gehele bedrag van € 6.502,11 heeft aangewend voor de financiering van zijn onderneming. Het was de bedoeling van partijen om de geleende gelden en eigen vermogen te investeren in het restaurant [de vennootschap] en is daadwerkelijk ontvangen [door de vennootschap] . [geïntimeerde] dient zijn vordering daarom in te dienen bij de curator in het faillissement van [de vennootschap] .

3.16.

Het hof overweegt als volgt.

Allereerst beroept [geïntimeerde] zich op een gerechtelijke erkenning dat de bankrekening eindigend op * [rekeningnummer 1] uitsluitend door hem werd gevoed. Uit het verweer van [appellant] begrijpt het hof dat deze gerechtelijke erkenning niet wordt betwist. Dat wordt bevestigd door het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg, pagina 3. Hieruit blijkt dat de advocaat [appellant] ter comparitie heeft verklaard dat niet langer wordt betwist dat alleen [geïntimeerde] de genoemde rekening heeft gevoed.

Hiermee staat tussen partijen vast dat genoemde bankrekening alleen door [geïntimeerde] werd gevoed tot het moment van storting uit het doorlopend krediet.

Dat [geïntimeerde] daardoor jegens [appellant] aanspraak kan maken op het bedrag van € 6.502,11 staat echter niet vast. De dag na de overboeking van het bedrag van € 6.502,11 is immers op de bankrekening eindigend op * [rekeningnummer 1] een betaling ontvangen vanuit het doorlopend krediet en zijn betalingen gedaan ten behoeve van de nakoming van de koopovereenkomst tussen [appellant] en Restaurant [restaurant 1] en een privé storting van € 17.580,-- aan [de vennootschap] Dit betekent dat, zoals de rechtbank ook reeds heeft overwogen, het saldo van deze bankrekening na deze storting is vermengd. In zoverre treft de grief van [geïntimeerde] geen doel.

Het subsidiaire beroep van [geïntimeerde] op ongerechtvaardigde verrijking treft evenmin doel. Voor ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) is vereist dat [appellant] (1) is verrijkt, (ii) [geïntimeerde] is verarmd, (iii) een causaal verband bestaat tussen de verrijking enerzijds en de verarming anderzijds en (iv) dat voor de verrijking geen redelijke grond bestaat. Het hof is van oordeel dat aan deze, cumulatieve, vereisten niet is voldaan.

Van ongerechtvaardigde verrijking is reeds geen sprake omdat [appellant] niet is verrijkt.

De tenaamstelling van een bankrekening heeft slechts betrekking op de rechtsverhouding tussen partijen en de bank maar geeft geen antwoord op de vraag wie gerechtigd is tot het saldo. Dat laatste wordt bepaald door het antwoord op de vraag door wie de betreffende rekening is gevoed. De rekening werd alleen gevoed door [geïntimeerde] zodat [appellant] niet gerechtigd was tot het helft van het saldo van de rekening.

De dag na de storting is een bedrag van € 17.580,-- aan [de vennootschap] overgemaakt, en dus niet naar [appellant] . Voor zover het bedrag van € 6.502,11 daarin is begrepen kan [geïntimeerde] zich niet tot [appellant] wenden.

Nu reeds aan een van de cumulatieve vereisten voor de aanwezigheid van ongerechtvaardigde verrijking niet is voldaan, komt het hof aan bespreking van de overige vereisten niet toe. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de grief ook in dit opzicht niet kan slagen.

Een andere grondslag van zijn vordering heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Grief A dient dan ook te falen. Het hof zal het beroepen vonnis op dit punt bekrachtigen.

Partnerpensioen

3.17.

[geïntimeerde] heeft zijn eis in hoger beroep vermeerderd en een vordering ingesteld ten aanzien van het partnerpensioen. Hij voert daartoe het volgende aan.

Partijen hebben bij de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst op 1 mei 2009 afgesproken elkaar aan te wijzen als pensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen. [geïntimeerde] heeft zich aan deze afspraak gehouden. Hij heeft [appellant] als zijn partner aangemeld bij Zwitserleven en Rabobank. [geïntimeerde] heeft voor [appellant] een partnerpensioen opgebouwd bij Rabobank met een waarde van € 17.723,49 en bij Zwitserleven een waarde,nog op te stellen bij staat, maar recht gevend op een jaarlijkse uitkering van € 3.007,-- bruto per jaar. [appellant] daarentegen heeft [geïntimeerde] niet als zijn partner aangemeld bij zijn pensioenfondsen/-verzekeraars. Daarom is sprake van wanprestatie. [appellant] heeft zich eenzijdig aan de afspraken van partijen onttrokken. Gevolg is dat, mocht [appellant] overlijden, [geïntimeerde] in strijd met de afspraken niet gerechtigd is tot enig partnerpensioen. [geïntimeerde] lijdt als gevolg hiervan schade. De waarde van zijn ouderdomspensioen is afgenomen recht evenredig met de door hem voor [appellant] opgebouwde waarde ter zake van partnerpensioen, terwijl daar geen partnerpensioen van [geïntimeerde] tegenover staat, mocht [appellant] overlijden. [appellant] is niet in staat de gevolgen van zijn verzuim te herstellen. [appellant] kan [geïntimeerde] als ex-partner niet alsnog met terugwerkende kracht bij zijn pensioenfondsen/-verzekeraars aanmelden. [appellant] heeft staande de samenlevingsovereenkomst pensioenrechten opgebouwd bij Pensioenfonds Horeca & Catering en de Belgische Rijksdienst.

