Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:131

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
18/00707 en 18/00708
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6522, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft het nultarief toegepast op transacties met auto’s. In geschil is of hij het nultarief mocht toepassen en of de boeten passend en geboden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-01-2020
V-N Vandaag 2020/183
FutD 2020-0375 met annotatie van Fiscaal up to Date
DouaneUpdate 2020-0059
Belastingadvies 2020/10.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00707 en 18/00708

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 november 2018, nummers BRE 17/2396 en 17/2397 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

inzake na te noemen naheffingsaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd:

- aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.4501 over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 ten bedrage van € 253.981 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 126.990 en belastingrente van € 14.787;

- aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.5501 over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 ten bedrage van € 28.859 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 14.429 en belastingrente van € 525.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen, de uitspraken op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen en de opgelegde boete over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 verminderd tot € 81.000 en de opgelegde boete over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 verminderd tot € 9.000.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgehad op 19 september 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

In de onderhavige periodes dreef belanghebbende een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Hij handelde onder de naam [bedrijf 1] en onder de naam [bedrijf 2] . De activiteiten van de onderneming bestaan uit de exploitatie van een sportschool en de handel in gebruikte auto’s.

2.2.

Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periodes 1 oktober 2013 tot en met 1 maart 2015. Daarbij is uitsluitend onderzoek gedaan naar de omzetbelasting die betrekking heeft op de handel in gebruikte auto’s. In de administratie van belanghebbende zijn ten aanzien van 97 transacties documenten aangetroffen. Op de aanwezige verkoopfacturen heeft belanghebbende geen omzetbelasting vermeld.

2.3.

In de administratie van belanghebbende zijn voor 13 van deze 97 transacties stukken aangetroffen die belanghebbende aanduidt als vervoersdocumenten. Deze documenten vermelden het volgende:

De naam en adres waaronder belanghebbende handelt, de naam en adres van de afnemer van de desbetreffende auto, de plaats van bestemming, de plaats van in ontvangstneming van de goederen, het type en chassisnummer van de desbetreffende auto, onder de rubriek “vervoerder” de naam van de afnemer van belanghebbende, de plaats waar het stuk is opgemaakt en onderaan handtekening en stempel afzender, vervoerder en geadresseerde. Onder deze laatste aanduidingen staan parafen en in enkele gevallen een stempel met de naam van de afnemer.

2.4.

De Inspecteur heeft op 24 februari 2015 een verzoek om inlichtingen gedaan aan de belastingdienst in Italië waarin onder meer werd verzocht om informatie over de Italiaanse afnemer van belanghebbende, [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) en of transacties met belanghebbende, handelend onder de naam [bedrijf 4] door [bedrijf 3] worden aangegeven en of de auto’s weer werden doorverkocht. De Italiaanse belastingdienst heeft geantwoord dat in de administratie van [bedrijf 3] geen facturen van belanghebbende werden aangetroffen maar wel van Duitse leveranciers: [bedrijf 5] en [bedrijf 6] . Verder heeft de Italiaanse belastingdienst medegedeeld dat de eigenaar van [bedrijf 3] [bedrijf 4] of belanghebbende niet kent. Daarnaast heeft de Italiaanse belastingdienst van drie auto’s waarvan verkoopfacturen aan [bedrijf 3] in de administratie van belanghebbende zitten, aankoopfacturen in de administratie van [bedrijf 3] aangetroffen. Volgens die aankoopfacturen had [bedrijf 3] deze auto’s van [bedrijf 7] gekocht.

2.5.

Op 16 december 2015 is schriftelijk aan belanghebbende meegedeeld dat het voornemen bestond om bij de naheffingsaanslagen vergrijpboeten op te leggen van 50%. Met dagtekening 18 mei 2016 is aan belanghebbende het controlerapport aangeboden en tevens is toen een schriftelijke kennisgeving inzake de op te leggen boetes aan belanghebbende toegezonden.

2.6.

Naar aanleiding van het in 2.2 bedoelde boekenonderzoek zijn met dagtekening 31 mei 2016 de onderhavige naheffingsaanslagen en boete- en belastingrentebeschikkingen opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

II. Heeft de Inspecteur terecht toepassing van het nultarief geweigerd?

III Heeft de Inspecteur de boeten terecht opgelegd en zijn deze passend en geboden?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de Inspecteur met alle documenten die bij zijn verweerschrift in hoger zijn overgelegd, alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Dat betekent dat vraag I bevestigend moet worden beantwoord.

Vraag II: Toepassing van het nultarief

4.2.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet OB 1968 juncto post a.6 van de bij de Wet OB 1968 behorende Tabel II (hierna: Tabel II) bedraagt de belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intra-unie verwerving van die goederen.

4.3.

