Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1334

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
20-001005-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht begaan als pleger, functioneel dader, medepleger en door een rechtspersoon waaraan feitelijk leiding is gegeven. Verhoudingen tussen de tenlastegelegde daderschapsconstructies en de bepaling door de strafrechter. Aansprakelijkheid en opzet rechtspersoon en aansprakelijkheid feitelijk leidinggever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001005-15

Uitspraak : 13 februari 2020

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige economische kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-995008-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, te weten medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, meermalen gepleegd en/of medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van het subsidiair ten laste gelegde, te weten feitelijke leiding geven aan het door de rechtspersoon medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, meermalen gepleegd en/of feitelijke leiding geven aan het door de rechtspersoon medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, opnieuw rechtdoende de verdachte zal vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde, het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 1.250,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Van de zijde van de verdachte is primair vrijspraak bepleit, is subsidiair een verweer ten aanzien van de opgelegde straf gevoerd en is uiterst subsidiair verzocht om in geval van een veroordeling toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof, anders dan de rechtbank en op de gronden als hierna uiteengezet, wel tot een bewezenverklaring komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans een maal, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant d.d. 9 november 2006, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd te [adres 2] , immers werd toen daar telkens, in strijd met voorschrift 4.1.10, overtollig water uit de bassins geloosd op de wasplaats en niet in een gesloten tankwagen overeenkomstig de wettelijke voorschriften afgevoerd naar een erkend verwerker

en/of

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting en/of het na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit lozen van afvalwater op de wasplaats;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] , althans een rechtspersoon, in of omstreeks de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans een maal, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant d.d. 9 november 2006, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd te [adres 2] , immers werd toen daar telkens, in strijd met voorschrift 4.1.10, overtollig water uit de bassins geloosd op de wasplaats en niet in een gesloten tankwagen overeenkomstig de wettelijke voorschriften afgevoerd naar een erkend verwerker, hebbende hij opdracht gegeven tot dat/die feit(en) en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en)

en/of

[medeverdachte 1] , althans een rechtspersoon, in of omstreeks de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting en/of het na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit lozen van afvalwater op de wasplaats, hebbende hij opdracht gegeven tot dat/die feit(en) en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte als pleger kan worden aangemerkt van het primair ten laste gelegde. Het hof heeft acht geslagen op de feitelijke gang van zaken en stelt vast dat de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht bij de lozingen van afvalwater op de wasplaats en derhalve niet als pleger van het tenlastegelegde kan worden aangemerkt.

Ter zake van het impliciet ten laste gelegde functioneel plegen en het expliciet ten laste gelegde medeplegen stelt het hof met het oog op de hierna volgende bewezenverklaring het volgende. Het hof is zich bewust van de omstandigheid dat in de doctrine de strafrechtelijke aansprakelijkheidsconstructies zoals functioneel plegen en medeplegen, maar ook feitelijk leidinggeven, onder omstandigheden elkaar deels kunnen overlappen en onderlinge verschillen in de mogelijke bewezenverklaring van de grondslag voor strafrechtelijke aansprakelijkheid minimaal kunnen zijn. Zo ook in het onderhavige geval. De verdachte kan naar het oordeel van het hof aangesproken worden voor zowel het functioneel plegen, dan wel het medeplegen van het ten laste gelegde, dan wel voor het feitelijk leiding geven aan het ten laste gelegde handelen van [medeverdachte 1] Voor de uiteindelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid in dezen maakt die keuze naar het oordeel van het hof geen verschil. Daardoor ontstaan meerdere mogelijkheden ter zake de mogelijke bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan. In dat geval is het aan de strafrechter een keuze te maken, mits die keuze op de grondslag van de tenlastelegging plaatsvindt en van geen strafrechtelijke betekenis is voor het bewezen verklaarde of de kwalificatie van het tenlastegelegde (vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227). Het hof acht – rekening houdend met de immanente grenzen aan de gemaakte keuze – in de onderhavige zaak de keuze voor bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, zijnde het feitelijk leidinggeven aan de betreffende delicten, in de context van het ter discussie staande handelen – welke binnen het kader van het handelen van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden – het meest passend.

