Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1367

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
200.240.742_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:2126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen strijd met art. 83 lid 2 Rv

Schade aan balkon buren; eigen schuld? Belang bij vorderingen in hoger beroep na verkoop huis gelaedeerde?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.240.742/01

arrest van 21 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg (LB),

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. M.J. Willemsen te Leusden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 juli 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaak-/rolnummer 5760535 CV EXPL 17-1915 gewezen vonnis van 7 maart 2018.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    voornoemd tussenarrest waarbij een comparitie na aanbrengen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 september 2018;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de akte uitlaten van [geïntimeerde 1] met productie;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

De feiten

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de kantonrechter vastgestelde, feiten waartegen geen grief is opgeworpen in principaal of incidenteel hoger beroep. Daarnaast is in hoger beroep nog een aantal feiten, als niet betwist, komen vast te staan, die het hof hierna eveneens zal vermelden.

a. a) [geïntimeerde 1] was ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [plaats] . [appellant] is eigenaar van de naastgelegen woning aan de [adres 2] te [plaats] .

b) Aan beide woningen zijn dakterrassen boven het souterrain, ook wel genoemd: balkons, aangebouwd. [geïntimeerde 1] heeft het terras/balkon aan zijn woning het eerst aangebracht. Het terras/balkon aan de woning van [appellant] is daarna aangebracht. [geïntimeerde 1] heeft ook bij de bouw van het balkon aan de woning van [appellant] werkzaamheden verricht.

c) Bij brief van 6 mei 2015 heeft [geïntimeerde 1] [appellant] aansprakelijk gesteld voor schade aan zijn woning als gevolg van lekkage van het balkon van [appellant] . [appellant] betwist deze brief ontvangen te hebben.

d) Bij brief van 21 juli 2015 heeft (de toenmalige gemachtigde van) [geïntimeerde 1] voornoemde aansprakelijkstelling herhaald.

e) Bij brief van 14 augustus 2015 heeft [appellant] aansprakelijkheid voor de door [geïntimeerde 1] gestelde waterschade afgewezen.

f) In opdracht van [Schadeverzekeraar] (de schadeverzekeraar van de echtgenote van [appellant] ) heeft [de expert aan de zijde van appellant] (hierna: [de expert aan de zijde van appellant] ) in een “Voorlopig rapport” van 13 januari 2016 het volgende geconcludeerd:

De wateroverlast in de bergingsruimten onder beide terrassen is (deels) het gevolg van een niet waterdichte terrasvloer van verzekerde. Het gaat hier met name om de aansluitingen met de woning, het terras van tegenpartij en de afwerking aan de voorzijde (ter hoogte van de trap) van het terras. Nogmaals, het effect van de lekkages in de periode voorjaar 2001/medio 2003 is ons niet bekend. (…) Bij de huidige stand van zaken adviseren wij u rekening te houden met een schadebedrag van € 5.000,00.”

Dit rapport is tevens aan de gemachtigde van [geïntimeerde 1] gezonden.

g) [geïntimeerde 1] heeft [appellant] bij brief van 7 maart 2016, voor zover hier van belang, gesommeerd:

- tot betaling van € 5.000,00;

- om zijn balkon waterdicht te maken door het bij voorbeeld met bitumen te laten dichtbranden of geheel los te koppelen van het balkon van [geïntimeerde 1] .

h) [appellant] heeft medio september 2016 de tegelvloer en de onderliggende cementlaag op zijn balkon vervangen. [appellant] heeft daarbij een bitumenlaag aangebracht.

i. i) In opdracht van [geïntimeerde 1] heeft [bouwkundige verbonden aan Bouwkundig Adviesbureau] van Bouwkundig Adviesbureau [het Bouwkundig Adviesbureau] (hierna: [het Bouwkundig Adviesbureau] ) onderzoek verricht in verband met de door [geïntimeerde 1] gestelde waterschade. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 11 oktober 2016. [appellant] is bij de opname door [het Bouwkundig Adviesbureau] niet aanwezig geweest.

In dat rapport heeft [het Bouwkundig Adviesbureau] onder meer het volgende vermeld:

Om de aansluiting met het terras van [adres 1] waterdicht te verkrijgen is er bij de onlangs uitgevoerde werkzaamheden een laag bitumen aangebracht zoals het te zien is op foto [fotonummer] . Het lekkage probleem concentreert zich op de perceelscheiding tussen [adres 1] & [adres 2] . De bitumen laag welke bij de laatste werkzaamheden is aangebracht is waarschijnlijk voldoende om de lekkage te verhelpen. De aantastingen zijn zichtbaar ter plaatse van het gehele plafond in de souterrain, de wanden in het souterrain + de plafonds.

