Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:13

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
200.254.676_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:325
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. AWR. Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht advocaat en stichting derdengelden terzake door de Belastingdienst verlangde informatie betreffende de vermogenspositie van een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-01-2020
FutD 2020-0091 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/105
NLF 2020/0372 met annotatie van Yola Geradts
NTFR 2020/481 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.254.676/01

arrest van 7 januari 2020

in de zaak van

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te Den Haag,

appellante,

verder: de Belastingdienst,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen:

1 [geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. Stichting Beheer Derdengelden [stichting beheer derdengelden] c.s.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder: de stichting,

geïntimeerden,

gezamenlijk: [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. [geïntimeerde] te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 februari 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 januari 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellant (hierna de Belastingdienst) als eiser en onder meer geïntimeerden (hierna afzonderlijk [geïntimeerde] en de stichting) als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/257327 / KG ZA 18-623)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. Het hof merkt op dat [de cliént] in eerste aanleg mede gedaagde was.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van de Belastingdienst van 23 juli 2019, met een productie;

  • -

    de antwoordakte van [geintimeerden c.s.] van 20 augustus 2019, met een productie;

  • -

    het pleidooi van 5 december 2019, waarbij mr. Wisman pleitnotities heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

  1. [geïntimeerde] heeft als advocaat [de cliént] bijgestaan in diverse (gerechtelijke) procedures.

  2. [de cliént] heeft in Luxemburg bij de [de bank] een bankrekening (gehad) per 30 september 2009 een saldo van circa € 436.000,- (productie 24 van de Belastingdienst). [de cliént] heeft dat saldo overgeboekt naar de rekening van de stichting (hierna te noemen: de derdengeldenrekening).

  3. Op 19 april 2016 heeft de Belastingdienst, in verband met de fiscale aangelegenheden van [de cliént] , haar belastingadviseur, [de belastingadviseur] , een agenda gestuurd voor een overleg op 27 mei 2016 met betrekking tot – kort gezegd – de geldstromen van [de cliént] (productie 2 bij inleidende dagvaarding).

  4. Bij aangetekende brief van 30 oktober 2018 (productie 4 bij inleidende dagvaarding) heeft de Belastingdienst [de cliént] meegedeeld dat de verlangde informatie tot op dat moment niet was verstrekt en dat het verzoek van de Belastingdienst om informatie te verstrekken over de geldstromen van [de cliént] is gegrond op artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR). De Belastingdienst heeft [de cliént] - kort gezegd - gesommeerd om aan haar informatieplicht te voldoen en de volgende gegevens te verstrekken:

- opgave van het buitenlandse vermogen van [de cliént] ;
- opgave van alle bedragen die op de derdengeldenrekening zijn gestort vanaf een buitenlandse bankrekening die toebehoort aan [de cliént] of waarover [de cliént] op welke wijze dan ook kan beschikken;
- verklaring van de herkomst van die bedragen;
- opgave van de bestemming van die bedragen;
- opgave van het eventueel resterende saldo op de rekening van de Stichting.

[de cliént] heeft niet aan de door de Belastingdienst gestelde informatieplicht voldaan. Op de mondelinge behandeling heeft zij - desgevraagd door de voorzieningenrechter - meegedeeld dat zij de informatie (als bedoeld onder d) niet wil verstrekken. [de cliént] heeft bevestigd dat zij het geld afkomstig van haar bankrekening in Luxemburg heeft gestort op de derdengeldenrekening. Zij heeft - kort gezegd - verklaard dat zij dat geld had overgemaakt ter afwikkeling van een procedure, meer concreet om aangekondigde executieveilingen te voorkomen. [de cliént] heeft [geïntimeerde] niet alsnog toegestaan om de Belastingdienst de gevraagde informatie te verstrekken.

De Belastingdienst heeft eind september 2016 contact opgenomen met [geïntimeerde] . De Belastingdienst heeft bij brief van 4 oktober 2016 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) onder meer een (algemeen) derdenonderzoek aangekondigd bij [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft bij e-mail van 19 oktober 2016 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) de Belastingdienst meegedeeld dat hij overleg heeft gehad met de deken van de Orde van Advocaten. [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat het hem niet vrij staat om de Belastingdienst inzage te geven in de derdengeldenrekening, vanwege de geheimhoudingsplicht van [geïntimeerde] .

De Belastingdienst heeft bij brief van 21 april 2017 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) aangegeven op wie ( [de cliént] ) het informatieverzoek van 4 oktober 2016 betrekking heeft. De Belastingdienst heeft bij brief van 9 november 2017 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) [geïntimeerde] voorgesteld om de deken gezamenlijk te benaderen.

