Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20-002344-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Jeugdzaak.

Hof verwerpt verweer verdediging inzake niet-ontvankelijkheid OM i.v.m. overschrijding redelijke termijn (artt. 6 EVRM en 40 IVRK).

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf (rechterlijk pardon ex 9a Sr) t.a.v. bewezen verklaarde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002344-19

Uitspraak : 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 juli 2019 in de strafzaak met parketnummer

02-800091-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof:

 het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van verdachte;

 verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde feit;

 het beroepen vonnis, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen, met inbegrip van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en met uitzondering van de straf en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft het hof primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte. Subsidiair, in het geval het openbaar ministerie ontvankelijk wordt geacht, heeft de verdediging:

 zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft een bewezenverklaring van de onder 1 (primair), 5, 6 en 8 ten laste gelegde feiten;

 vrijspraak bepleit van de onder 2, 3 en 7 ten laste gelegde feiten;

 verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf;

 verzocht de benadeelde partij [aangever 3] primair niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding dan wel die vordering af te wijzen en subsidiair verzocht om de gevorderde materiële schade af te wijzen en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van de gevorderde immateriële schade;

 verzocht de benadeelde partijen [aangever 4] en [aangever 5] primair in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair om hen een gelijk bedrag aan immateriële schade toe te wijzen (derhalve maximaal € 300,00) en de door [aangever 5] gevorderde materiële schade af te wijzen dan wel om [aangever 5] in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van feit 4

Het hoger beroep van verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 4 ten laste gelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Tilburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Reeshofpark , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangeefster 1] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens)

 omgooien van (een) fiets(en) en/of

 insluiten van die [aangeefster 1] en/of beletten/belemmeren van de vrije doorgang voor die [aangeefster 1] en/of

 roepen in de richting van die [aangeefster 1] “Klap haar”, althans woorden van dergelijke opruiende aard en/of strekking en/of

 slaan/stompen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [aangeefster 1] ;

subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [aangeefster 1] heeft mishandeld door die [aangeefster 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, ten gevolge waarvan die [aangeefster 1] pijn en/of letsel heeft bekomen;

2.
hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Tilburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Reeshofdijk , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 6] en/of tegen de fiets van die [aangever 6] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens)

 schoppen en/of trappen op/tegen de fiets van die [aangever 6] en/of

 insluiten en/of de vrije doorgang beletten/belemmeren voor die [aangever 6] en/of

 slaan en/of stompen op/tegen het hoofd van die [aangever 6] ;

3.
hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Tilburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Reeshofdijk , in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens)

 ( (met kracht) de berm in duwen van die [aangever 3] , terwijl die [aangever 3] aan het fietsen was en/of

 ( slaan en/of stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 3] ;


5.
hij op of omstreeks 3 november 2015 te Tilburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, in het speeltuintje aan de Oosterbeekstraat , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of tegen de fiets van die [aangever 4] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens)

 ( (met kracht) duwen tegen de/het licha(a)m(en) van die [aangever 4] en/of die [aangever 5] en/of

 ( slaan en/of stompen en/of schoppen/trappen tegen het/de hoofd(en) en/of het/de licha(a)m(en) van die [aangever 4] en/of die [aangever 5] en/of

 ( achter die [aangever 4] aanlopen/fietsen en/of

 ( op/tegen de fiets van die [aangever 4] trappen;


6.
hij op of omstreeks 27 november 2015 en/of 28 november 2015 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een Xbox 360 met toebehoren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen Xbox 360 onder zijn/haar/ hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming;

7.
hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Tilburg [aangever 8] (zijnde zijn leraar) heeft mishandeld door die [aangever 8] voornoemd meermalen (met kracht) (tegen de borst) te duwen en/of (in de nek) te krabben en/of (tegen de benen) te schoppen, waardoor die [aangever 8] voornoemd pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen;
8.
hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te Tilburg [aangever 9] heeft mishandeld door die [aangever 9] voornoemd meermalen te slaan en/of te stompen tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug, althans tegen het lichaam, waardoor die [aangever 9] voornoemd pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – net als in eerste aanleg – bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 40 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). Deze overschrijding is niet te wijten aan de verdediging en bovendien is sprake van een zeer jeugdige minderjarige verdachte. Hij was immers pas 13 jaar oud ten tijde van de feiten 1, 2, 3, 5 en 6.

