Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1418

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
20-000583-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000583-17

Uitspraak : 19 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2017 in de strafzaak met parketnummer

01-993391-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en in zoverre opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering, de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de beslissing op de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de aangehaalde wetsartikelen.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.060,=. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.250,=. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en daarbij de vordering verminderd tot een bedrag van € 11.250,=.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 11.250,=, te vermeerderen met de wettelijke rente lopend vanaf 19 oktober 2014.

De vordering van de benadeelde partij is onderbouwd aan de hand van schriftelijke stukken, waaronder de koopovereenkomst van de gestolen sloep. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep hiertegen aangevoerd dat de sloep al in 1997 gebouwd is, zodat slechts een deskundige de waarde kan bepalen.

De benadeelde heeft verklaard dat de boot slechts enkele jaren eerder was gekocht en dat in die tijd veel onderhoud heeft plaatsgevonden.

De enkele verwijzing naar het bouwjaar rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat uitgegaan moet worden van waardevermindering van deze sloep als gevolg van verloop van tijd tussen de aankoopdatum in 2011 en de datum van het stelen van de boot in 2014.

Verdachte is gehouden tot vergoeding van de schade, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin onderhavige diefstal heeft geleid tot schade en ergernis bij aangever;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft kenbaar gemaakt de laakbaarheid van zijn handelen in te zien en reeds bij de politie heeft aangekondigd “schoon schip” te willen maken.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder dat verdachtes leven een positieve wending heeft genomen.

Bij de strafvervolging van verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geschonden. Zonder deze schendingen van de redelijke termijn zou – alle omstandigheden in aanmerking genomen – oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend zijn geweest.

Nu evenwel de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Gelet op de gewijzigde bepalingen over vervangende hechtenis/gijzeling zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opnieuw opleggen, thans met de wettelijke rente, die als gevolg van een kennelijke misslag niet in het dictum van de politierechter was vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 11.250 (elfduizend tweehonderdvijftig euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 91 (eenennegentig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde partij [benadeelde] of jegens de Staat heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 19 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J. Grapperhaus, mr. E.E. van der Bijl en mr. A.R. Veldt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.