Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1640

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
200.262.795_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3535
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen partijen of een overeengekomen wijziging van een duurovereenkomst (afvalverwerking) slechts betrekking heeft op de prijs of ook op de overige voorwaarden van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.795/01

arrest van 26 mei 2020

in de zaak van

1 Maatschap [de maatschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellant 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en ieder afzonderlijk als respectievelijk [de maatschap] , [appellant 2] en [appellant 3] ,

advocaat: mr. J.J.T. Ebisch te Venlo,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch te Valkenburg LB,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 juli 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 april 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellanten] als gedaagde/eisende partij in verzet en [geïntimeerde] als eiseres/gedaagde partij in verzet.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6683768 \ CV EXPL 18-1105)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 17 april 2019, alsmede het tussenvonnis van 25 juli 2018 en het daaraan voorafgaande verstekvonnis van 17 januari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van [appellanten] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] is een afvalverwerkings- en recyclingbedrijf.

[appellant 2] en [appellant 3] zijn vennoten van [de maatschap] . Daarnaast zijn zij directeur-grootaandeelhouder van besloten vennootschappen die behoren tot de zogenaamde [Group] Group, een concern dat actief is in het internationaal goederenvervoer over de weg en op het spoor en in de facilitaire sector.

[de maatschap] houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van onroerend goed. Tot het door [de maatschap] beheerde en geëxploiteerde onroerend goed behoort een bedrijfsverzamelgebouw met de naam [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum, gesitueerd in [vestigingsplaats 1] op het adres [adres 1] e.v. . [appellant 2] en [appellant 3] zijn ieder voor een gelijk deel juridisch eigenaar van dit onroerend goed. Zij hebben de economische eigendom daarvan ingebracht in [de maatschap] .

3.1.2.

Met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum is tussen [appellanten] als opdrachtgever en [geïntimeerde] als opdrachtnemer op 30 juli 2009

een zogenaamde “service overeenkomst abonnement rolcontainer” gesloten (overgelegd als productie 1 bij inleidende dagvaarding. In deze overeenkomst verplicht [geïntimeerde] zich om ingaande 26 januari 2010 bij het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] twee rolcontainers te plaatsen, te weten een rolcontainer met een inhoud van 1100 liter voor restafval en een rolcontainer, eveneens van 1100 liter, voor papier en karton. Tevens verplicht [geïntimeerde] zich om de rolcontainer voor het restafval een maal per week te ledigen en de rolcontainer voor papier en karton een maal per vier weken.

Hiertegenover heeft [appellanten] zich tegenover [geïntimeerde] verplicht om de overeengekomen prijs te betalen van € 115,- per maand voor de afvalcontainer en € 25,- per maand voor de papier/kartoncontainer. De facturen voor de onder de overeenkomst verleende diensten werden door [geïntimeerde] gezonden aan het postadres van [de maatschap] , te weten postbus [postbus] te ( [postcode] ) [vestigingsplaats 1] en vervolgens tot september 2016 ook steeds voldaan.

De overeenkomst vermeldt een looptijd van 60 maanden. Voorts zijn in de overeenkomst de Algemene Voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing verklaard.

In die Algemene Voorwaarden (overgelegd als productie 4 bij inleidende dagvaarding) zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

2.3.

Op van de onderhavige voorwaarden afwijkende bedingen kan door de Opdrachtgever slechts een beroep worden gedaan indien en voor zover deze door [geïntimeerde] uitdrukkelijk schriftelijk zijn aanvaard. Overeengekomen afwijkingen gelden niet voor volgende Overeenkomsten, tenzij dit schriftelijk wordt overeengekomen.

13.1

Overeenkomsten worden na het einde van de looptijd geacht stilzwijgend te zijn verlengd met eenzelfde periode tenzij de Overeenkomst door een van partijen rechtsgeldig is opgezegd met inachtneming van het navolgende lid.