Het hof stelt voorop dat in het eerste lid van artikel 6 EVRM het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht wordt gewaarborgd. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. De in artikel 6 EVRM neergelegde termijn strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Uit artikel 40 IVRK volgt dat een minderjarige verdachte onverwijld en rechtstreeks in kennis dient te worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en dat de aangelegenheid zonder vertraging moet worden beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet.

De Hoge Raad heeft als maatstaf geformuleerd dat in zaken waarin het strafrecht voor

jeugdigen wordt toegepast de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een

eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is

van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de

verdachte en/of zijn raadsman/raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak

door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof constateert dat de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg veel te lang op zich heeft laten wachten. Hoewel het hof de zaak in hoger beroep voortvarend heeft behandeld, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de redelijke termijn voor berechting, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 40 IVRK (in eerste aanleg) in zeer aanzienlijke mate is overschreden, terwijl geen is sprake is van bijzondere omstandigheden die die lange duur zouden kunnen verklaren of rechtvaardigen.

Echter, op grond van de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan een overschrijding van de redelijke termijn niet leiden tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de eventueel op te leggen straf.

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad en verwerpt derhalve het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Nu er ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, acht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Vrijspraak feit 7

[aangever 8] heeft in zijn aangifte niet verklaard dat hij pijn of letsel heeft bekomen door het ten laste gelegde handelen van verdachte.

Uit het relaas van [verbalisant 1]1, volgt dat aangever [aangever 8] in een later contact met de politie heeft verteld dat hij door het ten laste gelegde handelen van verdachte geen pijn of letsel heeft bekomen. Gelet hierop acht het hof – anders dan de advocaat-generaal, maar met de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen dat hetgeen verdachte aangever [aangever 8] heeft aangedaan als mishandeling kan worden gekwalificeerd als is ten laste gelegd. Het hof zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 5, 6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair.
hij op 9 oktober 2015 te Tilburg, Reeshofpark , op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangeefster 1] , welk geweld bestond uit het

 omgooien van fietsen en

 insluiten van die [aangeefster 1] en

 roepen in de richting van die [aangeefster 1] “Klap haar”, en

 slaan tegen het hoofd van die [aangeefster 1] ;

2.
hij op 14 oktober 2015 te Tilburg openlijk, te weten op de openbare weg, Reeshofdijk , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 6] en tegen de fiets van die [aangever 6] , welk geweld bestond uit het

 trappen tegen de fiets van die [aangever 6] en

 de vrije doorgang belemmeren voor die [aangever 6] en

 slaan tegen het hoofd van die [aangever 6] ;

3.
hij op 14 oktober 2015 te Tilburg openlijk, te weten op de openbare weg, Reeshofdijk , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] , welk geweld bestond uit het

 met kracht de berm in duwen van die [aangever 3] , terwijl die [aangever 3] aan het fietsen was en

 slaan en schoppen tegen het lichaam van die [aangever 3] ;


5.
hij op 3 november 2015 te Tilburg openlijk, te weten aan de openbare weg, in het speeltuintje aan de Oosterbeekstraat , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en [aangever 5] en tegen de fiets van die [aangever 4] , welk geweld bestond uit het

 met kracht duwen tegen de lichamen van die [aangever 4] en die [aangever 5] en

 slaan en schoppen tegen de lichamen van die [aangever 4] en die [aangever 5] en

 achter die [aangever 4] aan fietsen en

 tegen de fiets van die [aangever 4] trappen;


6.
hij op 27 november 2015 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een Xbox 360 met toebehoren, toebehorende aan [aangever 7] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming;

8.
hij op 31 oktober 2016 te Tilburg [aangever 9] heeft mishandeld door die [aangever 9] voornoemd meermalen te slaan tegen het hoofd en de nek en de rug, waardoor die [aangever 9] voornoemd pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 2 en bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge

samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1

[aangeefster 1] heeft bij de politie aangifte gedaan. Zij heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij op 9 oktober 2015 samen met een groep mensen, waaronder [getuige 1] en [getuige 2] , in het Reeshofpark te Tilburg was. Toen zij hun fietsen daar hadden neergezet, kwam er nog een groep aan. [aangeefster 1] schat dat zij met zeven personen waren. Dit waren allemaal jongens. Eén van de jongens begon met het omgooien van fietsen. Dit leek de leider van de groep te zijn. Deze jongen had een mollig postuur en een gouden oorbel in.3 Op een gegeven moment stond de hele groep om [aangeefster 1] heen. Eén van de jongens die om [aangeefster 1] heen was komen staan, zei: “Klap haar!”. Vervolgens sloeg de dikke jongen haar tegen het hoofd. Hij raakte [aangeefster 1] op haar linkerslaap. Vervolgens werd [aangeefster 1] nog twee of drie keer op haar linkerslaap geslagen. Via via is aangeefster aan een filmpje op YouTube gekomen. Dit filmpje is getiteld “ [naam groep] ”. Op het filmpje heeft [aangeefster 1] de linker persoon herkend als de dikke jongen, die zij in haar verklaring heeft omschreven.4

[medeverdachte 1] , de broer van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat het goed kan zijn dat zijn broer [verdachte] (de verdachte) bij de openlijke geweldpleging is geweest. Verdachte heeft een fors postuur en een oorbel in. Het was een flinke groep van wel zeven man. Het klopt dat er “Klap haar!” is geroepen. [medeverdachte 1] denkt dat dat door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en hemzelf is geroepen en hij zegt: Wij waren aan het opstoken.5 [medeverdachte 1] heeft het opgestookt.6De groep van [verdachte] is jonger. Zijn groep voelt zich volgens [medeverdachte 1] groot en sterker, omdat zij (het hof begrijpt: de oudere jongens [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]) er bij zijn.7 [verdachte] zit bij de [naam groep] .8

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 9 oktober 2015 met een

aantal vrienden in het Reeshofpark was. Er kwam een groep van zeven mensen aan. Een

jongen schopte tegen de fiets van [getuige 3] . Hierna begon de groep ook tegen andere fietsen te

schoppen. [getuige 2] zag dat [aangeefster 1] werd ingesloten door de groep en dat [aangeefster 1] klappen kreeg.9

De leider van de groep had een mollig postuur en droeg een oorbel.10

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij op 9 oktober 2015 met een aantal

vrienden, waaronder [aangeefster 1] en [getuige 2] , in het Reeshofpark was. Op een gegeven moment zag

[getuige 1] dat er een groep van ongeveer zeven jongens vanaf alle kanten op hun af kwam. Eén

jongen viel haar meteen op, omdat hij het woord nam. Hierna zag zij dat de jongen een fiets

omgooide en dat de andere jongens ook begonnen met het omgooien van fietsen. De leider

van de groep had een mollig postuur.11 Hij droeg een gouden oorbel. De groep begon [aangeefster 1]

te slaan. De mollige jongen is de enige waarvan [getuige 1] zeker weet dat hij dit deed. [getuige 1]

heeft een tijdje geleden een filmpje van de “ [naam groep] ” op YouTube gezien. Toen [getuige 1] het filmpje zag, herkende zij de mollige jongen op de beelden als de mollige jongen die als

leider had opgetreden.12

[verbalisant 2] heeft verklaard dat op YouTube een filmpje is verschenen onder

de titel “ [naam groep] ’. De persoon links op het filmpje heeft de verbalisant herkend als zijnde verdachte. [verbalisant 2] heeft in zijn werkzaamheden meerdere keren contact gehad met verdachte. De verbalisant herkende verdachte aan zijn gelaat.13

Gelet op het vorenstaande acht het hof, net als de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 oktober 2015 in het Reeshofpark te Tilburg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aangeefster [aangeefster 1] , zoals primair aan verdachte is ten laste gelegd. Het hof overweegt daarbij nog dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte een forse jongen met een oorbel is. Verdachte voldoet aan het omschreven signalement ‘mollig’ en ‘een gouden oorbel’. Voorts is verdachte door meerdere personen op beeldmateriaal (een op YouTube geplaatst filmpje) herkend. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte degene is die als de leider van het groepje jongens wordt omschreven.

