Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1437

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
200.232.709_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia. Art. 1:88 e.v. BW. Aanvang verjaringstermijn. Klant heeft stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd betwist. En/of rekening. Bewijsvermoeden ten gunste van Dexia. Klant wordt toegelaten tot tegenbewijs.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.232.709/01

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 oktober 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5130650 16-6437)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties 14 en 15, en met een eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a) Dexia Bank Nederland N.V. is na een fusie met haar aandeelhouder verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolger onder algemene titel. Dexia is tevens rechtsopvolger onder algemene titel van onder meer Bank Labouchère N.V. en Legio-Lease B.V. (hierna: Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden daaronder ook haar rechtsvoorgangers begrepen.

b) [appellant] heeft als lessee twee leaseovereenkomsten gesloten met Legio-Lease, te weten:

- de overeenkomst van 14 juli 1997 genaamd ‘Spaarleasen’, contractnummer [contractnummer 1] , met een leasesom van (omgerekend) € 7.984,26, een looptijd van 180 maanden en een termijnbedrag van (omgerekend) € 44,36 per maand;

- de overeenkomst van 14 juli 1997 genaamd ‘Spaarleasen’, contractnummer [contractnummer 2] , met een leasesom van (omgerekend) € 20.460,13, een looptijd van 180 maanden en een termijnbedrag van (omgerekend) € 113,67 per maand;

(hierna: de overeenkomsten).

c) [appellant] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten gehuwd met [de ex-echtgenote] (hierna: de/zijn echtgenote). Bij brief van 16 maart 2006 heeft de echtgenote aan Dexia onder meer geschreven:

Betreft: Contracten [contractnummer 1] , [contractnummer 2] ten name van [appellant]

Geachte dames en heren,

Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij de contracten op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

Ik verzoek u van het bovenstaande goede nota te nemen.”

d) [appellant] heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht zodat hij niet gebonden is aan de op 25 januari 2007 door het gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst met Dexia.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] in conventie gevorderd, samengevat:

1. een verklaring voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd;

2. veroordeling van Dexia om al hetgeen [appellant] krachtens die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover (primair) telkens vanaf de dag van de door [appellant] gedane betalingen, of (subsidiair) vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

3. veroordeling van Dexia tot betaling van de door [appellant] aan Leaseproces verschuldigde buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces, althans van een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3.2.2.

Aan zijn hiervoor onder 1 en 2 genoemde vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat zijn echtgenote bij brief van 16 maart 2006 de overeenkomsten heeft vernietigd op grond van artikel 1:88 BW e.v. Het hof begrijpt dat [appellant] zich daarbij op het standpunt stelt dat de vernietiging van die overeenkomsten tot gevolg heeft dat Dexia al hetgeen [appellant] op grond van deze overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, als onverschuldigd betaald aan hem moet terugbetalen.

3.2.3.

Dexia heeft in reconventie gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.4.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en in reconventie de vordering van Dexia toegewezen. [appellant] is in conventie en in reconventie veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Daarnaast heeft hij bij memorie van grieven zijn hiervoor in 3.2.1 onder 2 genoemde vordering gewijzigd in die zin dat hij nu de wettelijke rente vordert telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia tot aan de dag der algehele voldoening, en heeft hij zijn onder 3 genoemde vordering gewijzigd in die zin dat hij de buitengerechtelijke kosten vordert conform het rapport Voor-werk II althans een door het hof te bepalen bedrag. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen zoals gewijzigd bij memorie van grieven, en tot het alsnog afwijzen van de vordering van Dexia, met veroordeling van Dexia in de proceskosten inclusief nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.4.

Deze procedure ziet op de twee in 1998 gesloten effectenleaseovereenkomsten, waarvan de echtgenote van [appellant] bij brief van 16 maart 2006 de vernietiging heeft ingeroepen wegens het ontbreken van haar toestemming. Dexia voert aan dat de rechtsvordering van de echtgenote tot vernietiging van deze overeenkomsten al was verjaard toen zij de vernietiging inriep. Volgens Dexia was de echtgenote immers al vanaf aanvang bekend met de overeenkomsten.

3.5.

Met zijn drie grieven stelt [appellant] in de kern de vraag aan de orde of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet. Het hof overweegt hierover als volgt.

3.6.