De verdachte wordt dan ook van het primair tenlastegelegde integraal vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte 1] in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meermalen heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant d.d. 9 november 2006, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het veranderen van de werking van een inrichting, gevestigd te [adres 2] , immers werd toen daar telkens, in strijd met voorschrift 4.1.10, overtollig water uit de bassins geloosd op de wasplaats en niet in een gesloten tankwagen overeenkomstig de wettelijke voorschriften afgevoerd naar een erkend verwerker, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging

en

[medeverdachte 1] in de periode van 18 februari 2013 tot en met 24 september 2013, in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat bestond uit het veranderen van de werking van een inrichting, zijnde genoemde inrichting een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderde werking uit lozen van afvalwater op de wasplaats, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1 en bewijsoverwegingen

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

1 Algemeen

[medeverdachte 1] [thans genaamd: [medeverdachte 1] , verder in dit arrest steeds aangeduid als [medeverdachte 1] of kortweg als [medeverdachte 1] ], gelegen aan de [adres 2] , gemeente [gemeente] is een inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden.

Gelet op de aard en werkzaamheden van het bedrijf is [medeverdachte 1] . een inrichting als bedoeld in de artikelen 1.1 van de Wet milieubeheer en 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en is zij vergunningplichtig.

[medeverdachte 1] is een inrichting type C, zoals bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer [kortweg: Activiteitenbesluit milieubeheer, ook wel afgekort als Abm en hierna als zodanig aangeduid)] en in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

1.1.

De vergunningen; inleidende overwegingen

Voor de onderhavige zaak zijn de navolgende (aanvragen voor) vergunningen van belang:

 de revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer d.d. 9 november 2006 (dossier, pagina 623 e.v.), hierna te noemen: de revisievergunning;

 de veranderingsvergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) d.d. 18 december 2012 (dossier, pagina 726 e.v.), hierna te noemen: de veranderingsvergunning.

Het hof stelt voorop dat, op grond van art. 1.2 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer, voor zover niet gewijzigd in de veranderingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit als bedoeld in de Wabo.

Waar het hof hierna spreekt van een vergunning wordt bedoeld de revisievergunning dan wel, na het van kracht worden van de veranderingsvergunning, de revisievergunning zoals gewijzigd bij de veranderingsvergunning.

Het hof overweegt verder het navolgende.

Uit het wettelijk systeem, waarbij overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wabo op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld worden, volgt dat het verboden is om zonder vergunning of ontheffing of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften bepaalde handelingen of bepaalde activiteiten te verrichten, dan wel de inrichting of werking van de inrichting te veranderen. Er is hierbij sprake van een getrapte of gelede normstelling. De vragen welke activiteiten of welke handelingen verboden zijn en wanneer sprake is van een verboden wijziging van (de werking van) de inrichting dienen te worden beantwoord aan de hand van de omschrijving van de vergunde activiteiten in de verleende vergunning of ontheffing. Die beantwoording dient te geschieden in samenhang met de voorschriften die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden. In de vergunning dient het bevoegd gezag daarbij zo duidelijk mogelijk aan te geven voor welke vergunningplichtige activiteiten de vergunning is verleend.

Vergunningplichtige activiteiten die niet op de wijze als voorzien in de vergunning zelf of niet op de wijze zoals omschreven in de aanvraag (voor zover daaraan is gerefereerd in de vergunning) zijn vergund, dienen als niet-vergund dan wel als wijziging van de inrichting of de werking van de inrichting te worden beschouwd.

2 Ten aanzien van het ten laste gelegde

2.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte niet voor feitelijk leidinggeven kan worden veroordeeld, omdat:

  1. er een verweer strekkende tot vrijspraak is gevoerd in de strafzaak tegen de rechtspersoon. Indien dit verweer wordt gehonoreerd, komt het hof niet toe aan de vraag of de verdachte als feitelijk leidinggever heeft gefungeerd;

  2. ook als de rechtspersoon wel wordt veroordeeld, verdachte geen enkele feitelijke betrokkenheid had bij het lozen van afvalwater. De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende omdat er geen sprake was van een verboden gedraging die het gevolg is van een door hem gevoerd beleid; de verdachte heeft nimmer opdracht gegeven tot het lozen van water. Daarbij komt dat de verdachte vanuit zijn functie binnen het bedrijf niet bevoegd was om het beleid te bepalen. Aan de vereisten om te worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende is dan ook niet voldaan.

2.2.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte als planner een centrale rol had binnen het bedrijf. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte hem de opdracht had gegeven om het water uit de bassins voor de opslag van afvalwater te pompen. De verdachte had volgens [medeverdachte 2] de dagelijkse leiding. De verdachte wist wat er binnen de inrichting gebeurde en hij behoorde dat ook te weten. Dat is voldoende om hem te kwalificeren als opdrachtgever of feitelijke leidinggevende. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

2.3.

