Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1349

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
200.256.946_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof geeft alsnog goedkeuring aan de bewindvoerder terzake de door hem afgelegde rekening en verantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 16 april 2020

Zaaknummer: 200.256.946/01

Zaaknummer eerste aanleg: 5611212 RV VERZ 16-18088

BM-nummer: 32368

in de zaak in hoger beroep van:

[de bewindvoerder] ,

wonende te [woonplaats] , België, en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

handelend in zijn hoedanigheid van voormalig bewindvoerder van de goederen die behoorden aan wijlen [de rechthebbende],

appellant,

hierna te noemen: de bewindvoerder, tevens optredend in zijn hoedanigheid van advocaat te [kantoorplaats] ,

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1] (hierna te noemen: [belanghebbende 1] ), wonende te [woonplaats] , bijgestaan door mr. A.J.L.J. Pfeil;

en

- [belanghebbende 2] (hierna te noemen: [belanghebbende 2] ), wonende te [woonplaats] , bijgestaan door mr. J.P.H.J. Hermans.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 december 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 21 maart 2019, heeft de bewindvoerder het hof verzocht, althans zo begrijpt het hof, voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, hem - in zijn hoedanigheid van voormalig bewindvoerder over de goederen die toebehoorden aan de heer [de rechthebbende] - alsnog goedkeuring te verlenen inzake de door hem opgestelde rekening en verantwoording over de periode 2009 tot en met [datum] 2016.

Kosten rechtens.

2.2.

Bij V9-formulier van 7 mei 2019, tevens ingekomen ter griffie van het hof per fax op 8 mei 2019, heeft [belanghebbende 2] aan het hof bericht dat hij instemt met het gegrond verklaren van het door de bewindvoerder ingediende beroepschrift.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 mei 2019, heeft [belanghebbende 1] het hof verzocht de bewindvoerder in diens hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans hem dit te ontzeggen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de bewindvoerder;

  • -

    [belanghebbende 1] , bijgestaan door mr. Pfeil.

2.4.1.

[belanghebbende 2] en zijn advocaat, met bericht van verhindering van 13 januari 2020, niet ter mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 9 januari 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van [belanghebbende 1] d.d. 15 januari 2020;

  • -

    de ter mondelinge behandeling van het hof door de bewindvoerder overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 maart 2008 zijn de goederen die behoren of zullen toebehoren aan [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] (hierna: de rechthebbende) onder bewind gesteld en is mr. [de bewindvoerder] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] , tot bewindvoerder benoemd.

3.2.

De rechthebbende dreef ten tijde van de aanvang van het bewind samen met [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] het [bedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: de B.V.). Hij was eigenaar van een woonhuis en het bedrijfspand waarin het eigen garagebedrijf was gevestigd. De rechthebbende had verder enkele percelen bos- en landbouwgrond en er was er in zeer beperkte mate spaargeld. De rechthebbende had een rekening-courantschuld aan de B.V. van afgerond € 177.000,-, was voor de betaling van zijn (hypotheek)lasten (zowel zakelijk als privé) afhankelijk van de B.V. en hij stond borg voor het bancair krediet van de B.V.

Sinds 2006 was de rechthebbende weduwnaar en woonde hij samen met [belanghebbende 2] in het woonhuis naast het bedrijf.

3.2.1.

De rechthebbende is op [datum] 2016 overleden.

3.3.

Bij de bestreden beschikking, heeft de kantonrechter de door de bewindvoerder afgelegde (eind)rekening en verantwoording over de jaren 2009 tot en met 2015 en 2016 tot en met [datum] 2016 afgekeurd.

3.4.

De bewindvoerder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De bewindvoerder voert daartoe het volgende aan.

Rekening en verantwoording periode 2009 tot en met [datum] 2016

De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat de rekening en verantwoording over de jaren 2009 tot en met 2016 onder de eindafrekening valt en daarmee ook aan de erfgenamen dient te worden gedaan. Volgens de bewindvoerder is dit in strijd met het geldende recht en verwijst naar de conclusie van AG Wesseling-Van Gent (ECLI:NL:PHR:2017:1089, m.n. onder 2.9.) bij een door de Hoge Raad op 22 december 2017 gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2017:3262).