Ten aanzien van feit 2

[aangever 6] heeft bij de politie aangifte gedaan. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij op 14 oktober 2015 omstreeks 08.00 uur samen met [getuige 4] over de Reeshofdijk te Tilburg fietste. Er kwamen twee andere jongens aan fietsen. Eén van die jongens fietste aan de linkerkant van [aangever 6] en de andere jongen fietste achter [aangever 6] . [aangever 6] voelde dat er tegen zijn fiets getrapt werd. De jongen die naast [aangever 6] kwam fietsen was blank, had een dikker postuur en droeg een oorbel. [aangever 6] fietste hard weg.14 Even later hoorde [aangever 6] de jongens weer achter hem fietsen, waarop [aangever 6] stopte. Hij zag dat de dikkere jongen met de oorbel aan zijn linkerzijde kwam staan. De tweede jongen stond achter hem. De derde jongen ging voor zijn fiets staan en sloeg de pet van zijn hoofd. [aangever 6] voelde een klap tegen zijn wang. Hij zag dat de jongen met zijn vuist tegen zijn wang sloeg. Op dat moment stopte [getuige 4] ongeveer vijf meter voor [aangever 6] . [aangever 6] zag dat een vrouw hem tegemoet kwam fietsen. Zij ging met haar fiets tussen de jongens in staan. [aangever 6] is hierna doorgefietst. Later kwamen de jongens [aangever 6] weer voorbij rijden. De dikkere jongen met de oorbel trapte nog een keer tegen de fiets van [aangever 6] . [aangever 6] droeg onder andere een bruine pet.15

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het kan zijn dat hij op 14 oktober 2015 op de Reeshofdijk was en dat hij die dag om 07.45 uur onderweg was naar school. In oktober 2015 fietste hij onder meer naar school met [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]).16

[medeverdachte 5] heeft bij de politie verklaard dat hij eind 2015 met verdachte

en [medeverdachte 4] naar school fietste over de Reeshofdijk .17 Zij kwamen een jongen tegen met een cowboyhoed, die snel voorbij kwam fietsten. [medeverdachte 4] ging er achteraan en reed hem klem. Verdachte en [medeverdachte 5] zijn er ook achteraan gegaan en hebben de jongen ook klemgereden, zodat hij nergens meer naartoe kon. Verdachte vroeg de jongen waarom hij zo’n voor schutte hoed droeg, alsof hij een cowboy was. Daarna is zijn hoedje afgeslagen.18 Het was [verdachte] ’s idee.19

[getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat hij op 14 oktober 2015 omstreeks 07.45 uur samen met zijn vriend [aangever 6] over de Reeshofdijk te Tilburg fietste. Voor hen zagen zij een groepje van drie jongens fietsen. Zij passeerden dit groepje. [getuige 4] zag dat het groepje bij hen bleef fietsen. Hij zag dat er vervolgens tegen de fiets van [aangever 6] werd getrapt.20 [aangever 6] fietste hard weg. [getuige 4] zag dat het groepje achter [aangever 6] aanfietste. Daarna zag hij dat [aangever 6] stil stond en dat het groepje van drie jongens om [aangever 6] heen stond. Er stond een vrouw tussen het groepje en [aangever 6] in. [getuige 4] hoorde de vrouw zeggen dat zij het niet normaal vond dat het groepje [aangever 6] sloeg. Hij hoorde de vrouw zeggen dat zij dit had gezien. Toen [getuige 4] weer naast [aangever 6] fietste, kwam het groepje met drie jongens weer achter hen aanfietsen. [getuige 4] zag dat iemand uit het groepje tegen de fiets van [aangever 6] trapte.21

Omstreeks 25 oktober 2015 heeft de moeder van [aangever 6] een e-mail gestuurd naar de politie,

inhoudende dat [aangever 6] één van de daders van zijn mishandeling heeft herkend op een

filmpje op het internet. Het betreft de linkse jongen in het filmpje. Hij is door [aangever 6]

herkend als de eerstgenoemde dader in de aangifte: de blanke jongen met een dikker postuur

en een oorbel. [aangever 6] zei dat de dikkere jongen met de oorbel hem heeft aangevallen.22

[medeverdachte 1] , de broer van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat verdachte een fors postuur heeft en een oorbel draagt.23

