Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
19/00155 en 19/00158
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van het verzoek tot uitstel van de zitting, het betaalde griffierecht bij de rechtbank en de aanslagen 2014 en 2015, meer specifiek de correctie van de aftrekposten. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1452
Viditax (FutD), 03-06-2020
FutD 2020-1745
NTFR 2020/1907
V-N 2020/43.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00155 en 19/00158

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de rechtbank) van 7 februari 2019, nummer BRE 17/5300 en 17/7032 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

betreffende na te noemen aanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.4.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan.

1.5.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van twee maal € 46. De rechtbank heeft het beroep dat betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking gegrond verklaard en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze te vergoeden. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2015 is ongegrond verklaard.

1.6.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof.

De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Bij brief van 13 juni 2019 heeft het hof een vooraankondiging gestuurd met de mededeling dat de zaken op de zitting van 24 oktober 2019 behandeld zullen worden. Het hof ontving een brief van belanghebbende op 28 juni 2019 mede namens zijn echtgenote dat zij verhinderd zijn deze zitting bij te wonen. In de brief heeft belanghebbende tevens vermeld verhinderd te zijn tot en met 28 oktober 2019. Met dagtekening 29 juli 2019 heeft het hof een vooraankondiging gestuurd met de mededeling dat de zaken van belanghebbende op de zitting van 7 november 2019 behandeld zullen worden. Het hof ontving een brief van belanghebbende en zijn echtgenote op 13 augustus 2019 dat zij verhinderd zijn deze zitting bij te wonen en tevens verhinderd zijn vanaf 4 tot en met 30 november 2019 en in december 2019 slechts beperkt beschikbaar zijn. Met dagtekening 16 oktober 2019 heeft het hof een vooraankondiging gestuurd met de mededeling dat de zaken op de zitting van 10 januari 2020 behandeld zullen worden. Het hof ontving hierna een brief van belanghebbende op 24 oktober 2019 dat hij en zijn echtgenote wederom verhinderd zijn de zitting bij te wonen en tevens verhinderd zijn van 1 tot en met 15 januari 2020. Met dagtekening 12 november 2019 heeft het hof een aankondiging voor de zitting van 7 februari 2020 gestuurd. In de laatstgenoemde brief heeft het hof geen gelegenheid meer geboden aan te geven of belanghebbende op 7 februari 2020 al dan niet verhinderd is. Het hof ontving een brief van de echtgenote van belanghebbende op 25 november 2019 van de echtgenote van belanghebbende dat zij verhinderd is deze zitting bij te wonen met het verzoek aan het hof een nieuwe datum vast te stellen na 1 maart 2020. Het hof heeft besloten het laatste verzoek tot uitstel af te wijzen, gelet op steeds dezelfde redenen tot uitstel zonder nadere concretisering van de zeer dringende persoonlijke en zakelijke redenen en de gerechtvaardigde belangen van de tegenpartij.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2020 in ‘s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft belanghebbende per brief laten weten dat hij niet zal verschijnen. Namens de inspecteur heeft [inspecteur] telefonisch medegedeeld ook niet te zullen verschijnen. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaak van de echtgenote van belanghebbende met de nummers 19/00156 en 19/00157.

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1958, is gehuwd met [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 2] 1960.

IB/PVV 2014

2.1.1.

Belanghebbende heeft op 24 maart 2015 zijn aangifte IB/PVV gedaan. Belanghebbende heeft samen met zijn echtgenote een persoonsgebonden aftrek aangegeven, waarvan belanghebbende in zijn aangifte een persoonsgebonden aftrek van € 1.046 in mindering heeft gebracht op zijn inkomen. Dit betreft een bedrag van € 746 voor specifieke zorgkosten en € 300 voor giften. Daarnaast heeft de man € 3.842 als negatieve inkomsten uit eigen woning aangegeven.

2.1.2.

Bij brief van 30 juni 2015 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om informatie te verstrekken over de voornoemde aftrekposten. Hierop heeft de inspecteur geen reactie ontvangen.

2.1.3.

Met dagtekening 7 maart 2017 heeft de inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de eerder genoemde aftrekposten te corrigeren. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen. Na het uitblijven van een reactie heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd.

2.1.4.

Aan belanghebbende is met dagtekening 13 april 2017 de aanslag IB/PVV 2014 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.242. Tevens is bij beschikking € 7 belastingrente in rekening gebracht.