13.2

Zowel Opdrachtgever als [geïntimeerde] zijn bevoegd de overeenkomst tegen het einde van de looptijd schriftelijk op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, tenzij partijen schriftelijk anders zijn overeengekomen.

3.1.3.

Naast de voormelde overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] waren door (bedrijven behorend bij de) [Group] Groep ook overeenkomsten met [geïntimeerde] gesloten ter zake van de plaatsing en lediging van rolcontainers bij ander bedrijfspanden van de [Group] Groep. Met betrekking tot die overeenkomsten was niet schriftelijk gecontracteerd.

3.1.4.

Op 3 maart 2016 heeft appellant sub 3 namens “ [Group] Groep [vestigingsnaam] ” een opzeggingsbrief aan [geïntimeerde] gezonden (productie 5 bij inleidende dagvaarding) met de volgende inhoud:

Geachte heer [indirect bestuurder van de vennootschap] ,

Middels dit schrijven zeggen wij de dienstverlening omtrent afvalinzameling per 18-3-2016 op.

Het betreft de locaties:

[appellanten] Unit Cargo [Unit Cargo] , [adres 2] en [adres 3] [vestigingsplaats 1]

[Vastgoed] Vastgoed [adres 4] [vestigingsplaats 2]

[Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum [adres 5] [vestigingsplaats 1]

Viveno Vastgoed [adres 5] en [adres 6]

Deze opzegging heeft betrekking op alle activiteiten die U met de [Group] Groep of een van zijn dochterondernemingen heeft.

Graag ontvangen wij een bevestiging van deze opzegging. De containers staan vanaf 18-3-2016 klaar om op te halen.

(…)

3.1.4.

Wat betreft de overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] is de opzegging niet door [geïntimeerde] geaccepteerd. Zij heeft de dienstverlening met betrekking tot dit bedrijfspand ná 18 maart 2016 gecontinueerd en is aan [appellanten] maandelijkse facturen blijven sturen, aan het hiervoor genoemde postbusadres van [de maatschap] . [appellanten] heeft de dienstverlening van [geïntimeerde] vanaf 3 september 2016 niet meer geaccepteerd en zij heeft de daarop betrekking hebbende maandfacturen vanaf september 2016 niet meer voldaan.

3.2.

Het geschil tussen partijen komt hierop neer: [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de service-overeenkomst zoals hiervoor onder 3.1.2 is vermeld, met ingang van 26 januari 2015 is verlengd met een periode van 60 maanden, tot 26 januari 2020. Dit betekent volgens [geïntimeerde] dat zij recht heeft op nakoming door [appellanten] van haar betalingsverplichtingen tot die datum. [appellanten] daarentegen stelt zich op het standpunt dat in de loop van 2015 een nieuwe overeenkomst tussen partijen is tot stand gekomen met betrekking tot alle door [geïntimeerde] beschikbaar getelde rolcontainers en dat daarmee alle op dat moment bestaande overeenkomsten zijn vervallen c.q. zijn beëindigd. Dit betekent volgens [appellanten] dat (ook) ten aanzien van de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] (de service-overeenkomst genoemd onder 3.1.2) geldt dat deze voor onbepaalde tijd is gaan lopen en om die reden rechtsgeldig door [appellanten] kon worden opgezegd per 18 maart 2016.

3.3.

Omdat partijen het met betrekking tot deze kwestie niet eens konden worden heeft [geïntimeerde] [appellanten] gedagvaard voor de kantonrechter in Roermond. Zij vorderde in haar inleidende dagvaarding (samengevat):

- een verklaring voor recht dat de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum]

Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] niet rechtsgeldig is beëindigd en nog onverkort

voortduurt tot 26 januari 2020;

- de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 2.107,25

inclusief btw, zijnde de onbetaald gebleven facturen over de maanden september 2016 tot

en met november 2017, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals vermeld in de

inleidende dagvaarding;

- de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 316,09 met

wettelijke rente ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

- de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten alsmede de nakosten.

3.4.