Van [geïntimeerde] kan niet worden verlangd dat [geïntimeerde] aanmelding (destijds) van [appellant] als zijn partner in stand blijft. De enige wijze waarop [appellant] de gevolgen van zijn verzuim cq. wanprestatie ongedaan kan maken is door alsnog afstand te doen van alle voor hem opgebouwde rechten van partnerpensioen. Zowel Rabobank als Zwitserleven geven aan dat afstand doen mogelijk is. Indien [appellant] afstand doet van de hem toekomende rechten dan wast dit aan bij het ouderdomspensioen van [geïntimeerde] . Dit gevolg is eens te meer aanvaardbaar gelet op het forse risico van oninbaarheid van de reeds rechtens vastgestelde en in het hoger beroep onaangetast gebleven vorderingen jegens [appellant] , dit mede en juist gelet op [appellant] financiële positie.

[geïntimeerde] vordert te gelasten dat [appellant] afstand doet van alle hem toekomende rechten uit hoofde van de door [geïntimeerde] opgebouwde rechten van partnerpensioen, opgebouwd bij Rabobank en Zwisterleven en dat het hof gelet op de onwillige houding van [appellant] bepaalt dat het te wijzen arrest ex art. 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de afstandsverklaring dat ziet op de daarvoor vereiste wilsverklaring van [appellant] . Subsidiair vordert [geïntimeerde] dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] lijdt als gevolg van [appellant] verzuim cq wanprestatie, op te maken bij staat.

3.18.

[appellant] voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren.

In de samenlevingsovereenkomst is overeengekomen dat partijen elkaar over en weer aanwijzen als pensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen. Artikel 7 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat, indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, het betreffende pensioenfonds op de hoogte wordt gesteld door middel van een door beide partijen ondertekende verklaring waarin tenminste de namen en geboortedata van beide partijen, de datum van beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding en beider is opgenomen. Werkt één van partijen niet mee aan de totstandkoming van deze verklaring, dan wordt deze verklaring door de andere partij afgelegd en is deze verplicht de wederpartij een afschrift van deze verklaring toe te zenden. [appellant] heeft nooit de hier bedoelde verklaring van [geïntimeerde] ontvangen. Ook blijkt uit productie 2 dat [geïntimeerde] dit ook niet heeft gemeld bij Rabobank. [appellant] heeft geen (partner)pensioen opgebouwd in België. Nu [geïntimeerde] zelf nalatig is geweest bij beëindiging van de relatie kan hij dit [appellant] ook niet verwijten en zich niet beroepen op wanprestatie.

3.19.

Het hof overweegt als volgt.

Van schuldeisersverzuim, zoals naar het hof begrijpt [appellant] stelt, is geen sprake. Dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de verplichting tot afmelding ex art. 7 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst houdt geen verband met de veel eerder gelegen verplichting van [appellant] tot aanmelding ex art. 7 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Het ligt derhalve niet in de risicosfeer van [geïntimeerde] dat [appellant] niet heeft aangemeld. Pas als de niet-aanmelding door [appellant] te wijten zou zijn aan een oorzaak aan de zijde van [geïntimeerde] zou sprake zijn van schuldeisersverzuim. Het beroep op schuldeisersverzuim treft daarom geen doel.

Uit de stellingen en producties van partijen volgt dat [geïntimeerde] tijdens de samenwoning wel aan de in art. 7 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst gestelde verplichtingen heeft voldaan, maar [appellant] niet. Het gevolg daarvan is dat [appellant] als ex-partner van [geïntimeerde] enerzijds wel een (voorwaardelijk) recht heeft op partnerpensioen jegens het pensioenfonds van [geïntimeerde] , maar dat [geïntimeerde] geen (voorwaardelijk) recht op partnerpensioen jegens het pensioenfonds van zijn ex-partner [appellant] heeft door nalaten van [appellant] .

Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat hier sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [appellant] van art. 7 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Op grond van het bepaalde in art. 6:74 BW (“Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend”) is [appellant] schadeplichtig jegens [geïntimeerde] .

Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] die hun grondslag vinden in de toerekenbare tekortkoming van [appellant] .

Het hof zal de primaire vordering van [geïntimeerde] (afstand van recht door [appellant] ) afwijzen omdat [geïntimeerde] geen partiële ontbinding van de samenlevingsovereenkomst heeft gevorderd. [geïntimeerde] heeft zich aan zijn verplichtingen ex art. 7 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst gehouden en daaruit vloeit een recht voor [appellant] voort, hetgeen zonder (partiële) ontbinding van de samenlevingsovereenkomst niet ongedaan kan worden gemaakt.

Wel ziet het hof aanleiding om de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] toe te wijzen. Door de toerekenbare tekortkoming van [appellant] dient de hierdoor geleden schade aan [geïntimeerde] te worden vergoed. Het hof zal bepalen dat de omvang daarvan nader bij staat zal dienen te worden opgemaakt.

Proceskosten

3.20.

Het hof zal, gelet op de aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 29 mei 2019 uitsluitend ten aanzien van de beslissing onder rov. 5.1 en rov. 5.2 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 54.391,43, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 6 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, die [geïntimeerde] lijdt als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [appellant] door [geïntimeerde] in strijd met art. 7 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst niet als zijn partner te hebben aangemeld bij de pensioenfondsen c.q. pensioenverzekeraars van [appellant] ,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2020.

griffier rolraadsheer