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88, lid 1 aanhef en onder d (oud) BW. Op grond van die bepaling en artikel 1:88 lid 3 BW geldt dat voor het aangaan van die overeenkomsten door [appellant] de schriftelijke toestemming van zijn echtgenote was vereist. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat de echtgenote geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de echtgenote daarom de mogelijkheid om de overeenkomsten te vernietigen wegens het ontbreken van haar toestemming.

3.7.

Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaar gerekend vanaf het moment waarop de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste is komen te staan aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist. Op grond van artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst, deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

3.8.

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door de niet-handelende echtgenoot, wegens het ontbreken van toestemming, aan op het moment dat die echtgenoot daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Het is niet zo dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de niet-handelende echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bij de niet-handelende echtgenoot bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

3.9.

Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van de feiten waaruit de bekendheid van de niet-handelende echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid (zie o.a. HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij hebben afgespeeld, zoals in dit geval bij [appellant] en zijn echtgenote, brengen de eisen van een goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van de stellingen van Dexia niet al te zware eisen mogen worden gesteld (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat aan de omstandigheid dat betalingen in het kader van een effectenleaseovereenkomst hebben plaatsgevonden vanaf een zogeheten en/of rekening, een bewijsvermoeden mag worden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat vermoed wordt dat de niet-handelende echtgenoot, behoudens tegenbewijs, daadwerkelijk bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is dan aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en ECLI:NL:HR:2012:6508).

3.10.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de verjaring van de bevoegdheid van niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

3.11.

Dexia stelt zich op het standpunt dat de echtgenote vanaf aanvang van de overeenkomsten, dat wil zeggen omstreeks augustus 1998 ten tijde van de eerste betalingen aan Dexia vanaf twee en/of-rekeningen, althans (zo begrijpt het hof) vóór 13 maart 2000 (namelijk drie jaren vóór de bij dagvaarding van 13 maart 2003 ingeleide collectieve actie) kennis heeft genomen van het bestaan van die overeenkomsten, zodat de rechtsvordering tot vernietiging van deze overeenkomsten al was verjaard ten tijde van de aanvang van de collectieve actie (en het beroep van de echtgenote op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten).

Dexia heeft in dit verband onder meer het volgende gesteld. Betalingen van de maandtermijnen voor de overeenkomsten hebben plaatsgevonden vanaf en/of-rekeningen, dus van rekeningen die op gemeenschappelijke naam staan van [appellant] en zijn echtgenote en tot het saldo waarvan de echtgenote samen met [appellant] gerechtigd is. Vanaf die rekeningen zijn de maandelijkse betalingen verricht en op die rekeningen zijn ook substantiële dividendinkomsten bijgeboekt. Dit vormt bewijs dat de echtgenote van aanvang van de overeenkomsten af bekend is geweest met het bestaan van de overeenkomsten: zij heeft de lasten in verband met die overeenkomsten immers zelf betaald en zij heeft de vruchten daarvan zelf genoten. Van het bestaan van de overeenkomsten blijkt bovendien uit de rekeningafschriften van de desbetreffende rekeningen. Nu het en/of-rekeningen betreft, waren die rekeningafschriften mede aan de echtgenote geadresseerd. Het feit dat iemand (de echtgenote) een mededeling heeft ontvangen waaruit een bepaald feit blijkt (het bestaan van de overeenkomsten) is voldoende bewijs van wetenschap van dat feit. Dexia gaat er daarom van uit dat de echtgenote in ieder geval vanaf het moment van ontvangst van de relevante bankafschriften op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten en dat de verjaringstermijn van drie jaar toen aanving. Verder heeft [appellant] vanaf juli 1998 op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangers ontvangen op het adres van hem en zijn echtgenote. Het is onaannemelijk dat dit de echtgenote onopgemerkt is gebleven. Verder heeft de echtgenote in de belastingaangiften voor de jaren 1998 tot en met 2000 kunnen zien dat [appellant] de rente van de overeenkomsten heeft afgetrokken. Daarnaast heeft [appellant] erkend dat zijn echtgenote wist dat hij twee ‘spaarregelingen’ had getroffen om de hypotheek af te lossen en een nieuwe auto aan te kunnen schaffen. De echtgenote wist dus vanaf aanvang van de overeenkomsten af; dat zij niet bekend was met de inhoud daarvan doet hier niet aan af. Het is bovendien onaannemelijk dat [appellant] grote uitgaven zoals de maandelijkse betalingen voor de overeenkomsten niet met zijn echtgenote besprak, aldus Dexia.

3.12.