[geïntimeerde] heeft bij e-mail van 14 november 2017 (productie 12 bij inleidende dagvaarding) meegedeeld dat hij primair van mening is dat hij een geheimhoudingsplicht heeft en dat het hem niet vrij staat om informatie te verschaffen. Tevens heeft hij de Belastingdienst meegedeeld dat [de cliént] geen toestemming heeft gegeven om informatie aan de Belastingdienst te verstrekken, alsmede dat de deken heeft geadviseerd om geen informatie te verstrekken.

Bij brieven van 30 oktober 2018 (producties 16 en 17 bij inleidende dagvaarding) heeft de Belastingdienst [geïntimeerde] gesommeerd om de volgende gegevens te verstrekken:

- de hoogte van de storting of stortingen afkomstig van de Luxemburgse bankrekening van [de cliént] op de derdengeldenrekening;
- de betalingen die met de op de derdengeldenrekening gestorte gelden zijn verricht;
- het eventueel nog resterende saldo op de derdengeldenrekening.

Bij e-mail van 12 november 2018 (productie 15 van [geïntimeerde] ) heeft [geïntimeerde] de Belastingdienst meegedeeld dat zijn standpunt ongewijzigd blijft.

3.2.

Doordat [geintimeerden c.s.] niet aan de bovenstaande sommaties heeft voldaan, terwijl hij - samengevat - naar de mening van de Belastingdienst is gehouden de gevraagde informatie aan de Belastingdienst te verstrekken, heeft de Belastingdienst in eerste aanleg gevorderd, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, [geintimeerden c.s.] te bevelen volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de door de Belastingdienst gevraagde gegevens en inlichtingen waaronder doch niet uitsluitend alle gegevens en inlichtingen zoals omschreven in paragraaf 8 van de dagvaarding, zulks binnen twee weken na de datum van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten, vermeerderd met wettelijke rente.

[geintimeerden c.s.] heeft verweer gevoerd.

De Belastingdienst heeft in eerste aanleg soortgelijke vorderingen ingesteld tegen [de cliént] . Zij heeft daartegen verweer gevoerd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen tegen [de cliént] (grotendeels) toegewezen, [de cliént] in de kosten in die zaak veroordeeld, de vorderingen tegen [geintimeerden c.s.] afgewezen en de Belastingdienst in de kosten in die zaak veroordeeld (ECLI:NL:RBLIM:2019:325). De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen:

“Voorts betreffende [geïntimeerde] (als rechtspersoon en als advocaat)

4.6.

[geïntimeerde] is een administratieplichtige als bedoeld in artikel 52 lid 2 onder a (rechtspersoon) en b (advocaat) AWR. Met betrekking tot [geïntimeerde] is, op grond van artikel 53 lid 1 aanhef en onder a AWR, artikel 47 AWR van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de belastingheffing van derden. Gelet hierop is [geïntimeerde] - in beginsel - gehouden de gevraagde vermogensrechtelijke informatie (zoals o.a. vermeld in rov. 2.9) aan de Belastingdienst te verstrekken.

Voorts betreffende [geïntimeerde] als advocaat

4.7.

In artikel 53a lid 1 AWR is bepaald dat voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden alleen bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers een beroep kunnen doen op de omstandigheid dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.

4.8.

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de bovenstaande geheimhoudingsplicht en gesteld dat zijn verschoningsrecht mede voortvloeit uit artikel 10a lid 1 Advocatenwet en regel 3 van de Gedragsregels advocatuur betreffende vertrouwelijkheid. Op grond van artikel 11a lid 2 Advocatenwet blijft die geheimhoudingsplicht bovendien voortbestaan na de beëindiging van de beroepsuitoefening of de betrekking waarin de werkzaamheden voor [de cliént] zijn verricht.

Op grond van artikel 10a lid 1 Advocatenwet dient een advocaat in het belang van een goede rechtsbedeling zorg te dragen voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Hij is daartoe, bij de uitoefening van zijn beroep:

“a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt;

(…); en

e. vertrouwenspersoon en neemt hij geheimhouding in acht binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen.”

In artikel 11a Advocatenwet is verder bepaald:

“1 Voor zover niet bij wet of bij verordening van het college van afgevaardigden anders is bepaald, is de advocaat ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht. Dezelfde verplichting geldt voor medewerkers en personeel van de advocaat, alsmede andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening.

2 De geheimhoudingsplicht, bedoeld in het eerste lid, blijft voortbestaan na beëindiging van de beroepsuitoefening of de betrekking waarin de werkzaamheden zijn verricht.”