Bij verstekvonnis van 17 januari 2017 heeft de kantonrechter de voormelde vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

[appellanten] is vervolgens in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en zij heeft alsnog verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft in de verzetprocedure haar vorderingen vermeerderd in die zin dat zij naast het gevorderde in de inleidende dagvaarding tevens vorderde (samengevat):

- de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van de facturen over de maanden

december 2017 tot en met maart 2018, te weten één maal een bedrag van € 143,11 en drie

maal een bedrag van € 149,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals

vermeld in haar eisvermeerdering;

- de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van nog te vervallen facturen, te

vermeerderen met de wettelijke handelsrente indien een factuur niet binnen 30 dagen

wordt voldaan.

3.5.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 juli 2018 [appellanten] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat: toen het pand [adres 7] te [vestigingsplaats 1] er bij kwam er nieuwe afspraken zijn gemaakt over de condities en prijzen en alle contracten zijn gelijkgesteld.

In het eindvonnis van 17 april 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellanten] niet geslaagd is in haar bewijsopdracht en dat de tussen partijen gesloten service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] haar gelding heeft behouden, met uitzondering van de daarin opgenomen prijsafspraken. De kantonrechter heeft het verstekvonnis bekrachtigd en - wat betreft de vermeerdering van eis - de vordering tot betaling van de facturen over de maanden december 2017 tot en met maart 2018 toegewezen; voor het overige is de vermeerderde eis door de kantonrechter afgewezen. [appellanten] is veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

3.6.

[appellanten] kan zich niet verenigen met het eindvonnis van de kantonrechter en heeft daartegen vier grieven aangevoerd. In haar appeldagvaarding heeft zij geconcludeerd tot (samengevat):

- vernietiging van het vonnis waarvan beroep;

- het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van [geïntimeerde] in haar vorderingen dan wel die

vorderingen alsnog af te wijzen;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] heeft voldaan op grond van

het vonnis waarvan beroep;

- veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en tot hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

3.7.

De eerste grief van [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] , hiervoor genoemd onder 3.1.2, haar gelding heeft behouden, met uitzondering van de daarin opgenomen prijsafspraken, zodat [appellanten] niet gerechtigd was om de overeenkomst tussentijds op te zeggen per 18 maart 2016. [appellanten] herhaalt in hoger beroep haar standpunt dat in de loop van 2015 een nieuwe overeenkomst tussen partijen is tot stand gekomen met betrekking tot alle door [geïntimeerde] beschikbaar gestelde rolcontainers. Daarmee zijn alle op dat moment bestaande overeenkomsten vervallen c.q. beëindigd, hetgeen betekent dat (ook) ten aanzien van de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] (de service-overeenkomst genoemd onder 3.1.2) geldt dat deze voor onbepaalde tijd is gaan lopen. Daarom kon deze service-overeenkomst rechtsgeldig door [appellanten] worden opgezegd per 18 maart 2016, aldus nog steeds [appellanten] .

3.8.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Naar aanleiding van de bewijsopdracht van de kantonrechter in het tussenvonnis van 25 juli 2018 zijn als getuigen gehoord: [appellant 3] (roepnaam [roepnaam appellant 3] , appellant sub 3) en [indirect bestuurder van de vennootschap] (roepnaam [roepnaam van indirect bestuurder van de vennootschap] , tot 31 augustus 2015 indirect bestuurder van [geïntimeerde] ). De getuigen hebben in de loop van het jaar 2015 met elkaar gesproken over de op dat moment tussen partijen lopende service-overeenkomsten en zij hebben hieromtrent ten overstaan van de kantonrechter verklaringen afgelegd.