Overwegingen van het hof

Aan de verdachte is subsidiair, kort gezegd, het opdracht geven tot dan wel het feitelijke leiding geven aan het door [medeverdachte 1] medeplegen van het overtreden van een aan de vergunning verbonden voorschrift en het veranderen van de (werking van de) inrichting zonder vergunning ten laste gelegd. Ten tijde van het ten laste gelegde was de Wabo de vigerende wetgeving met betrekking tot de omgevingsvergunning.

Gelet op de aard en werkzaamheden van het bedrijf was [medeverdachte 1] een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wabo en was zij vergunningplichtig. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e en onder 2°, van de Wabo is het voor het bedrijf verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen van een inrichting of de werking daarvan. Op grond van artikel 2.3 is het verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e.

Naar aanleiding van aanvragen van [medeverdachte 1] . heeft het bevoegd gezag

vergunningen afgegeven. De in de ten laste gelegde periode voor [medeverdachte 1] vigerende vergunningen betreffen de revisievergunning van 9 november 2006 op basis van de Wm en de veranderingsvergunning van 18 december 2012 op basis van de Wabo.

Zoals het hof hiervoor onder 1.1. heeft overwogen, dienen vergunningplichtige activiteiten die niet op de wijze als voorzien in de vergunning en bij die vergunning behorende voorschriften of zoals omschreven in de aanvraag (voor zover daaraan is gerefereerd in de vergunning) zijn vergund, als niet-vergund dan wel als wijziging van de inrichting of de werking van de inrichting te worden beschouwd.

Alvorens de vraag kan worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opdracht geven tot of feitelijke leiding geven aan het ten laste gelegde, dient eerst te worden vastgesteld of [medeverdachte 1] . het ten laste gelegde heeft begaan.

2.4.

Overwegingen ten aanzien van de feiten

Op 18 februari 2013 hebben opsporingsambtenaren in dienst van Waterschap de Dommel een milieuvlucht uitgevoerd boven het bedrijf van [medeverdachte 1] , gelegen aan de [adres 2] . De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij, bij het bekijken van de luchtfoto, zagen dat op de wasplaats een trekker met daaraan gekoppeld een gierton stond. Zij zagen achter deze gierton een nat spoor richting de put van de wasplaats. Aan de voor- en de zijkant van de trekker met gierton was de wasplaats droog.

Op 5 maart is opnieuw een milieuvlucht uitgevoerd boven het bedrijf. Van de aangetroffen situatie zijn weer foto's gemaakt. De verbalisanten zagen dat de trekker met aangekoppelde gierton op de wasplaats stond, dat uit de gierton vloeistof richting de put van de wasplaats stroomde en dat de wasplaats naast en voor de trekker droog was.2

Bij een milieuvlucht op 22 maart 2013 hebben verbalisanten gezien dat op het terrein een tractor met aangekoppelde gierton stond, dat een persoon, die kennelijk de bestuurder van de tractor was, met een slang die gekoppeld was aan de gierton kennelijk een plas terreinwater opzoog, daarna naar de wasplaats reed en aan de achterkant van de gierton een schuif of kraan openzette, waarna water uit de gierton op de wasplaats en in de slibvangput stroomde.3

Op 17 april 2013 zijn op het perceel van [medeverdachte 1] technische hulpmiddelen geplaatst. Daarbij ging het om een camera met zicht op een gedeelte van de bassins aan de achterzijde van het perceel, een camera met zicht op de wasplaats en een baken op de tractor met dubbelassige tankwagen. Uit de camerabeelden van de wasplaats is gebleken dat in de periode van 30 mei tot en met 8 juli 2013 minimaal 145 keer een vloeistof werd geloosd op de wasplaats. In de periode van 26 juni 2013 tot en met 5 juli 2013 zijn er zowel camerabeelden van de bassins voor opslag van afvalwater, camerabeelden van de wasplaats en bakengegevens beschikbaar. In deze periode zijn in totaal 54 lozingen op de wasplaats waargenomen. Op één geval na kwamen de vastgestelde tijden van begin lozingen op de camerabeelden overeen met de tijden van aankomst wasplaats volgens de bakengegevens. Bij 48 van de 54 lozingen werd het baken, voordat dit werd waargenomen ter plaatse van de wasplaats, waargenomen op een locatie bij de bassins op de achterzijde van het terrein. Op één geval na kwamen de aankomsttijden volgens de bakengegevens overeen met de beelden op de camera. Bij zes waargenomen lozingen op de wasplaats is het baken in de periode daarvoor niet waargenomen bij de bassins. Uit de bakengegevens blijkt dat in vijf gevallen het baken zich voorafgaande aan de lozing tegenover de puinbreker, naast een depot met geel zand en in één geval nabij de puinbreker bevond, voordat het baken zich naar de wasplaats verplaatste.4

