Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1477

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
19/00266 en 19/00273
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1627, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:419
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

E101-verklaring is bindend. Belanghebbende is Rijnvarende. Op het loon zijn door de werkgever Ltd in Cyprus al sociale verzekeringspremies ingehouden. De Belastingdienst heft premie volksverzekeringen over 2010. De bevoegde Cypriotische autoriteit heeft een zogenaamde E101-verklaring afgegeven, gedagtekend 19 februari 2010. Hierin is verklaard dat gedurende de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving wordt aangewezen. Belanghebbende heeft erop gewezen dat de SVB op een zitting van 29 maart 2019 bij de sociale zekerheidsrechter inzake de werkgever Ltd heeft medegedeeld, dat zij de door het bevoegde Cypriotische orgaan afgegeven E101- (dan wel A1‑)verklaringen voor 2010 alsnog zal respecteren (ECLI:NL:CRVB:2019:2817). De SVB is het bevoegde bestuursorgaan voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag, de basisverordening, de toepassingsverordening en de Rijnvarendenovereenkomst. Daarom is de Belastingdienst gebonden aan de toezegging van de SVB. (ECLI:NL:GHSHE:2019:3141 en ECLI:NL:GHSHE:2019:3139.) De aanslag wordt verminderd met de geheven premie volksverzekeringen.

Instemming om later op het bezwaar te beslissen houdt in dat de verlenging niet meetelt voor de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-05-2020
V-N Vandaag 2020/1244
FutD 2020-1559 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/1747 met annotatie van
NLF 2020/1217 met annotatie van -
NLF 2020/1217 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00266 en 19/00273

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 april 2019, nummer BRE 17/6432 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding toegekend aan belanghebbende. Deze vergoeding is toegekend in de zaak met nummer 17/6431, waarin het hof eveneens uitspraak doet in hoger beroep met nummers 19/00265 en 19/00272.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof, waaraan kenmerk 19/00266 is toegekend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak ook hoger beroep ingesteld bij het hof, waaraan kenmerk 19/00273 is toegekend. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het hof heeft een brief verzonden op 23 december 2019 met het verzoek tot het overleggen van stukken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd per fax ontvangen op 31 januari 2020.

1.7.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd aan de andere partij.

1.8.

Het hof heeft belanghebbende verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Belanghebbende heeft daaraan voldaan.

1.9.

De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Nadat partijen kenbaar hebben gemaakt geen bezwaar te hebben tegen gelijktijdige behandeling van andere zaken zijn op deze zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak van dezelfde belanghebbende met de nummers 19/00265 en 19/00272, de zaak met nummer 19/00121 van belanghebbende [A] en de zaak met nummer 19/00355 van belanghebbende [B] .

1.10.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.11.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de zitting is met uitdrukkelijke toestemming van partijen één proces-verbaal van het onderzoek in alle zaken opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1947 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende woonde geheel 2010 in Nederland, te weten in [plaats] .

2.2.

Belanghebbende was in 2010 in dienstbetrekking werkzaam bij [K Ltd] gevestigd in Cyprus. Door de werkgever zijn over 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 € 3.971,33 Cypriotische sociale verzekeringspremies ingehouden.

2.3.

In de periode 1 januari 2010 tot en met 16 maart 2010 was belanghebbende werkzaam op het binnenschip ‘ [H] ’. Gedurende de periode 17 maart 2010 tot en met 31 december 2010 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden op het binnenschip ‘ [schip] ’, scheepsnummer [nummer] .

2.4.

De bevoegde Cypriotische autoriteit heeft een zogenaamde E101-verklaring afgegeven, gedagtekend 19 februari 2010. Hierin is verklaard dat gedurende de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving wordt aangewezen. De beschikking is afgegeven op grond van artikel 14, tweede lid, Verordening (EEG) 1408/71.1 De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 het volgende overwogen:

‘3.2.1. Tijdens de procedures is gebleken dat het bevoegde Cypriotische orgaan met betrekking tot vier in de bijlage bij deze uitspraak vermelde betrokkenen eerder E101- dan wel A1‑verklaringen over (een gedeelte van) de periodes in geding heeft afgegeven dan de Svb. Ter zitting van de Raad heeft de Svb meegedeeld dat de Svb deze verklaringen alsnog zal respecteren. Daarbij is te kennen gegeven dat de Svb dit niet doet op grond van het Unierecht zoals dit is uitgelegd in onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (…) in de zaak A‑Rosa Flussschiff GmbH (C-620/15, ECLI:EU:C:2017:309), maar om louter pragmatische redenen en sans préjudice. In de zaken 1 tot en met 3 (als vermeld in bijlage 1 bij deze uitspraak) zal de Svb alsnog tegemoetkomen over de volledige periodes in geding, in de zaken 4 tot en met 7 over heel 2010, zijnde het gedeelte van de periodes in geding waarop de verklaringen van het bevoegde Cypriotische orgaan in die zaken betrekking hebben. De betrokken bestreden besluiten zijn in zoverre niet gehandhaafd.’

2.5.

Belanghebbende heeft in de aangifte voor het jaar 2010 verzocht om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen over het loon. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur de gevraagde vrijstelling niet verleend.