Het hof stelt, met de rechtbank, op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat tegen [aangever 6] op 9 oktober 2015 op de Reeshofdijk te Tilburg openlijk geweld in vereniging is gepleegd en dat verdachte hierbij betrokken is geweest. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte, gezien zijn rol in het geheel, een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof stelt daartoe voorop dat van het “in vereniging” plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld. Het hof stelt voorop dat het de verklaringen van [medeverdachte 5] , anders dan de verdediging, betrouwbaar acht en bruikbaar voor het bewijs, nu zijn verklaringen steun vinden in de aangifte van [aangever 6] en de getuigenverklaring van [getuige 4] . Dat zich in de diverse door [medeverdachte 5] afgelegde verklaringen enige tegenstrijdigheden bevinden is naar het oordeel van het hof te verwachten, te meer nu het incident uit drie momenten bestond en [medeverdachte 5] niet elke handeling gezien hoeft te hebben. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 5] helder heeft verklaard over het incident met [aangever 6] . Het hof is derhalve van oordeel dat de door [medeverdachte 5] afgelegde verklaringen kunnen bijdragen aan het bewijs en verwerpt het verweer van de verdediging. Uit de verklaringen van [medeverdachte 5] en de overige gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich heeft gemanifesteerd als lid van het groepje van drie (samen met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ). Dat groepje heeft geweld gepleegd tegen aangever. Verdachtes rol daarbij was dat hij aangever heeft klem gereden en dat het wegslaan van de hoed zijn idee was.

Gelet op het vorenstaande, acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 oktober 2015 in het Reeshofpark te Tilburg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aangever [aangever 6] .

Ten aanzien van feit 3

[aangever 3] heeft aangifte gedaan van openlijke geweldpleging. Dit vond plaats op de Reeshofdijk te Tilburg op 14 oktober 2015 tussen 07.45 uur en 07.55 uur. [aangever 3] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met een vriendje naar school toe fietste. Op de Reeshofdijk haalden zij drie jongens op de fiets in. Eén van de drie jongens kwam tussen [aangever 3] en zijn vriend in fietsen. De jongen duwde hem de berm in. Hij zei dat [aangever 3] iets tegen hem had gezegd. [aangever 3] kwam ten val. Daarna kreeg hij klappen van de jongen die hem had geduwd en van een tweede jongen. Hij werd op zijn jukbeen geslagen en in zijn buik. Ook werd hij geschopt tegen zijn benen.24 De tweede jongen kwam erbij om [aangever 3] te slaan. [aangever 3] had een rode muts op.25

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het kan dat hij op 14 oktober 2015 om 07.45 uur

onderweg was naar school. Het kan zijn dat hij op de Reeshofdijk was op 14 oktober 2015.

In oktober 2015 fietste hij naar school met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] of met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] .26

[medeverdachte 5] heeft bij de politie verklaard dat hij eind 2015 een tijdje met

de fiets naar school is gegaan. Hij fietste dan met verdachte en [medeverdachte 4] naar school over de

Reeshofdijk .27 Verdachte kwam met het idee. Ze zagen iemand fietsen en [medeverdachte 4] en

verdachte reden hem klem. [medeverdachte 5] stond achter verdachte en verdachte zei tegen die jongen

dat hij zijn telefoon moest geven. Die jongen gaf aan dat hij die niet had.28 Verdachte of [medeverdachte 4] gaf hem een klap en naderhand gaf [medeverdachte 5] hem ook een klap. [medeverdachte 5] weet dat [verdachte] of [medeverdachte 4] die jongen op zijn gezicht sloeg, net zoals hij zelf heeft gedaan.29 [medeverdachte 5] heeft de jongen met de rode muts geslagen.30

[aangever 3] heeft de jongen die hem heeft geduwd omschreven als een blanke jongen van ongeveer 14 jaar oud. Hij droeg donkere kleding en had een gezet postuur. Hij had een capuchon over zijn hoofd.31 [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] blank en dun is. Verdachte is een dikkere blanke jongen.32 Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat hij 50 kilo weegt en dat hij een smal postuur heeft.33

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat op 14 oktober 2015 tegen [aangever 3] openlijk geweld in vereniging is gepleegd op de Reeshofdijk te Tilburg en dat hierbij drie jongens betrokken zijn geweest. Verdachte was die ochtend samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] onderweg naar school. Ook kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 5] de door aangever genoemde tweede persoon is. [medeverdachte 5] heeft aangever geslagen. De eerste jongen heeft [aangever 3] de berm in geduwd en geslagen. [aangever 3] is ook geschopt tegen zijn benen.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de door aangever genoemde jongen is die hem in de berm heeft geduwd en heeft geslagen. [aangever 3] heeft gezegd dat de jongen die hem geduwd heeft een gezet postuur heeft. [medeverdachte 4] is dun. Als [medeverdachte 5] zegt dat [medeverdachte 4] of verdachte heeft geslagen en als aangever zegt dat een gezet iemand hem heeft geslagen, dan kan het niet anders of dit was verdachte.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte, gezien zijn rol in het