Bij de lozingen in de periode van 5 juni 2013 tot en met 8 juli 2013 werd gezien dat de vloeistof soms anders van kleur was; de ene keer ging het om een waterkleurige vloeistof en de andere keer om een vloeistof die bruin van kleur was. Daarnaast werd gezien dat alle lozingen van de 2-asser door dezelfde chauffeur zijn uitgevoerd.5

In de periode van 9 juli 2013 tot en met 17 juli 2013 werden 31 lozingen op de wasplaats geregistreerd6 en in de periode van 14 augustus 2013 tot en met 26 augustus 2013 werden op de camerabeelden van de wasplaats 27 lozingen waargenomen.7 Daarbij werd tevens verschillende malen – op 15, 17, 19, 20, 23 en 26 augustus 2013 – gezien dat een persoon de hendel van de gierton bewoog, waarna er vloeistof uit de gierton stroomde of het volume van de uitloop van vloeistof toenam. De persoon loopt daarna weg.8

Op 8 augustus 2013 hebben verbalisanten omstreeks 10.30 en 11.40 uur een milieuvlucht uitgevoerd. Omstreeks 10.35 uur zagen zij een groene trekker met aangekoppelde gele gierton op de wasplaats staan. Zij zagen uit deze gierton lichtbruine vloeistof richting de put van de wasplaats stromen. De wasplaats was naast de trekker droog. Omstreeks 11.42 uur zagen zij een groene trekker met aangekoppelde gele gierton staan naast een bassin, dat achter op het terrein gelegen is. Zij zagen dat aan de gierton een slang gekoppeld was, die weer gekoppeld was aan een buizenstelsel dat in het bassin met bruine vloeistof hing. Kennelijk werd hier vloeistof ingenomen. Omstreeks 11.48 uur zagen zij dat de trekker met gierton wegreed. Omstreeks 11.56 uur zagen zij dat de trekker met gierton achteruit de wasplaats opreed en omstreeks 11.57 uur zagen zij dat uit de gierton lichtbruine vloeistof richting de put van de wasplaats stroomde.9

Op 24 september 2013 omstreeks 08.57 uur werd één lozing op de wasplaats waargenomen.10 Daarop is verbalisant [verbalisant 1] samen met zijn collega [verbalisant 2] naar de locatie [adres 2] gegaan. Omstreeks 08.58 uur arriveerden zij op de wasplaats, waar zij een groene tractor met een aangekoppelde gele dubbelassige giertank zagen staan. De achterzijde van de giertank stond in de richting van de afvoerput van de wasplaats. Uit de meest linkse uitmonding stroomde een behoorlijke hoeveelheid vloeistof. Ter plaatse werd een man, die zich bekend maakte als [medeverdachte 2] en die volgens informatie de bestuurder van de tractor zou zijn geweest, aangehouden.11

Verbalisant [verbalisant 3] heeft op 17 december 2013 Amice, het geautomatiseerde systeem van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, waarin alle meldingen van afvalstoffen worden vastgelegd geraadpleegd. Bevraagd werden meldingen van afvalstoffen in de periode van 1 februari 2013 tot en met 30 september 2013 met als ontdoeners [medeverdachte 1] , [adres 2] , [medeverdachte 1] , [adres 2] , [medeverdachte 1] , [adres 2] , [medeverdachte 1] , [adres 2] , [medeverdachte 1] ., [adres 2] . Gebleken is dat in die periode geen afvalwater werd afgegeven.12

De verdachte [medeverdachte 2] is meerdere malen door de politie verhoord. Hij heeft daarbij – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Hij is sinds 4 oktober 2010 werkzaam bij [medeverdachte 1] en voert daar verschillende werkzaamheden uit, zoals schoonmaken en andere werkzaamheden die hij krijgt opgedragen van de leiding. Hij krijgt een kaart met opdrachten en moet zorgen dat het terrein schoon blijft. De voorman, [verdachte] , heeft de dagelijkse leiding. Het werk van de verdachte [medeverdachte 2] bestaat uit het stofvrij houden en schoonhouden van de locatie. Als het regent, wordt het water met een pomp afgevoerd naar een bassin. Vanuit daar pompt hij het water in de tank en rijdt het uit over het terrein. Hij zuigt wel eens water op dat in plassen op het terrein aanwezig is.13 De verdachte [medeverdachte 2] heeft zichzelf herkend als de man op de foto's die de verbalisanten hem hebben getoond. Op de vraag wat daar gebeurde, heeft de verdachte [medeverdachte 2] geantwoord dat water wordt gelekt en dat de tank soms veel lekt, soms minder. Hij heeft verder verklaard dat hij wel eens water uit de reservoirs [het hof begrijpt: bassins voor de opslag van afvalwater] heeft gepompt, dat hij denkt dat dit vaak is gebeurd en dat hij de opdracht heeft gekregen van zijn leidinggevende [verdachte] , die alle opdrachten geeft en zijn meerdere is.14 De foto's die aan de verdachte [medeverdachte 2] zijn getoond, zijn als bijlagen bij het proces-verbaal van verhoor opgenomen. Op deze foto's, die op verschillende dagen en tijdstippen zijn genomen, is een man te zien die aan de achterzijde van een tankwagen of gierton staat, terwijl uit een punt onder die tankwagen of gierton water stroomt.