Door de onlangs uitgevoerde werkzaamheden verwachten wij dat de lekkages ter plaatse van de perceelscheiding verholpen zijn. (…) De plafonds dienen bij beide souterrains geheel verwijderd te worden om de omvang van de aantastingen te beoordelen. Na deze beoordeling kan het deel van de dakconstructie weer opnieuw opgebouwd worden.

13 Schadeherstel

De ontstane schade bij [adres 1] is te herstellen. In die zin zal een zone boven de aangetaste houten balken verwijderd moeten worden zodat deze vervangen kunnen worden. Met die bewerking zal gelijktijdig de corrosie van de stalen ligger verwijderd moeten worden en het staal opnieuw geconserveerd moeten worden. Nadat de constructieve waarde en de conservering van het staal weer op orde zijn dan kan het deel van de dakconstructie weer opnieuw opgebouwd worden.

[het Bouwkundig Adviesbureau] heeft de herstelkosten begroot op € 8.069,83 incl. btw.

j) [het Bouwkundig Adviesbureau] heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden € 859,10 aan [geïntimeerde 1] in rekening gebracht bij factuur van 12 oktober 2016.

k) Bij brief van 16 november 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde 1] [appellant] gesommeerd tot betaling van € 8.069,83 binnen veertien dagen.

l) [appellant] heeft dat bedrag niet aan [geïntimeerde 1] betaald.

m) Op 11 mei 2017 heeft de raadsman van [geïntimeerde 1] [appellant] geschreven dat nieuwe lekkages zijn ontstaan door de werkzaamheden van [appellant] . [geïntimeerde 1] heeft [appellant] gesommeerd om binnen veertien dagen tot herstel over te gaan, met dien verstande dat het aan [appellant] toebehorende lood wordt afgesneden tot maximaal 2 centimeter boven de tegels, het dakleer dient te worden opgebrand tot het punt waar het lood aan de zijde van [geïntimeerde 1] uit de muur komt en het openstaande dakleer wordt gedicht

n) [appellant] heeft in de procedure op 17 mei 2017 overgelegd een ongedateerd rapport van Architectenbureau [Architectenbureau] , genaamd “Bouwgebreken onderzoek woning [adres 2] [plaats]”. Dit rapport, dat een bladzijde tekst en enkele bladzijden foto’s omvat, concentreert zich op de constructie van het terras/balkon van [appellant] . Over constructie bij [geïntimeerde 1] valt er te lezen:

“ Waarneming(..)

3. (..) De houten schutting eigendom van de hr. [geïntimeerde 1] is door hem met houten palen vastgezet op de ondergrond d.m.v. verzinkte stalen steunen. Tussen de houten palen en de stalen steunen zijn zichtbaar openingen aanwezig waardoor lekkages kunnen ontstaan.

4.Geen waarneming mogelijk bij de buren aan de linkerzijde [adres 1] in zaken de aanwezige lekkages.

5. De onderdoorgang tussen de woningen metselwerk boven de stalen latei op enkele plaatsen lichte scheurvorming horizontaal in de lintvoegen. De stalen latei constructie hangt wat door. Ook rechts boven de gemetselde balustrade lichte scheurvorming. (..)

Advies

Laat extra controle uitvoeren door het ingenieursbureau [ingenieursbureau] b.v. constructeur van deze huidige constructie.”

o) Sinds in ieder geval april 2017 woonde [geïntimeerde 1] niet meer in de woning. [geïntimeerde 1] heeft vervolgens op of omstreeks juli 2017 zijn woning verkocht.

In de koopovereenkomst is de navolgende bepaling opgenomen:

De aangetaste balk tegen balkon van de buren zal door verkoper worden hersteld zodra mogelijk. De buren op no. 13 hebben einde zomer 2016 hun balkon waterdicht gemaakt dus de oorzaak van deze aangetaste balk is vooralsnog opgelost. De procedure inzake deze (water)schade zullen verkopers in hun naam [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voortzetten totdat deze in zijn geheel is afgerond. De schade en de eventuele uit te keren schadebedrag zal niet worden overgeheveld aan de kopers.

Verkopers hebben dit reeds gemeld aan de kopers.”

De transportakte vermeldt:

Onverminderd de verplichting van verkoper, voortvloeiend uit het bepaalde in de laatste alinea van artikel 7 lid 7.4 van de koopovereenkomst, wordt het verkochte aanvaard in de feitelijke staat waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond (..)”.

6.2.1.

