Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1588

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
200.235.924_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid wegens onttrekking activa; inbreuk auteursrecht reclameteksten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.235.924/01

arrest van 19 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principale hoger beroep,

verweerder in het incidentele hoger beroep,

advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars te Zundert,

tegen:

Local Online Marketing B.V., v.h.o.d.n. MKB SEM,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verweerster in het principale hoger beroep,

appellante in het incidentele hoger beroep,

advocaat: mr. L.R. Ridderbroek te Rotterdam,

op het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, tussen principaal appellant als gedaagde en principaal verweerster als gedaagde gewezen vonnissen van 29 maart 2017 en 29 november 2017

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5252215 CV EXPL 16-4111)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 8 mei 2018. Daarin is een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 9 juli 2018. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

Het hof verwijst voorts naar:

  • -

    De memorie van grieven in het principale hoger beroep;

  • -

    De memorie van antwoord in het principale hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidentele hoger beroep:

  • -

    De memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep;

  • -

    De akte uitlating van LOM;

  • -

    De akte van [appellant] .

Partijen, hebben de stukken weer in handen gesteld van het hof voor het wijzen van arrest.

3 De beoordeling van het principale en incidentele appel

3.1

In hoger beroep gaat het hof van de navolgende feiten die in eerste aanleg zijn vastgesteld en in hoger beroep niet zijn bestreden.

3.2

Deze zijn als volgt vermeld in het tussenvonnis van 29 maart 2017.

a. LOM is gespecialiseerd in het verrichten van werkzaamheden op het gebied van

zoekmachinemarketing (search engine optimization). Het doel van deze werkzaamheden is het beter vindbaar maken en houden van de website van haar klanten in de natuurlijke zoekresultaten van de belangrijkste zoekmachines op internet;

b. LOM heeft met de besloten vennootschap Keukenmanagement B.V. een overeenkomst voor zoekmachinemarketing gesloten;

c. [appellant] is enig bestuurder en aandeelhouder van Keukenmanagement B.V. (verder te noemen: “Keukenmanagement”);

d. op de tussen LOM en Keukenmanagement gesloten overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van LOM van toepassing;

e. de overeenkomst is gesloten voor de duur van 60 maanden. Op basis van de

overeenkomst is LOM gehouden diverse werkzaamheden te verrichten gericht op het

verbeteren van de vindbaarheid van de website van Keukenmanagement.

Keukenmanagement dient daarvoor een vergoeding te betalen van € 1.934,79 inclusief BTW per jaar;

f. omdat Keukenmanagement haar betalingsverplichtingen niet is nagekomen, is LOM een dagvaardingsprocedure gestart. Op 24 juni 2015 is Keukenmanagement bij verstek veroordeeld tot betaling van de vordering. Het verstekvonnis is inmiddels onherroepelijk geworden;

g. op 22 juli 2015 is het verstekvonnis betekend onder afgifte van een betalingsbevel;

h. toen zowel enige reactie als betaling uitbleef, heeft LOM bankbeslag laten leggen op de bankrekening van Keukenmanagement, maar dit beslag trof geen doel;

i. op 18 september 2015 is de inschrijving van Keukenmanagement bij de Kamer van

Koophandel ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de hoofdvestiging;

j. op 24 maart 2016 heeft de Kamer van Koophandel medegedeeld voornemens te zijn de besloten vennootschap te gaan ontbinden, hetgeen inmiddels ook is gebeurd;

k. uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat [appellant] tevens eigenaar dan wel bestuurder is van de volgende ondernemingen:

- de eenmanszaak Boxspring [vestigingsnaam] h.o.d.n. Boxspring [vestigingsnaam] ,

- de besloten vennootschap Boxspring [vestigingsnaam] B.V. h.o.d.n. Boxspring [vestigingsnaam] .

