Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1271

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
200.252.637_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8149
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht; artikel 57 Pw; berekening partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen; ‘doorschuifregeling’;

Wetsverwijzingen
Pensioenwet 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.252.637/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C.P.R.M. Dekker te 's-Gravenhage,

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als ABP,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 november 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 augustus 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en ABP als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6823779 CV EXPL 18-2342)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 26 maart 2019;

  • -

    de memorie van antwoord van 4 juni 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1945, is achtereenvolgens gehuwd (geweest) met:

- mevrouw [ex-echtgenote 1] , van 20 december 1972 tot 13 januari 1977,

- mevrouw [ex-echtgenote 2] , van 2 juni 1978 tot 3 november 1989,

- mevrouw [ex-echtgenote 3] , van 4 november 1991 tot 16 september 2003,

- mevrouw [huidige echtgenote van appellant] , van 22 mei 2007 tot heden.

[ex-echtgenote 2] is op 20 april 2007 overleden.

[appellant] heeft met [ex-echtgenote 3] een echtscheidingsconvenant gesloten. Daarin is onder meer bepaald:

“De man heeft voor de vrouw aanspraken op nabestaandenpensioen [bijzonder nabestaandenpensioen] opgebouwd bij zijn pensioenfonds ABP. De vrouw behoudt deze aanspraken althans voor zover deze zijn opgebouwd tot aan de datum van echtscheiding”.

In geval van echtscheiding verkrijgt de ex-echtgenoot een zelfstandige aanspraak op partnerpensioen bij de pensioenuitvoerder, in dit geval ABP. Deze aanspraak komt tot uitkering nadat de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is overleden. Dit pensioen voor de ex-partner wordt het bijzonder partnerpensioen of ook wel bijzonder nabestaandenpensioen genoemd (hierna aan te duiden als: BPP).

Na het overlijden van [ex-echtgenote 2] heeft ABP haar aanspraak op BPP toegerekend aan het BPP van [ex-echtgenote 3] (en dus niet aan het PP van de huidige echtgenoot van [appellant] , [huidige echtgenote van appellant] ).

Na het overlijden van [ex-echtgenote 2] heeft [appellant] informatie opgevraagd bij het ABP. Bij e-mail van 23 augustus 2007 heeft ABP [appellant] verwezen naar het Uniform Pensioen Overzicht 2007 en gemeld dat de rechten van het BPP van [ex-echtgenote 2] worden toegekend aan [ex-echtgenote 3] . [appellant] heeft daartegen op 24 oktober 2007 bezwaar aangetekend, welk bezwaar op 20 december 2007 is verworpen. [appellant] heeft geen rechtsmiddel tegen die beslissing aangewend.

Eind 2015 heeft [appellant] per e-mail bij APB geïnformeerd naar wijzigingen in het Pensioenreglement (PR) ABP. Daarover heeft ABP [appellant] bij brief van 1 december 2015 geïnformeerd, waarin ABP onder meer bericht dat het BPP dat aanvankelijk toekwam aan [ex-echtgenote 2] , zal worden toegevoegd aan het BPP van [ex-echtgenote 3] .

Met ingang van 1 januari 2015 is de Pensioenwet (Pw) gewijzigd, meer in het bijzonder door toevoeging van een zesde lid aan art. 57 Pw. Met ingang van 1 januari 2016 is – omdat de sociale partners in de wijziging van de Pw daarin aanleiding zagen – het PR ABP aangepast. In art. 9.11 PR ABP is bepaald dat bij een overlijden van of een afstandsverklaring door de BPP-gerechtigde, het recht op BPP vervalt. Aan art. 9.6 PR ABP is een tweede lid toegevoegd, op grond waarvan deze (vervallen) aanspraak wordt toegevoegd aan het partnerpensioen van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde. Bij overlijden van die (gewezen) deelnemer of gepensioneerde, komt dit BPP ten goede aan de huidige partner. In de Overgangsregeling bij art 9.11 PR APB is bepaald dat deze wijziging alléén van toepassing is wanneer sprake is van het overlijden van een ex-partner op of na 1 januari 2016, of een afstandsverklaring op of na 1 januari 2016.

Bij brief van 24 februari 2016 heeft [appellant] bij APB geklaagd over de informatievoorziening door ABP inzake het BPP. Daarop heeft ABP bij brief van 9 maart 2016 gereageerd. In deze brief bevestigt APB (wederom) dat nu [ex-echtgenote 2] in 2007 is overleden, haar aanspraak op BPP ‘doorschuift’ naar [ex-echtgenote 3] [hof: door partijen ook wel aangeduid als ‘doorschuifregeling’]. Ook [ex-echtgenote 3] is na het overlijden van [ex-echtgenote 2] hierover door ABP geïnformeerd.

Bij brief van 14 april 2016 heeft [appellant] zich gewend tot de Ombudsman Pensioenen. Die heeft informatie ingewonnen bij ABP. Vervolgens heeft de Ombudsman Pensioenen aan [appellant] bij brief van 25 mei 2016 bericht dat hij geen mogelijkheid ziet voor bemiddeling, aangezien hij klachten over de inhoud van de pensioenregeling niet in behandeling kan nemen. Verder schrijft hij:

“Los van het voorgaande merk ik op dat de recente wijziging [hof: dat met ingang van 1 januari 2016 een aanspraak op BPP van een overleden ex-echtgenoot overgaat naar de huidige partner van de deelnemer/gepensioneerde, indien dat in het pensioenreglement is bepaald] onmogelijk met terugwerkende kracht kan zijn ingevoerd. Uw tweede partner [hof: [ex-echtgenote 2] ] is reeds in 2007 overleden. Sindsdien is de derde partner waarschijnlijk op de hoogte van het haar toekomende bedrag aan partnerpensioen. Er zou sprake zijn van rechtsonzekerheid indien de haar toegekende aanspraak ‘ineens’ naar de huidige partner zou gaan.”

Bij brief van 11 mei 2017 heeft de gemachtigde van [appellant] zich tot ABP gewend. Het ABP heeft deze brief opgevat als een bezwaarschrift. Bij beslissing van 13 juni 2017 heeft ABP het bezwaar, voor zover het betrekking heeft op de inhoud van de ABP-regeling, niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover het betrekking heeft op de toepassing van die regeling, ongegrond verklaard.

Bij brief van 12 oktober 2017 heeft de gemachtigde van [appellant] nogmaals verzocht om de ‘toevoeging’ van het BPP van [ex-echtgenote 2] aan het BPP van [ex-echtgenote 3] terug te draaien en dit ‘toe te voegen’ aan het PP van zijn huidige echtgenote, [huidige echtgenote van appellant] . Bij brief van 2 november 2017 heeft ABP dit verzoek – onder verwijzing naar haar eerdere reacties en de brief van de Ombudsman Pensioenen – afgewezen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] :

  1. voor recht te verklaren dat een reglementaire basis voor de door ABP gehanteerde doorschuifregeling ontbreekt;

  2. voor recht te verklaren dat toepassing van de doorschuifregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

  3. ABP te veroordelen om het besluit om het vrijgevallen bijzonder partnerpensioen toe te voegen aan het bijzonder partnerpensioen van mevrouw [ex-echtgenote 3] binnen een week na betekening van het vonnis terug te draaien en het vrijgevallen bijzonder partnerpensioen toe te voegen aan de huidige partner van [appellant] , ten bewijze waarvan ABP binnen een week een nieuwe pensioenoverzicht verstrekt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat geen gehoor wordt gegeven aan het vonnis met een maximum van € 25.000,=;

  4. ABP te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De doorschuifregeling betreft een eigen beleid van ABP waarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Los daarvan heeft ABP de bepalingen van het pensioenreglement niet correct toegepast, omdat ABP die bepalingen op een onjuiste manier uitlegt. Anders gezegd, de bepalingen van het pensioenreglement staan een doorschuifregeling zoals het ABP die in dit geval hanteert, niet toe. De handelwijze van ABP is bovendien in strijd met het echtscheidingsconvenant met mevrouw [ex-echtgenote 3] , waarin is bepaald dat zij aanspraak heeft op het nabestaandenpensioen voor zover dat is opgebouwd tot aan de datum van echtscheiding. Door het BPP van [ex-echtgenote 2] aan [ex-echtgenote 3] toe te delen, krijgt [ex-echtgenote 3] een hoger nabestaandenpensioen dan waar zij op grond van het convenant aanspraak op heeft. Dat gaat ten koste van het nabestaandenpensioen van de huidige partner van [appellant] , aan wie het vrijgevallen BPP ook had kunnen worden toebedeeld. Vanaf 1 januari 2016 is de ‘doorschuifregeling’ vervallen en wordt op grond van het nieuwe pensioenreglement (PR 2016) van ABP het BPP van een vooroverleden ex-partner toebedeeld aan het partnerpensioen van de nieuwe partner.

