Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1582

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
20-000778-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000778-18

Uitspraak : 24 maart 2020

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993917-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van medeplegen van opzettelijk produceren of verkopen/afleveren van stoffen van lijst I bij de Opiumwet (feit 1). Ter zake van medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (feit 2) en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet (feit 3) is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zijn onder meer bijzondere voorwaarden verbonden, inhoudende reclasseringstoezicht en een verplichting tot medewerking tot begeleiding ten aanzien van financiën, werk en inkomen. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde beslist tot teruggave van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed.

Ten slotte is de verdachte bij voormeld vonnis ter zake van handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet (feit 4) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Van de zijde van verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte beroep d.d. 5 maart 2018 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld. Bij de akte partiële intrekking hoger beroep van 13 februari 2020 is het hoger beroep ingetrokken voor wat betreft de feiten 2 en 3. Door deze beperkingen in het ingestelde hoger beroep zijn deze feiten niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen, waarmee het hoger beroep uitdrukkelijk is beperkt tot hetgeen aan verdachte onder feiten 1 en 4 ten laste is gelegd. Ook het beslag is, gelet op deze beperkingen, in hoger beroep niet meer aan de orde.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve, mede gelet op het bepaalde in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte dient te volgen op grond van afwezigheid van alle schuld. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een straf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

4.
hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te [plaats] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 960 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 2002 gram,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4.
hij op 22 oktober 2017 te [plaats] , opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 960 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en ongeveer 2002 gram hennep,

zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit – zakelijk weergegeven – dat de verdachte geen wetenschap had van de in zijn woning aangetroffen softdrugs. Mitsdien kan het bestanddeel opzettelijk volgens de raadsman niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij zelden in de woning kwam aan de [adres 2] , omdat hij voornamelijk bij zijn vader sliep. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit 4 uitsluitend ziet op het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet. Het bewezen verklaren van het niet-opzettelijk aanwezig hebben van hennep en/of hasjiesj zou denaturering van de tenlastelegging inhouden, aldus de raadsman. Gelet hierop heeft de raadsman bepleit dat de verdachte integraal van het onder 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toe komt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor het “opzettelijk aanwezig hebben” van middelen als bedoeld in de Opiumwet is voldoende dat de middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de middelen, althans de aanmerkelijke kans daarop willens en wetens heeft aanvaard.

Op 22 oktober 2017 wordt bij een doorzoeking in de door verdachte gehuurde woning aan het [adres 2] , in een cv-ruimte/opberghok op de slaapkamerverdieping van die woning, een hoeveelheid hasjiesj en hennep aangetroffen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte/getuige] zijn op dat moment beiden in de woning aanwezig.

Uit de verklaring van de getuige [medeverdachte/getuige] blijkt dat verdachte op die dag in de woning heeft gedoucht, wat verdachte ook min of meer beaamt, en dat verdachte, zoals hij zelf verklaart, boven is geweest om spullen (gel) te pakken. Uit de schriftelijke verklaring die door de verdediging is overgelegd, ondertekend door de vader van verdachte, volgt dat de verdachte destijds regelmatig, 5 tot 6 keer per week, bij zijn vader verbleef om daar te overnachten. Dit laat onverlet dat de verdachte op de dagen dat hij ’s nachts bij zijn vader sliep deels in zijn eigen woning kan hebben verbleven, terwijl hij bovendien niet alle dagen van de week bij zijn vader verbleef. De omstandigheid dat hij kennelijk in zijn eigen woning douchte en daar spullen voor de persoonlijke verzorging aanwezig had, duidt erop dat hij in ieder geval op de dag van de doorzoeking niet alleen huurder was, maar ook feitelijk bewoner van de woning aan het [adres 2] .

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte destijds zijn woning ter beschikking had gesteld aan medeverdachte [medeverdachte/getuige] , dat de verdachte een sleutel van zijn woning aan deze persoon had gegeven en dat die [medeverdachte/getuige] zich bezighield met het fabriceren van harddrugs in de woning van de verdachte. Ook de verdachte heeft zich hiermee ingelaten door hand- en spandiensten te verrichten. Zo heeft hij met zijn eigen auto in opdracht van voornoemde [medeverdachte/getuige] emmers kleurstoffen, cafeïne en een tabletteermachine gehaald en gebracht naar zijn woning gelegen aan het [adres 2] . Tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte op 22 oktober 2017 is, naast de hennep en hasjiesj, een grote hoeveelheid amfetamine en MDMA aangetroffen. De verdachte is voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs in diezelfde woning en voor het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen reeds onherroepelijk veroordeeld.

Nu de verdachte de huurder van de woning was, hij op dat adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, tijdens de doorzoeking op 22 oktober 2017 in de woning naast hennep en hasjiesj ook harddrugs en voorwerpen zijn aangetroffen voor de productie daarvan en verdachte bij de harddrugs betrokken is geweest, en gelet op het voormelde feitelijke gebruik van de woning, is het hof van oordeel dat de verdachte op 22 oktober 2017 als bewoner moet worden beschouwd en daarmee in beginsel de feitelijke beschikkingsmacht had over de in de woning aangetroffen goederen en minst genomen ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook op andere plaatsen in zijn woning nog andere drugs aanwezig waren. Derhalve heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad met betrekking tot de aanwezigheid van hennep en hasjiesj.

Het hof verwerpt het verweer.

Nu het hof tot een bewezenverklaring komt van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet, kunnen de verweren van de verdediging die betrekking hebben op het niet-opzettelijk overtreden van artikel 3, onder C, van de Opiumwet, buiten bespreking blijven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasjiesj en hennep in zijn woning. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen als deze een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan in veel gevallen leidt tot verslaving daaraan. Naar ook algemeen bekend is vindt bovendien een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van verdovende middelen zoals hasj en hennep. Het bezit daarvan dient derhalve te worden tegengegaan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging meegewogen dat hij, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 januari 2020, vóór het plegen van het onderhavige feit eerder onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld, maar niet ter zake van een soortgelijk feit.

Als uitgangspunt voor de bepaling van de aan de verdachte op te leggen straf zoekt het hof aansluiting bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Volgens deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs met een gewicht tussen de 2500 en 5000 gram (vijfde trede) een taakstraf voor de duur van 180 uren in beginsel als passend beschouwd. Gelet echter op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal het hof ten voordele van verdachte van voornoemd oriëntatiepunt afwijken en aan hem een lagere taakstraf (conform de vierde trede) opleggen dan het voornoemd oriëntatiepunt vermeldt. Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het hof komt tot een taakstraf van een langere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd aangezien het hof tot een bewezenverklaring komt van de misdrijfvariant en de advocaat-generaal een bewezenverklaring en straf vorderde ten aanzien van de overtredingsvariant.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,

en op 24 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. S. Riemens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.