Het tarief van nihil geldt wanneer de macht om als een eigenaar te beschikken over het goed aan de afnemer is overgedragen, de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en dit goed na afloop van deze verzending of dat vervoer het grondgebied van de lidstaat van levering fysiek heeft verlaten (HvJ EU 27 september 2007, C-409/04, ECLI:EU:C:2007:548, Teleos, r.o. 42). De leverancier dient een belastingplichtige te zijn, terwijl de afnemer een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon in een andere lidstaat dient te zijn (artikel 138, lid 1 van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende belasting over de toegevoegde waarde (hierna: de BTW-Richtlijn).

4.4.

De vraag of de leverancier het bewijs heeft geleverd dat het tarief van nihil terecht is toegepast, moet worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die naar nationaal recht aan dat bewijs worden gesteld (HvJ EU 16 december 2010, C-430/09, ECLI:EU:C:2010:786, Euro Tyre Holding BV, r.o. 39). De leverancier kan niet worden verplicht tot nabetaling van de over de goederen verschuldigde omzetbelasting als achteraf blijkt dat de afnemer een ander is dan degene waarvan de leverancier op het eerste gezicht mocht aannemen dat deze de afnemer was en dat achteraf de identiteit van de werkelijke afnemer niet kan worden vastgesteld (HR 15 april 2011, 09/00552, ECLI:NL:HR:2011:BM9147, r.o. 3.4.2-3.4.3). Het achteraf onbekend zijn van de identiteit van de afnemer is wel relevant als de leverancier bij de levering de identiteit van de echte verkrijger heeft verborgen om deze in de gelegenheid te stellen de omzetbelasting te ontduiken; dan dient het tarief van nihil te worden geweigerd omdat dan de leverancier zich niet kan beroepen op het unierechtelijke fiscale neutraliteitsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel (HvJ EU 7 december 2010, C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, R, r.o. 54-55).

4.5.

De bewijslast dat het tarief van nihil terecht is toegepast rust op de leverancier. De leverancier kan daarbij volstaan aannemelijk te maken dat het tarief van nihil terecht is toegepast; niet is vereist dat de leverancier doet blijken - dat wil zeggen overtuigend aantoont - dat het tarief van nihil terecht is toegepast (HR 16 mei 2008, 40.036, ECLI:NL:HR:2008: BD1604, r.o. 2.2.3). De bewijslast is tweeledig. Enerzijds dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de goederen in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd, en anderzijds dient hij aannemelijk te maken dat de goederen in die andere lidstaat zijn ontvangen door een (rechts)persoon die in dat kader belasting ter zake van een intra-unie verwerving verschuldigd is (vlg. HR 15 april 2011, nr 09/00552, ECLI:NL:HR:2011:BM9147).

4.6.

Indien de betrokken belastingplichtige boeken en bescheiden overlegt die volgens hem uitwijzen dat zij betrekking hebben op de goederen waarvoor aanspraak wordt gemaakt op toepassing van het nultarief en die uitwijzen dat die goederen daadwerkelijk in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd, dient te worden onderzocht of de in de desbetreffende documenten voorkomende gegevens naar hun aard geschikt zijn om het evenbedoelde vervoer van de in geding zijnde goederen aan te tonen. Indien dit het geval is en de documenten zelf geen gebreken vertonen, kan het te verlangen bewijs geleverd worden geacht (HR 16 mei 2008, 40.036, ECLI:NL:HR:2008:BD1604, r.o. 2.2.3). Voor het door de leverancier te leveren bewijs geldt dat ook rekening moet worden gehouden met boeken en bescheiden die niet ten tijde van de leveringen in de boekhouding zijn vastgelegd, maar nadien zijn overgelegd (HvJ EU 27 september 2007, C-146/05, ECLI:EU:C:2007:549, Collée, r.o. 24-25, 28-31; en HR 5 december 2003, 39 301, ECLI:NL:HR:2003:AN9568, r.o. 3).

4.7.

Bij verkopen waarbij de afnemer de goederen bij de leverancier in het kader van de levering afhaalt, zogenoemde afhaaltransacties, is de leverancier beperkt in zijn mogelijkheden om het bewijs te leveren dat de goederen fysiek Nederland hebben verlaten. Immers, ook al moet in beginsel de leverancier aantonen dat het goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd, in omstandigheden waarin de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken op het grondgebied van de lidstaat van levering op de afnemer overgaat en deze afnemer (daarna) het goed buiten de lidstaat van levering moet verzenden of vervoeren, hangt het bewijs dat de leverancier aan de belastingdienst kan overleggen, hoofdzakelijk af van de gegevens die hij daartoe van de afnemer ontvangt (zie het in 4.4 genoemde arrest van HvJ EU van 16 december 2010, ECLI:EU:C:2010:786, Euro Tyre Holding BV, r.o. 37).

4.8.