Het hof leidt uit de verklaringen van de twee getuigen af dat het overleg tussen hen was ingegeven door de wens om de door [geïntimeerde] ten opzichte van [appellanten] gehanteerde prijzen te heroverwegen, met dien verstande dat de getuigen het er niet over eens zijn wie het initiatief heeft genomen voor het overleg. [appellant 3] heeft als getuige verklaard: “Mij kwam ter ore, medio 2015, van concurrenten van [de vennootschap] dat de prijzen van [de vennootschap] niet marktconform waren. Ik wist dit omdat ik de oude contracten zag ten aanzien van de afvalverwerking van de panden die ik overnam. Ik confronteerde [indirect bestuurder van de vennootschap] daarmee. (…) Ik vroeg hem of wij een raamcontract konden maken met een prijsafspraak voor alle panden/B.V.’s waaromtrent ik met [geïntimeerde] zaken deed. (…). We hebben het niet expliciet over een looptijd gehad.” [indirect bestuurder van de vennootschap] heeft als getuige verklaard: “Begin 2015 had de firma [appellanten] een nieuw pand aangeschaft en zij wilden daarvoor een nieuw contract sluiten betreffende de afvalverwerking. Zij hadden daarvoor een concurrerende offerte aangevraagd. Daaruit volgden lagere prijzen. Op mijn initiatief heeft er toen een gesprek plaatsgevonden tussen mij en [appellant 3] om te spreken over de prijsafspraken en betalingsvoorwaarden van de nieuwe contracten, niet de lopende. Ik bedoel daarmee dat ik de verschillende prijsafspraken uit bestaande contracten wilde gelijktrekken. (…). Over de looptijd hebben we het niet expliciet gehad. (…).”

Het hof concludeert uit de inhoud van de beide getuigenverklaringen dat met betrekking tot de service-overeenkomst voor het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] uitsluitend met betrekking tot de prijs nieuwe afspraken zijn gemaakt. Beide getuigen hebben verklaard dat over de looptijd van de overeenkomst niet expliciet is gesproken. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit [appellanten] redelijkerwijs de conclusie mocht trekken dat op dat punt wél een nieuwe afspraak zou zijn gemaakt. Dit geldt temeer nu in de Algemene Voorwaarden, behorend bij de overeenkomst, is bepaald dat op afwijkende bedingen door de opdrachtgever slechts een beroep kan worden gedaan indien en voor zover deze uitdrukkelijk schriftelijk door [geïntimeerde] zijn aanvaard.

Van belang is verder dat evenmin is gesteld of gebleken dat de getuigen tijdens het hier bedoelde overleg hebben gesproken over andere onderdelen van de tussen partijen gesloten service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] , zoals ten aanzien van het aantal en de inhoud van de rolcontainers, de frequentie van lediging en/of de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden van [geïntimeerde] .

3.9.

[appellanten] stelt dat de voormelde getuigen met hun bespreking in 2015 bedoeld hebben dat de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] in haar geheel zou vervallen c.q. werd beëindigd met wederzijds goedvinden. Zij verwijst in dit verband onder meer naar het volgende onderdeel uit de verklaring van de getuige [indirect bestuurder van de vennootschap] : “In feite betekent dit dat we een nieuwe afspraak hebben gemaakt, waarmee alle bestaande afspraken vervielen” en naar in hoger beroep overgelegde nadere verklaringen van beide getuigen (productie 12 bij memorie van grieven). Het standpunt van [appellanten] kan echter naar het oordeel van het hof alleen al niet worden aanvaard omdat, als toen inderdaad alle bestaande afspraken zouden zijn komen te vervallen, voor de hand zou hebben gelegen dat zij destijds over diverse voor de contractuele relatie relevante onderwerpen nader zouden hebben gesproken en daarover concrete nieuwe afspraken zouden hebben gemaakt, als nieuwe basis voor de contractuele relatie. Daarvan blijkt niets, noch uit hun verklaringen als getuigen in eerste aanleg, noch uit hun nadere schriftelijke verklaringen in hoger beroep. Integendeel; uit alles blijkt dat partijen ná de bespreking tussen de getuigen in 2015 contractueel in feite op de oude voet verder zijn gegaan: aantal en inhoud van de door [geïntimeerde] beschikbaar gestelde rolcontainers is ongewijzigd gebleven, evenals de overeengekomen service ten aanzien van de ledigingen. Alleen de door [appellanten] te betalen prijzen per maand zijn aangepast en tot september 2016 heeft [appellanten] de facturen van [geïntimeerde] terzake ook betaald. Naar het oordeel van het hof volgt mede daaruit dat [appellanten] de aldus op de oude contractuele voet voortgezette dienstverlening van [geïntimeerde] heeft geaccepteerd.