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [geïntimeerde] terecht een beroep op het bovenstaande verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht heeft gedaan. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende.

4.9.1.

[geïntimeerde] heeft op de mondelinge behandeling betwist dat, indien geld toebehorende aan [de cliént] op de derdengeldenrekening van [geïntimeerde] is gestort, [geïntimeerde] dat geld op die rekening heeft gehad zonder dat dit een redelijk doel diende voor een behandelde zaak van/voor [de cliént] . Indien er geld toebehorende aan [de cliént] op de derdengeldenrekening is gestort, houdt die storting enkel en alleen verband met een zaak die [geïntimeerde] als advocaat voor [de cliént] in behandeling had, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betwist hiermee dat het geld van [de cliént] niet aan [geïntimeerde] is toevertrouwd uit hoofde van de uitoefening van zijn beroep als advocaat.

4.9.2.

In het kader van deze betwisting moet in aanmerking worden genomen dat [de cliént] op de mondelinge behandeling de reden van de storting van het geld op de derdengeldenrekening heeft verfeitelijkt met de stelling dat het geld is overgeboekt naar de derdengeldenrekening ter afwikkeling van een procedure, meer concreet om aangekondigde executieveilingen te voorkomen (zie 2.6 hiervoor). Deze mededeling van [de cliént] is in lijn met haar mededeling in beroep in de fiscale procedure met de zaaknummers AWB 12/2362 tot en met 12/2365, 12/2368 tot en met 12/2375 en 12/6435 tot en met 12/6440. In het beroepschrift in die procedure (productie 20 van de Belastingdienst) is immers op pagina twee te lezen:

“Vervolgens heeft mevrouw [de cliént] in 2011 de gelden overgemaakt naar haar advocaat teneinde de executieveiling af te wenden. Een probleem is dat veel bescheiden niet tot haar beschikking staan, mede doordat haar boedel elders is opgeslagen en niet toegankelijk is zolang zij nog geen vaste verblijfplaats heeft.”

4.9.3.

[geïntimeerde] heeft, mede gelet op het bovenstaande, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft kunnen bepalen dat de informatie betreffende door [de cliént] gestorte gelden op de derdengeldenrekening onder zijn (voortdurende) geheimhoudingsverplichting en dus verschoningsrecht valt. Het beroep van [geïntimeerde] op zijn geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht kan de marginale toets in deze procedure doorstaan, waarbij wordt meegewogen dat is gesteld noch gebleken dat de Belastingdienst voldoende diepgaand onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de stelling van [de cliént] dat met de gelden, kort gezegd, betalingen zijn verricht om executieveilingen te voorkomen.

4.9.4.

De stelling van de Belastingdienst dat - kort gezegd - de gelden niet aan [geïntimeerde] zijn toevertrouwd uit hoofde van de uitoefening van zijn beroep als advocaat van [de cliént] , en de blote stelling van de Belastingdienst op de mondelinge behandeling dat door [de cliént] “bankje wordt gespeeld bij [geïntimeerde] ”, worden dan ook verworpen.

4.10.

Gelet op al het vorenoverwogene slaagt het beroep van [geïntimeerde] op zijn geheimhoudingsverplichting en verschoningsrecht. De vorderingen tegen gedaagde sub 3, zoals vermeld in het petitum van de dagvaarding onder II en III, dienen dan ook te worden afgewezen.

Voorts betreffende de stichting derdengelden

4.11.

Zoals hiervoor in 4.8 is vermeld, geldt op grond van artikel 11a Advocatenwet dat de geheimhoudingsplicht waartoe de advocaat verplicht is, ook “voor medewerkers en personeel van de advocaat, alsmede andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening.” De stichting derdengelden heeft op dit afgeleide recht een beroep gedaan en de Belastingdienst heeft op de mondelinge behandeling erkend dat de gedaagde sub 2 dat recht heeft.

4.12.

Gelet hierop moeten de vorderingen tegen de stichting derdengelden, met in achtneming van overweging 4.10, worden afgewezen.”

3.4.

De Belastingdienst heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. De Belastingdienst heeft daarmee het geschil in zijn volle omvang aan het hof voorgelegd. De Belastingdienst heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van het gevorderde. [geintimeerden c.s.] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.5.

