Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1510

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
20-002236-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002236-18

Uitspraak : 16 maart 2020 (Promis)

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-075593-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit en de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 april 2017 te Vught openlijk, te weten op de Kraaiengatweg , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever/slachtoffer] , door:

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 april 2017 te Vught , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, te weten al dan niet na kalm beraad en/of rustig overleg, [aangever/slachtoffer] heeft mishandeld door:

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 april 2017 te Vught openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever/slachtoffer] , door:

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en het lichaam te slaan/stompen en

-voornoemde [aangever/slachtoffer] tegen het hoofd en het lichaam te schoppen/trappen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, district 's-Hertogenbosch, basisteam Meierij, registratienummer PL2100-2017083206, afgesloten d.d. 26 mei 2017 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 55), nader te noemen: het politiedossier.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 april 2017 (pg. 4-6), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever/slachtoffer]:

Ik ben werkzaam als advocaat. Tot ongeveer anderhalf jaar geleden heb ik een vrouw, genaamd [zus verdachte] , voor mij in dienst gehad.

Afgelopen week ben ik op het Paaspop festival in Schijndel geweest. Daar raakte ik in gesprek met [betrokkene] . Gedurende dit gesprek stonden [zus verdachte] en haar broer [verdachte] ook in onze buurt. Plotseling viel [verdachte] mij uit het niets aan en bedreigde hij mij. Door omstanders werd [verdachte] tegen gehouden en een en ander gesust.

Vandaag, vrijdag 21 april 2017, ben ik gaan sporten bij HealthCity gevestigd op Kraaiengatweg 3 te Vught . Omstreeks 20:30 uur [het hof begrijpt gezien bewijsmiddel 5: omstreeks 21.00 uur] liep ik alleen naar buiten. Mijn donkere Skoda personenauto had ik op het parkeerterrein geparkeerd. Toen ik nabij mijn personenauto kwam werd ik uit het niets aangevallen door 2 manspersonen. Ik werd door hen beiden geschopt en geslagen, waaronder meerdere malen met geschoeide voet tegen mijn hoofd. De mannen bleven mij slaan en schoppen, ook toen ik al op de grond lag.

Door deze mishandeling voelde ik pijn over mijn gehele lichaam. Ook heb ik een snede op de brug van mijn neus en een tand door mijn lip.

Ik kan u verklaren dat een van deze manspersonen de mij bekende [verdachte] betrof. Ik herkende [verdachte] met een zekerheid van 300.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 april 2017 (pg. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever/slachtoffer]:

Op vrijdag 21 april 2017 deed ik aangifte van openlijke geweldpleging en mishandeling. Ter aanvulling van deze aangifte en mijn vorige verklaring wil ik het volgende verklaren.

Ik heb nog steeds veel pijn. Het letsel aan mijn voorhoofd was een open wond. Deze moest met 3 hechtingen gehecht worden.

(vraag verbalisanten: Wat kunt u specifiek vertellen over de situatie bij HealthCity, de daders en de door hen gebruikte voertuigen?)

Wanneer je bij HealthCity door een poort het terrein op rijdt, liggen meteen links op dat terrein 3 parkeervakken naast elkaar. Ik parkeerde mijn auto meteen links in het parkeervak tegen het hek aan.

Toen ik na het fitnessen buiten kwam en naar mijn auto liep, zag ik rechts naast mijn auto een bestelbusje staan met geblindeerde ramen aan zij- en achterkant. Ik opende het linker voorportier en wilde instappen. Op dat moment zag ik een mij onbekende man aan de bestuurderszijde uit de bestelauto stappen. Ik zag meteen aan de boze gelaatsuitdrukking van die man dat die mij kennelijk moest hebben. Toen ik met een been in de auto stapte, zag ik dat die man het rechter portier van mijn auto opende en wilde instappen. Ik dacht meteen, dat is niet goed. Ik ben toen meteen weer uitgestapt en naar de achterzijde van mijn auto gelopen. Ik wilde naar HealthCity terug lopen.