2.6.

Belanghebbende heeft hiertegen op 17 januari 2014 een bezwaarschrift ingediend. In de bezwaarfase heeft de inspecteur bij brief van 17 februari 2014 aan de gemachtigde verzocht om in te stemmen met de verlenging van de beslistermijn op het bezwaarschrift met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zijnde 11 april 2014, en de datum waarop de inspecteur uitspraak op bezwaar zal doen. De gemachtigde heeft deze brief voor akkoord getekend op 20 februari 2014. Bij brief van 10 juli 2017 heeft de inspecteur een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar verzonden. Bij brief van 27 juli 2017 heeft de gemachtigde in zijn reactie op die vooraankondiging verzocht om een kostenvergoeding en vergoeding voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Bij uitspraak op bezwaar van 11 augustus 2017 heeft de inspecteur het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat het inkomen uit werk en woning op grond van de Mededeling van 5 januari 2016, DGB 2016/20 dient te worden verminderd. Het verzoek om vrijstelling van de premieheffing en de verzoeken om een kostenvergoeding en vergoeding voor immateriële schade zijn bij de uitspraak op bezwaar afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is:

I. Komt belanghebbende een vrijstelling toe voor de heffing van de premie volksverzekeringen voor het jaar 2010?

II. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade inzake de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank met uitzondering van de beslissing inzake de immateriële schadevergoeding en tot vrijstelling van de heffing van premies volksverzekeringen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank met uitzondering van de beslissing inzake de immateriële schadevergoeding en proceskosten.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

De inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard het oordeel van de rechtbank, dat er sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn, niet meer te bestrijden. Het hof is met partijen eens, dat het oordeel van de rechtbank berust op juridisch juiste uitgangspunten en ook overigens juist is.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I De heffing van de premie volksverzekeringen

Nationaal recht

4.2.

Op grond van artikel 6, eerste lid, letter a, Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

4.3.

Vaststaat dat belanghebbende in 2010 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is belanghebbende voor het jaar 2010 aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

E101-verklaring

4.4.

De bevoegde Cypriotische autoriteit heeft een zogenaamde E101-verklaring afgegeven, gedagtekend 19 februari 2010. Hierin is verklaard dat gedurende de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving wordt aangewezen. De beschikking is afgegeven op grond van artikel 14, tweede lid, Verordening (EEG) 1408/71, kennelijk onder toepassing van artikel 87, achtste lid, basisverordening.2

4.5.

Belanghebbende heeft erop gewezen dat de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) op een zitting van 29 maart 2019 bij de sociale zekerheidsrechter inzake [K Ltd] heeft medegedeeld, dat zij de door het bevoegde Cypriotische orgaan afgegeven E101- (dan wel A1‑)verklaringen voor 2010 alsnog zal respecteren.3

4.6.

De SVB is het bevoegde bestuursorgaan voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag4, de basisverordening, de toepassingsverordening5 en de Rijnvarendenovereenkomst6.

4.7.

Het hof is, anders dan de inspecteur verdedigt, van oordeel dat de belastingrechter niet (meer) (materieel) kan toetsen of belanghebbende over deze periode verzekerings- en premieplichtig is in Nederland voor de volksverzekeringen, omdat in de sociale zekerheidskolom reeds onherroepelijk vaststaat dat de door het bevoegde Cypriotische orgaan afgegeven E101-verklaringen voor 2010 inzake [K Ltd] worden gerespecteerd door het voor Nederland bevoegde bestuursorgaan. Een dergelijke (materiële) beoordeling door de belastingrechter zou inhouden dat zowel de belastingrechter als de sociale zekerheidsrechter hebben te oordelen over hetzelfde geschil met het risico dat beide rechters tot verschillende oordelen komen.

4.8.

Vorenstaande benadering brengt met zich, dat de belastingrechter als juist dient te aanvaarden het besluit van de SVB dat zij de door het bevoegde Cypriotische orgaan afgegeven E101-verklaringen voor 2010 alsnog zal respecteren.7 Aan het feit, dat belanghebbende niet als belanghebbende in de sociale zekerheidsprocedure is uitgenodigd om aan die procedure deel te nemen moet voorbij worden gegaan.8 Belanghebbende verkeert in een identieke en gelijke positie als de andere werknemers van [K Ltd] , waarvoor de SVB heeft toegezegd de door het bevoegde Cypriotische orgaan afgegeven E101- verklaringen voor het jaar 2010 alsnog te respecteren. Dat de SVB daarbij te kennen heeft gegeven dat de SVB dit niet doet op grond van het Unierecht9, maar om louter pragmatische redenen en sans préjudice maakt niet dat belanghebbende zich niet op die toezegging en op een gelijke behandeling kan beroepen, omdat de SVB bewust en weloverwogen de toezegging heeft gedaan als het in Nederland voor de toepassing van het Unierecht en het internationale recht bevoegde bestuursorgaan.10

4.9.

Uit het vorenstaande volgt, dat belanghebbende recht heeft op een vrijstelling van de premie volksverzekeringen over 2010.

