Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1276

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
200.267.432_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstek. Koerier. Ontvangen bedragen niet afgedragen. Werkzaamheden voortgezet in eenmanszaak van partner. Onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.267.432/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,
advocaat: mr. M.A. Geuze te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juli 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellante (hierna [de vennootschap] ) als eiseres en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/358898 / HA ZA 19-347)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het op de rol tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven, met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Bij de door [de vennootschap] overgelegde stukken ontbreekt een overzicht van de producties, alsmede diverse bij producties behorende eigen producties, waaronder bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, de in de procedure tegen [partner van geintimeerde] overgelegde overzichten van ontvangsten en betalingen.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken het volgende vast.

  1. [de vennootschap] verkoopt en levert meubels.

  2. [geïntimeerde] dreef aanvankelijk als eenmanszaak een onderneming ‘ [Koeriers] Koeriers’, maar hij is in 2014 in staat van faillissement verklaard. [geïntimeerde] heeft daarna dezelfde werkzaamheden voortgezet, maar dan onder de vlag van een nieuwe eenmanszaak van zijn partner ( [partner van geintimeerde] , handelend onder de naam ‘ [Sneltransport] Sneltransport’).

  3. [geïntimeerde] heeft vanuit ‘ [Sneltransport] Sneltransport’ contact gezocht met [de vennootschap] , waarna hij meubels voor [de vennootschap] bij klanten van [de vennootschap] heeft bezorgd en betalingen van die klanten voor [de vennootschap] in ontvangst heeft genomen.

  4. [geïntimeerde] heeft de betalingen die hij per pin of contant ontving voor [de vennootschap] deels wel en deels niet aan [de vennootschap] afgedragen.

  5. [de vennootschap] heeft [partner van geintimeerde] in rechte betrokken en een executoriale titel verkregen. Deze titel strekt tot betaling aan [de vennootschap] van bedragen die de eenmanszaak van [partner van geintimeerde] van klanten van [de vennootschap] heeft ontvangen. Het gaat daarbij om dezelfde niet afgedragen bedragen als hiervoor onder d. vermeld, naast rente en proceskosten.

3.2.

[de vennootschap] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] veroordeelt € 73.963,75 te betalen, te vermeerderen met rente vanaf 30 augustus 2018 en kosten.

[geïntimeerde] is niet verschenen.

3.3.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis het gevorderde afgewezen. Daarbij overwoog de rechtbank dat [de vennootschap] had nagelaten te stellen op basis van welke grondslag [geïntimeerde] (in privé) gehouden is het bedrag aan [de vennootschap] te betalen.

3.4.

[de vennootschap] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Zij heeft bij dagvaarding geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing alsnog van haar vorderingen.

[geïntimeerde] is niet verschenen.

3.5.

In afwijking van het petitum van de dagvaarding in hoger beroep vordert [de vennootschap] bij memorie van grieven [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van (primair) € 81.109,63 en (subsidiair) € 73.963,75, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente hierover vanaf 30 augustus 2018.

Mogelijk heeft [de vennootschap] met de primaire vordering enkel bedoeld de vervallen wettelijke rente tot 27 november 2019 mee te rekenen (productie 12), maar door tevens ongewijzigd de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 te vorderen houdt het petitum een vermeerdering van eis in. Nu die vermeerdering niet bij exploot aan [geïntimeerde] bekend is gemaakt, zal het hof geen acht slaan op die vermeerdering van eis (art. 353 lid 1 en 130 lid 3 Rv).

3.6.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.7.

