Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1385

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20-001512-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001512-19

Uitspraak : 11 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 mei 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-093423-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980 ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte is bij voormeld vonnis ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is bepleit dat deze van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken. Subsidiair -voor het geval het hof toch tot een bewezenverklaring zou komen- heeft de verdediging bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een straf die niet tot gevolg heeft dat de verdachte opnieuw van zijn vrijheid zal worden beroofd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 april 2019 te Roosendaal [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of haar bij de keel (vast) te pakken en/of (vervolgens) de keel dicht te knijpen en/of (achterover) te trekken en/of tegen het lichaam te duwen.

Voor zover in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 april 2019 te Roosendaal [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en haar eenmaal bij de keel te pakken en achterover te trekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, Basisteam Roosendaal, nr. PL2000-2019087395-7, d.d. 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (p. 12 van het proces-verbaal met registratienr. PL2000-2019087395), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 16 april 2019 hoorde ik, verbalisant, via het operationeel centrum dat op de Zundertseweg in Roosendaal een mishandeling plaatsvond. Ik hoorde dat de man die de vrouw mishandelde er als volgt uit zag: getinte man, niet heel groot postuur, zwarte Puma jas en een wit T-shirt. Toen ik ter plaatse kwam zag ik dat er bij de bushalte een vrouw op haar knieën op de stoep zat. Ik zag dat naast haar een man zat die voldeed aan het bovenstaande signalement. Ik zag dat de verdachte tegen de vrouw aan het praten was. Ik zag verschillende mensen om het stel heen staan. Ik hoorde hoofdagent [verbalisant 3] zeggen dat de verdachte [verdachte] was. Naar aanleiding van de melding hadden wij de verdachte [verdachte] om 08.16 uur aangehouden ter zake mishandeling.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, Basisteam Roosendaal, nr. PL2000-2019087395-4, d.d. 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie (p. 2-3 van het proces-verbaal met registratienr. PL2000-2019087395), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant(en) en/of één van hen:

Op 16 april 2019 omstreeks 08:16 uur, hielden wij op de locatie Zundertseweg, Roosendaal, als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] .

3. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, Basisteam Roosendaal, nr. PL2000-2019087395-5, d.d. 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie (p. 13-14 van het proces-verbaal met registratienr. PL2000-2019087395), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 16 april 2019 omstreeks 08.10 uur kreeg ik het verzoek van het operationeel centrum te Roosendaal om te gaan naar de Zundertseweg in Roosendaal. Hier zou volgens de melder een man een vrouw in elkaar aan het slaan zijn.

Ter plaatse aangekomen zag ik een vrouw op de grond liggen, dit bleek later te zijn

[slachtoffer] , geboren [geboortedatum] . Ik vroeg haar meerdere malen wat er gebeurd was. Zij zei meerdere malen tegen mij dat ze last had van haar oor en haar kaak. Ze wees hierbij met haar hand naar haar linkeroor en linker (het hof begrijpt: zijde van haar) kaak. Ze gaf ook aan dat ze moeite had met praten. Ik zag dat [slachtoffer] bloed op haar hand had. Toen ik keek waar het vandaan kwam, zag ik dat ze een bloedneus had. Het bloed dat er zat was vers. Hiermee wil ik aangeven dat het nog niet volledig gestold was.

Ze vertelde dat haar man [verdachte] het had gedaan. Op het bureau kwam mij ter ore dat haar man [verdachte] degene was die was aangehouden voor het feit.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, Basisteam Roosendaal, nr. PL2000-2019087395-3, d.d. 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (p. 18 van het proces-verbaal met registratienr. PL2000-2019087395), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de getuige [getuige 1] :

Ik werd vanmorgen geroepen door de tuinman van mijn buren. Hij zei mij dat een man een vrouw in elkaar aan het slaan was. Ik ben vervolgens samen met de tuinman naar die mensen toegegaan. Ik zag dat de man, die jullie daarna hebben aangehouden, de vrouw aan het duwen was. Ik zag dat de man ook aan de vrouw trok. Hij wilde haar kennelijk mee naar de auto sleuren. Ik hoorde de vrouw zeggen dat ze dat niet wilde en dat ze last van haar oor had.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, Basisteam Roosendaal, nr. PL2000-2019087395-2, d.d. 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie (p. 19-20 van het proces-verbaal met registratienr. PL2000-2019087395), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de getuige [getuige 2] :

Op 16 april 2019, omstreeks 08.10 uur, reed ik met mijn auto over de Zundertseweg in Roosendaal. Ik zag dat er ter hoogte van de bushalte een man en een vrouw stonden. Ik zag dat de man de vrouw bij de keel pakte en zichtbaar kracht zette. Hierna zag ik dat hij de vrouw achterover trok en de vrouw viel. Op dat moment reed ik net voorbij. Ik heb direct 112 gebeld. Hierna ben ik teruggereden. Toen ik terug aan kwam rijden, zag ik dat de man over de vrouw gebogen stond. Ik zag en hoorde dat hij zeer agressief was, hij was aan het schreeuwen en keek erg boos. Ik zag dat er nog meer mensen omheen stonden, die mensen durfden niet verder in te grijpen. Ik zag ook dat de man zich totaal niets aantrok van het feit dat er mensen omheen stonden. Ook ik durfde niet uit te stappen en ik heb gewacht tot er politie was. Toen die er waren en de man aanhielden ben ik direct naar de vrouw gelopen. Ik zag dat ze een bloedneus had. Ik hoorde dat ze zei dat ze veel pijn aan haar linkeroor en linker (hof: zijde van haar) kaak had. Ze ging er ook continu met haar hand naartoe.