[geïntimeerde 1] heeft [appellant] in rechte betrokken en - kort samengevat - gevorderd:

( a) [appellant] te veroordelen tot betaling van € 8.069,83, + € 48,40 + € 859,10 alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2015 tot de dag van voldoening;

( b) voor recht te verklaren dat [appellant] eveneens aansprakelijk is voor schade die zichtbaar wordt nadat de plafondplaten zijn verwijderd,

( c) [appellant] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis op eigen kosten de volgende herstelwerkzaamheden te (laten) verrichten:

• het afsnijden van het lood tot maximaal 2cm boven de tegelvloer van [geïntimeerde 1] ;

• het opbranden van het dakleer tot bovenaan het lood waar deze de muur van [geïntimeerde 1] ingaat;

• het dichten van het openstaande dakleer,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel) dat [appellant] daarmee in gebreke blijft,

( d) [appellant] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot betaling van de nakosten.

6.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat erop neer komt dat eventuele beschadigingen/lekkages aan [geïntimeerde 1] zelf te wijten zijn, en dat [geïntimeerde 1] zelfs ook bij [appellant] lekkages en beschadigingen heeft veroorzaakt.

6.2.3.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de hierboven in rov 6.2.1. onder (a), (c) en (d) opgenomen vordering van [geïntimeerde 1] toegewezen. Hiertegen zijn de grieven van [appellant] in principaal hoger beroep gericht.

6.2.4.

De grief van [geïntimeerde 1] in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van de in rov. 6.2.1. onder (b) genoemde vordering.

Volle omvang?

6.3.

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven (blz. 2, 7e alinea) gesteld dat hij het geschil in volle omvang aan het hof wil voorleggen. Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij vereist is dat die gronden voldoende kenbaar zijn. De enkele vermelding dat de appellant het geschil in volle omvang aan de appelrechter wenst voor te leggen is niet voldoende om aan te nemen dat enig door de appellant niet vermeld geschilpunt naast andere wel door de appellant nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld.

Strijd met artikel 83 lid 2 Rv?

6.4.1.

De memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] is ondertekend door “D.D. Senders i/o, advocaat”.

Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat op deze memorie(s) geen acht mag worden geslagen, omdat D.D. Senders niet de advocaat van [geïntimeerde 1] is (dat is mr. Willemsen) en het [appellant] zelfs niet duidelijk is of genoemde Senders überhaupt wel advocaat is. Aldus is er strijd met artikel 83 lid 2 Rv, dat dwingend voorschrijft dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, de conclusies en akten worden ondertekend door de advocaat. Het principaal hoger beroep van [appellant] moet slagen, omdat - vanwege het voornoemde ontbreken van rechtsgeldige ondertekening - het beroep niet is weersproken en [geïntimeerde 1] moet aldus tevens niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn incidenteel hoger beroep, aldus nog steeds [appellant] .

6.4.2.

Een snelle blik in de voor iedereen toegankelijke registers van de NOvA zou [appellant] hebben kunnen leren dat mr. Senders advocaat is, en collega van mr. Willemsen. In de “akte uitlaten” heeft [geïntimeerde 1] dit vervolgens voor [appellant] uiteen gezet. Tevens heeft [geïntimeerde 1] een volmacht overgelegd, waarin mr. Willemsen en haar in die volmacht genoemde collega’s elkaar wederzijds machtigen elkaars processtukken te ondertekenen. Mr. Willemsen heeft genoemd document op 21 mei 2019 getekend, en mr. Senders op 20 mei 2019.

Volgens [appellant] kan deze volmacht [geïntimeerde 1] evenwel niet baten, omdat het processtuk in kwestie reeds op 27 februari 2019 door mr. Senders was ondertekend.

6.4.3.

Het hof stelt vast dat de memorie van antwoord, memorie van grieven in incidenteel appel is getekend door genoemde mr. Senders met daarbij de letters i.o. Nu het processtuk is ondertekend door een kantoorgenoot van de advocaat van [geïntimeerde 1] , is daarmee voldaan aan de ratio van artikel 83 Rv, namelijk dat buiten twijfel staat dat de ingediende processtukken afkomstig zijn van de advocaat die als verplichte procesvertegenwoordiger door de betreffende procespartij is aangesteld. Hieronder kan ook een kantoorgenoot van de betreffende advocaat geschaard worden, zeker indien de advocaat (i.c. dus mr. Willemsen) te kennen heeft gegeven - eventueel achteraf - daarmee in te stemmen. Daar komt bij dat indien een gerecht constateert dat het voorschrift van artikel 83 Rv is geschonden, uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een hersteltermijn moet worden gegund om het gebrek te herstellen. De gevolgtrekking van [appellant] dat zonder meer niet-ontvankelijkheid moet volgen (in het incidenteel hoger beroep), c.q. dat geen acht geslagen mag worden op het betreffende processtuk (in het principaal hoger beroep), is ook daarom niet juist. Het verweer wordt verworpen.