De erfgenamen kunnenenkel geschilpunten opwerpen over de eindrekening en verantwoording en niet over de respectievelijke jaren daarvoor, ook al was daarover nog geen rekening en verantwoording afgelegd. Over die jaren wordt aan de rechthebbende, ten overstaan van de kantonrechter, rekening en verantwoording afgelegd.

Rekening-courant

Verder voert de bewindvoerder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de bedragen waarmee de rekening-courant schuld jaarlijks is afgelost dermate verschillend zijn dat het op de weg van de bewindvoerder had gelegen om van jaar tot jaar inzichtelijk te maken op welke wijze de rekening-courantschuld verminderde.

De bewindvoerder heeft in hoger beroep de rekening-courantoverzichten opnieuw overgelegd en wijst erop dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de overzichten die hij in eerste aanleg heeft overgelegd. De bewindvoerder stelt dat hij het verloop van de rekening-courant voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Daarbij wijst hij erop dat de jaarrekeningen door een accountantskantoor zijn opgemaakt welk kantoor bepaalde wat wel/niet werd geboekt in rekening-courant.

Belastingen

Volgens de bewindvoerder heeft hij de door hem ten laste van het vermogen van de rechthebbende te betalen belastingen voldoende inzichtelijk gemaakt, althans hij heeft thans in hoger beroep voldoende inzicht gegeven in de belastingen.

De belastingaanslagen werden conform aangifte opgelegd of met marginale afwijkingen. De totale aanslag was meestal wat hoger als gevolg van de door de belastingdienst in rekening gebrachte heffingsrente. Dit alles maakt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de verschuldigde belastingen in verhouding tot de inkomsten dermate hoog zijn dat nadere uitleg en onderbouwing nodig is en niet blijkt hoe de post “belastingen” is becijferd.

Aflossing schulden

Wat betreft de aflossing van de schulden onderkent de bewindvoerder dat de bedragen bij de opsomming van de uitgavenpost “ aflossing schulden” (hypotheek en rente) in de rekening en verantwoording over 2014 en 2015 niet klopten. De bewindvoerder heeft dit echter alsnog gecorrigeerd, in verband waarmee hij de betreffende opstellingen nogmaals in het geding brengt. Volgens de bewindvoerder is er thans, in hoger beroep, voldoende inzicht gegeven ten aanzien van de in eerste aanleg door de kantonrechter genoemde afwijkingen.

Levensonderhoud

De bewindvoerder heeft, om kosten te besparen, geen eigen boedelrekening geopend en het feitelijke beheer van de rekeningen van de rechthebbende aan [belanghebbende 2] overgelaten met terugkoppeling naar de bewindvoerder indien zich bijzonderheden voordeden. [belanghebbende 2] heeft ook steeds de conceptrekeningen en verantwoordingen over alle jaren aangereikt, waarbij de bewindvoerder steeds heeft gekeken naar de post levensonderhoud en bij wijze van steekproef naar de jaarlijkse kosten en de inkomsten.

De kosten van het levensonderhoud waren volgens de bewindvoerder geheel in lijn met wat men kan verwachten van iemand in de situatie zoals die van de rechthebbende. Daarnaast wijst de bewindvoerder erop dat [belanghebbende 2] geregeld kosten (zoals boodschappen) in privé voor de rechthebbende betaalde. Deze gang van zaken heeft er aan bijgedragen dat de rekening-courantschuld van de rechthebbende aan de B.V. aanzienlijk kon worden afgebouwd. Verder is er één hypotheek afgelost en werd een andere hypotheek gedeeltelijk afgelost/teruggebracht. De schulden zijn in totaal afgebouwd met een bedrag van afgerond

€ 207.500,-.

Gemiddeld bedroeg het levensonderhoud van de rechthebbende over de jaren 2009 tot en met 2015 € 4.992,61 per jaar. Daarbij is door de bewindvoerder aangegeven waarom de kosten van levensonderhoud in bepaalde jaren een stuk hoger of lager waren dan het gemiddelde. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de post levensonderhoud voor jaren 2010 en 2014 veel hoger is dan in de andere jaren.

Conclusie

Nu de kantonrechter over alle geschilpunten heeft geoordeeld is of kan er volgens de bewindvoerder geen sprake meer zijn van “behandeling van de overige tussen [belanghebbende 1] en de bewindvoerder gerezen geschilpunten”. De bewindvoerder concludeert verder dat de kantonrechter ten onrechte de rekening en verantwoording over de jaren 2009 tot en met [datum] 2016 heeft afgekeurd.

Door hem is (alsnog) een deugdelijke rekening en verantwoording afgelegd, zodat de rekening en verantwoording over die periode alsnog dient te worden goedgekeurd.

3.6.

[belanghebbende 1] heeft in zijn verweerschrift benadrukt dat hij niet op de hoogte was van de wijze waarop de bewindvoerder vanaf 2008 het bewind met betrekking tot de rechthebbende heeft gevoerd. Hij mist elke transparantie in de wijze waarop de rekening en verantwoording is opgesteld en heeft dan ook vragen met betrekking tot achtereenvolgens onder meer het vermogensbeheer, de huurwaarde van het bedrijfspand, de pachtwaarde van de verpachte gronden, de verhouding kostgeld [belanghebbende 2] en de vaste lasten van de woning, de waardering van de aandelen van het bedrijf van vader, de reden waarvan 10% van de aandelen (die van moeder waren) zijn overgedragen aan [belanghebbende 2] ) en de hoogte van de honorering van de bewindvoering. [belanghebbende 1] heeft de grieven van de bewindvoerder gemotiveerd betwist.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid bewindvoerder

3.7.1.

Het hoger beroep dient er mede toe omissies in eerste aanleg begaan, te herstellen. Dat betekent dat de bewindvoerder eventuele omissies in het afleggen van rekening en verantwoording in hoger beroep kan herstellen.

Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van [belanghebbende 1] dat - kort samengevat - de bewindvoerder niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat hij bij de kantonrechter opnieuw rekening en verantwoording had moeten afleggen.

Inhoudelijke beoordeling

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:445 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) legt de bewindvoerder, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de kantonrechter.

Uit de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht (hierna: aanbevelingen meerderjarigenbewind) volgt dat dit betekent dat de rekening en verantwoording door de bewindvoerder en de betrokkene (in dit geval: de rechthebbende) dient te worden ondertekend en vervolgens ingediend dient te worden bij de kantonrechter.

De kantonrechter oefent slechts marginaal toezicht uit. Weigert de betrokkene voor akkoord te tekenen, dan kan dit voor de kantonrechter aanleiding zijn voor nader onderzoek. Is de betrokkene niet in staat om de rekening en verantwoording te begrijpen en te beoordelen, dan stuurt de bewindvoerder de door hem getekende rekening en verantwoording rechtstreeks ter goedkeuring naar de kantonrechter. De kantonrechter controleert dan de rekening zoals die aan hem is voorgelegd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 1:445 BW wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter, indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is.

3.7.3.

Uit artikel 1:445 lid 5 BW jo artikel 1:373 lid 1 BW kan worden afgeleid dat na het overlijden van de rechthebbende rekening en verantwoording aan diens erfgenamen moet worden afgelegd, ten overstaan van de kantonrechter.

3.7.4.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel, anders dan rechtbank, dat de verplichting eindafrekening af te leggen aan de erfgenamen van de rechthebbende enkel ziet op het laatste kalenderjaar tot aan het tijdstip van het overlijden van de rechthebbende. Het hof gaat voorbij aan het standpunt van [belanghebbende 1] dat, nu de bewindvoerder heeft verzuimd over de achtereenvolgende jaren rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende ten overstaan van de kantonrechter en dit in plaats daarvan in één keer heeft gedaan na het overlijden van de rechthebbende, de bewindvoerder de jaarlijkse rekening en verantwoording over de achtereenvolgende jaren ook aan de erfgenamen dient af te leggen. Daartoe overweegt het hof dat de bevoegdheid van de rechthebbende om op grond van artikel 1:445 lid 1 BW jaarlijks rekening en verantwoording van de bewindvoerder te verkrijgen na overlijden van de rechthebbende niet van rechtswege onder algemene titel overgaat op zijn erfgenamen.
Het hof verwijst hierbij naar de conclusie van AG Wesseling-Van Gent (ECLI:NL:PHR:2017:1089), bij het door de Hoge Raad op 22 december 2017 gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2017:3262), waar de AG onder 2.9. opmerkt:
“Uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam 26 april 2011 ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4751) volgt dat de erfgenamen geen aanspraak kunnen maken op een rekening en verantwoording over de gehele periode waarin de bewindvoerder het bewind heeft gevoerd. De in artikel 1:445 BW neergelegde verplichting van de bewindvoerder om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde bewind strekt namelijk alleen tot behartiging van het belang van de betrokkene. Indien betrokkene is overleden, is er geen sprake meer van een rechtens te beschermen belang van de betrokkene. De bevoegdheid van de betrokkene gaat na diens overlijden niet van rechtswege over op diens erfgenamen onder algemene titel. Op grond van het bepaalde in artikel 1:445, vierde lid, jo artikel 1:373, eerste lid, BW dient de bewindvoerder rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bewind aan de erfgenamen. Gelet evenwel op het feit dat in artikel 1:445, eerste lid, BW reeds een jaarlijkse verantwoordingsplicht van de bewindvoerder jegens de betrokkene is opgenomen, moet deze verplichting worden geacht uitsluitend betrekking te hebben op de eindafrekening, en te bestaan in het afleggen van rekening en verantwoording over het laatste kalenderjaar tot aan het tijdstip in dat jaar waarop de betrokkene is overleden.”

Dat de bewindvoerder niet jaarlijks rekening en verantwoording heeft afgelegd ten overstaan van, dan wel aan de kantonrechter, kan aan het voorgaande niet afdoen. Voor zover de erfgenamen menen dat zij door de handelwijze van de bewindvoerder, in hun eigen vermogensrechtelijke belangen zijn geschaad en de bewindvoerder aansprakelijk is voor de door hen geleden schade, dienen zij de weg van de civielrechtelijke (dagvaardings)procedure te volgen.

3.7.5.

Wel dient het hof te beoordelen of, anders dan [belanghebbende 1] voorstaat, er aan de bewindvoerder alsnog goedkeuring dient te worden verleend voor de door hem opgestelde (eind)rekening en verantwoording over de periode 1 januari 2009 tot en met de overlijdensdatum van de rechthebbende, [datum] 2016. De kantonrechter, en dit geval het hof, oefent slechts marginaal toezicht uit, maar heeft in het kader van dat marginale toezicht daarmee zicht op de wijze, waarop door de jaren heen de bewindvoerder, met of zonder jaarlijkse rekening en verantwoording, zich per saldo van zijn taak heeft gekweten.

3.7.6.

Uit het beroepschrift en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de bewindvoerder na zijn benoeming op 4 maart 2008 tot bewindvoerder op 19 mei 2008 een aanvangsboedelbeschrijving heeft opgemaakt.

Nadien heeft hij geen jaarlijkse rekening en verantwoording meer afgelegd ten overstaan van dan wel aan de kantonrechter. Hij erkent dat hij dit wel had moeten doen en heeft daarvoor zijn verontschuldigingen aangeboden.

In hoger beroep heeft de bewindvoerder alle informatie die hij reeds in eerste aanleg bij de kantonrechter, gefaseerd, had aangeleverd per jaar gebundeld en overgelegd. Tevens heeft hij de rekeningen en verantwoordingen die naar aanleiding van de vragen van de kantonrechter in eerste aanleg aanpassing behoefden aangepast en vervangen. Per jaar heeft hij verder een overzicht bijgevoegd van de belangrijkste gebeurtenissen uit dat jaar alsook het begin - en eindsaldo van de bankrekeningen, de hypothecaire schulden, de belastingen en rekening-courantschuld.

3.7.7.

Het is duidelijk dat deze gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient. Het hof is dan ook van oordeel dat - zeker - van een professioneel bewindvoerder na 19 mei 2008, zijnde de datum van de aanvangsboedelbeschrijving, meer inspanningen hadden mogen worden verwacht dan enkel zijn feitelijke werkzaamheden inzake het bewind van de rechthebbende te beperken tot het regelen van niet-alledaagse, meer ingewikkelde (financiële) zaken en tot het aanvragen van machtigingen bij de kantonrechter. Feitelijk deed [belanghebbende 2] de dagelijkse administratie van de rechthebbende. [belanghebbende 2] was het ook die, wanneer hij vragen had, contact op nam met de bewindvoerder. De bewindvoerder had naar het oordeel van het hof consequenties moeten verbinden aan het feit dat hij het te druk had in zijn advocatenpraktijk waardoor hij te weinig tijd had om als bewindvoerder zijn taken uit te oefenen door bijvoorbeeld te verzoeken een medebewindvoerder te benoemen.

3.7.8.

Een en ander betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee de thans door de bewindvoerder in hoger beroep overgelegde (eind)rekening en verantwoording niet deugt. De bewindvoerder heeft immers - naar aanleiding van de procedure in eerste aanleg - waar nodig de rekening en verantwoording aangepast dan wel aangevuld en nader onderbouwd.

Dit betrof de onderwerpen: de rekening-courant, de belastingen, de schulden en het levensonderhoud.

In de brief van 9 januari 2020 is de bewindvoerder voorts ingegaan op de door [belanghebbende 1] in zijn verweerschrift gestelde vragen. Ook zijn ter mondelinge behandeling van het hof deze onderwerpen besproken. Naar aanleiding hiervan heeft [belanghebbende 1] niet meer voldoende concreet en gemotiveerd gesteld op welke punten de rekening en verantwoording niet deugt, terwijl ook het hof daar niet meer van is gebleken. Hoewel het hof begrip heeft voor het standpunt van [belanghebbende 1] dat hij in de houding van de bewindvoerder transparantie mist en dat hij zich buiten gesloten voelt en daardoor zijn twijfels blijft houden over bepaalde onderwerpen, staat evenwel vast dat er feitelijk geen geschilpunten meer bestaan.

Het hof is derhalve van oordeel dat er, met inachtneming van de voornoemde marginale toets, in hoger beroep geen geschilpunten bestaan op grond waarvan er thans geen goedkeuring kan worden verleend.

3.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder om hem - in zijn hoedanigheid van voormalig bewindvoerder over de goederen die toebehoorden aan de heer [de rechthebbende] - alsnog goedkeuring te verlenen inzake de door hem opgestelde rekening en verantwoording over de periode 2009 tot en met [datum] 2016, toewijzen.

3.9.

Het feit dat [belanghebbende 1] zich niet voldoende geïnformeerd acht over het meerderjarigenbewind is gelet op het feit dat hij aanvankelijk ook in het familiebedrijf werkzaam was begrijpelijk. Duidelijk is echter dat hij op een bepaald moment (medio mei 2009) geen werknemer meer was van het bedrijf en dat zijn arbeidsovereenkomst is ontbonden. De enkele toezegging bij de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst door de bewindvoerder om [belanghebbende 1] op de hoogte te houden over het reilen en zeilen van het bedrijf, maakt rechtens nog niet dat de bewindvoerder aan [belanghebbende 1] rekening en verantwoording diende af te leggen. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder rov. 3.7.2. is opgenomen.

Dat, naar [belanghebbende 1] ook nog heeft gesteld, [belanghebbende 2] door de bewindvoerder is bevoordeeld, hetgeen door de bewindvoerder gemotiveerd is betwist en overigens ook niet nader door [belanghebbende 1] is onderbouwd, maakt het oordeel van het hof evenmin anders. Het hof verwijst tevens naar hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 3.7.4. laatste alinea.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

21 december 2018;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

keurt alsnog de door de bewindvoerder afgelegde rekening en verantwoording - in het meerderjarigenbewind van wijlen [de rechthebbende] , geboren op

[geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] - over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2015 tot en met [datum] 2016 goed;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.N.M. Antens, J.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.