Het hof is in de eerste plaats evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat de Belastingdienst het vereiste spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen (rov. 4.1):

“De door de Belastingdienst gevraagde informatie is gegrond op de wet en nodig voor de beoordeling door de Belastingdienst van de geldstromen van [de cliént] en eventuele belastingheffingen. Het verkrijgen van dergelijke informatie is naar de aard en doel van de belastingheffing spoedeisend. De Belastingdienst heeft bovendien, wat betreft [de cliént] sedert medio 2016 en wat betreft [geïntimeerde] sedert september 2016, meermalen getracht de (…) gevraagde informatie te verkrijgen. [de cliént] en [geïntimeerde] hebben echter volhard in het niet verstrekken van die informatie. Het spoedeisend belang in deze zaak is dan ook niet gecreëerd door het niet (tijdig), dan wel onvoldoende, ondernemen van actie door de Belastingdienst. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.”

Het hof neemt dit oordeel – ten aanzien van [geintimeerden c.s.] – over en maakt het tot het zijne.

3.6.

Het hof stelt het algemene fiscale kader van de AWR en de regels over geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht in de advocatuur voorop. Het hof neemt de overwegingen van de voorzieningenrechter (4.6-4.8; 3.3 hiervoor) over en maakt deze tot de zijne.

3.7.

Het hof heeft ook het volgende in aanmerking genomen.

( a) HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, rov. 3.1 en 3.5 (inleidende dagvaarding, 9.4 en 9.8): “De grondslag van dit verschoningsrecht [van de notaris, hof] moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. (…) Het hof heeft geen onjuist criterium aangelegd door te oordelen dat de notaris het verschoningsrecht slechts kan worden ontzegd “wanneer buiten redelijke twijfel staat, dat met de gevraagde getuigenis niet wordt getreden in de vertrouwenssfeer van zijn ambt”, waarmee het Hof heeft willen aangeven dat de aard van het verschoningsrecht meebrengt dat de opgegeven vragen niet behoeven te worden beantwoord, zolang de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.”

( b) HR 11 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1296, NJ 1995, 3, rov. 3.3 (inleidende dagvaarding, 9.6): “Wanneer een notaris door twee of meer partijen die hebben onderhandeld over een transactie en daarbij voldoende overeenstemming hebben bereikt, wordt ingeschakeld om aan hen bijstand te verlenen door het ontwerpen en uiteindelijk verlijden van een notariële akte, zal de notaris, in elk geval bij een geschil tussen deze partijen, zich niet op zijn verschoningsrecht kunnen beroepen, voor zover zijn getuigenis wordt verlangd ter zake van de totstandkoming en de uitleg van die transactie (HR 25 sept. 1992, NJ 1993, 467) (https://www.navigator.nl/document/id15761992092514652nj1993467dosred). In het onderhavige geval gaat het niet om een geschil tussen partijen, maar om een geschil tussen een aantal van deze partijen en een derde die zich op het standpunt stelt dat hij als gevolg van deze transactie in hem toekomende rechten is benadeeld. In een dergelijk geval zal de notaris zich ook ten aanzien van vragen over de totstandkoming en de uitleg van de transactie waarop in het geding met de derde een beroep is gedaan, slechts kunnen verschonen, wanneer gezegd kan worden dat die transactie dan wel de feiten van belang voor de uitleg daarvan, hem zijn 'toevertrouwd' in die zin dat zij voor derden, in het bijzonder de derde die in het geding betrokken is, verborgen dienen te blijven. Dat zulks het geval is kan voortvloeien zowel uit de vertrouwelijke aard van de transactie zelf als uit een uitdrukkelijk uitgesproken dan wel aannemelijk te achten verlangen van partijen. In beginsel ligt dit echter niet voor de hand en zullen daarvoor dus duidelijke aanwijzingen moeten zijn (…), wanneer het gaat om een transactie van zakelijke aard als de overdracht (…) van een overneming, die naar haar aard tegen derden zal moeten kunnen worden ingeroepen, wil zij haar volle werking hebben.”

( c) Conclusie van A-G Wattel 18 september 2009, 5.2, ECLI:NL:PHR:2009:BI5906 (inleidende dagvaarding, 4.3): “De fiscus zal een reden moeten hebben om aan te nemen dat de informatie of inzage die hij wil vorderen voor de belastingheffing ten aanzien van de gevorderde van belang kan zijn, maar voldoende is in beginsel dat de gevraagde gegevens of inzage “op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige”, dus als aannemelijk is dat het gevraagde een minimale fiscale relevantie heeft”.