De verhorende verbalisanten hebben de verdachte [medeverdachte 2] voorgehouden dat zij beelden hebben, waarop te zien is dat de watertank op de wasplaats wordt gezet, dat de verdachte naar de watertank loopt en deze openzet. De verdachte [medeverdachte 2] heeft daarop verklaard dat hij zijn tractor daar zet als hij klaar is met zijn werk of als hij iets anders moet gaan doen op het terrein. Hij doet dit werk al 1,5 tot 2 jaar. Hij weet niet hoe lang hij al de handeling uitvoert waarbij hij de watertank daadwerkelijk open zet op de wasplaats.15

De verdachte [verdachte] is eveneens enkele malen verhoord door de politie. Hij heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte 2] [het hof begrijpt: de verdachte [medeverdachte 2] ] niet was opgedragen de tractor met watertank, een oude giertank, op de wasplaats te parkeren. [medeverdachte 2] heeft hem daar in de loop van de tijd geplaatst. De verdachte [verdachte] heeft dat gezien en goed gevonden. Hij vond dat de tractor met watertank daar beter stond dan voor de werkplaats, omdat er in die situatie geen ruimte meer was voor de bewegingen met het materieel en de watertank anders water lekte op het wegdek. Het stallen van de tractor met de watertank vond plaats tijdens de schaft, lunch en 's avonds, aan het einde van de werkdag.

De verdachte [verdachte] is bij [medeverdachte 1] werkzaam als planner. Hij verdeelt de werkzaamheden op detailniveau onder alle personeelsleden. De taak van [medeverdachte 2] is stofbestrijding. Dat staat standaard op de dagwerkstaten. [medeverdachte 2] kreeg in het begin zijn werkinstructies van de verdachte [verdachte] , maar omdat er niets aan de werkzaamheden veranderde, werkt [medeverdachte 2] sindsdien naar eigen inzicht.

De verhorende verbalisanten hebben de verdachte [verdachte] voorgehouden dat er luchtfoto's zijn, waarop te zien is dat de watertank met de ketsplaat openstaat op de wasplaats, waarbij het water breedwerpig wordt uitgeworpen. De verdachte [verdachte] heeft daarop verklaard dat hij zelf ook wel eens heeft gezien dat de ketsplaat openstond en dat er breedwerpig water werd geloosd. Dat was ook op de wasplaats. Hij heeft niet ingegrepen.16 Wat op de luchtfoto's te zien is, is geen lekken meer, aldus de verdachte [verdachte] .17

Op 24 september 2013 heeft de verdachte [medeverdachte 3] bij de politie – voor zover thans relevant – het volgende verklaard. De verdachte [medeverdachte 3] is werkzaam als bedrijfsleider bij [medeverdachte 1] . Hij is als operationeel manager verantwoordelijk voor de totale bedrijfsvoering. De staf van het bedrijf bestaat uit de werfcoördinator, de planner [de verdachte [verdachte] ; hof], de chef werkplaats, de projectleider wegenbouw, twee uitvoerders en het hoofd administratie. De verdachte [medeverdachte 3] is niet belast met de directe dagelijkse aansturing; dat doen de mensen van de staf. Binnen de inrichting van [medeverdachte 1] zijn er verschillende afvalwatersoorten, te weten hemelwater en percolaatwater. Bij het bedrijf wordt afvalwater hergebruikt. Het percolaatwater wordt teruggebracht in het composteringsproces en het hemelwater wordt gebruikt voor stofbestrijding op het terrein. De verdachte [medeverdachte 3] regelt de zaken betreffende vergunningen. Hij heeft met [medeverdachte 2] , met de planner [de verdachte [verdachte] ; hof] en de werfcoördinator besproken op welke locaties conform de omgevingsvergunning hemelwater/terreinwater en percolaatwater mag worden toegepast.18

2.5.