Overige stellingen

4.10.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd behoeft geen behandeling meer.

Tussenconclusie

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

Vraag II Het recht op immateriële schadevergoeding

4.12.

De inspecteur heeft hoger beroep aangetekend omdat de inspecteur niet eens is met de veroordeling door de rechtbank tot het vergoeden van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. Daarbij verwijst de inspecteur naar de uitspraken van de Hoge Raad van 22 april 2005 en 19 februari 2016, waarin een opsomming is gegeven voor een aantal bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor de verlenging van de redelijke termijn van twee jaar.11 De inspecteur betoogt dat de opsomming door de Hoge Raad niet limitatief is, waardoor er meer omstandigheden zijn die de termijn van twee jaar zouden kunnen oprekken. De inspecteur voert aan – onder verwijzing naar de onder 2.6 vermelde brief van 17 februari 2014 – dat gemachtigde heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn, zodat de tweejaarstermijn wordt verlengd.

4.13.

Belanghebbende sluit aan bij de beslissing van de rechtbank, waarbij volgens belanghebbende de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit het verzoek tot instemming met verlenging van de beslistermijn volgt dat de inspecteur hierom heeft verzocht louter omdat het, vanwege de door hem gekozen behandelwijze van het bezwaar, niet mogelijk was binnen de wettelijke beslistermijn van zes weken uitspraak te doen. En dat indien in dit geval een bijzondere omstandigheid in aanmerking zou worden genomen, dat erop neer zou komen dat aan belanghebbende wordt tegengeworpen dat hij niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van de zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen. Belanghebbende voert aan dat door beide partijen niet is bedoeld dat door belanghebbende afstand zou worden gedaan van de redelijke termijn. Daarom is er geen rechtvaardiging voor verlenging van de redelijke termijn.

4.14.

De datum van binnenkomst van het bezwaar is 17 januari 2014. Bij brief van 17 februari 2014 heeft de inspecteur aan de gemachtigde verzocht om in te stemmen met de verlenging van de beslistermijn op het bezwaarschrift met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, Awb, zijnde 11 april 2014, en de datum waarop de inspecteur uitspraak op bezwaar zal doen. De gemachtigde heeft op 20 februari 2014 ingestemd met het voorstel. De inspecteur heeft op 11 augustus 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. Omdat belanghebbende heeft ingestemd met verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar dient de tussen 11 april 2014 tot en met 11 augustus 2017 verstreken periode buiten beschouwing te blijven voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn dient te worden verlengd met de periode van 11 april 2014 tot en met 11 augustus 2017. Deze periode heeft totaal drie jaar en vier maanden geduurd. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 17 januari 2014 en de rechtbank heeft op 10 april 2019 uitspraak gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase niet overschreden is. Het hoger beroep van de inspecteur slaagt.

4.15.

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende erop gewezen dat zowel de beslissing in bovengenoemde zin als de beslissing overeenkomstig zoals die door de rechtbank is genomen in deze zaak door de Hoge Raad wordt bevestigd met toepassing van art. 81 RO. Bij een eventueel beroep in cassatie kan daar wellicht inhoudelijk op worden beslist, zodat duidelijk wordt welke benadering juist is.

Tussenconclusie

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van de inspecteur wordt vernietigd. Het griffierecht is geheven in de zaak met nummer 19/00265, maar heeft betrekking op zowel die zaak als de onderhavige zaak. Aangezien uitsluitend het hoger beroep van belanghebbende in de onderhavige zaak gegrond wordt verklaard, zal het hof in deze zaak de vergoeding van griffierecht toewijzen.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.18.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 1 (punt) x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 261.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.

4.20.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.050. Deze kosten komen volledig voor rekening van de inspecteur, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond is. Aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de Minister wordt veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 256 en de Minister geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt in zoverre in stand laten en de inspecteur veroordelen tot het vergoeden van € 794 aan proceskosten voor de procedure bij de rechtbank.

4.21.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten voor het indienen van het hogerberoepschrift, het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.312,50.

4.22.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende, onder nummer 19/00266, gegrond;

  • -

    verklaart het hoger beroep van de inspecteur, onder nummer 19/00273, gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over proceskosten en het griffierecht ten laste van de Minister en het griffierecht ten laste van de inspecteur;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de inspecteur bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag 2010 in die zin dat de premie volksverzekeringen op nihil wordt gesteld en dat geen heffingskorting voor de premie volksverzekeringen wordt verleend;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente evenredig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 261;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 2.106,50;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof € 128 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad

www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. ( Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

2 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

3 CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 3.2.1.

4 Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43.

5 Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

6 Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 van 23 december 2010, Stcrt. 2011, 3397.

7 Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3141, onder 4.7 tot en met 4.12 en Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139, onder 4.10.

8 Artikel 8:26 Awb.

9 Zoals dit is uitgelegd in onder meer het arrest van het HvJ 27 april 2017, A‑Rosa Flussschiff GmbH, C-620/15, ECLI:EU:C:2017:309.

10 Vgl. HvJ EU van 14 september 2006, Elmeka, C-181/04 tot en met C-183/04, ECLI:EU:C:2006:563.

11 HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.5 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.