De strekking van de grieven is (onder meer) primair dat [geïntimeerde] persoonlijk (niet (alleen) in hoedanigheid van medewerker van de eenmanszaak van [partner van geintimeerde] ) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de vennootschap] . [de vennootschap] stelt ter toelichting dat [geïntimeerde] bedragen van klanten van [de vennootschap] in ontvangst heeft genomen, in de wetenschap dat deze bedragen zijn bestemd voor [de vennootschap] , en dat [geïntimeerde] heeft nagelaten om deze bedragen aan [de vennootschap] af te dragen (grieven, 10-11). Volgens [de vennootschap] moet dit gedrag worden aangemerkt als diefstal, als ook het plegen van een onrechtmatige daad (grieven, 9, 21). [de vennootschap] stelt verder dat [geïntimeerde] in feite de gehele eenmanszaak dreef, eerst onder zijn eigen naam, en na faillietverklaring verder onder de naam van [Sneltransport] Sneltransport/ [partner van geintimeerde] (als stroman/katvanger) (grieven, 8, 10-11, 13) en subsidiair dat [geïntimeerde] zijn aansprakelijkheid heeft erkend in verschillende e-mails (grieven, 23-25).

3.8.

Het hof is van oordeel dat de vordering van [de vennootschap] op de primaire grondslag wat betreft de hoofdsom van € 61.813,25 niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. De stellingen van [de vennootschap] zijn onweersproken en zij zijn voldoende om de vordering tot betaling van de hoofdsom te dragen. Het hof leidt uit de toelichting van [de vennootschap] af dat [partner van geintimeerde] tot op heden niet (volledig) heeft betaald, ondanks inspanningen van [de vennootschap] voor de executie van het vonnis tegen [partner van geintimeerde] (3.1 e hiervoor).

3.9.

Het hof zal de in eerste aanleg gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (€ 1.500,00) ambtshalve beoordelen. Het hof acht deze vordering onvoldoende onderbouwd. [de vennootschap] heeft onvoldoende toegelicht wat door of namens haar is gedaan om [geïntimeerde] tot betaling te bewegen en dat en waarom zij aanspraak heeft op deze vergoeding. Het hof zal deze vordering daarom afwijzen.

3.10.

De gevorderde vergoedingen voor “proceskosten” en “executiekosten” (petitum grieven; producties 3 en 12, grieven) komen ongegrond en onvoldoende onderbouwd voor. [de vennootschap] heeft de grondslag van haar vordering op [geïntimeerde] voor wat betreft deze vergoedingen niet toegelicht, ook niet op de subsidiaire grondslag.

3.11.

Het hof overweegt nog dat de wettelijke handelsrente niet is verschuldigd bij gebreke van een handelsovereenkomst (6:119a BW) nu de vordering wordt toegewezen op het primair gestelde onrechtmatig handelen. De vordering van [de vennootschap] komt in zoverre ongegrond voor. Het hof zal de gewone wettelijke rente van art. 6:119 BW toewijzen als na te melden.

3.12.

De beoordeling leidt tot de volgende conclusies. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De door [de vennootschap] gevorderde hoofdsom (€ 61.813,25, productie 12, grieven) moet alsnog worden toegewezen. De in eerste aanleg gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten moet als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen (€ 1.500,00). De vergoedingen voor “proceskosten” en “executiekosten” (petitum grieven; producties 3 en 12, grieven) moeten als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. De wettelijke handelsrente is niet verschuldigd bij gebreke van een handelsovereenkomst (6:119a BW). De wettelijke rente is als onweersproken verschuldigd. Het hof zal deze rente toewijzen vanaf 30 augustus 2018. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in eerste aanleg worden veroordeeld. De proceskosten in hoger beroep blijven als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [de vennootschap] , die haar vordering in eerste aanleg onvoldoende heeft onderbouwd.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerde] € 61.813,25 aan [de vennootschap] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119 BW vanaf 30 augustus 2018 over € 61.813,25 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de vennootschap] op € 85,18 aan dagvaardingskosten, op € 1.992,00 aan griffierecht en op € 1.074,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 10 juli 2019 wat betreft de kosten in eerste aanleg dan wel het einde van voormelde termijn wat betreft de kosten in hoger beroep en de nakosten, telkens tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer