Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1305

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20-002345-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Jeugdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002345-19

Uitspraak : 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 juli 2019 in de strafzaak met parketnummer

02-665547-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende te [woonadres verdachte] ,

doch thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde heling van een fiets en is verdachte ter zake van het tweemaal openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen, zoals bewezen verklaard onder feit 1 en feit 3, schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel, conform het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens de appelakte, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het hof hierna tevens voor het door de rechtbank onder 1 bewezen verklaarde feit, gelet op artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), na te melden beslissing omtrent de straftoemeting zal nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, het hof verdachte ten aanzien van feit 3 zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met een proeftijd van 2 jaren dan wel 1 jaar.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft de verdediging het hof verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts is ten aanzien van feit 1 verzocht om – op grond van het vierde lid van artikel 423 Sv – te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de bewijsmiddelen, met verbetering van de bewijsmotivering en met uitzondering van de straf.

Aanvulling van de bewijsmiddelen

Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen op pagina’s 4 en 5 van het vonnis, aan met een ruimere weergave van de door [verdachte] bij de politie afgelegde verklaring d.d. 16 februari 2016 (doorgenummerde dossierpagina’s 174-182), als volgt:

(dossierpagina 178)

V: Wat kun je ons vertellen over de openlijke geweldpleging die op 9 oktober 2015 in het Reeshofpark te Tilburg is gepleegd?

A: Ik weet dat ik met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het park aankwam.

(dossierpagina 180)

V: Er zijn meerdere getuigen die verklaren over een persoon van 1.50 meter lang, fors postuur, oorbel in.

A: Dat is mijn broertje (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]). (…) Ik wil gewoon eerlijk zijn. Het kan goed dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] er bij zijn geweest. (…) Het is de groep van [medeverdachte 3] . Het werd een flinke groep van wel 7 man.

V: Er is zelfs geroepen “Klap haar”.

A: Ja, dat klopt wel.

V: Door wie is dat geroepen?

A: Ik zeg gewoon eerlijk, ik denk door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en ik. Wij waren aan het opstoken. Zij voelen zich dan groot en sterker, omdat wij er bij zijn. De groep van [medeverdachte 3] is jonger.

(dossierpagina 181)

V: Wil je nog iets over deze zaak kwijt?

A: Ik heb het opgestookt.

O: We willen het nog even over de [naam groep] hebben.

A: Mijn broertje zit daarbij.

Verbetering van de bewijsmotivering

Het hof bevestigt de door de rechtbank op pagina’s 4 en 5 van het vonnis opgenomen bewijsmotivering ten aanzien van feit 3, met uitzondering van het laatste deel van de tweede alinea op pagina 5, vanaf: “Anders dan de officier van justitie…” tot en met “…dan ook passeren”. Het hof verbetert dat deel van de motivering, als volgt:

Het hof overweegt dat uit de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie, zoals hiervoor opgenomen, volgt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en hij de groep van zijn broertje [medeverdachte 3] getalsmatig hebben versterkt en – doordat zij een aantal jaar ouder waren – die groep zich daardoor groter en sterker voelde. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en hij de groep van [medeverdachte 3] hebben opgestookt door te roepen “Klap haar”. Het hof is van oordeel dat verdachte hiermee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld dat op 9 oktober 2015 jegens [aangeefster] is gepleegd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts nog aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen zou volgen dat [medeverdachte 4] degene moet zijn geweest die de woorden “Klap haar” zou hebben geroepen. Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte, in ieder geval blijkt dat ook verdachte dat heeft geroepen.

Het hof bevestigt derhalve de beslissing van de rechtbank dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

Straf en motivering

Ten aanzien van feit 3

Het hof heeft bij de bepaling van een eventueel op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafbepaling heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met:

 de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 januari 2020, ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk was veroordeeld en derhalve als first offender dient te worden aangemerkt;

 de omstandigheid dat uit voornoemd Uittreksel volgt dat artikel 63 Sr vele malen van toepassing is.

Alles overwegende en mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor minderjarigen, zou in het onderhavige geval, gelet op de ernst en aard van de feit en de gevolgen voor het slachtoffer, een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 à 60 uren, dan wel jeugddetentie van dienovereenkomstige duur, naar het oordeel van het hof een passende straf zijn. Echter, bij de strafvervolging van verdachte is in eerste aanleg de redelijke termijn voor berechting geschonden. Die overschrijding is zodanig extreem dat de bestraffing van verdachte thans geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer dient. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en bepalen dat ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van feit 1

Het hof dient, gelet op het vierde lid van artikel 423 Sv, een straf te bepalen ten aanzien van het niet aan zijn oordeel onderworpen door de rechtbank bewezen verklaarde feit, te weten feit 1. Het hof zal bepalen dat ook ter zake van dit feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Bepaalt dat ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Bepaalt dat ter zake van het door de rechtbank onder 1 bewezen verklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.