( d) Kamerstukken II, 1988-1989, 21287, nr. 3, p. 25-26 (inleidende dagvaarding, 10.3; grieven, 3.9): “Artikel 53a, eerste lid, is materieel gelijk aan het bestaande tweede lid van artikel 53. De bepaling regelt de kwestie van de geheimhouding van bepaalde beroepsbeoefenaren met betrekking tot gegevens die hun eigen administratie mogelijkerwijs omtrent derden bevat, omtrent de inlichtingen die zij in dat verband zouden kunnen geven en met name ook omtrent bescheiden welke hen in het kader van hun beroepsuitoefening als “vertrouwensman” als zodanig zijn toevertrouwd. Indien de fiscus de administratie van de bedoelde beroepsbeoefenaren wenst in te zien ter verkrijging van gegevens ten behoeve van de belastingheffing van derden of omtrent laatstbedoelden inlichtingen vraagt, kunnen zij zich op hun geheimhoudingsplicht beroepen. De mogelijkheid van geheimhouding geldt niet voor gegevens ten behoeve van de ‘eigen’ belastingheffing, zoals blijkt uit art. 51. Ook kan geen beroep op geheimhouding worden gedaan indien bij voorbeeld één van de in artikel 53a, eerste lid, bedoelde beroepsbeoefenaren de administratie van een derde in zijn bezit heeft in een andere hoedanigheid dan die van “vertrouwensman”. Hij zal deze dan ter inzage moeten verstrekken op grond van artikel 48. Een belastingplichtige kan dus niet (delen van) zijn administratie aan een controle door de fiscus onttrekken door deze in bewaring te geven bij een onder artikel 53a vallende beroepsbeoefenaar. Slechts voor zover een dergelijke beroepsbeoefenaar in zijn specifieke maatschappelijke vertrouwensfunctie beschikt over informatiedragers van een belastingplichtige kan de desbetreffende beroepsbeoefenaar zich van de informatieverplichting jegens de fiscus verschonen. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn bij informatiedragers welke behoren tot het procesdossier van een advocaat.”

( e) Kamerstukken II, 1988-1989, 21287, nr. 5, p. 26 (inleidende dagvaarding, 10.3; grieven, 3.9): “Ik neem hierbij in aanmerking dat in de rechtspraak ten aanzien van de beoefenaars van de zogenaamde vertrouwensberoepen, zoals bij voorbeeld de notaris, is uitgemaakt dat hun verschoningsrecht als getuige slechts geldt voor zover het desbetreffende gegeven aan hen is toevertrouwd in het kader van de uitoefening van hun beroep. Daaraan kan de conclusie worden verbonden dat a fortiori buiten geding, bijvoorbeeld in het door deze leden ter sprake gebrachte geval van een oneigenlijk beroep op een plicht tot geheimhouding van de in artikel 53a genoemde beoefenaren van vertrouwensberoepen tegenover de fiscus, wanneer deze beroepsbeoefenaar optreedt op een ander gebied, bij voorbeeld als bewaarder van financiële stukken, enveloppen, of iets dergelijks, de inzage in boeken of bescheiden of inbeslagneming daarvan niet kan worden tegengegaan met een beroep op zijn plicht tot geheimhouding.”

( f) Toelichting op artikel 6.20 Verordening op de advocatuur (grieven, 4.24): “In het eerste lid is opgenomen dat de regels met betrekking tot derdengelden ook van toepassing zijn op waardepapieren en kostbaarheden die de advocaat als derdengelden ontvangt. De advocaat moet zich er wel van vergewissen dat hij het tweede lid van dit artikel niet overtreedt. Het komt voor dat een advocaat wordt verzocht gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aan te nemen. Men kan hierbij denken aan het verzoek van een cliënt of tussenpersoon een gesloten envelop met inhoud voor kortere of langere tijd te bewaren of onder zich te houden. De advocaat riskeert in dat geval dat cliënten hem vanwege zijn verschoningsrecht misbruiken als dekmantel voor belastingvergrijpen en/of strafrechtelijke vergrijpen. Medewerking verlenen aan dergelijke verzoeken is niet toegestaan. De advocaat mag uitsluitend zaken en goederen aannemen indien dat in het kader van de door hem behandelde zaak een redelijk doel dient. Dit voorschrift geldt eveneens wanneer de gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken niet als derdengelden worden toevertrouwd aan de advocaat.”

( g) Toelichting op artikel 6.22 Verordening op de advocatuur (grieven, 4.25): “Het derde lid van artikel 6.22 houdt expliciet in dat de stichting uitsluitend mag worden gebruikt voor derdengelden in de zin van de verordening. Dat betekent dat de advocaat alleen derdengelden mag ontvangen op de bankrekening van de stichting derdengelden voor zover deze direct zijn te relateren aan een zaak en deze gelden ook functioneel zijn voor het verloop van die zaak. In alle overige gevallen is het ontvangen van gelden op de stichting derdengelden niet toegestaan. In die overige gevallen is de stichting, althans het bestuur ervan, gehouden om de gelden te weigeren en terug te storten.”

3.8.