De door ABP gehanteerde praktijk betekent dat zij een inbreuk maakt op afspraken die [appellant] bij het beëindigen van zijn huwelijken met zijn ex-partners heeft gemaakt en die bindende afspraken bevatten. [appellant] mocht erop vertrouwen dat ABP zich daar aan zou houden. Toepassing van de doorschuifregeling is bovendien in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat (A) het BPP van een gewezen partner in strijd met de met haar gemaakte afspraken groeit, terwijl ABP het vrijgevallen pensioen ook aan het BPP van de huidige partner had kunnen toevoegen. De toepassing heeft (B) tot gevolg dat een ex-partner op een niet uit te leggen manier wordt bevoordeeld, terwijl (C) een duidelijke grondslag voor de doorschuifregeling ontbreekt en voor ABP geen enkele reden bestaat om niet tegemoet te komen aan het verzoek van [appellant] .

3.2.3.

ABP heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het bestreden vonnis van 29 augustus 2018 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en heeft hij [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe - zakelijk en in hoofdlijnen weergegeven - overwogen dat de doorschuifregeling volgde uit het PR ABP, welke regeling een wettelijke basis had (r.o. 4.1.1-4.4) en dat afspraken die bij de echtscheiding tussen [appellant] en [ex-echtgenote 3] zijn gemaakt ABP niet aangaan, omdat ABP daar geen partij bij is (r.o. 4.5). De kantonrechter stelt vast dat het PR 2016 op de onderhavige casus niet van toepassing is (r.o. 4.2). Voor zover [appellant] zijn vorderingen baseert op het laatste PR van ABP dat een doorschuifregeling kende (PR 2015) oordeelt de kantonrechter dat ook uit de door [appellant] aan artikel 9.8 PR 2015 gegeven uitleg niet zonder meer volgt dat ABP het BPP van [ex-echtgenote 2] had moeten toedelen aan de huidige partner van [appellant] (r.o. 4.3.2). Volgens de kantonrechter moeten de door [appellant] aangehaalde bepalingen in onderling verband en samenhang worden beschouwd en volgt daaruit dat bij vooroverlijden van een ex-partner het BPP van die partner niet langer in mindering wordt gebracht op het BPP van de volgende bijzondere partner (r.o. 4.3.1). Ten slotte betrekt de kantonrechter de wetsgeschiedenis van artikel 57 Pw. zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2015, bij zijn oordeel (r.o. 4.4) en verwerpt hij het beroep op strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid (r.o. 4.6.1). De kantonrechter concludeert dat de vorderingen van [appellant] een grondslag missen.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de doorschuifregeling geen wettelijke basis heeft en dat ABP met een toepassing van de ‘doorschuifregeling’ haar eigen pensioenreglement verkeerd uitlegt (MvG nrs. 17 t/m 26), dat zij hierdoor een situatie creëert die in strijd is met hetgeen hij met [ex-echtgenote 3] is overeengekomen bij de beëindiging van hun huwelijk (MvG nrs. 27 t/m32) en die evident in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (MvG nrs. 33 t/m 35). Met deze klachten en de daarop gegeven toelichting legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voor. [appellant] concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.4.

Het onderhavige geschil betreft de vraag wat ABP dient te doen met de aanspraak op BPP van [ex-echtgenote 2] . De stellingname van [appellant] komt erop neer dat zij die naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek had moeten toedelen of toevoegen aan de aanspraak op partnerpensioen van de huidige partner van [appellant] . Het hof zal de memorie van grieven volgen en hierna achtereenvolgens ingaan op de ‘doorschuifregeling’, de betekenis van het echtscheidingsconvenant met [ex-echtgenote 3] en de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De ‘doorschuifregeling’.

3.5.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder het PR, geen verplichting voor ABP voortvloeit om de aanspraak op BPP van [ex-echtgenote 2] toe te voegen aan het PP van de huidige partner van [appellant] . Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.6.

[ex-echtgenote 2] is in april 2007 overleden. Ten tijde van het overlijden van [ex-echtgenote 2] luidde artikel 57 PW als volgt:

“Artikel 57. Behoud aanspraak in geval van scheiding

  1. Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd.

  2. Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de gewezen deelnemer een aanspraak op partnerpensioen als de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner heeft behouden bij het beëindigen van de deelneming.

  3. Indien een partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de gepensioneerde een aanspraak op partnerpensioen als de gepensioneerde ten behoeve van zijn partner heeft behouden bij het ingaan van het ouderdomspensioen.

  4. Het eerste, tweede en derde lid vindt geen toepassing indien de partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de uitkering aan te passen.

  5. Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:

  1. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;

  2. de vervreemding onherroepelijk is; en

  3. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.”

3.7.