3.10.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat de service-overeenkomst met betrekking tot het [Logistiek Facilitair Centrum] Logistiek Facilitair Centrum in [vestigingsplaats 1] , hiervoor genoemd onder 3.1.2, haar gelding heeft behouden, met uitzondering van de daarin opgenomen prijsafspraken. Dit betekent tevens dat de eerste grief van [appellanten] faalt.

3.11.

Het hof wijst nog op het volgende. Zelfs als de eerste grief van [appellanten] zou zijn geslaagd, zou de devolutieve werking van het hoger beroep hebben meegebracht dat het hof acht zou hebben moeten slaan op de verder door [geïntimeerde] gevoerde verweren. Daartoe behoren het verweer dat niet vaststaat dat [indirect bestuurder van de vennootschap] ten tijde van de totstandkoming van de door [appellanten] gestelde nieuwe overeenkomst nog bevoegd was [geïntimeerde] als haar indirect bestuurder te vertegenwoordigen, alsmede het verweer dat, als [indirect bestuurder van de vennootschap] die bevoegdheid toen (nog) wel had, het ging om een bevoegdheid die uitsluitend kon worden uitgeoefend samen met de andere bestuurder van [geïntimeerde] , de broer van [indirect bestuurder van de vennootschap] , in de gedingstukken aangeduid als [de andere bestuurder van de vennootschap] (hierna: [de andere bestuurder van de vennootschap] ).

3.12.

Het hof laat het eerstgenoemde verweer thans in het midden. Van belang is dat naar het oordeel van het hof het tweede verweer in ieder geval terecht is gevoerd. Tussen partijen staat immers vast dat [indirect bestuurder van de vennootschap] destijds uitsluitend bevoegd was [Recycling en Beheer] Recycling en Beheer B.V. te vertegenwoordigen gezamenlijk met haar andere bestuurder, [de andere bestuurder van de vennootschap] . Dit is een wettelijk toegelaten beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid met werking tegenover derden. Die beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [indirect bestuurder van de vennootschap] bracht tevens mee dat diens optreden als indirect bestuurder van [geïntimeerde] - waarvan [Recycling en Beheer] Recycling en Beheer B.V. immers de bestuurders waren- aan dezelfde beperking onderhevig was. Dit betekent dat [indirect bestuurder van de vennootschap] slechts bevoegd was [geïntimeerde] te vertegenwoordigen gezamenlijk met [de andere bestuurder van de vennootschap] . Verder staat vast dat [de andere bestuurder van de vennootschap] niet aanwezig was bij het gesprek over en de totstandkoming van de gestelde nieuwe overeenkomst. De gestelde nieuwe overeenkomst is dus in beginsel niet bevoegd namens [geïntimeerde] gesloten, hetgeen [geïntimeerde] aan [appellanten] kan tegenwerpen, wat zij in dit geding ook doet.

3.13.