geheel, een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daartoe stelt het hof voorop dat van

het “in vereniging” plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende

significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet

van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in

een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen

aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of

de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld. Uit de gebezigde bewijs-middelen blijkt dat verdachte [aangever 3] in de berm heeft geduwd en hem als eerste heeft geslagen. Verdachte heeft zich, door zich zo te gedragen, gemanifesteerd als lid van de groep die openlijk geweld heeft gepleegd. Bovendien was het gebeurde zijn idee. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 oktober 2015 op de Reeshofdijk te Tilburg openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen aangever [aangever 3] .

Ten aanzien van feit 5

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en

ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de

bewijsmiddelen als bedoeld in het derde lid van artikel 359 Sv. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

 de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie;34

 de aangifte van [aangever 4] ;35

 de aangifte van [aangever 5] .36

Ten aanzien van feit 6

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en

ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de

bewijsmiddelen als bedoeld in het derde lid van artikel 359 Sv. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

 de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;37

 de aangifte van dhr. [aangever 7] ;38

 de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] .39

Ten aanzien van feit 8

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en

ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de

bewijsmiddelen als bedoeld in het derde lid van artikel 359 Sv. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

 de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;40

 de aangifte van mevr. [aangeefster 2] namens [aangever 9] ;41

 de aangifte van dhr. [aangever 8] ;42

 de geneeskundige verklaring van arts [naam arts] .43

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 en 5 bewezen verklaarde levert telkens op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Straf en motivering

Het hof heeft bij de bepaling van de eventueel op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier openlijke geweldplegingen, aan het

medeplegen van gekwalificeerde diefstal en aan mishandeling. Het spreekt voor zich dat deze feiten op de aangevers een grote impact hebben gehad. De openlijke geweldplegingen

waaraan verdachte heeft deelgenomen, hebben zich gericht tegen aangevers [aangeefster 1]

, [aangever 6] , [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] , die zich met een aantal agressieve jongens geconfronteerd zagen en het daarop volgende geweld hebben moeten ondergaan. Dit moet voor hen bedreigend zijn overgekomen en beangstigend zijn geweest. Bovendien versterken dit soort incidenten de in de maatschappij bestaande gevoelens van onveiligheid en onrust, zeker nu verdachte de feiten deels heeft gepleegd op en aan de openbare weg en op een voor publiek toegankelijke plaats en willekeurige derden hiervan getuige zijn geweest of hadden kunnen zijn.

Aan het medeplegen van diefstal door middel van inklimming in een woning tilt het hof minstens even zwaar. Dergelijke diefstallen veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Daarnaast is bekend dat slachtoffers van zulke feiten nog lange tijd onrust ervaren en zich minder veilig voelen in hun eigen huis.

Ten slotte is [aangever 9] door verdachte mishandeld. Hij heeft pijn ondervonden als gevolg van de mishandeling en daarnaast is ook letsel geconstateerd. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Naast de hoeveelheid feiten en de ernst ervan heeft het hof bij de bepaling van de straf

rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 januari 2020. Daaruit volgt dat verdachte ten tijde van plegen van het bewezen verklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortelijke strafbare feiten en derhalve als first offender dient te worden aangemerkt. Tevens blijkt uit voornoemd Uittreksel en uit de mededelingen van de raadsman dat de kinderrechter op of rond 6 januari 2020 verdachte wegens overtreding van artikel 138 Sr heeft veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, dat artikel 63 Sr meermalen van toepassing is.