De Belastingdienst heeft in hoger beroep onweersproken gesteld dat de executieveilingen ten laste van [de cliént] hebben plaatsgevonden en dat noch door [geïntimeerde] , noch vanuit de Stichting middelen zijn aangewend ter voorkoming van die veilingen, zoals [de cliént] blijkens het bestreden vonnis in eerste aanleg ter zitting zou hebben verklaard (bestreden vonnis, 4.9.2; 3.3 hiervoor). De Belastingdienst heeft ook gewezen op standpunten van [de cliént] in bestuursrechtelijke procedures (over matiging van boetes): [geïntimeerde] heeft daarin namens [de cliént] verklaard dat zij geen middelen had, maar [de cliént] heeft geen openheid van zaken gegeven over de stand van de derdengeldenrekening, aldus de Belastingdienst (grieven, 4.14). De Belastingdienst heeft aan deze stellingen de conclusie verbonden dat de positie van [geintimeerden c.s.] op één lijn kan worden gesteld met de positie van een advocaat die omvangrijke bedragen (al dan niet in contanten) aanneemt en voor onbepaalde tijd bewaart, eventueel desverlangd uitkeringen of betalingen uitvoert en aldus in feite als bankier optreedt voor een klant. De positie van een dergelijke advocaat mag volgens de Belastingdienst niet anders zijn dan de positie van een bank, die vanzelfsprekend verplicht is openheid van zaken te geven tegenover de Belastingdienst. Daarom staat niets in de weg aan de toewijzing van het gevorderde, aldus de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft bij gelegenheid van het pleidooi het standpunt ingenomen dat zij voor het verloop van het saldo van [de cliént] op de derdengeldenrekening de gehele, zoals zij dat omschrijft, film wil kunnen volgen. Daarvoor volstaan niet de saldi per 1 januari van een betreffend jaar, aldus de Belastingdienst.

3.9.

[geintimeerden c.s.] heeft zijn verweren op deze punten gehandhaafd (bestreden vonnis, 4.9.1; 3.3 hiervoor). [geintimeerden c.s.] heeft gewezen op zijn geheimhoudingsplicht (artikelen 10a en 11a Advocatenwet en Regel 3 Gedragsregels Advocatuur). Hij heeft opgemerkt dat het aan hem is te beslissen of hem een beroep toekomt op het verschoningsrecht (pleitnota eerste aanleg, 27) en dat twee dekens hem, na landelijk overleg, hebben geadviseerd geen medewerking te verlenen aan de verzoeken van de Belastingdienst.

3.10.

Het hof volgt het standpunt van de Belastingdienst grotendeels – kort gezegd: voor zover het gaat om de storting(en) en de saldi op 1 januari van ieder belastingjaar – en verwerpt de verweren van [geintimeerden c.s.] in zoverre. Het hof betrekt de jurisprudentie en het overige materiaal, als hiervoor onder 3.7 aangehaald, bij dit oordeel. Meer in het bijzonder neemt het hof hierbij in aanmerking dat een verschoningsrecht niet reeds voortvloeit uit het feit dat [geïntimeerde] een geheimhoudingsplicht heeft. [geintimeerden c.s.] kan blijkens de aangehaalde jurisprudentie een beroep op verschoning worden ontzegd “wanneer buiten redelijke twijfel staat, dat met de gevraagde getuigenis niet wordt getreden in de vertrouwenssfeer van zijn ambt”. Ten aanzien van de hem voorgelegde vragen dient per vraag beoordeeld te worden of dit het geval is. Van [geintimeerden c.s.] mag worden verlangd dat hij specifiek ten aanzien van elk onderdeel van de verlangde informatie aangeeft waarom het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hem moet kunnen wenden.

3.11.

De Belastingdienst heeft op drie specifieke punten, nader toegelicht bij gelegenheid van het pleidooi, om informatie gevraagd die relevant is voor het vaststellen van de vermogenspositie van [de cliént] per 1 januari van elk belastingjaar. De Belastingdienst heeft daarbij ter zitting aangevoerd dat het fiscaal belang is gelegen in de wens om een deugdelijke aanslag op te kunnen leggen die is gebaseerd op vastgestelde informatie en niet op door [de cliént] in bezwaar- en beroepsprocedures aanvechtbare schattingen van de Belastingdienst, ter zake waarvan de bewijslast bij de Belastingdienst ligt en met het verloop van de jaren steeds zwaarder gaat drukken. De Belastingdienst wil daarom weten welk bedrag door [de cliént] onder de Stichting is gestort, welk bedrag de Stichting telkens per 1 januari van de jaren vanaf 2010 voor [de cliént] onder zich heeft gehad en, bij gebleken afname van de saldi, wie waarvoor met die gelden is betaald.