Belang van [geïntimeerde 1] bij vorderingen?

Grieven 1 en 9 in principaal hoger beroep en grief in incidenteel hoger beroep

6.5.1.

In eerste aanleg had [appellant] als meest verstrekkende verweer tegen de vordering van [geïntimeerde 1] aangevoerd dat [geïntimeerde 1] geen belang (meer) had bij de procedure, omdat hij het huis inmiddels had verkocht. De kantonrechter heeft dit verweer in rov 4.1. verworpen, omdat “het enkele feit dat [geïntimeerde 1] de woning aan (..) heeft verkocht, [..] immers niet (leidt) tot de conclusie dat [geïntimeerde 1] [geen] belang meer heeft bij zijn vordering.”

6.5.2.

De eerste grief van [appellant] is hiertegen gericht en [appellant] herhaalt daarin zijn standpunt dat [geïntimeerde 1] geen belang meer heeft bij zijn vorderingen. [appellant] merkt in zijn toelichting op dat nu de koopovereenkomst met de nieuwe eigenaren niet is overgelegd, nergens uit blijkt dat [geïntimeerde 1] de gestelde schade zou herstellen (en zeker niet voor het door [het Bouwkundig Adviesbureau] geraamde bedrag van € 8.069,83 incl. btw). Tevens is gesteld noch gebleken dat de beweerdelijke schade invloed zou hebben gehad op de koopprijs, aldus [appellant] .

6.5.3.

In reactie hierop heeft [geïntimeerde 1] alsnog in zijn memorie van antwoord een clausule uit de koopovereenkomst en een deel de transportakte weergegeven, zoals hierboven in rov 3.1. (o) geciteerd.

6.6.1.

De grondslag van de vorderingen vermeld in rov 6.2.1. onder (a) van [geïntimeerde 1] - welke vorderingen door de grieven aan het hof zijn voorgelegd - is dat [appellant] jegens [geïntimeerde 1] onrechtmatig heeft gehandeld door het beschadigen van de eigendommen van [geïntimeerde 1] . Er voorshands voor de behandeling van deze grieven vanuit gaande dat deze vorderingen van [geïntimeerde 1] (geheel of gedeeltelijk) gegrond zijn, betekent dat [geïntimeerde 1] recht heeft op schadevergoeding. Ingevolge artikel 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In gevallen van zaaksbeschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering van de zaak. Volgens vaste rechtspraak zal het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt in het algemeen gelijk zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten die met het herstel zijn gemoeid. Wordt de schade op deze abstracte wijze vastgesteld en gesteld op de verminderde waarde van de zaak, dan is de schade ontstaan op het tijdstip waarop de waardevermindering is opgetreden.

6.6.2.

Dit betekent dat niet relevant is of [geïntimeerde 1] (er nog steeds veronderstellenderwijs vanuit gaande dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld) de ontstane schade heeft gerepareerd, noch of de eventuele reparatienota’s door [geïntimeerde 1] zijn betaald als bewijs van een vermogensvermindering aan de kant van [geïntimeerde 1] , en dus van zijn schade. De schade, ter hoogte van de herstelkosten, wordt door [geïntimeerde 1] geleden in zijn vermogen op het moment van de zaaksbeschadiging: vanaf dat moment is de beschadigde zaak (de woning) van [geïntimeerde 1] met het abstract berekende bedrag in waarde gedaald.

6.6.3.

[geïntimeerde 1] heeft zijn woning rondom 1 juli 2017 verkocht. Uit het citaat uit de koopovereenkomst blijkt dat [geïntimeerde 1] op zich heeft genomen “de aangetaste balk tegen balkon van de buren” te herstellen. Verder valt te lezen dat de oorzaak van die aantasting inmiddels is verholpen door [appellant] , én dat een eventuele schadevergoeding die [geïntimeerde 1] als gevolg van de thans aanhangige procedure zou ontvangen van [appellant] , niet door [geïntimeerde 1] aan de nieuwe eigenaren wordt doorbetaald (want zo begrijpt het hof de zin: “De schade en de eventuele uit te keren schadebedrag zal niet worden overgeheveld aan de kopers.”).

Ten slotte heeft [geïntimeerde 1] aangegeven dat in de transportakte staat vermeld dat de kopers het pand hebben aanvaard in de staat waarin het zich bevond, met uitzondering van (naar het hof begrijpt) de aangetaste balk, die [geïntimeerde 1] nog zal repareren.