Op dat moment zag ik diezelfde [hof: man] in mijn richting komen lopen. Ik zag hierna van de andere zijde van de bestelauto een man tevoorschijn komen. Ik herkende die man meteen als de mij bekende [verdachte] .

Ik begon te rennen, maar de beide mannen hadden mij vrij snel te pakken. Alles hierna ging heel snel. Ik voelde dat beide mannen mij vast pakten. Ik zag dat beide mannen mij meteen begonnen te slaan. Ik zag dat ze hun vuisten balden. Ik werd meteen een aantal keren op mijn gezicht geraakt. Hierna gleed ik uit en kwam op de grond te liggen. Ik voelde dat ik diverse keren werd geslagen en geschopt. Ik zag dat beide mannen dit deden. Ze hadden het kennelijk op mijn hoofd gemunt, want alle klappen en schoppen kwamen tegen mijn hoofd aan. Omdat ik mijn hoofd afschermde met mijn beide onderarmen, voelde ik dat diverse klappen en schoppen ook tegen mijn armen aan kwamen. Die klappen en schoppen deden veel pijn. Ik denk dat ik zeker een keer of 6 à 7 vol tegen mijn hoofd ben geraakt. En zoveel keren zeker tegen mijn armen en ellebogen.

(vraag verbalisanten: U kent [verdachte] en u sprak over een bedreiging. Kunt u dat toelichten?)

Op zaterdag 15 april 2017 was ik op Paaspop in Schijndel. 's Avonds rond 20:00 uur zag ik op korte afstand [zus verdachte] staan en een man erbij, die ik toen nog niet kende. Ik zag dat die man op mij af kwam lopen en mij bij mijn linker schouder vast pakte. Ik zag dat hij zijn vuist balde en mij wilde slaan. Ik zag dat mijn vriend [getuige 1] er toen tussen sprong en die man kon tegenhouden. [getuige 1] vertelde mij daar toen dat dit de broer van [zus verdachte] was, die heette [verdachte] .

Op de tweede Paasdag, maandag 17 april 2017, vroeg [getuige 1] of hij 's avonds kon langskomen. [getuige 1] vertelde mij dat [verdachte] mij per sé wilde spreken. [getuige 1] gaf mij het telefoonnummer van [verdachte] . Ik belde hem rond 21:00 uur op. Ik kreeg een persoon aan de lijn, die antwoordde met [verdachte] . Nadat ik hem vroeg waarom hij tijdens Paaspop zo boos op mij was, hoorde ik dat hij niet met mij wilde spreken en hij beëindigde het gesprek.

Een kwartier later kreeg [getuige 1] een telefoontje. [verdachte] wilde hem meteen spreken. [getuige 1] is hierna naar huis gegaan. Rond 22:45 uur belde [getuige 1] mij terug. Ik hoorde dat [getuige 1] vertelde dat [verdachte] bij hem thuis voor de deur stond. [verdachte] wilde dat wij de volgende woensdag naar [adres] [hof: het woonadres van verdachte] kwamen. Wij moesten de telefoons in de auto laten. Hierna zou hij ons wel duidelijk maken waar het over ging. Als ik niet zou komen, zou het niet goed aflopen met mij. Hierna heb ik contact opgenomen met de politie omdat ik mij serieus bedreigd voelde.

3. De geneeskundige verklaring (pg. 20) d.d. 3 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de behandelend arts op Eerste Hulp J.G. Olsman, chirurg:

Op 21 april 2017 werd [aangever/slachtoffer] onderzocht. Als uitwendig letsel werd waargenomen: ondertand door de lip, bloeduitstorting linker oorschelp, wond en bloeduitstorting tussen de wenkbrauwen, zwelling en bloeduitstorting linker elleboog.
Er was sprake van gering uitwendig bloedverlies.

4. Het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2017, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

[aangever/slachtoffer] is een vriend van mij en [verdachte] is ook een vriend van mij.

Ik was in april dit jaar bij Paaspop met mijn vrouw, met [aangever/slachtoffer] en diens vrouw.