Daarom geldt bij afhaaltransacties dat het de leverancier vrijstaat om de door hem verrichte handelingen te beschouwen als intra-unie leveringen, indien de afnemer uiting heeft gegeven aan zijn met objectieve gegevens ondersteunde voornemen om de goederen naar een andere lidstaat dan de lidstaat van levering te vervoeren en zich kenbaar heeft gemaakt met hem door deze andere lidstaat toegekend btw-identificatienummer (HvJ EU 16 december 2010, C-430/09, ECLI:EU:C:2010:786, Euro Tyre Holding BV, r.o. 34-35; HR 25 maart 2011, 43945bis, ECLI:NL:HR:2011:BP8968 , r.o. 2.3).

4.9.

De Inspecteur heeft de administratie van belanghebbende met betrekking tot de 97 transacties met de auto’s overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkoop- en verkoopfacturen en de 13 documenten die in 2.3 zijn beschreven uit de administratie van belanghebbende afkomstig zijn. Belanghebbende betoogt dat hij, gelet op deze administratie, het nultarief kon toepassen. Hij had immers documenten opgemaakt die hij als vervoersdocumenten aanduidt en als die ontbraken dan was de verkoopfactuur, aldus belanghebbende, voldoende om vervoer naar het buitenland aannemelijk te maken.

Ten aanzien van de transacties zonder de in 2.3 genoemde documenten

4.10.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de documenten uit de administratie van belanghebbende dermate gebrekkig zijn dat de daarin voorkomende gegevens naar hun aard niet geschikt zijn om het vervoer van de in geding zijnde goederen ten tijde van de transacties aan te tonen. Voor de transacties waarvan de in 2.3 omschreven documenten niet in de administratie zijn aangetroffen betoogt belanghebbende dat het gelet op de verkoopfactuur voldoende duidelijk is dat de auto’s Nederland hebben verlaten. Dat gaat niet op want een verkoopfactuur bevat geen informatie over het vervoer van de auto’s en aldus ontbreken objectieve gegevens van de afnemer op grond waarvan belanghebbende ten tijde van de transacties had mogen aannemen dat de auto’s door de afnemer naar een andere lidstaat zouden worden vervoerd.

Ten aanzien van de transacties met de in 2.3 genoemde documenten

4.11.

Ten aanzien van de transacties waarvoor belanghebbende wel de in 2.3 omgeschreven documenten heeft opgesteld is belanghebbende evenmin geslaagd in zijn bewijslast. De door belanghebbende opgestelde documenten roepen vragen op die belanghebbende ter zitting niet heeft kunnen beantwoorden. Zo is niet duidelijk geworden wie de paraaf heeft gezet voor ontvangst op elk van die stukken. Belanghebbende heeft verklaard dat de auto of auto’s in [woonplaats] werden opgehaald door zijn afnemers en dat degene die op dat moment de auto of auto’s ophaalde het document tekende. Daarvan ontbreekt echter iedere documentatie, zoals kopieën van identificatiebewijzen van degene die de desbetreffende auto(’s) kwam ophalen of machtigingen op grond waarvan diegene gemachtigd was om namens de afnemer de auto(’s) op te halen. Aldus ontbreken objectieve gegevens van de afnemer op grond waarvan belanghebbende ten tijde van de transacties had mogen aannemen dat de auto(’s) naar een andere lidstaat zouden worden vervoerd. Verder strookt de verklaring van belanghebbende niet met de documenten waarop als plaats van aflevering [plaats] is vermeld. Belanghebbende heeft daarom met dit alles niet duidelijk kunnen maken of en hoe de auto’s zijn opgehaald en wie dat heeft gedaan.

4.12.

Ter zitting heeft belanghebbende verder verklaard dat de auto’s zouden zijn opgehaald door personen die daartoe door zijn afnemers waren gemachtigd en dat die personen daarvoor de koopsom in contanten meenamen en de desbetreffende auto of auto’s betaalden. Vervolgens zouden belanghebbende, of een van zijn vrienden, de desbetreffende auto of auto’s gaan ophalen bij zijn leverancier in het buitenland. Degenen die de auto of auto’s kwamen ophalen, reisden, aldus belanghebbende, na betaling zonder de desbetreffende auto terug en kwamen deze enkele dagen later ophalen. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat hij het nultarief mocht toepassen omdat sprake is van afhaaltransacties, slaagt dit betoog niet. Het Hof acht deze verklaring niet geloofwaardig omdat belanghebbende hiervoor geen enkele ondersteunende documentatie heeft overgelegd, zoals machtigingen waarmee de afnemers deze personen hebben gemachtigd of kopieën van identificatiebewijzen van degenen die de auto’s kwamen ophalen. Verder acht het Hof het niet waarschijnlijk dat een afnemer bereid is eerst te betalen voor een auto die vervolgens nog door belanghebbende moet worden opgehaald en dat degenen die de auto of auto’s namens de afnemers ophaalden bereid zouden zijn om terug te reizen om vervolgens terug te keren op het moment dat belanghebbende de desbetreffende auto of auto’s had opgehaald. Tot slot sluit deze gang van zaken niet aan bij de aantallen auto’s die belanghebbende eind 2014 heeft verhandeld. Met deze verklaring maakt belanghebbende daarom niet aannemelijk dat hij ten tijde van de transacties beschikte over het met objectieve gegevens ondersteunde voornemen van zijn afnemers om de auto’s naar een andere lidstaat te vervoeren.