6.6.4.

[geïntimeerde 1] heeft niets gesteld over bepaalde gedragingen of geuite verklaringen rond het sluiten van de koopovereenkomst met de nieuwe kopers die aanleiding geven voor een andere dan een taalkundige uitleg, maar volstaan met het citeren van genoemde clausules. [appellant] heeft hier evenmin een standpunt over ingenomen. Het hof is van oordeel dat deze clausules, in onderling verband gelezen - en in samenhang met het feit dat bij zaaksbeschadiging een abstracte schadevergoeding wordt gehanteerd - niet anders te begrijpen zijn dan dat de waarde van het door [geïntimeerde 1] verkochte huis is verminderd door de toegebrachte schade. Deze schade beloopt het bedrag van de reparatiekosten en dit is ook zo door [geïntimeerde 1] met de kopers besproken. De schade van [geïntimeerde 1] is dus niet verdwenen of verminderd toen [geïntimeerde 1] de woning doorverkocht en het door [geïntimeerde 1] geleden nadeel zal (in de huidige veronderstelling dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld) onverminderd voor rekening van [appellant] moeten blijven komen.

6.6.5.

De eerste grief van [appellant] faalt voor zover het betreft de vorderingen (a) van [geïntimeerde 1] tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens zaaksbeschadiging door [appellant] . Daarbij blijft [geïntimeerde 1] belang houden.

6.7.1.

De vordering vermeld in rov 6.2.1. onder (b) is door de kantonrechter afgewezen, maar is door het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] alsnog aan het hof voorgelegd. Dit betreft de verkrijging van een verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor schade die zichtbaar wordt nadat de plafondplaten (in het voormalige huis van [geïntimeerde 1] , zo begrijpt het hof) zijn verwijderd. De vorderingen vermeld in rov 6.2.1. onder (c) - tegen de toewijzing waarvan [appellant] eveneens heeft gegriefd - betreffen door [appellant] uit te voeren (herstel) werkzaamheden aan de eigen woning van [appellant] (te weten: het afsnijden van lood, het opbranden van het dakleer en het dichten van openstaand dakleer). Deze laatste vordering is ingesteld naar aanleiding van op 17 mei 2017 door [geïntimeerde 1] geconstateerde nieuwe lekkages.

6.7.2.

Bij deze beide vorderingen heeft [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof geen belang meer, omdat hij in (ieder geval) sinds juli 2017 geen eigenaar meer is van de woning aan de [adres 1] . Uit de in rov 6.6.3. geciteerde clausules blijkt dat [geïntimeerde 1] jegens de nieuwe eigenaren (slechts) op zich heeft genomen om de aangetaste balk in het door hen van hem gekochte huis te herstellen. De kosten daarvan zijn reeds verdisconteerd in de vordering onder (a). Maar verdergaande verplichtingen jegens de nieuwe eigenaren die verband houden met de (gestelde) onrechtmatige daad van [appellant] waardoor schade zou zijn toegebracht aan het (inmiddels verkochte en geleverde) huis heeft [geïntimeerde 1] niet op zich genomen.

6.7.3.

De vordering onder (c) is er niet een van schadevergoeding wegens zaaksbeschadiging aan zijn voormalige eigendommen, waarbij [geïntimeerde 1] nog steeds belang zou kunnen hebben. Deze vordering (c) gaat erover dat [appellant] verplicht zou moeten worden om aan zijn, [appellant] ’ eigen, woning verbeteringen aan te brengen. [geïntimeerde 1] heeft niet gesteld welk belang hijzelf - geen eigenaar van zijn voormalige woning meer zijnde - nog heeft bij deze vordering tot herstel van de woning van [appellant] . Dit had, zeker gezien de tekst van de koopovereenkomst met de nieuwe eigenaren (voor zover [geïntimeerde 1] daarover informatie heeft verstrekt), wel op de weg van [geïntimeerde 1] gelegen.

De gevorderde verklaring voor recht, vordering (b), doet evenmin recht aan de juridische situatie van dit moment, namelijk dat [geïntimeerde 1] geen eigenaar meer is van het huis. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 1] zich op enigerlei wijze (behalve wat betreft de balk waarover reeds is geoordeeld) jegens de nieuwe eigenaren zodanig heeft verplicht dat hij nog belang zou hebben bij een verklaring voor recht als gevorderd.

6.7.4.