3.3

De kantonrechter heeft in het eindvonnis van 29 november 2017 [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 14.710,44 vermeerderd met de contractuele rente over een bedrag van € 7.739,16 vanaf 4 juli 2016 tot de dag der voldoening, met zijn veroordeling in de proceskosten en onder afwijzing van het meer gevorderde. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 29 maart 2017 voorshands aannemelijk geoordeeld dat [appellant] activa heeft onttrokken aan Keukenmanagement B.V. [appellant] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. De kantonrechter heeft [appellant] in het leveren van dat bewijs niet geslaagd geacht. In het principale hoger beroep komt [appellant] tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen op. Deze vordering wordt hierna aangeduid als vordering I.

3.4

LOM heeft voorts tegen [appellant] een vordering ingesteld wegens inbreuk op het auteursrecht van door haar aangeleverde teksten. Volgens de kantonrechter, in het tussenvonnis van 29 maart 2017, heeft LOM onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [appellant] persoonlijk aansprakelijk gehouden kan worden voor een door Keukenmanagement B.V. gepleegde inbreuk. Daartegen komt LOM op in het incidentele hoger beroep. Deze vordering wordt hierna aangeduid als vordering II.

3.5

Het hof zal eerst ingaan op vordering I.

3.6

Keukenmanagement B.V. is bij verstek veroordeeld tot betaling van dezelfde vordering van LOM. In deze procedure staat vast dat het desbetreffende vonnis onherroepelijk is geworden. De vordering van LOM op deze vennootschap waarvan [appellant] bestuurder was staat dus vast. Tussen partijen staat ook vast dat de activa van deze vennootschap zijn overgegaan naar de eenmanszaak van [appellant] en dat deze vennootschap voor het laatst jaarstukken heeft opgemaakt over 2010 en in of omstreeks 2015 is ontbonden. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat er voldoende grond bestaat voor het vermoeden dat [appellant] activa aan de vennootschap heeft onttrokken. Dit vermoeden wordt nog eens versterkt door het feit dat [appellant] stelt de koopprijs van de activa te hebben voldaan met kasstortingen tot een bedrag dat minder is dan de koopovereenkomst zonder de herkomst van de gestorte gelden duidelijk te maken. De kantonrechter heeft voorts terecht geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Ook het hof komt tot dit bewijsoordeel. Geen van de aangevoerde grieven tegen deze oordelen kan slagen. [appellant] is veroordeeld tot betaling van hetgeen de vennootschap aan LOM was verschuldigd omdat hij verhaal van deze vordering op de vennootschap heeft gefrustreerd. Ook dit oordeel van de kantonrechter onderschrijft het hof. [appellant] heeft in hoger beroep geen (nieuwe) feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat dit oordeel onjuist is. Het hof acht voldoende redengevend dat [appellant] de activiteiten van Keukenmanagement heeft voortgezet op hetzelfde adres in [vestigingsplaats 2] , dat geen jaarstukken zijn opgemaakt, dat ongeloofwaardig is dat [appellant] voor de activa van Keukencentrum een normale koopprijs heeft betaald, dat een dag na een vergeefse beslaglegging een nieuwe vennootschap is opgericht met een kapitaal van € 100,-- waarvan [appellant] enig aandeelhouder en bestuurder is, en dat volgens [appellant] alleen de vordering van LOM op Keukenmanagement onbetaald is gelaten. Hiervan kan aan [appellant] als (enig) bestuurder van deze vennootschap een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt.

3.7

Met betrekking tot vordering II overweegt het hof als volgt.

3.8

In het tussenvonnis van 29 maart 2017 heeft de kantonrechter in de eerste plaats vastgesteld (rov. 3.13) dat de teksten op de website van Keukenmanagement afkomstig zijn van LOM. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat de teksten auteursrechtelijk beschermd zijn (rov. 3.14) waarbij de kantonrechter in het bijzonder heeft overwogen dat de teksten “origineel” zijn. LOM heeft in haar algemene voorwaarden melding gemaakt van het feit dat het auteursrecht aan haar toekomt.