[appellant] heeft betwist dat de echtgenote vanaf begin af aan of vanaf de ontvangst van de relevante bankafschriften bekend was met het bestaan van de overeenkomsten, althans dat zij vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met die overeenkomsten. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. [appellant] heeft zonder medeweten van zijn echtgenote de overeenkomsten afgesloten. Zijn echtgenote hield zich afzijdig van de financiële zaken en vertrouwde [appellant] hier in. Zij wist slechts dat [appellant] spaarregelingen had getroffen voor de aflossing van de hypotheek en aanschaf van een nieuwe auto, maar zij wist niet waar deze regelingen liepen. De overeenkomsten zijn tot stand gekomen nadat een aanvraag via Vero bij Dexia werd gedaan naar aanleiding van telefonisch contact tussen Vero en [appellant] . De echtgenote heeft niets meegekregen van deze telefoontjes. De betalingen aan Dexia zijn verricht vanaf twee en/of-rekeningen. [appellant] beheerde deze rekeningen volledig. De echtgenote bekeek nooit de bankafschriften van deze rekeningen. Zij heeft nooit afschrijvingen aan Dexia gezien of hier vragen over gesteld. Dexia beweerde in eerste aanleg ten onrechte dat een van de twee en/of-rekeningen een privérekening van de echtgenote was. De echtgenote opende nooit de aan [appellant] gerichte post. Post van Dexia is haar niet opgevallen. [appellant] verzorgde de belastingaangifte. De echtgenote keek de ingevulde aangifte niet door, ook niet als zij deze moest ondertekenen. Zij is pas naar aanleiding van negatieve mediaberichtgeving met het bestaan van de overeenkomsten bekend geraakt. Dit was omstreeks 2002. [appellant] heeft haar toen over de overeenkomsten verteld omdat hij zich realiseerde dat de hypotheek niet kon worden ingelost en er geen nieuwe auto kon worden aangeschaft, aldus [appellant] .

3.13.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende gemotiveerd de stellingen van Dexia heeft betwist over het moment waarop de echtgenote bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten.

3.14.

Het hof stelt vast dat de betalingen aan en van Dexia in het kader van de overeenkomsten van begin af aan hebben plaatsgevonden vanaf respectievelijk naar bankrekeningen die op naam waren gesteld van [appellant] en de echtgenote, zogeheten en/of-rekeningen. Dat betalingen zouden zijn gedaan van een privérekening van de echtgenote zoals Dexia aanvankelijk stelde heeft Dexia, mede gelet op hetgeen [appellant] ter betwisting daarvan heeft aangevoerd in hoger beroep, onvoldoende onderbouwd. Aan het feit dat de betalingen plaatsvonden van/naar en/of-rekeningen ontleent het hof een bewijsvermoeden ten gunste van Dexia, in die zin dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000, en meer in het bijzonder met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake de overeenkomsten staan vermeld, daadwerkelijk bekend was met het bestaan van die overeenkomsten. Gelet op de datum waarop de eerste betalingen voor deze overeenkomsten hebben plaatsgevonden, was dit in of omstreeks augustus 1998 (zoals de kantonrechter onbestreden heeft vastgesteld).

Nu [appellant] de stellingen van Dexia over het moment van wetenschap gemotiveerd heeft betwist, zal het hof [appellant] , conform zijn bewijsaanbod, toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Grief 3 slaagt daarom, voor zover [appellant] daarmee aanvoert dat de kantonrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn bewijsaanbod.

3.15.

Als [appellant] niet zou slagen in het leveren van het tegenbewijs, dan komt vast te staan dat de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd door de echtgenote. Indien [appellant] het gevraagde tegenbewijs wel zou leveren, dan kan er niet van worden uitgegaan dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. Dan geldt dat de echtgenote de overeenkomsten tijdig buitengerechtelijk heeft vernietigd bij brief van 16 maart 2006. Kortheidshalve verwijst het hof hierbij naar wat hiervoor in 3.10 is overwogen over de stuitende werking van de collectieve actie.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat de echtgenote van [appellant] vanaf de ontvangstdatum (in of omstreeks augustus 1998) van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] staan vermeld, althans vóór 13 maart 2000, daadwerkelijk bekend was met het bestaan van die overeenkomsten;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. S.C.H. Molin als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode juni tot en met december 2020;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, S.C.H. Molin en A.C. Metzelaar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 april 2020.

griffier rolraadsheer