De eerste grief in principaal hoger beroep slaagt dus in zoverre, dat het hof nog slechts zal oordelen over de grieven van [appellant] voor zover zij zien op het oordeel van de kantonrechter over de vordering van [geïntimeerde 1] onder (a), omdat aan [geïntimeerde 1] voor het overige geen rechtsvordering (meer) toekomt vanwege een gebrek aan belang. Hetzelfde geldt voor grief 9 in principaal hoger beroep, voor zover die specifiek tegen het oordeel van de kantonrechter over vordering (c) is gericht. Dit betekent dat in het principaal hoger beroep het vonnis, voor zover daarin de vordering als vermeld in rov 6.2.1. onder (c) in rov 5.4. van het dictum is toegewezen, zal worden vernietigd en deze vordering alsnog zal worden afgewezen.

6.7.5.

Voor wat betreft het incidenteel hoger beroep houdt dit oordeel in dat de incidenteel aangevoerde grief van [geïntimeerde 1] faalt en het vonnis ten aanzien van de afwijzing van vordering (b) zal worden bekrachtigd.

Eigen schuld [geïntimeerde 1] ?

grieven 2-6 in principaal hoger beroep

6.8.1.

Aan [geïntimeerde 1] is vanwege zaaksbeschadiging toegewezen de door [het Bouwkundig Adviesbureau] begrote schade van € 8.069,83. Daartoe overwoog de kantonrechter kort samengevat het volgende. [appellant] heeft de lekkages niet betwist, maar stelt dat deze door [geïntimeerde 1] zelf veroorzaakt zijn. De kantonrechter heeft dat verweer verworpen omdat het gezien de stellingen van [geïntimeerde 1] door [appellant] onvoldoende is onderbouwd, en heeft geoordeeld dat de lekkages onder het balkon van [geïntimeerde 1] in ieder geval tot medio september 2016 veroorzaakt zijn door de niet waterdichte balkon/terrasvloer van [appellant] (rov. 4.2-4.4). Niet is gebleken dat [geïntimeerde 1] de gebrekkige terrasvloer bij [appellant] heeft gemaakt (rov 4.5) en de rapportage en de berekeningen van [het Bouwkundig Adviesbureau] zijn onvoldoende gemotiveerd door [appellant] betwist (rov 4.6 en 4.7).

6.8.2.

Hiertegen zijn de grieven 2-5 in principaal hoger beroep gericht. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken met grief 6, die gericht is tegen de hoogte van het toegewezen bedrag. Het hof passeert daarbij het verweer van [geïntimeerde 1] dat, omdat geen expliciete grief is gericht tegen het oordeel in rov 4.4., vast staat dat de lekkages dus zijn veroorzaakt door de terrasvloer van [appellant] . Hetzelfde geldt voor de stelling van [geïntimeerde 1] dat door het gebruik van het woordje “ook” in de tweede grief (“Ten onrechte heeft de kantonrechter (..) het verweer van [appellant] verworpen dat de door [geïntimeerde 1] c.s. gestelde lekkages ook door [geïntimeerde 1] c.s. zelf zijn veroorzaakt”.) door [appellant] wordt erkend dat hijzelf de lekkages heeft veroorzaakt. Uit de memorie van grieven, waarbij alle stellingen mede in onderlinge samenhang moeten worden gelezen, blijkt naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk op grond waarvan [appellant] meent dat de uitspraak ook op deze punten onjuist is. Daarbij dient niet teveel waarde te worden gehecht aan een mogelijk wat ondoordachte formulering van een grief, nu uit de toelichting daarbij duidelijk blijkt wat werd bedoeld. Daarnaast kan ook een betoog zonder als zodanig aangeduide grieven inhoudelijk bezwaren bevatten, die als grieven moeten worden opgevat. Zelfs in een geval als dit, waarbij de memorie van grieven wel afzonderlijk genummerde grieven bevat, kunnen in de toelichting nog steeds andere grieven besloten liggen. Dit alles is voor [geïntimeerde 1] ook voldoende kenbaar. 6.8.3. Bij de bespreking van de grieven (zowel de expliciete als de impliciete, als hierboven bedoeld) staat voorop dat [geïntimeerde 1] zich heeft beroepen op een rechtsgevolg van artikel 6:162 BW, te weten de verplichting tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van en door [appellant] . [geïntimeerde 1] heeft de feiten moeten stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting moeten bewijzen waaruit dat rechtsgevolg kon worden afgeleid. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter (en de overwegingen waarop dat berust) dat [appellant] de stelling van [geïntimeerde 1] dat de waterlekkages onder het balkon van [geïntimeerde 1] zijn veroorzaakt door de tot in ieder geval medio september 2016 niet waterdichte terrasvloer van het balkon van [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. Dat geldt ook voor wat [appellant] in dit hoger beroep op dat punt heeft aangevoerd, dat in feite niet anders is dan een herhaling van stellingen uit de eerste aanleg.