3.12.

[geintimeerden c.s.] heeft tegen deze achtergrond voorshands niet voldoende toegelicht dat en waarom in zoverre ( [geintimeerden c.s.] in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat) ten aanzien van het gestorte bedrag sprake is van informatie die hem in de hoedanigheid van vertrouwensman is toevertrouwd, direct te relateren is aan een door hem behandelde zaak en daarom geheim moet blijven. [geintimeerden c.s.] heeft immers geen nadere uitleg gegeven over de reden voor de storting(en), noch betwist dat de gestorte gelden of delen daarvan nog steeds op de derdengeldenrekening van de Stichting staan. Dat had op zijn weg gelegen. De Belastingdienst heeft immers gewezen op het onweersproken feit dat de gelden, anders dan de Voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft aangenomen, niet zijn gebruikt ter voorkoming van de executieveilingen. Bij deze stand van zaken heeft de Belastingdienst voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat [geintimeerden c.s.] de middelen voor onbepaalde tijd bewaart of onder zich houdt en dat deze middelen niet functioneel zijn voor een door [geïntimeerde] als advocaat behandelde zaak. Dit geldt te meer in het licht van de onweersproken gestelde herkomst van de middelen (een bankrekening in Luxemburg, een land dat een bankgeheim kende) en de ook in dit geding onopgehelderde onregelmatigheid waarop de Belastingdienst heeft gewezen met betrekking tot de verklaring van [geïntimeerde] namens [de cliént] in andere procedures luidende dat zij geen middelen had (zie onder 3.8 hiervoor). [geïntimeerde] heeft daarbij in rechte geen openheid van zaken gegeven over de stand van de derdengeldenrekening. [geintimeerden c.s.] is daar bij gelegenheid van het gehouden pleidooi verder ook niet op ingegaan. Daar komt bij dat de stand van het saldo per 1 januari van een bepaald jaar een puur feitelijk gegeven is, waaraan niet valt te ontlenen welke motieven aan eventuele mutaties daarvan ten grondslag hebben gelegen. Het beroep van [geintimeerden c.s.] op zijn geheimhoudingsplicht en zijn verschoningsrecht is gelet op het voorgaande voor wat betreft de saldi van de storting en de stand van de saldi per 1 januari van de belastingjaren vanaf 2010 voorshands onvoldoende gemotiveerd. Het hof verwerpt dit beroep.

3.13.

Het hof neemt in aanmerking dat de Belastingdienst ter gelegenheid van het pleidooi zijn belang bij de waarheidsvinding, en de uitoefening van fiscale bevoegdheden in dat kader, voorshands voldoende heeft toegelicht. De Belastingdienst gaat er (evenals het hof) van uit dat hij de belastingplicht kan schatten, aan [de cliént] belastingaanslagen (inkomstenbelasting, box 3) kan opleggen, dwangbevelen kan uitvaardigen en beslag kan leggen. Maar de Belastingdienst heeft voorshands voldoende gemotiveerd welk belang hij heeft bij de waarheidsvinding.

3.14.

De situatie is evenwel naar het oordeel van het hof – in dit stadium – anders voor zover het gaat om de eventuele bestemming van middelen die [geintimeerden c.s.] mogelijk niet langer onder zich heeft (“de betalingen die met de op de derdengeldrekening gestorte gelden zijn verricht” in de formulering van de Belastingdienst, 3.1 j hiervoor). Voor zover hiervan betalingen hebben plaatsgevonden, kunnen die, naar voorshands moet worden aangenomen, berusten op één of meer daartoe door [de cliént] aan [geïntimeerde] en/of de stichting verstrekte opdrachten. Voorshands is het hof van oordeel dat hetgeen in dat verband tussen [geïntimeerde] en [de cliént] is besproken valt binnen de vertrouwenssfeer van [geïntimeerde] beroep van advocaat. In elk geval kan aan hetgeen de Belastingdienst heeft aangevoerd niet worden ontleend dat buiten redelijke twijfel staat dat dat niet het geval is. Het is aan [geïntimeerde] om te boordelen of dat het geval is en, zo ja, of hij zijn geheimhoudingsplicht schendt wanneer hij desondanks de verlangde informatie aan de Belastingdienst verstrekt. De gevorderde voorziening ten aanzien van deze informatie komt het hof in zoverre in dit stadium prematuur voor. Het hof zal het gevorderde met betrekking tot de besteding van eventueel betaalde bedragen daarom afwijzen. Indien na dit arrest (uit de antwoorden van [geintimeerden c.s.] op grond van na te melden bevel) blijkt dat dergelijke betalingen niet hebben plaatsgevonden, heeft de Belastingdienst geen belang bij een bevel in zoverre. Indien (uit die antwoorden) blijkt dat dergelijke betalingen wel hebben plaatsgevonden, kan de Belastingdienst nadere vragen stellen aan [geintimeerden c.s.] en zo nodig opnieuw een voorziening in rechte vorderen, met dien verstande dat de Belastingdienst in dat geval feiten en omstandigheden zal moeten aanvoeren die het oordeel rechtvaardigen dat buiten redelijke twijfel staat dat de verlangde informatie niet valt binnen de vertrouwenssfeer die de relatie tussen [de cliént] en [geïntimeerde] als advocaat beheerst. In zoverre falen de grieven en moet het gevorderde worden afgewezen.