[appellanten] brengt hier ten eerste tegenin dat [de andere bestuurder van de vennootschap] met de nieuwe overeenkomst zou hebben ingestemd, waarmee [appellanten] kennelijk bedoelt aan te voeren dat [geïntimeerde] als gevolg daarvan toen wel bevoegd was vertegenwoordigd. Door [geïntimeerde] is dit gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing van haar stelling dat [de andere bestuurder van de vennootschap] met de nieuwe overeenkomst heeft ingestemd, wijst [appellanten] op de schriftelijke verklaring van [indirect bestuurder van de vennootschap] (productie 4 bij conclusie van repliek in oppositie) en op zijn verklaring als getuige (proces-verbaal getuigenverhoor van 15 november 2018). Naar het oordeel van het hof volgt uit die verklaringen echter niet dat [de andere bestuurder van de vennootschap] toen door [indirect bestuurder van de vennootschap] concreet op de hoogte is gebracht van alle wezenlijke elementen van de gestelde nieuwe overeenkomst en dat [de andere bestuurder van de vennootschap] daar toen mee heeft ingestemd, zodat dit in dit geding dan ook niet vaststaat. [appellanten] heeft hiervan geen nader bewijs aangeboden. De consequentie daarvan is dat de door [appellanten] gestelde instemming door [de andere bestuurder van de vennootschap] niet alsnog kan komen vast te staan. Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de gestelde nieuwe overeenkomst niet is vertegenwoordigd door [indirect bestuurder van de vennootschap] en [de andere bestuurder van de vennootschap] gezamenlijk en deze aldus niet bevoegdelijk namens [geïntimeerde] tot stand is gekomen.

3.14.

Door [appellanten] is in dit verband verder nog betoogd dat door [geïntimeerde] de schijn is gewekt dat [indirect bestuurder van de vennootschap] door [geïntimeerde] gevolmachtigd was om namens haar de gestelde nieuwe overeenkomst aan te gaan als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW althans dat [geïntimeerde] de gestelde nieuwe overeenkomst zou hebben bekrachtigd als bedoeld in artikel 3:69 BW. Dit betoog kan [appellanten] echter niet baten. Nog daargelaten de vraag of schijn van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW de hier aan de orde zijnde wettelijk toegelaten en in het handelsregister ingeschreven beperking van de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van een rechtspersoon kan doorkruisen, is voor een terecht beroep daarop in ieder geval nodig dat de schijn is gewekt door de pseudo-vertegenwoordigde, in dit geval [geïntimeerde] , en dat [geïntimeerde] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de gewekte schijn. Naar het oordeel van het hof is dat laatste hier niet het geval. Ter onderbouwing van haar beroep op schijn van volmachtverlening beroept [appellanten] zich louter op de omstandigheid dat [geïntimeerde] nadien voor haar dienstverlening een eenheidsprijs per bedrijfspand is gaan hanteren. Naar het oordeel van het hof mocht [appellanten] uit die enkele omstandigheid, in het licht van de in het handelsregister ingeschreven en wettelijk toegestane beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [indirect bestuurder van de vennootschap] , niet zonder meer afleiden dat [indirect bestuurder van de vennootschap] door [geïntimeerde] gemachtigd was om de tot dan bestaande contractuele relatie ook op andere wezenlijke onderdelen, zoals de looptijd, te doen aanpassen.

3.15.

Ook het beroep op bekrachtiging in de zin van artikel 3:69 BW faalt. Bekrachtiging veronderstelt dat [geïntimeerde] , en daarmee haar beide toenmalige bestuurders en dus ook [de andere bestuurder van de vennootschap] , bekend zijn met datgene waarvan gesteld wordt dat het is bekrachtigd. In rechtsoverweging 3.14. is al overwogen dat niet vaststaat dat [de andere bestuurder van de vennootschap] bekend was met alle wezenlijke elementen van de gestelde nieuwe overeenkomst. Door [appellanten] is op dat punt geen nader bewijs aangeboden. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat het beroep van [appellanten] op bekrachtiging niet opgaat. De door [appellanten] in dit verband (wederom) aangehaalde omstandigheid dat [geïntimeerde] na het gestelde gesprek tussen [indirect bestuurder van de vennootschap] en [appellant 3] van medio 2015 voor haar dienstverlening een eenheidsprijs per bedrijfspand is gaan hanteren, kan daaraan naar het oordeel van het hof niet afdoen, omdat daaruit niet volgt dat [de andere bestuurder van de vennootschap] ten tijde van de gestelde bekrachtiging bekend was met alle wezenlijke elementen van de gestelde nieuwe overeenkomst, waaronder de looptijd. [appellanten] rept in dit kader in haar bewijsaanbod in de appeldagvaarding nog wel over in het geding brengen van nadere stukken, waaronder facturen van [geïntimeerde] .

