Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1387

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
200.269.534_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

belang bij procedure ex art. 36 lid 1 Verordening nr. 655/2014 inzake het Europees bankbeslag?

Wetsverwijzingen
Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.269.534/01

arrest van 21 april 2020

in de zaak van

Adede BvbA,

gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

appellante,

hierna aan te duiden als Adede,

advocaat: mr. J.A. Spigt te Amersfoort,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.W. Menkveld te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 november 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 16 oktober 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Adede als verzoekster en [geïntimeerde] als verweerder.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/362492 / KG RK 19-687)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de memorie van antwoord met producties.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 februari 2019 is Adede veroordeeld om ten gunste van [geïntimeerde] vanaf oktober 2018 een bedrag van € 4.000,-- bruto per maand aan loon te voldoen, voor zover dit loon nog niet aan [geïntimeerde] is betaald. Daarnaast is Adede veroordeeld tot betaling van € 1.000,-- aan wettelijke verhoging, tot het verstrekken van salarisspecificaties over de maanden oktober 2018 tot en met januari 2019 op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel, en Adede is veroordeeld in de proceskosten.

  2. Bij beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juli 2019 is aan [geïntimeerde] verlof verleend voor het leggen van Europees bankbeslag op grond van Verordening (EU) nr. 655/2014 (hierna: de Verordening) ten laste van Adede, op een drietal door Adede aangehouden bankrekeningen in België, met begroting van de vordering van [geïntimeerde] op € 42.228,22.

  3. Adede is tegen het vonnis van de kantonrechter van 6 februari 2019 in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 6 augustus 2019 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan in de hoger beroepsprocedure. Het gerechtshof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor wat betreft de veroordeling van Adede om aan [geïntimeerde] vanaf oktober 2018 € 4.000,-- aan loon per maand te voldoen, en heeft, opnieuw rechtdoende, Adede veroordeeld tot betaling aan loon aan [geïntimeerde] ter hoogte van 70% van € 4.000,-- bruto per maand vanaf oktober 2018 tot het moment dat rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen komt of is gekomen, voor zover dit loon nog niet aan [geïntimeerde] is betaald. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gerechtshof heeft het vonnis van de kantonrechter voor het overige bekrachtigd.

  4. Op 22 augustus 2019 heeft de deurwaarder ten laste van Adede bewarend derdenbeslag gelegd onder KBC Bank N.V., BNP Paribas Fortis en onder ING Belgium N.V., allen te [plaats] . Blijkens de door de banken afgelegde verklaring ingevolge artikel 25 van de Verordening is onder elke bank beslag gelegd tot een bedrag van € 42.228,22.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft Adede gevorderd om:

primair

1. het bevel in te trekken

2. ( [geïntimeerde] te gebieden) de tenuitvoerlegging van het bevel te beëindigen op straffe van verbeurte van een dwangsom

3. de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 6 februari 2019 te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom

subsidiair

1. het bevel te wijzigen en wel zo dat het bedrag waarop conservatoir beslag is gelegd op nihil wordt gesteld, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag dat lager is dan € 42.228,82 en [geïntimeerde] te gebieden de beslagen voor wat betreft het surplus op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom

2. te gelasten dat het bedrag waarvoor de beslagen mogelijk blijven gelden door [geïntimeerde] wordt vrijgegeven zodra Adede ten genoege van de rechtbank respectievelijk gedaagde deugdelijke zekerheid stelt.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft Adede, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden en vereisten voor de uitvaardiging van het bevel.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het vonnis van 16 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter als volgt beslist:

- het Europees bevel tot conservatoir beslag dat op 23 juli 2019 op verzoek van [geïntimeerde] is verleend, wordt gewijzigd in die zin dat het bevel uitsluitend ziet op de beslaglegging onder de KBC Bank N.V. te [plaats] , en dat het bedrag waarop het conservatoir beslag moet worden gelegd wordt beperkt tot € 29.560,00;

- vrijgave wordt gelast van:

a. een bedrag van € 42.228,82 waarop onder BNP Paribas Fortis te [plaats] ten laste van Adede beslag is gelegd;

b. een bedrag van € 42.228,.82 waarop onder ING Belgium N.V. te [plaats] ten laste van Adede beslag is gelegd;

c. een bedrag van € 12.668,82 waarop onder KBC Bank N.V. te [plaats] ten laste van Adede beslag is gelegd.

De voorzieningenrechter heeft de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gelast om de wijzigingen en de daaruit voortvloeiende vrijgaven van de bedragen onverwijld ter kennis te brengen van de bevoegde instantie in [plaats] door middel van het aan het vonnis gehechte modelformulier.

Voorts is [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten van Adede en is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3.

Adede heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Adede heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dat aan het bevel tot conservatoir beslag van 23 juli 2019 ten grondslag heeft gelegd, althans dat verzoek alsnog af te wijzen, althans het genoemde bevel alsnog in te trekken en te gelasten de beslagen gelden vrij te geven, althans dat bevel te wijzigen en wel in die zin dat het in art. 17 lid 4 van de Verordening bedoelde bedrag op nihil wordt gesteld, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag dat lager is dan het door de voorzieningenrechter bepaalde bedrag ad € 29.560,00 en te gelasten dat voor het overige de beslagen bedragen worden vrijgegeven. Voorts vordert Adede dat de griffier wordt gelast om het vorenstaande op de daarvoor aangegeven wijze onverwijld ter kennis te brengen van de bevoegde instantie in [plaats] met een proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] in beide instanties.

3.4.

Een eisende partij dient voldoende belang te hebben bij de door haar ingestelde vorderingen. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] gesteld dat Adede geen belang heeft bij haar vordering. Het bankbeslag is tot een einde gekomen. Op 24 oktober 2019 heeft de KBC Bank N.V. het bedrag waarop het beslag op dat moment nog rustte, zijnde € 29.560,00, aan de deurwaarder Jongerius betaald, aldus [geïntimeerde] .

Bij memorie van grieven heeft Adede gesteld dat [geïntimeerde] zijn vermeende vorderingen op Adede aan een derde heeft gecedeerd. Aan dit deurwaarderskantoor heeft [geïntimeerde] een akte van cessie laten betekenen. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] in reactie hierop gesteld dat hij niet de vordering op Adede heeft gecedeerd maar zijn vordering op de deurwaarder.

3.5.

Alvorens de onderhavige zaak verder te beoordelen dient Adede zich eerst uit te laten over het voormelde door [geïntimeerde] gevoerde verweer. Adede heeft alsdan ook de mogelijkheid om zich uit te laten over de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte producties.

3.6.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 19 mei 2020 voor akte aan de zijde van Adede met de hiervoor in rechtsoverweging 3.5 vermelde doeleinden, waarna [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J.M.H. Schoenmakers en S.C.H. Molin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2020.

griffier rolraadsheer