2.1.5.

Nadat belanghebbende bezwaar heeft ingediend op 22 mei 2017, heeft de inspecteur in zijn brief met dagtekening 16 juni 2017 belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen het bezwaar af te wijzen. Belanghebbende wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde gegeven over de eigen woning, de zorgkosten en de giften te verstrekken. Tevens heeft de inspecteur de mogelijkheid aangeboden om gehoord te worden. Belanghebbende heeft bij brief, ontvangen door de inspecteur op 26 juni 2017, gereageerd waarin is verzocht om uitstel wegens vakantie vanaf 23 juni tot en met 28 juli 2017. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 23 augustus 2017 wederom een verzoek gedaan om de gevraagde gegevens voor 6 september 2017 op te sturen en de mogelijkheid te worden gehoord aangeboden.

2.1.6.

Nadat belanghebbende niet meer heeft gereageerd, heeft de inspecteur de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar met dagtekening 15 september 2017 gehandhaafd.

2.1.7.

De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.523 en heeft de daarbij behorende rentebeschikking evenredig verminderd, aangezien belanghebbende in beroep bankafschriften heeft overgelegd waaruit af te leiden is dat belanghebbende de hypotheekrente heeft betaald.

IB/PVV 2015

2.2.1.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 15 januari 2015 een voorlopige aanslag ontvangen met een te ontvangen bedrag van € 1.986. De echtgenote heeft naar aanleiding van het verzoek van de inspecteur gegevens verstrekt, bestaande uit overzichten, facturen en bankafschriften met betrekking tot de zorgkosten en de giften.

2.2.2.

Belanghebbende heeft op 16 april 2016 zijn aangifte IB/PVV 2015 gedaan. Belanghebbende heeft samen met zijn echtgenote een persoonsgebonden aftrek aangegeven, waarvan belanghebbende in zijn aangifte een persoonsgebonden aftrek van € 2.340 in mindering heeft gebracht op zijn inkomen. Dit betreft een bedrag van € 2.000 voor specifieke zorgkosten en € 340 voor scholingsuitgaven.

2.2.3.

Met dagtekening 17 juni 2016 heeft belanghebbende een nadere voorlopige aanslag ontvangen waardoor het terug te ontvangen bedrag is verhoogd tot een bedrag van € 2.459. De aanslag is conform de ingediende aangifte opgelegd.

2.2.4.

Bij brief van 6 december 2016 heeft de inspecteur verzocht om informatie te verstrekken over de voornoemde aftrekposten. Door belanghebbende is hierop niet gereageerd.

2.2.5.

Met dagtekening 9 februari 2017 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om de eerder genoemde aftrekposten te corrigeren. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen. Na het uitblijven van een reactie heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd.

2.2.6.

Aan belanghebbende is met dagtekening 17 maart 2017 de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.619. Tevens is bij beschikking € 34 belastingrente in rekening gebracht.

2.2.7.

Belanghebbende heeft op 25 april 2017 bezwaar ingediend tegen de aanslag. Op 13 juni 2017 heeft belanghebbende een formulier opgestuurd “dwangsom bij niet tijdig beslissen.

2.2.8.

De inspecteur heeft vervolgens de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar met dagtekening 15 juni 2017 gehandhaafd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    Heeft de rechtbank terecht het verzoek tot uitstel van de zitting afgewezen?

  • -

    Heeft de rechtbank ten onrechte twee maal griffierecht geheven?

  • -

    Zijn de aanslagen 2014 en 2015 tot een juist bedrag vastgesteld? Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht de aangevoerde aftrekposten specifieke zorgkosten, giften en scholingsuitgaven van belanghebbende heeft gecorrigeerd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Bij de onder 1.7 vermelde verloop van verzoeken tot uitstel heeft belanghebbende in de laatst genoemde brief ontvangen door het hof op 20 november 2019 verzocht om uitstel van de zitting van 7 februari 2020. Het hof heeft in dat wat belanghebbende heeft aangevoerd geen reden gevonden de zitting wederom uit te stellen, nadat het hof reeds meerdere malen op verzoek van belanghebbende uitstel heeft verleend. Er is daarom aan belanghebbende voldoende gelegenheid geboden ter zitting te verschijnen. Gelet op het ontbreken van enige concretisering van de zeer dringende persoonlijke en zakelijk gerelateerde redenen van belanghebbende en de afweging van belangen, is het hof van oordeel dat een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het opnieuw uitstel verlenen van de zitting.