6.8.4.

Terzake het beroep op het tevens in zijn grieven 2 tot en met 5 verwoorde standpunt dat sprake is van eigen schuld van [geïntimeerde 1] (artikel 6:101 BW), oordeelt het hof als volgt.

[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde 1] zijn terras direct tegen de tegelvloer van [appellant] heeft gebouwd, zonder afdoende waterdichte afdichting. [de expert aan de zijde van appellant] , de eigen expert van [appellant] heeft inderdaad gesteld dat de wateroverlast deels het gevolg is van een niet waterdichte terrasvloer van [geïntimeerde 1] , maar dat ligt niet aan de terrasvloer zelf (mvg blz 4 onderaan), [de expert aan de zijde van appellant] constateert ook maar één aangetaste houten balk bij [geïntimeerde 1] , die alleen maar aangetast kan zijn doordat [geïntimeerde 1] de naden op zijn eigen terras niet goed heeft afgedicht (mvg blz 7), aldus [appellant] .

Het door [appellant] overgelegde rapport van [Architectenbureau] , door de kantonrechter genegeerd, bevestigt dat lekkages op de erfafscheiding kunnen zijn ontstaan in verband met de openingen tussen de houten palen en stalen steunen bij [geïntimeerde 1] (mvg blz 4 en 5).

6.9.1.

Tegen de begroting van [het Bouwkundig Adviesbureau] van de herstelkosten (€ 8.069,83) en de toewijzing van dit bedrag door de kantonrechter heeft [appellant] aangevoerd dat dit bedrag niet te rijmen is met de eerdere schetsmatige analyse van [geïntimeerde 1] . Verder stelt [appellant] dat [het Bouwkundig Adviesbureau] er - ten onrechte, zo begrijpt het hof - van uitgaat dat de hele stalen balk moet worden verwijderd, geconserveerd en weer teruggeplaatst. Tot slot stelt [appellant] dat hij er “verder bij [blijft], dat uit de schadebegroting blijkt, dat er een noodzaak is om de dakconstructie te verwijderen/te vernieuwen.” Kennelijk bedoelt hij hiermee te zeggen dat deze conclusie van [het Bouwkundig Adviesbureau] onjuist is.

6.9.2.

Terecht weerlegt [geïntimeerde 1] deze kritiek door er op te wijzen dat hij al eerder gemotiveerd heeft aangegeven dat uit het rapport van [het Bouwkundig Adviesbureau] nergens blijkt dat de hele balk verwijderd moet worden en dat daaruit gemotiveerd blijkt dat de reparaties alleen maar kunnen worden uitgevoerd als een deel van de dakconstructie verwijderd wordt. De enkele betwisting hiervan door [appellant] geldt naar het oordeel van het hof als onvoldoende gemotiveerd. [appellant] komt zelf ook niet met een tegen-offerte of een eigen alternatief voorstel om de (door hem erkende) schade te repareren.

[appellant] ’ eigen expert [de expert aan de zijde van appellant] schatte de schade/reparatiekosten voorlopig op

€ 5.000,00 excl., hetgeen (met 15% onvoorzien en 21 % btw) neerkomt op bijna

€ 7.000,00 inclusief. Dit bedrag benadert de begroting van [het Bouwkundig Adviesbureau] . [de expert aan de zijde van appellant] had daarbij reeds aangegeven dat haar begroting nog maar zeer voorlopig was, en bovendien, zo heeft [appellant] zelf ook aangegeven, had [de expert aan de zijde van appellant] alleen bij [appellant] en niet bij [geïntimeerde 1] gekeken. Waarom de reparatiewijze, als door [het Bouwkundig Adviesbureau] voorgesteld, niet zou voldoen en te duur zou zijn gezien het geringe en verklaarbare verschil met de voorlopige schatting van [de expert aan de zijde van appellant] , en op welke andere - goedkopere - wijze de lekkages verholpen hadden moeten worden dan door [het Bouwkundig Adviesbureau] voorgesteld, geeft [appellant] niet aan.

6.9.3.

Nu [appellant] zijn grief onvoldoende heeft onderbouwd en hij evenmin een bewijsaanbod doet dat ter zake relevant is, zal het hof daarom in hoger beroep eveneens uitgaan van een bedrag aan herstelkosten van € 8.069,83 incl. Grief 6 faalt.

6.10.1.

Het gaat nu over de vraag of en zo ja in welke mate aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de ontstane schade. [appellant] heeft voor zijn verweer, dat ook sprake is van aan [geïntimeerde 1] toe te rekenen omstandigheden - fouten van [geïntimeerde 1] dus - naar het oordeel van het hof echter onvoldoende gesteld, mede gezien de gemotiveerde betwistingen door [geïntimeerde 1] .