U vraagt mij of er iets voorgevallen is tussen [verdachte] en [aangever/slachtoffer] . Ja, ik heb een opstootje uit het niet [hof: niets] tussen hen gezien. Met opstootje bedoel ik dat ze boos naar elkaar keken en dat er op en neer werd gepraat.

Het contact was in ieder geval niet vriendelijk. Het zou kunnen dat de een de ander bij

de schouder heeft vast gepakt. Ik ben inderdaad tussen [verdachte] en [aangever/slachtoffer] gesprongen.

Het klopt dat ik op maandag [het hof begrijpt: tweede Paasdag, maandag 17 april 2017] op verzoek van [verdachte] tegen [aangever/slachtoffer] heb gezegd dat [verdachte] contact met hem wilde. Ik was er bij toen [aangever/slachtoffer] [verdachte] belde maar [verdachte] hing toen op. Daarna is [verdachte] bij mij thuis geweest om te vragen of ik met [aangever/slachtoffer] bij [verdachte] thuis wilde langs komen om te praten. Dat zou dan op woensdag gaan gebeuren. Ik heb [aangever/slachtoffer] toen inderdaad ook gebeld en gezegd dat [verdachte] bij mij was geweest en dat [verdachte] met hem wilde praten.

Vervolgens heeft [aangever/slachtoffer] mij een bericht gestuurd waarin [hof: stond] dat hij niet naar [verdachte] toe wilde en dat hij de politie had ingeschakeld.

5. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 18 mei 2017 (pg. 29-35), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]:

In het kader van een onderzoek naar een zware mishandeling en een openlijke geweldpleging, gepleegd op vrijdagavond 21 april 2017 op het parkeerterrein van HealthCity gelegen aan de Kraaiengatweg nummer 3 te Vught , heb ik de beelden bekeken van de beveiligingscamera van HealthCity.

De beelden hebben een afwijkende tijd van een (1) uur in het verleden. De tijd 20.12 uur is in werkelijkheid 21.12 uur. [hof: hierna worden – gelet op de op de screenshots vermelde tijdstippen van de camerabeelden – door de verbalisant de daadwerkelijke tijdstippen genoemd.]

Om 18.50 uur komt een voertuig merk Mercedes-Benz type Vito in beeld [hof: foto 1, pg. 30 ] en parkeert in een parkeervak aan de rechterzijde. In het voertuig zitten twee personen.

Om 20.27 uur rijdt het voertuig merk Mercedes-Benz type Vito, achteruit [hof: foto 2, pg. 31] en parkeert in een parkeervak naast het voertuig van de aangever [aangever/slachtoffer] .

Om 21.11 uur komt de aangever [aangever/slachtoffer] in beeld lopen [hof: foto 3, pg. 32] en loopt in de richting van zijn voertuig.

Om 21.12 uur loopt/rent de aangever weg in de richting van de ingang van HealthCity [hof: foto 4] en rijdt het voertuig merk Mercedes-Benz type Vito, weg door de poort, het parkeerterrein af [hof: foto’s 5 en 6, pg. 33 en 34].

De verdachte [verdachte] heeft een voertuig merk Mercedes-Benz type Vito met kenteken [kenteken] op zijn naam staan.

Bij dit proces-verbaal zijn zes (6) foto's gevoegd.

6. Het aanvullende proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2100-2017083206-29 d.d. 28 februari 2018, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]:

Op de beelden die ik ter plaatse bij HealthCity te Vught had uitgekeken, was te zien dat een voertuig merk Mercedes Benz type Vito, donker van kleur, in beeld komt om 18.50 uur op het parkeerterrein van HealthCity te Vught . Op de beelden was te zien dat de Mercedes Benz type Vito geblindeerde ramen had. De aangever [aangever/slachtoffer] sprak in zijn aangifte/verklaring, dat het voertuig aan de zij- en achterkant geblindeerde ramen had.