Daderschap van de rechtspersoon

Blijkens de wetsgeschiedenis en bestendige jurisprudentie kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

 het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

 de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

 de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

 de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Daarbij dient te worden opgemerkt dat het hiervoor overwogene slechts betrekking heeft op de vraag of de rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van de hem tenlastegelegde gedraging, dus ongeacht of het een overtreding dan wel een misdrijf betreft. Immers, de beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft, dient zelfstandig plaats te vinden (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5. en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2.).

Voor de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] het

ten laste gelegde heeft begaan, wordt uitgegaan van de navolgende feiten en omstandigheden.

Een medewerker van het bedrijf, [medeverdachte 2] , heeft op verschillende dagen en tijdstippen in de bewezen verklaarde periode een door hem bestuurde tractor/trekker met gierton achteruit op de wasplaats geparkeerd. Vervolgens heeft hij de klep onder aan de gierton geopend, waarna de inhoud van de gierton in de afvoerput op de wasplaats, die bedoeld is voor het wassen van motorvoertuigen of onderdelen daarvan, is gestroomd. Dit volgt uit de bevindingen naar aanleiding van verschillende milieuvluchten die boven het terrein van de inrichting zijn uitgevoerd en uit camerabeelden die van de wasplaats zijn gemaakt.

Voor wat betreft de herkomst van het water in de gierton is, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, komen vast te staan dat het water afkomstig was uit de bassins voor de opslag van afvalwater, dan wel van het terrein.

Uit de verklaringen van de verdachte M. [medeverdachte 2] , zoals hiervoor weergegeven, leidt het hof af dat hij zijn opdrachten kreeg van de verdachte [verdachte] , die als planner binnen het bedrijf zijn leidinggevende was. Uit de verklaringen van de verdachte [verdachte] , zoals hiervoor weergegeven, leidt het hof af dat [verdachte] op de hoogte was van de lozingen op de wasplaats en dat hij niet heeft ingegrepen. [verdachte] maakte deel uit van de staf van [medeverdachte 1] en was op de hoogte van de vergunde mogelijkheden van de verwerking van afvalwater-stromen, zo blijkt uit de verklaring van de verdachte [medeverdachte 3] .

Naar het oordeel van het hof kan de gedraging van [medeverdachte 2] , waardoor de (werking van de) inrichting werd veranderd, aan [medeverdachte 1] worden toegerekend. [medeverdachte 2] was als medewerker in dienst bij [medeverdachte 1] In de ten laste gelegde periode was hij werkzaam ten behoeve van de rechtspersoon: hij had onder meer de opdracht om het terrein te bevochtigen in het kader van stofbestrijding. Daarvoor werd afvalwater gebruikt. [medeverdachte 2] heeft op verschillende dagen en tijdstippen afvalwater uit de gierton geloosd boven de afvoerput van de wasplaats. Dit kwam vaker voor en een leidinggevende binnen het bedrijf, [verdachte] , was daarvan op de hoogte en heeft niet ingegrepen.

Gelet op deze gang van zaken binnen het bedrijf vermocht [medeverdachte 1] erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en werd zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door [medeverdachte 1] aanvaard of placht te worden aanvaard. Dat niet alle leidinggevenden op de hoogte zijn geweest van de lozingen van afvalwater op de wasplaats, staat niet in de weg aan toerekening van de gedraging aan [medeverdachte 1] : de gedraging vond structureel plaats en was, zoals gezegd, binnen het bedrijf niet ongebruikelijk en aanvaard. In ieder geval heeft het aan adequaat toezicht en controle door [medeverdachte 1] ontbroken en is niet ingegrepen ter zake van de lozingen van afvalwater op de wasplaats. [medeverdachte 1] heeft derhalve niet die zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [medeverdachte 1] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van een individu of individuen dat tegen de regels en werkopdrachten ingaat. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] zelf het klimaat heeft gecreëerd waarin de onderhavige gedragingen hebben kunnen plaatsvinden, door niet in te grijpen bij de lozingen van afvalwater op de wasplaats, terwijl een leidinggevende binnen het bedrijf daarvan wel op de hoogte was. Het verwijzen naar binnen het bedrijf geldende regels disculpeert [medeverdachte 1] dan ook niet.

2.6.

Opzet bij de rechtspersoon?

Voor de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en opzettelijk zonder vergunning de (werking van de) inrichting heeft veranderd door het lozen van afvalwater op de wasplaats, overweegt het hof het volgende.

Zoals reeds eerder aangegeven vormt naast het daderschap van de rechtspersoon de beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld – en waarop deze bestanddelen betrekking hebben – een zelfstandige afweging. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.5. en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.2.).

Gebleken is dat door [medeverdachte 1] een aanvraag voor een vergunning is ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het bevoegd gezag de gevraagde vergunning verleend. In de vergunning is een beschrijving opgenomen van de inrichting, van de werkzaamheden en van de verschillende afvalwaterstromen. De inzet, bestemming en verwerking van de verschillende afvalwaterstromen zijn in de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften nader uitgewerkt.

Het hof stelt vast dat het de verdachte op grond van de vergunning niet is toegestaan water, anders dan water dat vrijkomt bij het wassen van motorvoertuigen of onderdelen daarvan, te lozen op de wasplaats.

[medeverdachte 1] is een professionele marktdeelnemer, waarvan verwacht mag worden dat haar leiding op adequate wijze op de hoogte is van wat is vergund en er voor zorg draagt dat binnen het bedrijf ook wordt gehandeld binnen wat is vergund. Kennis dragende van de inhoud van de vergunning, waarin duidelijk is beschreven welke bestemming de verschillende afvalwaterstromen krijgen, kan het niet anders zijn dan dat de leiding van [medeverdachte 1] – waartoe het hof ook de verdachte [verdachte] rekent – ervan op de hoogte moet zijn geweest dat het zich ontdoen van afvalwater niet mocht plaatsvinden op een andere wijze dan was vergund. [medeverdachte 3] heeft dienaangaande ook verklaard dat met onder andere [verdachte] was besproken wat de vergunde mogelijkheden waren van de verwerking van afvalwaterstromen binnen het bedrijf. Daarbij valt uit de inhoud van de vergunning in redelijkheid niet af te leiden dat het lozen van afvalwater, afkomstig uit de bassins voor opslag afvalwater, dan wel terreinwater op de wasplaats wel vergund zou zijn.

Bovendien wijst het hof ter zake van het aanwezige opzet bij [medeverdachte 1] op de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het delict – het meermalen in een periode van ruim 7 maanden lozen van afvalwater op een wasplaats van het bedrijf – plaatsvond. Hieruit volgt volgens het hof dat het opzet van [medeverdachte 1] ook kan worden afgeleid uit het beleid van het bedrijf, dan wel de feitelijke gang van zaken ter zake van de uitvoering van de verwerking afvalwaterstromen binnen het bedrijf ten tijde van het tenlastegelegde handelen.

Het hof is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als medepleger van de onderhavige feiten, nu gezien het voorgaande een werknemer, meer bepaald verdachte [verdachte] als lid van de staf en leidinggevende binnen het bedrijf, in nauwe en bewuste samenwerking met verdachte niet is opgetreden tegen de illegale lozingen – welke feitelijk werden begaan door een werknemer van het bedrijf [medeverdachte 2] ) – en dit feit aan het bedrijf redelijkerwijze kan worden toegerekend (vgl. HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619, rov. 4.6.). [medeverdachte 1] heeft tevens tezamen en in vereniging met een ander, zijnde verdachte [verdachte] , opzettelijk gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, en – in het daarvoor in aanmerking komende geval – opzettelijk zonder vergunning de (werking van de) inrichting veranderd, omdat met medeweten van [verdachte] het lozen van afvalwater op de wasplaats plaatsvond zonder dat hij ingreep, terwijl [verdachte] hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen (lozen in strijd met de vergunningsvoorschriften dan wel zonder vergunning de werking van de inrichting veranderen) achterwege heeft gelaten en blijkens de verklaring van [medeverdachte 3] op de hoogte was van de geldende vergunningsvoorwaarden

Het hof acht op grond van het voorgaande dan ook bewezen dat [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en het veranderen van de (werking van de) inrichting, meermalen gepleegd.

2.7.

Feitelijke leiding geven door de verdachte?

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat de verdachte opdracht heeft geven tot, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van [medeverdachte 1] zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van artikel 51 lid 2 Sr kan indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

1° tegen die rechtspersoon, dan wel

2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel

3° tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.

Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het opdracht geven tot of feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, eerst dient te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging opdracht of feitelijke leiding heeft gegeven. Het hof heeft in het voorgaande onder 2.5 en 2.6 reeds aangegeven dat op grond van redengevende feiten en omstandigheden de verdachte [medeverdachte 1] het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op het opdracht geven tot dan wel feitelijke leiding geven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon, te weten het lozen van afvalwater op de wasplaats, waardoor opzettelijk en meermalen in strijd werd gehandeld met voorschrift 4.1.10 van de omgevingsvergunning en de (werking van de) inrichting werd veranderd.