4.13.

Dit alles leidt tot de slotsom dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het nultarief op de transacties mocht toepassen. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd. Vraag II moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag III: Vergrijpboeten

4.14.

De Inspecteur heeft op basis van artikel 67f van de AWR en de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 vergrijpboeten van 50% van de nageheven belasting opgelegd omdat het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting is voldaan. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer een belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat te weinig belasting wordt voldaan en dit mogelijke gevolg bewust aanvaardt. De bewijslast hiervoor ligt bij de Inspecteur.

4.15.

De Inspecteur heeft daarvoor aangevoerd dat belanghebbende op basis van onbetrouwbare documenten het nultarief in zijn aangifte heeft gehanteerd, dat belanghebbende wist of had kunnen weten dat hij in een keten terecht was gekomen waar fraude werd gepleegd en dat belanghebbende een zorgvuldigheid schetste die niet strookt met de werkelijkheid. Daarmee heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden voldaan. De Inspecteur voert verder aan dat de boetes passend en geboden zijn en dat er geen aanleiding is om de boeten te verminderen wegens slechte financiële omstandigheden van belanghebbende.

4.16.

Belanghebbende ontkent dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet en betoogt verder dat zijn aangiften omzetbelasting werden verzorgd door een belastingadviseur en dat hij erop mocht vertrouwen dat die aangiften juist waren. Verder voert belanghebbende aan dat de boeten gelet op zijn financiële omstandigheden te hoog zijn.

4.17.

Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in zijn bewijslast geslaagd. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden afgedragen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Uit de stukken van het geding en de verklaringen van belanghebbende ter zitting maakt het Hof op dat belanghebbende zelf de administratie heeft gevoerd die ten grondslag ligt aan de aangiften omzetbelasting. Ook heeft belanghebbende toen hij begon met de autohandel, weliswaar gebrekkige, documenten opgesteld maar is daarmee zonder goede verklaring gestopt. Belanghebbende is ondernemer en hij had moeten inzien dat hij met deze gebrekkige documentatie niet aannemelijk zou kunnen maken dat de goederen naar een andere lidstaat zouden zijn vervoerd en dus dat hij niet het nultarief kon en mocht toepassen op de leveringen. Toch heeft hij op basis van deze documentatie aangiftes omzetbelasting met het nultarief laten doen. Belanghebbende heeft verder desgevraagd op de zitting ongeloofwaardige verklaringen gegeven voor de vragen die zijn administratie opwierp en daarmee geen openheid van zaken gegeven. Tot slot heeft belanghebbende, gelet op zijn houding ter zitting, het laakbare van zijn gedragingen niet ingezien.

4.18.

Het betoog van belanghebbende dat hij een adviseur had ingeschakeld en erop mocht vertrouwen dat zijn aangiftes omzetbelasting juist waren, slaagt niet. De omstandigheid dat belanghebbende een adviseur heeft ingeschakeld, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij belanghebbende zelf voorwaardelijk opzet op het te weinig voldoen van omzetbelasting aanwezig is geweest. In dat verband is van belang of belanghebbende de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met die adviseur. Het Hof acht namelijk aannemelijk dat belanghebbende zelf wist dat hij op grond van de documentatie die in zijn administratie is aangetroffen niet aannemelijk zou kunnen maken dat de goederen naar een andere lidstaat zouden zijn vervoerd en dus niet het nultarief mocht toepassen. Doordat belanghebbende desalniettemin zijn adviseur van die documenten heeft voorzien en de aangiftes omzetbelasting heeft laten opstellen met het nultarief heeft belanghebbende niet de zorg betracht die van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met die adviseur. Er valt daarom belanghebbende zelf een verwijt te maken.

4.19.

De Rechtbank heeft de boeten gematigd tot een boete van € 90.000 over 2014 en € 10.000 over 2015. Het Hof acht deze boeten passend en geboden en is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging wegens financiële omstandigheden van belanghebbende. Vervolgens heeft de Rechtbank de boeten terecht verder verminderd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Aldus gedaan op 16 januari 2020 door J.M. van der Vegt, voorzitter, P. Fortuin en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.