Ik heb twee foto’s genomen van de Mercedes Benz type Vito, kenteken [kenteken] , in gebruik bij de verdachte [verdachte] . Het voertuig stond geparkeerd op het binnenterrein van de woning aan de [adres] . Op de foto is te zien dat het voertuig donkergrijs van kleur is met aan de achter- en zijkant geblindeerde ramen.

Bijlage: 2x foto’s van het voertuig merk Mercedes Benz type Vito met kenteken [kenteken]

7. De waarneming van het hof op foto 2, gevoegd bij het hiervoor onder bewijsmiddel 5 genoemde proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2017 en op beide foto’s gevoegd bij het hiervoor onder bewijsmiddel 6 genoemde aanvullende proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2018, dat de auto op het parkeerterrein bij HealthCity te Vught en de auto op de oprit bij de woning van verdachte van hetzelfde merk en type zijn, dezelfde kleur hebben, allebei aan de achterzijde openslaande deuren en het nummerbord op de linker-achterdeur en beide aan de achterzijde geblindeerde ramen en een trekhaak hebben.

8. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.
2 maart 2020, voor zover – zakelijk weergeven – inhoudende:

U, voorzitter houdt mij voor de foto’s, gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2018, waarop telkens een Mercedes Vito auto is afgebeeld. Het klopt dat die foto bij mij thuis door het hek is genomen en het klopt dat daarop mijn Mercedes Vito te zien is die ik toen in gebruik had.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft gesteld dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

  1. Uit de analyse van de historische verkeersgegevens in combinatie met de historische belgegevens van het mobiele nummer van verdachte, volgt dat verdachte tussen 18.32 uur en 19.42 uur diverse keren een telefoongesprek heeft gevoerd vanuit zijn bedrijfspand en derhalve onmogelijk om 18.50 uur aanwezig kon zijn op het parkeerterrein van HealthCity te Vught .

  2. De camerabeelden kunnen geenszins worden aangemerkt als steunbewijs voor de aanwezigheid van verdachte te HealthCity Vught , aangezien:

a. het tijdstip waarop het incident plaatsvindt op de beelden (tussen 21.11 uur en 21.12 uur) niet overeenkomt met het tijdstip uit het proces-verbaal van aangifte (tussen 20.30 uur en 20.35 uur);

b. uit het proces-verbaal bevindingen (pg. 29) zou moeten volgen dat de Vitobus om 20.27 uur in een parkeervak aan de linkerzijde naast het voertuig van aangever parkeert, terwijl op foto 3 (hof: tijdstip 21:11:34) het voertuig van aangever noch de geparkeerde Vitobus te zien is.

c. het enkele feit dat om 20.12.33 uur (hof: werkelijke tijd 21:12:33 uur) een bestelbus in beeld verschijnt, geenszins betekent dat deze bestelbus dezelfde bestelbus is als de bestelbus die eerder werd gezien; immers is de Vitobus op foto 3 niet meer te zien.

d. de mogelijkheid open blijft dat de Vitobus het parkeerterrein heeft verlaten buiten zicht van de camera en een andere bestelbus naast de auto van aangever stond geparkeerd, welk scenario wordt ondersteund door de verklaring van zowel aangever [aangever/slachtoffer] (p. 10) als getuige [getuige 2] (p. 21) die beiden verklaren dat een bestelauto, merk Ford, type Transit, blauw grijs van kleur met een enkele cabine naast de personenauto van aangever stond geparkeerd.

3. De Vitobus van de camerabeelden is niet de Vitobus van verdachte, gelet op de verschillen bestaande uit de beschadigingen aan de achterzijde, het kleurverschil en de andere velgen.

4. Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen voor de betrokkenheid van de verdachte dan de herkenning van aangever, aan welke herkenning niet teveel waarde moet worden gehecht, nu deze waarneming onbewust is beïnvloed door fysieke en psychische effecten op het slachtoffer ten gevolge van een geweldsdelict en heeft plaatsgevonden tijdens zonsondergang / schemering op een geheel bewolkte dag. Bovendien staan tegenover deze herkenning twee gelijkluidende getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , die het alibi van verdachte, dat hij ten tijde van de openlijke geweldpleging thuis was, bevestigen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het tot vrijspraak strekkende verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit het daderschap van verdachte volgt. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan de betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting in het bijzonder redenen gevonden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning door aangever van de verdachte als één van de twee personen die hem heeft mishandeld. Dat, zoals ook door verdachte is aangevoerd, sprake zou zijn geweest van een vergissing, al dan niet teweeggebracht door de omstandigheden waaronder aangever die herkenning heeft gedaan, acht het hof niet aannemelijk geworden. Aangever is ondubbelzinnig en absoluut in die herkenning en in zijn verklaring is wat die herkenning betreft geen spoor van twijfel te bespeuren. Het hof heeft geen omstandigheden gevonden waaruit zou kunnen volgen dat het voor aangever onmogelijk is geweest om de verdachte als één van zijn belagers te herkennen.

Bij dat oordeel heeft het hof nog betrokken de omstandigheid dat tussen de verdachte en aangever eerder, te weten op het terrein van Paaspop een week voor de bewuste confrontatie, een opstootje is voorgevallen, waarin sprake is geweest van agressie van de zijde van de verdachte richting aangever.
De verklaring van aangever vindt op dit punt bevestiging in de verklaring van de getuige [getuige 1] . Het hof ziet dit als een omstandigheid die contextueel verband houdt met de geweldpleging op het parkeerterrein bij HealthCity en op welk punt, zoals gezegd, de verklaring van aangever niet op zichzelf staat, maar bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal.

De verklaring van de aangever over het daderschap van de verdachte vindt ondersteuning in het feit dat de aangever heeft gezien dat de bestuurder van een naast zijn auto geparkeerd staande bedrijfsbus hem heeft aangevallen en verdachte als tweede aanvaller van de andere zijde van de bedrijfsauto op hem afkwam. Uit de bewijsmiddelen (5 en 7) vloeit namelijk voort dat op de plaats van de mishandeling vanaf 18.50 uur tot direct na de geweldpleging jegens aangever (omstreeks 21.12 uur) een Mercedes Vito bedrijfsbus aanwezig was die sterke gelijkenissen vertoont met de Mercedes Vito bedrijfsbus van verdachte (bewijsmiddelen 5 en 7).

Het hof stelt aan de hand van de zich in het dossier bevindende stills van de camerabeelden in samenhang met het daarover opgemaakte proces-verbaal vast dat direct nadat aangever wegrent van de plaats delict vanaf die plaats een bestel- c.q. bedrijfsbus wegrijdt. Dat het een toevalligheid zou zijn dat de bewuste bedrijfsbus direct na de geweldpleging wegrijdt, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Het hof acht het evenmin aannemelijk geworden dat de bedrijfsbus die op het tijdstip van 21.12.33 uur te zien is een andere bedrijfsbus betreft dan die op het tijdstip van 18:50 uur het parkeerterrein komt oprijden (foto 1, pagina 30: bewijsmiddel 5) en ook om 20:27 uur op een still is afgebeeld (foto 2, pagina 31: bewijsmiddel 5).

De camerabeelden zijn door de politie uitgekeken en zij hebben hun waarnemingen in een proces-verbaal neergelegd. Deze verbalisanten hebben niet gerelateerd dat tussen de aankomst om 18:50 uur en het vertrek direct na de geweldpleging de betreffende bus van het parkeerterrein is vertrokken en evenmin dat in de tussenliggende tijd een andere, soortgelijke bus het parkeerterrein is opgereden. Het door de verdediging geopperde scenario dat de betreffende bus buiten het zicht van de camera het terrein is afgereden, acht het hof dan ook evenmin aannemelijk geworden. Uit het proces-verbaal volgt ook dat de bedrijfsbus niet ongezien uit het parkeervak kon wegrijden om het parkeerterrein te verlaten.