Ten aanzien van het geschil

Uitstel zitting bij de rechtbank

4.2.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot uitstel van de zitting van 24 januari 2018 heeft afgewezen. Op vrijdag 21 december 2018 zou de rechtbank een uitnodiging hebben verstuurd om ter zitting te verschijnen op 24 januari 2019. Gelet op de drukke januari periode van zijn echtgenote heeft zijn echtgenote bij brief van 10 januari 2019 verzocht om wegens uitzonderlijke omstandigheden uitstel te verlenen. De rechtbank zou het verzoek op 18 januari 2019 hebben afgewezen, wat volgens belanghebbende erg laat is geweest, waardoor het onmogelijk was te verschijnen ter zitting.

4.3.

In het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2017 (hierna: de procesreglement) staat vermeld:

“(…)

2. Na een uitnodiging voor de zitting wordt een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij dient in zijn verzoek om uitstel zo mogelijk zijn verhinderdata op te nemen.

3. De bestuursrechter beslist binnen een week na ontvangst van dit verzoek.

4. Een verzoek dat voldoet aan de in het tweede lid omschreven voorwaarden wordt ingewilligd, tenzij de bestuursrechter oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen hieraan in de weg staan. Als zwaarder wegende belangen kunnen mede worden aangemerkt een voor de bestuursrechter geldende beslistermijn en het belang van andere bij de behandeling van de zaak betrokken belanghebbende.1

(…)”

4.4.

De Hoge Raad heeft als volgt overwogen:

“(…)

3.3.1.

De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat ingeval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in zijn uitspraak met redenen te worden omkleed (vgl. HR 20 december 1989, nr. 26194, BNB 1990/57, HR 31 januari 2001, nr. 35914, LJN AA9724, BNB 2001/132 en HR 4 mei 2007, nr. 41429, LJN BA4301, BNB 2007/203).

3.3.2.

Of een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting tijdig is ingediend, zal afhankelijk zijn van de reden voor dat verzoek en van de overige omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting van een zaak kort voor de zitting is ingediend, rechtvaardigt op zichzelf genomen niet het oordeel dat het verzoek tot aanhouding niet tijdig is ingediend. Indien het Hof heeft gemeend dat de omstandigheid dat het verzoek om uitstel van 6 september 2009 kort voor de op 8 september 2009 geplande zitting werd ingediend op zichzelf genomen reden vormde om inwilliging van dat verzoek te weigeren, dan heeft het daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan ontbreekt een redengeving waarom de indiening van het uitstelverzoek op 6 september 2009 in de omstandigheden van het geval niet als tijdig kon worden beschouwd.2

(…)”

4.5.

Belanghebbende heeft de uitnodiging van de rechtbank voor de zitting van 24 januari 2019 ontvangen op 24 december 2018. Op 10 januari 2019 heeft de echtgenote van belanghebbende verzocht om de zitting uit te stellen wegens zeer dringende redenen van verhindering en een periode van verhindering van 22 januari tot en met 3 maart 2019 medegedeeld. Deze brief is door de rechtbank ontvangen op 14 januari 2019. Volgens het procesreglement wordt het verzoek om uitstel van de behandeling gehonoreerd, indien het verzoek zo spoedig mogelijk wordt ingediend onder aanvoering van gewichtige redenen. Aangezien belanghebbende het verzoek niet tijdig heeft ingediend onder aanvoering van gewichtige redenen, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek heeft afgewezen.

Betaling griffierecht bij de rechtbank

4.6. “

Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.”

(…)

“Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. (…)”3

4.7.

Aan de parlementaire geschiedenis van artikel 8:41, lid 1 Awb kan worden ontleend dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd dat, indien beroep is ingesteld door twee of meer indieners ter zake van twee of meer besluiten die zijn genomen ten aanzien van hen afzonderlijk, voor de indiening van het beroepschrift door elk van die indieners griffierecht is verschuldigd. Slechts indien twee of meer indieners één beroepschrift indienen ter zake van hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd.

4.8.