Ook heeft het hof bij de bepaling van de straf de inhoud van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 13 juni 2019 meegewogen alsmede de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de reclasseringsbegeleider van verdachte. Verdachte wordt nog tot januari 2021 door de jeugdreclassering begeleid. Nu de bewezen verklaarde feiten een lange tijd geleden zijn gepleegd, heeft het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf weinig pedagogische meerwaarde volgens de deskundigen. De Raad adviseert dan ook om aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Ten slotte heeft het hof, net als de rechtbank, uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak. Zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg in zeer aanzienlijke mate overschreden. Hoewel de zaak in hoger beroep voortvarend is behandeld, is de overschrijding zodanig extreem dat de bestraffing van verdachte, die toentertijd pas 13 jaar (feiten 1, 2, 3, 5, 6) dan wel 14 jaar (feit 8) oud was, thans geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer dient. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en bepalen dat ter zake van het bewezen verklaarde aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (ter zake van feit 3)

De benadeelde partij [aangever 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 635,00. Dit bedrag bestaat uit

€ 135,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 3] als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 500,00. Deze schade is ook niet door de verdediging betwist en komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. De wettelijke vertegenwoordiger van verdachte (zijn moeder) is, nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit nog geen 14 jaar was, tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof acht de vordering tot genoemd bedrag hoofdelijk toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2015 en met een beslissing over de kosten als na te melden.

Het hof zal ter zake van deze schade geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt en aan de moeder van verdachte op grond van artikel 36f Sr geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

Ter zake van het overige deel van de vordering, te weten de kosten van de behandeling door een psychosociaal therapeut, is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde materiële schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (ter zake van feit 5)

De benadeelde partij [aangever 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering niet in de onderhavige zaak is ingediend, omdat op de vordering een ander parketnummer staat vermeld dan bij deze zaak hoort. De vordering is slechts ingediend in de zaak van één van de medeverdachten. Het hof overweegt hieromtrent dat het onder 5 bewezen verklaarde geweld door een groep is gepleegd, dat de benadeelde partij bedoeld zal hebben om de vordering (gelet op de inhoud daarvan) in alle zaken in te dienen – en daarmee ook in de onderhavige zaak – en dat aan de benadeelde partij niet kan worden tegengeworpen dat door het openbaar ministerie het verkeerde parketnummer dan wel slechts het parketnummer van de zaak van een medeverdachte is ingevuld. Het hof verwerpt dit verweer van de verdediging, dat bovendien niet in eerste aanleg, maar eerst in hoger beroep, is gevoerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 4] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 300,00. De wettelijke vertegenwoordiger van verdachte (zijn moeder) is, nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit nog geen 14 jaar was, tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof acht de vordering tot genoemd bedrag hoofdelijk toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2015 en met een beslissing over de kosten als na te melden.

Het hof zal ter zake van deze schade geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt en aan de moeder van verdachte op grond van artikel 36f Sr geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5] (ter zake van feit 5)

De benadeelde partij [aangever 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 495,60. Dit bedrag bestaat uit € 95,60 aan materiële schade (kosten jas) en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij – zo begrijpt het hof – verzocht om vergoeding van de proceskosten (reiskosten) à € 16,88.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van

€ 300,00 aan immateriële schade, plus € 16,88 aan proceskosten. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering niet in de onderhavige zaak is ingediend, omdat op de vordering een ander parketnummer staat vermeld dan bij deze zaak hoort. De vordering is slechts ingediend in de zaak van één van de medeverdachten. Het hof overweegt hieromtrent dat het onder 5 bewezen verklaarde geweld door een groep is gepleegd, dat de benadeelde partij bedoeld zal hebben om de vordering (gelet op de inhoud daarvan) in alle zaken in te dienen – en daarmee ook in de onderhavige zaak – en dat aan de benadeelde partij niet kan worden tegengeworpen dat door het openbaar ministerie het verkeerde parketnummer dan wel slechts het parketnummer van de zaak van een medeverdachte is ingevuld. Het hof verwerpt dit verweer van de verdediging, dat bovendien niet in eerste aanleg, maar eerst in hoger beroep, is gevoerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 5] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 395,60. Het hof is van oordeel dat uit de aangifte van [aangever 5] blijkt dat hij tijdens de openlijke geweldpleging op 3 november 2015 door de drie jongens bij zijn kleren is vastgepakt (dossierpagina 490) en uit de toelichting op de vordering volgt dat de jas van [aangever 5] tijdens het voorval kapot is getrokken. Het hof is derhalve, anders dan de rechtbank, de verdediging en de advocaat-generaal, van oordeel dat de materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Daarnaast is het hof van oordeel een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade voor toewijzing vatbaar is. Het overige deel van de verzochte immateriële schade is onvoldoende aannemelijk gemaakt, omdat de vordering mede is gebaseerd op bedreiging met een mes. Deze bedreiging staat niet op de tenlastelegging en is derhalve ook niet door het hof bewezen verklaard. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In totaal is daarmee een bedrag van € 395,60 voor toewijzing vatbaar. De wettelijke vertegenwoordiger van verdachte (zijn moeder) is, nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit nog geen 14 jaar was, tot vergoeding van deze schade gehouden. Het hof acht de vordering tot genoemd bedrag hoofdelijk toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2015 en met toewijzing van de gevorderde proces-kosten als na te melden.