Het punt van de verdediging dat het tijdstip van de geweldpleging zoals volgt uit de camerabeelden niet spoort met het tijdstip van de geweldpleging waar de aangever in zijn verklaringen over spreekt, acht het hof een omstandigheid van ondergeschikt belang dat niet tot een andere bewijsbeslissing kan leiden. Het hof kent wat dat betreft doorslaggevende betekenis toe aan het tijdstip zoals dat volgt uit de camerabeelden. Niet gebleken is dat er die avond met een tussentijd van een half uur twee afzonderlijke openlijke geweldplegingen hebben plaatsgevonden, terwijl de verbalisant die na de geweldpleging ter plaatse is gekomen om 21.30 uur de aangifte heeft opgenomen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het vorenoverwogene vloeit voort dat het daderschap van de verdachte niet uitsluitend berust op de verklaring van de aangever, maar dat deze verklaring contextueel voldoende verankering vindt in ander bewijsmateriaal, en dat aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de aangever niet hoeft te worden getwijfeld. Dat betekent dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het feit dat twee getuigen, al dan niet in combinatie met de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte, hem een alibi verschaffen voor de bewuste avond van de geweldpleging, brengt het hof niet tot een andere weging en waardering.

Deze verklaringen en gegevens leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

Wat betreft de verklaringen van de twee getuigen kent het hof zwaarwegende betekenis toe aan het tijdstip waarop verdachte met zijn alibi is gekomen. De verdachte is op 21 april 2017 om 21.55 uur thuis door de politie aangehouden, op 22 april 2017 in verzekering gesteld en hij is op 22 en 23 april 2017 door de politie verhoord.

Bij geen van deze gelegenheden heeft verdachte naar voren gebracht dat hij niet schuldig kan zijn geweest aan de geweldpleging jegens aangever omdat hij toen thuis was in verband met besprekingen voor zijn werkzaamheden bij de jaarlijkse Elfia Fair te Haarzuilens, die op 22 april 2017 zouden beginnen en een volle week in beslag zouden nemen.

Integendeel, verdachte heeft zich van meet af aan en ook bij beide inhoudelijke verhoren op zijn zwijgrecht beroepen. In ieder geval ten tijde van het inhoudelijke verhoor droeg de verdachte kennis van het feit waarvan hij werd verdacht. Het hof vermag niet in te zien waarom verdachte niet aanstonds deze hem ontlastende omstandigheid naar voren heeft gebracht. Niets stond de verdachte daarvoor in de weg en het betreft een omstandigheid die de verdachte zich onmiddellijk had kunnen realiseren.

Eerst op 11 april 2018, in de aanloop naar de terechtzitting in eerste aanleg wordt namens de verdachte het verzoek gedaan om getuige [getuige 3] te (doen) horen die het alibi van de verdachte, waarvan dan voor het eerst melding wordt gemaakt, zou kunnen bevestigen. Verdachte is pas ter terechtzitting in eerste aanleg op 2 juli 2018 met zijn hiervoor samengevatte inhoudelijke en ontkennende lezing gekomen.

Deze lezing, uitgaande van het getuigenverzoek, komt ongeveer 11 maanden na het gereedkomen van het einddossier.

In hoger beroep is vervolgens het verzoek gedaan om de partner van verdachte, getuige [getuige 4] , te horen, welk verhoor op 11 december 2019 heeft plaatsgevonden.

Beide getuigen hebben hun verklaringen afgelegd terwijl er geruime tijd is verstreken waarin het voor de verdachte en deze getuigen mogelijk is geweest om dit alibi te construeren. De getuigenverklaring van [getuige 4] laat bovendien ruimte over voor de omstandigheid dat verdachte het terrein bij het huis heeft kunnen verlaten door, zonder dat de getuige dat heeft opgemerkt, zelf de sleutels van het toegangshek te pakken, hetgeen kan verklaren dat zij geen bel heeft gehoord.

Het hof komt tot de slotsom dat het alibi van de verdachte dan ook geen geloof verdient en stelt de verklaring van verdachte daarover, maar ook de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , terzijde.