Het hof merkt hierbij op dat de facturen van [geïntimeerde] reeds in het geding zijn gebracht en dat de hoogte van de in rekening gebrachte bedragen geen geschilpunt is. Voor het overige acht het hof dit onderdeel van het bewijsaanbod te vaag, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat om het bewijsaanbod te honoreren.

3.16.

Het in dit kader eveneens in de appeldagvaarding aangeboden bewijs dat betrekking heeft op het “gelijktrekken” van prijzen acht het hof niet relevant: dat de prijzen zijn gewijzigd is niet in geschil, en naar het oordeel van het hof is dit punt niet van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het geschil tussen partijen.

3.17.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat zelfs als het hof zou hebben geoordeeld dat de eerste grief van [appellanten] slaagt, dit [appellanten] uiteindelijk niet zou baten.

3.18.

De tweede grief van [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beding in de Algemene Voorwaarden van [geïntimeerde] over stilzwijgende verlenging van de overeenkomst niet onredelijk bezwarend is.

[appellanten] heeft zich in dit verband beroepen op het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en

onder a) BW.

[geïntimeerde] heeft in reactie hierop gewezen op het bepaalde in artikel 6:235 lid 1 aanhef en onder b) BW, welke bepaling (onder meer) inhoudt dat op de vernietigingsgrond als bedoeld in artikel 6:233 BW géén beroep kan worden gedaan door een partij bij wie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst 50 of meer personen werkzaam waren. Volgens [geïntimeerde] waren bij [appellanten] beduidend méér dan 50 personen werkzaam, zodat aan [appellanten] geen beroep op artikel 6:233 BW toekomt.

Het hof stelt vast dat deze laatste stelling van [geïntimeerde] (die ook al in eerste aanleg naar voren was gebracht) niet door [appellanten] is weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid daarvan. Dit betekent dat de tweede grief van [appellanten] in zoverre niet kan slagen.

3.19.

[appellanten] heeft in de toelichting op haar tweede grief ook nog een beroep gedaan op artikel 6:236 aanhef en onder j) BW (de zogenaamde zwarte lijst). Artikel 6:236 geeft (kort gezegd) een nadere invulling welke bepalingen uit algemene voorwaarden in de verhouding met consumenten als onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 BW moeten worden aangemerkt. Gelet op artikel 6:235 BW kan [appellanten] zich als grote ondernemer ook niet met succes op deze bepaling beroepen.

De conclusie is dat de tweede grief van [appellanten] ook in zoverre faalt.

3.20.

De derde grief van [appellanten] betreft het oordeel van de kantonrechter, verwoord in rechtsoverweging 2.10 van het vonnis waarvan beroep, inhoudende dat de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de maandelijkse termijnen tot en met maart 2018 toewijsbaar is ondanks het feit dat [geïntimeerde] (vanaf september 2016) geen diensten meer heeft verricht en geen schade heeft geleden.

Naar het oordeel van het hof faalt ook deze grief. [geïntimeerde] heeft recht op nakoming door [appellanten] van de tussen partijen gesloten service-overeenkomst, waaraan niet afdoet dat [appellanten] vanaf september 2016 geen diensten meer van [geïntimeerde] wenste af te nemen.

3.21.

De vierde grief van [appellanten] is gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de vorderingen van [geïntimeerde] en tegen de proceskostenveroordeling.

Ook deze grief faalt in het licht van het hiervoor overwogene.

3.22.

Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd hoeft, gelet op het hiervoor overwogene, niet meer te worden beoordeeld.

3.23.

Gelet op al het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

[appellanten] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 741,- voor griffierecht en op € 1.138,50 voor salaris advocaat.;

verklaart de voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.F.M. Pols en B.E.L.J.C. Verbunt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2020.

griffier rolraadsheer