Uit het onderzoek zijn volgens het hof geen aanwijzingen verkregen dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot de verboden gedraging. De vraag resteert of de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Volgens bestendige jurisprudentie geldt dat bij de beoordeling van feitelijk leidinggeven moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Feitelijke leidinggeven zal in meer objectieve zin vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Daarbij is niet vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In meer subjectieve zin ligt in feitelijke leidinggeven een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon, rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, i.h.b. r.o. 3.5.1-3.5.3).

Het hof stelt vast dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] lozen van afvalwater op de wasplaats. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, stelt het hof vast dat de verdachte [verdachte] , die als planner binnen het bedrijf werkzaam was, de leidinggevende van [medeverdachte 2] was. [medeverdachte 2] heeft de handelingen feitelijk verricht, maar hij heeft verklaard dat hij de opdracht om water in te nemen bij de bassins voor opslag van afvalwater kreeg van de verdachte [verdachte] . De verdachte gaf hem alle opdrachten, aldus [medeverdachte 2] . Uit de verklaringen van de verdachte zelf leidt het hof af dat hij op de hoogte was van de lozingen op de wasplaats en dat hij niet heeft ingegrepen. [verdachte] maakte deel uit van de staf van [medeverdachte 1] en was op de hoogte was van de geldende vergunningsvoorwaarden, zo blijkt uit de verklaring van de [medeverdachte 3] . Het hof stelt vast dat de verdachte, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van deze gedraging achterwege heeft gelaten en zo ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Gelet daarop wordt de verdachte geacht opzettelijk de verboden gedraging te hebben bevorderd.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

en

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke leiding geven aan het door [medeverdachte 1] . medeplegen van het opzettelijk overtreden van vergunningsvoorschrift 4.1.10 door overtollig water uit de bassins te lozen op de wasplaats en niet in een gesloten tankwagen overeenkomstig de wettelijke voorschriften af te voeren naar een erkend verwerker en het opzettelijk lozen van afvalwater op de wasplaats zonder omgevingsvergunning, waardoor de werking van de inrichting is veranderd. Voorschrift 4.1.10 is specifiek toegepast vanwege de bedrijfssituatie ter plaatse, vanwege de omvang van het terrein en vanwege de aard van de stoffen, namelijk afvalstoffen, die aldaar in opslag zijn. Door te handelen als de verdachte heeft gedaan, zijn de (milieu)normen van het bevoegd gezag ondermijnd.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof bij de op te leggen straf rekening gehouden met het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 december 2019 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Gelet op de ernst en het structurele karakter van het bewezen verklaarde ziet het hof geen ruimte om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals de verdediging uiterst subsidiair heeft bepleit.

Het hof zal aan de verdachte een geldboete opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met de verdediging stelt het hof vast dat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden, nu het hof niet binnen twee jaren, maar ruim vier jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen.

Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof de door de officier van justitie in eerste aanleg gevorderde geldboete van € 1.500,- passend en geboden hebben geacht. Met inachtneming van de termijnoverschrijding zal het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, een geldboete van € 1.250,- opleggen. Bij gebreke van betaling of verhaal staan daar 22 dagen hechtenis tegenover.

Bij het opleggen van de geldboete zal het hof op de voet van artikel 27, derde lid, Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten twee dagen, bij de uitvoering van de op te leggen geldboete daarop geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van vijftig euro per dag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 13 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, team milieu, onderzoeknaam Duikerwants, onderzoeknummer 22DMR13003, proces-verbaalnummer PL2200-2013037779, sluitingsdatum 28 februari 2014, pg. 1 tot en met 946. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2013 (pg. 154), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2013, (pg. 171), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5] .

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2013 (pg. 376-378), met bijlage, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2013 (pg. 280-288), met bijlagen (specifiek pg. 284 en 285), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] .

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2013 (pg. 289-291), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] .

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2013 (pg. 334-336), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] .

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2013 (pg. 334-336), met bijlagen (pg. 337-366), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] .

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2013 (pg. 196), met bijlagen, in het bijzonder luchtfoto 5 (pg. 203), luchtfoto 7 (pg. 204) en luchtfoto 10 (pg. 205), 11 en 12 (pg. 206), voor zover inhoudende het relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2013 (pg. 334-336), met bijlagen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] .

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2013 (pg. 434-436), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .

12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 december 2013 (pg. 219), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] .

13 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 24 september 2013 (pg. 850-851), inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] .

14 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 september 2013 (pg. 855-856), met bijlagen, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] .

15 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 september 2013 (pg. 883), inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] .

16 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 september 2013 (pg. 895-896), inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] .

17 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 september 2013 (pg. 899), met bijlagen, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] .

18 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 24 september 2013 (pg. 928-929), voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 3] .