Het verweer van de verdediging wordt dus verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer op een openbaar parkeerterrein met grof geweld is mishandeld. Verdachte heeft met zijn mededader het slachtoffer met kwade intenties opgewacht en het slachtoffer met geschoeide voet herhaaldelijk tegen zijn hoofd en diens armen waarmee hij zijn hoofd beschermde geschopt. Het hof houdt rekening met het gewelddadige karakter hiervan en het persoonlijk leed dat verdachte hiermee aan het slachtoffer heeft toegebracht. Het slachtoffer heeft door het geweld (slechts) letsel aan zijn gezicht en elleboog opgelopen, maar verdachte mag van geluk spreken dat het letsel niet veel ernstiger is geweest dan thans het geval. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven nog altijd te kampen met angstgevoelens als hij een busje naast zijn auto ziet staan. Ook durft hij niet meer naar de sportschool HealthCity in Vught te gaan.

Het hof neemt het verdachte voorts kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en geen inzicht heeft gegeven in het motief voor zijn gewelddadige handelen.

Alles overziend is het hof van oordeel dat het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden te ernstig zijn om een taakstraf op te leggen, zoals door de raadsman is verzocht. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2020, niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.


Vordering van de benadeelde partij [aangever/slachtoffer]

De benadeelde partij [aangever/slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.587,91, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.424,93.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De benadeelde partij vordert de volgende bedragen:

  1. € 149,00 blouse;

  2. € 151,00 trui;

  3. € 274,36 eigen bijdrage vervoer ambulance;

  4. € 9.162,80 gederfde inkomsten/omzet;

  5. € 2.850,75 immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever/slachtoffer] als gevolg van het handelen van verdachte, zoals bewezen verklaard, de onder 1, 2, 3 en 5 genoemde bedragen als rechtstreekse schade heeft geleden. Verdachte is (hoofdelijk) tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te melden bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Ten aanzien van de onder 4. gevorderde inkomstenderving is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij, die een eigen bedrijf heeft en aan inkomsten een maandelijks bedrag aan de zaak onttrekt in de vorm van een management fee. Wat deze inkomsten betreft is er geen inkomstenderving geweest. Naast deze inkomsten ontvangt de benadeelde partij jaarlijks een dividenduitkering, die mede afhankelijk is van de omzet van het bedrijf. De omzet van het bedrijf zou ten gevolge van het bewezen verklaarde lager zijn geweest doordat de benadeelde partij in ieder geval twee weken niet heeft kunnen werken. Het hof wil wel aannemen dat dit het geval is geweest, maar kan op basis van de aangeleverde stukken niet vaststellen, ook niet globaal, wat het verlies aan dividend-uitkering ten gevolge van het bewezen verklaarde is geweest. De winst voor belastingen wordt immers ook bepaald door andere factoren dan de omzet die in 2017 gefluctueerd hebben ten opzichte van 2016, zo blijkt uit de aangeleverde concept jaarstukken over 2017.

Het hof is ook niet in staat om, zoals door de benadeelde partij verzocht, een lager bedrag vast te stellen dan gevorderd, omdat het hof onvoldoende inzicht heeft om dit naar redelijkheid en billijkheid te kunnen doen. Het hof is dan ook van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de vordering niet voldoende is onderbouwd om een verantwoorde beslissing te nemen en het onderzoek om die reden zou moeten worden heropend. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever/slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.425,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luiden ten tijde van het wijzen van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever/slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever/slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.425,11 (drieduizend vierhonderdvijfentwintig euro en elf cent) bestaande uit € 574,36 (vijfhonderd-vierenzeventig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 2.850,75 (tweeduizend achthonderdvijftig euro en vijfenzeventig cent) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever/slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.425,11 (drieduizend vierhonderdvijfentwintig euro en elf cent) bestaande uit

€ 574,36 (vijfhonderdvierenzeventig euro en zesendertig cent) materiële schade en

€ 2.850,75 (tweeduizend achthonderdvijftig euro en vijfenzeventig cent) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2017 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.M. Sweep, griffier,

en op 16 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.