Het staat namelijk allerminst vast dat sprake was van foutief handelen door [geïntimeerde 1] in zodanige mate, dat de schade over beide partijen verdeeld zou moeten worden of zelfs geheel voor rekening van [geïntimeerde 1] zou moeten blijven.

6.10.2.

Zo heeft [appellant] onder meer ter ondersteuning van zijn stelling dat de fout bij [geïntimeerde 1] ligt gesteld dat [geïntimeerde 1] een stalen verbindingsbalk heeft geplaatst, waarvan onderzocht moet worden of de daarop geplaatste bijbouw niet teveel druk uitoefent waardoor de lekkage wordt veroorzaakt (mvg blz 6 midden), en dat de lekkages ook kunnen zijn ontstaan vanwege de openingen tussen de houten palen/balken en de stalen steunen, waarop deze balken geplaatst zijn (mvg blz 5 midden en 7 onderaan). De eigen expert van [appellant] , [Architectenbureau] , schrijft in zijn rapportage behalve dat de lekkage kan zijn ontstaan door openingen tussen palen en steunen - slechts dat een extra controle wordt geadviseerd door de constructeur van de huidige constructie. Een dergelijk onderzoek is niet overgelegd, noch heeft [appellant] veel meer gedaan dan het uiten van ongefundeerde veronderstellingen ten aanzien van de eigen schuld van [geïntimeerde 1] .

6.10.3.

Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan een deskundigenbericht c.q. bewijsopdracht aan [appellant] en falen de grieven 2 tot en met 5.

Slot

Grieven 7,8,10 en 11 in principaal hoger beroep

6.11.1.

Met grief 10 klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter geen deskundige heeft benoemd. De grief faalt. Het benoemen van een deskundige ter advisering is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het stond de kantonrechter dus vrij om hiervan af te zien.

6.11.2.

Het falen van de grieven 1-6 brengt mee dat ook de grieven 7 en 8 falen. Deze waren gericht behalve tegen de toewijzing van de hoofdsom, tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten (€ 48,40) en de kosten van [het Bouwkundig Adviesbureau] (€ 859,10). Het enige argument dat [appellant] aanvoerde ter ondersteuning van de grieven is, dat genoemde nevenvorderingen niet kunnen worden toegewezen omdat de hoofdsom niet kon worden toegewezen. Die stellingen gaan dus niet op.

6.11.3.

Grief 11 is een verzamelgrief, waarin [appellant] eveneens klaagt over de aan [geïntimeerde 1] toegewezen proceskosten. Ondanks het slagen van grief 9 heeft [appellant] te gelden als de in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De proceskosten zijn dus terecht door de kantonrechter toegewezen.

In principaal hoger beroep geldt hetzelfde. Ook daar is [appellant] de voor het overgrote deel in het ongelijk gestelde partij en dienen de proceskosten voor zijn rekening te komen. [appellant] heeft nog gesteld dat door de houding van [geïntimeerde 1] bij de comparitie na aanbrengen de daarmee gemoeide kosten niet voor zijn rekening mogen komen. [geïntimeerde 1] heeft dit betwist. Het hof stelt vast dat de proceskostenveroordeling uitgaat van forfaitaire bedragen (als vermeld in het liquidatietarief) en dat in deze systematiek de verliezer die forfaitaire bedragen voor zijn rekening krijgt. In hoeverre een partij wel of niet genegen was bij de comparitie na aanbrengen mee te werken aan een schikking, doet daarbij niet ter zake.

Grief 11 faalt ook in het licht van het hiervoor overwogene en de proceskosten in eerste aanleg en in principaal hoger beroep zullen worden toegewezen als in het dictum te melden, met inbegrip van de gevorderde nakosten en wettelijke rente.

6.11.4.

Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd hoeft, gelet op het hiervoor overwogene, niet meer te worden beoordeeld.

6.11.5.

In incidenteel hoger beroep faalt de grief van [geïntimeerde 1] . De proceskosten van het incidenteel hoger beroep komen voor zijn rekening, als in het dictum te melden.

6.12.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, met uitzondering van datgene wat de kantonrechter in rov 5.4. van het dictum over vordering (c) heeft geoordeeld, en het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het tussen partijen op 7 maart 2018 door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht uitgesproken vonnis,

doch slechts voor zover daarin in rov 5.4. van het dictum het door [geïntimeerde 1] gevorderde is toegewezen;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] , op € 318,00 aan griffierecht en op € 1.611,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 537,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2020.

griffier rolraadsheer