Het hof zal ter zake van deze schade geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt en aan de moeder van verdachte op grond van artikel 36f Sr geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 63, 77a, 77g, 77gg, 141, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 5, 6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 5, 6 en 8 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1, 2, 3, 5, 6 en 8 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de wettelijke vertegenwoordiger(s) van verdachte met de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 oktober 2015.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 4] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de wettelijke vertegenwoordiger(s) van verdachte met de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 november 2015.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 5] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 395,60 (driehonderdvijfennegentig euro en zestig cent) bestaande uit € 95,60 (vijfennegentig euro en zestig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, waarvoor de wettelijke vertegenwoordiger(s) van verdachte met de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 16,88 (zestien euro en achtentachtig cent).

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 november 2015.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door:

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zoals opgenomen op dossierpagina 2 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2016330091 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 22.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-20l616l568 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 747, hierna te noemen: eindproces-verbaal 1, of een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2016330091 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 22, hierna te noemen: eindproces-verbaal 2.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 202 van eindproces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 203 van eindproces-verbaal 1.

5 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 16 februari 2016, pagina 180 van eindproces-verbaal 1.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 16 februari 2016, pagina 181 van eindproces-verbaal 1.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 16 februari 2016, pagina 180 van eindproces-verbaal 1.

8 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 16 februari 2016, pagina 181 van eindproces-verbaal 1.

9 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , pagina 205 van eindproces-verbaal 1.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , pagina 206 van eindproces-verbaal 1.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , pagina 210 van eindproces-verbaal 1.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , pagina 211 van eindproces-verbaal 1.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 212 van eindproces-verbaal 1.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 280 van eindproces-verbaal 1.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 281 van eindproces-verbaal 1.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 februari 2016, pagina 351 van eindproces-verbaal 1.

17 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 17 februari 2016, pagina 320 van eindproces-verbaal 1.

18 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 17 februari 2016, pagina 330 van eindproces-verbaal 1.

19 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 17 februari 2016, pagina 332 van eindproces-verbaal 1.

20 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , pagina 283 van eindproces-verbaal 1.

21 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , pagina 284 van eindproces-verbaal 1.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 285 van eindproces-verbaal 1.

23 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 16 februari 2016, pagina 180 van eindproces-verbaal 1.

24 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 340 van eindproces-verbaal 1.

25 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 341 van eindproces-verbaal 1.

26 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 februari 2016, pagina 351 van eindproces-verbaal 1.

27 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 16 februari 2016, pagina 372 van eindproces-verbaal 1.

28 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 16 februari 2016, pagina 382 van eindproces-verbaal 1.

29 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 16 februari 2016, pagina 382 van eindproces-verbaal 1.

30 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 16 februari 2016, pagina 381 van eindproces-verbaal 1.

31 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 341 van eindproces-verbaal 1.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] van 16 februari 2016, pagina 383 van eindproces-verbaal 1.

33 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] van 16 februari 2016, pagina 470 van eindproces-verbaal.

34 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 februari 2016, pagina 522 van eindproces-verbaal 1.

35 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , pagina’s 487-488 van eindproces-verbaal 1.

36 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , pagina’s 490 t/m 492 van eindproces-verbaal 1.

37 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 februari 2016, pagina 649 van eindproces-verbaal 1.

38 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , pagina’s 613 t/m 615 van eindproces-verbaal 1.

39 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] van 16 juni 2016, pagina’s 653 t/m 654 van eindproces-verbaal 1.

40 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 november 2016, pagina 21 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

41 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] namens [aangever 9] , pagina’s 7 t/m 8 van eindproces-verbaal 2.

42 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , pagina’s 4 t/m 5 van eindproces-verbaal 2.

43 Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring van arts [naam arts] van 7 november 2016, pagina 27 van eindproces-verbaal 2.