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn beiden in beroep gegaan tegen twee besluiten die tegen elk van hen afzonderlijk zijn genomen, namelijk twee verschillende aanslagen IB/PVV die aan hen afzonderlijk zijn opgelegd. Voor het heffen van griffierecht kan er sprake zijn van samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit.4 In dat geval zou er eenmaal griffierecht verschuldigd zijn. Deze uitzondering doet zich hier niet voor aangezien de beroepschriften op verschillende data zijn ingediend en geen sprake is van hetzelfde besluit, waardoor het hof van oordeel is dat de griffier van de rechtbank terecht voor iedere belanghebbende twee maal griffierecht heeft geheven.

Aftrekposten specifieke zorgkosten, giften en scholingsuitgaven

4.9.

Bij de beantwoording van de vraag of de door belanghebbende aangevoerde aftrekposten terecht door de inspecteur zijn gecorrigeerd rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie kunnen leiden dat hij recht heeft op de geclaimde aftrek.

Specifieke zorgkosten

4.10.

Voor het in aanmerking nemen van uitgaven voor specifieke zorgkosten dient het te gaan om uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan.5 Zoals de rechtbank terecht heeft geconstateerd heeft belanghebbende geen bewijsstukken ingediend voor het jaar 2014 die betrekking hebben op de geclaimde specifieke zorgkosten. Met betrekking tot het jaar 2015 heeft de echtgenote van belanghebbende stukken ingediend, waaronder een offerte van € 3.785 betrekking hebbende op een ooglidcorrectie. Een offerte kan geen bewijs leveren voor de gemaakte zorgkosten. Dat geldt eveneens voor het ingediende overzicht “Specificatie zorgkosten 2015”. Daarnaast zijn er enkele facturen en bankafschriften overgelegd met betrekking tot tandartskosten, eigen bijdrage CZ, apotheekkosten en fysiotherapie. Al zouden deze stukken afdoende bewijs leveren dan nog zou dit niet tot aftrek leiden, aangezien het totale bedrag niet boven de drempel6 uitkomt.

Giften

4.11.

Voor het jaar 2014 heeft de inspecteur de aangifte eveneens terecht gecorrigeerd, aangezien ten aanzien van de giften geen stukken zijn ingediend waarmee belanghebbende of zijn echtgenote aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van aftrekbare giften in de zin van artikel 6.32 Wet IB 2001. Er zijn slechts stukken/ betaalbewijzen ingediend door de echtgenote van belanghebbende die zien op het jaar 2015. Echter voor dat jaar heeft de inspecteur geen correctie aangebracht.

Scholingsuitgaven

4.12.

Voor het in aanmerking nemen van scholingsuitgaven is bepaald dat het uitgaven zijn voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.7 Er zijn geen stukken ingediend door belanghebbende of zijn echtgenote waarmee aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de scholingsuitgaven.

4.13.

Het hof is van oordeel dat de geclaimde aftrekposten niet aannemelijk zijn gemaakt door belanghebbende aangezien het ontbreekt aan enige concrete onderbouwing met bewijsstukken van deze aftrekposten na diverse verzoeken van de inspecteur.

4.14.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Aangezien de aanslag niet wordt verminderd, is er geen aanleiding voor een vermindering van de rentebeschikking.

4.15.

Naar aanleiding van de klacht van belanghebbende in zijn hogerberoepschrift over de nog niet door de inspecteur gecorrigeerde aanslag IB/PVV 2014 en het niet vergoeden van griffierecht naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, wijst het hof erop dat wanneer hoger beroep wordt ingediend tegen een uitspraak van de rechtbank de werking van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort.8 Aan de uitspraak van de rechtbank moet dus als er nog een hoger beroep loopt geen uitvoering worden gegeven. Het hof wijst belanghebbende ten overvloede op de vermelding van de inspecteur dat deze bedragen desalniettemin zijn verrekend.

Tussenconclusie

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Het hof is van oordeel dat geen redenen aanwezig zijn om het griffierrecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, P. Fortuin en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad

www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. ( Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 2.13 De dagbepaling van de zitting van het procesreglement

2 ECLI:NL:HR:2011:BN3529.

3 Artikel 8:41 lid 1 in samenhang met lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4 Artikel 8:41 lid 3 Awb.

5 Artikel 6.17 Wet IB 2001.

6 Artikel 6.20 Wet IB 2001.

7 Artikel 6.27, lid 1 Wet IB 2001.

8 Artikel 27h Algemene wet inzake rijksbelastingen.