3.15.

Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat het het oordeel van de voorzieningenrechter onder 4.11 van het bestreden vonnis overneemt en tot het zijne maakt: de stichting heeft op grond van artikel 11a Advocatenwet een afgeleid verschoningsrecht.

3.16.

[geintimeerden c.s.] heeft ook verweer gevoerd met betrekking tot de gevorderde dwangsom en de uitvoerbaarheid bij voorraad (pleitnota eerste aanleg, 37). Het hof verwerpt deze verweren. [geintimeerden c.s.] wijst er terecht op dat de verstrekking van gegevens niet kan worden teruggedraaid. Maar het belang van [geintimeerden c.s.] om het tijdstip, dat dit arrest in kracht van gewijsde gaat, af te wachten voordat hij het bevel naleeft, weegt naar het oordeel van het hof in aanmerkelijke mate minder zwaar dan het belang van de Belastingdienst bij spoedige uitvoering van het arrest. Het verstrekken van de informatie zoals hierna zal worden bepaald heeft geen vermogensrechtelijke consequenties voor [geintimeerden c.s.] en in zoverre is zijn belang bij afwijzing van de uitvoerbaarheid bij voorraad beperkt. Het hof betrekt hierbij voorts de overwegingen hiervoor (3.5 en verder), alsmede het feit dat [de cliént] de belastingplichtige is en zij persisteert in haar weigering om aan haar informatieplicht te voldoen. Anders dan [geintimeerden c.s.] aanvoert, is daarom niet aannemelijk dat de Belastingdienst de verlangde informatie van [de cliént] zelf kan verkrijgen. Dit geldt ook in het licht van het tijdsverloop. De Belastingdienst heeft dit kort geding pas in 2018 ingeleid. De prikkel tot nakoming, die ligt besloten in de dwangsom, komt het hof voorshands redelijk en niet onnodig voor. Het hof acht de dwangsom zoals gevorderd niet onredelijk of onevenredig. Het hof zal de dwangsom maximeren als na te melden. Het hof zal het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3.17.

Het voorgaande betekent dat het hof het gevorderde als na te melden – voor zover het gaat om de storting(en) en de saldi op 1 januari van ieder belastingjaar – zal toewijzen. In zoverre slagen de grieven en moet het bestreden vonnis worden vernietigd.

3.18.

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven grotendeels slagen. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering van de Belastingdienst moet als na te melden worden toegewezen (met inbegrip van de op zichzelf onbetwiste vordering tot terugbetaling van hetgeen is voldaan op grond van het bestreden vonnis) en voor het overige worden afgewezen. [geintimeerden c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende

beveelt [geintimeerden c.s.] binnen twee weken na de datum van dit arrest volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de navolgende inlichtingen aan de Belastingdienst:

  • -

    de hoogte van de storting of stortingen afkomstig van (de) Luxemburgse, althans buitenlandse, bankrekening(en) van [de cliént] op de derdengeldenrekening;

  • -

    het eventueel resterende saldo op 1 januari van ieder belastingjaar vanaf voornoemde storting(en) tot op heden en in de toekomst, zolang [geintimeerden c.s.] gelden van [de cliént] onder zich zal hebben;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [geintimeerden c.s.] in gebreke blijft in de nakoming van voornoemd bevel, tot een maximum van € 200.000,00;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] tot betaling aan de Belastingdienst van het bedrag dat de Belastingdienst op grond van het bestreden vonnis aan [geintimeerden c.s.] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de dag der integrale restitutie door [geintimeerden c.s.] ;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de Belastingdienst op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 626,00 aan griffierecht en op € 1.629,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 99,01 aan dagvaardingskosten, op € 741,00 aan griffierecht en op € 3.759,00 aan salaris advocaat in hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Cremers, L.S. Frakes en M.J.C. Pieterse en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2020.

griffier rolraadsheer