3.9

Lom heeft in de inleidende dagvaarding het volgende gesteld: in artikel 11.2 van haar algemene voorwaarden wordt onder door LOM ontwikkelde werken verstaan:

"de door eiseres opgestelde, aangebrachte of anderszins verstrekte zoekmachinevriendeliike teksten, webpagina's, landingspagina's weblinks en codes, adviezen, templates, software, applicaties en overige conversie en of gebruiksverbeterende aanpassingen".

1.49

Zoals uit het voorgaande volgt, wordt in dit concrete geval onder werken verstaan: de door eiseres opgestelde SEO-vriendelijke (zoekmachinevriendelijke) teksten. Dit komt overeen met hetgeen hierover in artikel 10 lid 1 onder 1 Auteurswet is opgenomen nu de teksten worden aangemaakt als 'geschriften' in die zin.”

LOM heeft dus een beroep gedaan op het haar toekomende auteursrecht van teksten die zij voor Keukenmanagement heeft gemaakt.

3.10

[appellant] heeft in de conclusie van antwoord in eerste aanleg (onder 22) als meest verstrekkende verweer gevoerd dat de desbetreffende teksten een algemeen karakter hebben en dus geen auteursrechtelijke bescherming genieten. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen en daartegen is door [appellant] geen specifieke grief aangevoerd. Hij heeft wel aangevoerd dat de teksten door een ander zijn gemaakt. Dit verweer valt niet te verenigen met de stelling van [appellant] in eerste aanleg dat hij de teksten aan LOM heeft aangeleverd, en wordt op deze grond gepasseerd. De grieven II tot en met V in het principale hoger beroep tegen het tussenvonnis van 29 maart 2017 behoeven dan ook geen verdere bespreking.

3.11.

Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat LOM onvoldoende heeft gesteld om aansprakelijkheid van [appellant] aan te nemen ter zake van de wanprestatie van Keukencentrum. Voor zover LOM al tegen dit oordeel heeft willen opkomen, heeft zij niet voldoende specifiek en concreet aangevoerd waarom het oordeel van de kantonrechter onjuist zou zijn.

3.12

In hoger beroep heeft LOM de grondslag van haar vordering aangevuld door te stellen dat [appellant] inbreuk maakt op het auteursrecht omdat hij dit heeft gebruikt in zijn eenmanszaak. Het hof acht deze stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd. De vordering van LOM berust bovendien op het van toepassing zijn van haar algemene voorwaarden in dier voege dat het niet geoorloofd is zonder betaling van de facturen gebruik te maken van de teksten. [appellant] heeft betwist dat deze voorwaarden door hem persoonlijk zijn aanvaard en LOM heeft niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat dit wel zo is. Ten slotte valt ook niet in te zien welk belang LOM bij haar vordering heeft. Zij heeft gesteld dat zij schade heeft geleden doordat Keukencentrum haar facturen onbetaald liet. Deze schade wordt echter vergoed door toekenning van de vordering I. Dit betreft de bedongen vergoeding over de gehele periode van het contract, te weten vijf jaar. Daarmee heeft LOM ook betaling ontvangen voor het gebruik van haar auteursrecht.

3.13

Uit het voorgaande volgt dat zowel het principale als het incidentele hoger beroep faalt.

3.14.

Partijen hebben wel een bewijsaanbod gedaan, maar niet van feiten en omstandigheden die indien bewezen het hof tot een ander oordeel aanleiding zou kunnen geven.

3.15.

Bij deze stand van zaken is het redelijk de proceskosten tussen partijen aldus te verdelen dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof rechtdoende in het principale en incidentele hoger beroep:

verwerpt beide beroepen onder bekrachtiging van de vonnissen van de kantonrechter van 29 maart 2017 en 29 november 2017;

bepaalt dat de proceskosten worden verdeeld tussen partijen in dier voege dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick, J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 mei 2020.

griffier rolraadsheer