Bewijsoverwegingen

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit, omdat -zakelijk weergegeven- geen enkele van de ten laste gedragingen kan worden bewezen of kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Daartoe is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Elk onderdeel van de ten laste gelegde mishandeling, behoudens het trekken, is slechts door één getuige gezien, zodat hiervoor het steunbewijs ontbreekt. Evenmin is er bewijs dat door een van die handelingen pijn of letsel is ontstaan.

De verdachte heeft wel aan mevrouw [slachtoffer] getrokken, maar dit heeft hij gedaan om haar voor haar eigen veiligheid en voor de veiligheid van hun ongeboren kind weer terug in de auto te krijgen. Er is daarom voor dit onderdeel van het ten laste gelegde geen sprake van wederrechtelijkheid, maar van een conflict van plichten bij de verdachte, zodat hij in een situatie van overmacht heeft gehandeld.

Met betrekking tot de bloedneus heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de verdachte en een ter zitting van het hof door de verdediging overgelegde uitdraai van een WhatsApp- bericht van mevrouw [slachtoffer] , waaruit blijkt dat zij vaker last heeft van spontane bloedingen in haar neus. Dit kan niet als letsel van het ten laste gelegde worden beschouwd, zo begrijpt het hof.

Met betrekking tot de pijn bij het oor en de kaak waarvan in het dossier wordt gerelateerd, geldt dat mevrouw [slachtoffer] te kennen heeft gegeven dat zij niet weet of zij klappen van de verdachte heeft gehad en dat deze pijn ook door het duwen en trekken kan zijn ontstaan.
De verdachte moet daarom worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de verdachte bij het achterover trekken van het slachtoffer [slachtoffer] heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht. Dat de veiligheid van mevrouw [slachtoffer] , die toentertijd ongeveer 5 maanden zwanger was, staande op het trottoir bij een bushalte niet gegarandeerd was, is evenmin aannemelijk geworden.

Het hof ziet op grond van het onderzoek ter terechtzitting evenmin enige aanleiding om te twijfelen aan de gewraakte waarnemingen van getuige [getuige 2] , zoals gedaan vanuit haar rijdende auto, zodat haar verklaring tot het bewijs wordt gebezigd.

De stelling van de verdediging dat de bij het slachtoffer waargenomen bloedneus het gevolg was van een spontane bloeding waarvan zij vaker last heeft, is niet onderbouwd middels een medisch attest of anderszins. Op grond van de inhoud van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en bij gebreke van andere aanwijzingen is het hof van oordeel dat de door de politie bij het slachtoffer geconstateerde bloedneus, net als de pijn aan oor en kaak, het gevolg is geweest van de bewezen verklaarde mishandeling door de verdachte.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat een aantal van de ten laste handelingen niet kan worden bewezen omdat die telkens door slechts één getuige zijn waargenomen en hij daarmee een beroep heeft willen doen op de “unus testis regel”, opgenomen in artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering, miskent het verweer dat deze regel slechts ziet op de tenlastelegging in haar geheel en niet op ieder onderdeel daarvan.

De stelling dat te dezen sprake is van onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor de gewraakte getuigenverklaringen, waardoor niet aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan, wordt rechtstreeks weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Op grond van het vorenstaande wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

II.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het hier gaat om een brute mishandeling door de verdachte van zijn circa 5 maanden zwangere partner / echtgenote, gepleegd op klaarlichte dag op de openbare weg, waarvan meerdere voorbijgangers getuige zijn geweest;

  • -

    de omstandigheden dat een dergelijk feit leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij getuigen en dat daardoor ook de openbare orde wordt verstoord.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2020, waaruit blijkt dat hij vele keren eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, onder meer ter zake van geweldsdelicten, waaronder een veroordeling ter zake van mishandeling van zijn vorige partner, te weten: bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag d.d. 6 juli 2016, in de zaak met parketnummer 09-189169-15;

  • -

    de inhoud van een hem betreffend gespreksverslag van Reclassering Nederland, d.d. 17 april 2019, waaruit onder meer blijkt dat bij een pro justitia onderzoek in 2011 werd geconcludeerd dat bij verdachte destijds sprake was van primaire verslavingsproblematiek, lichte zwakzinnigheid en antisociale trekken;

  • -

    zijn overige persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, onder meer de omstandigheden dat de verdachte nog steeds een relatie heeft met [slachtoffer] , het slachtoffer in de onderhavige zaak, dat zij gezamenlijk leven maar geen vaste woon- of verblijfplaats hebben, dat beiden een verleden hebben als harddrugsverslaafde en mogelijk nog steeds drugs gebruiken, alsmede dat hun in/omstreeks augustus 2019 geboren kind uit huis is geplaatst.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin het vorenstaande, in het bijzonder voormelde recidive ten aanzien van partnermishandeling, onvoldoende tot uitdrukking komt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden tot uitgangspunt genomen.

Het hof ziet op grond van het onderzoek ter terechtzitting aanleiding om de helft van de overwogen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, waarmee enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Op grond van de ernst van het feit en voormelde recidive kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 11 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.