Uit de tekst van de leden 1, 2 en 3 van deze bepaling volgt dat het BPP een eigen aanspraak van de gewezen partner is, die wordt verkregen op het tijdstip van de echtscheiding. Bij de wijziging van artikel 57 Pw. per 1 augustus 2008 en per 1 januari 2015 is de tekst van deze onderdelen van artikel 57 gewijzigd op aspecten die in deze zaak geen wezenlijke betekenis hebben. Per 1 januari 2015 is de tekst op deze onderdelen niet meer aangepast. Per 1 januari 2015 is een nieuw lid 6 aan artikel 57 PW toegevoegd, waarmee de aanspraak op BPP vanaf het moment van overlijden van de gewezen partner weer deel uitmaakt van de pensioenaanspraken van de deelnemer of gewezen deelnemer, voor zover dit in de betrokken pensioenregeling is bepaald. Lid 6 is in dit geval echter niet van toepassing, omdat [ex-echtgenote 2] al in 2007 is overleden en deze bepaling krachtens overgangsrecht niet van toepassing is.

3.8.

Het hof stelt dan ook vast dat het BPP geen aanspraak is die op grond van de Pensioenwet aan [appellant] toekomt. Dat betekent dat geen wettelijke grond bestaat die [appellant] de bevoegdheid verleent om te beschikken over het BPP van [ex-echtgenote 2] of die ABP ertoe dwingt om verzoeken van [appellant] met betrekking tot het BPP van [ex-echtgenote 2] in te willigen.

3.9.

De aanspraken op het PP van de huidige partner en het BPP van de eerdere partners vloeien rechtstreeks en zelfstandig voort uit het PR van ABP. Omdat [ex-echtgenote 2] vóór 1 januari 2016 is overleden, is het PR van toepassing zoals dat ten tijde van haar overlijden van kracht was. Tussen partijen is in confesso dat dat PR een zelfde systematiek kende als het PR dat in 2015 van toepassing was en waar [appellant] ter onderbouwing van zijn vorderingen ook naar verwijst. Het hof zal daarom in navolging van partijen uitgaan van de tekst van het PR 2015.

Zoals hiervoor al is vermeld, is artikel 57 Pw. met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd door toevoeging van een lid 6. Deze wetswijziging heeft weliswaar geleid tot een aanpassing van het PR van ABP per 1 januari 2016, maar (onbetwist is dat) bij de overgangsbepalingen is opgenomen dat die wijziging geen gevolg heeft wanneer een ex-partner vóór 1 januari 2016 is overleden.

3.10.

Voor wat betreft de berekening van het PP en BPP bepaalt artikel 9.8 PR 2015 het volgende:

Artikel 9.8 Berekening (bijzonder) partnerpensioen: bijzondere bepalingen

Als er in verband met hetzelfde overlijden ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, vermindert ABP het partnerpensioen met deze bijzondere partnerpensioenen. Deze vermindering vindt ook plaats als gekozen is voor omzetting van het verevende ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen in een eigen recht op ouderdomspensioen voor de partner als bedoeld in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.”

3.11.

Volgens [appellant] gaat het bij artikel 9.8 PR om het overlijden van de gepensioneerde, dus om zijn overlijden, terwijl het bij de aanspraak op BPP van [ex-echtgenote 2] gaat om het overlijden van de gewezen partner. Om die reden is de uitleg die ABP geeft aan deze bepaling volgens [appellant] onjuist. Het hof is van oordeel dat [appellant] terecht aanvoert dat het bij deze bepaling gaat om zijn overlijden, maar het hof volgt [appellant] niet in de consequenties die hij daaraan verbindt. Uit het systeem van de Pensioenwet en het PR volgt naar het oordeel van het hof het navolgende ten aanzien van de berekening van een (bijzonder) partnerpensioen. Bij echtscheiding ontstaat de aanspraak op bijzonder partnerpensioen voor de gewezen partner. Volgens de definitiebepalingen van de pensioenwet is een pensioenaanspraak het recht op een nog niet ingegaan pensioen. Het pensioenrecht is het recht op een ingegaan [cursivering hof] pensioen (uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening). Volgens artikel 9.2, lid 1 PR 2015 gaat het recht op partnerpensioen in op de dag volgende op de dag van overlijden. Volgens artikel 9.5 PR 2015 gaat ook het recht op bijzonder partnerpensioen in op de dag volgende op de dag van overlijden. Het BPP is (slechts) een voorwaardelijk recht, omdat het afhankelijk is van een onzekere gebeurtenis (te weten of [appellant] eerder komt te overlijden dan zijn huidige en gewezen partners). Het hof is op grond hiervan van oordeel dat het pensioenrecht, zowel voor wat betreft het PP als voor wat betreft het BPP pas ontstaat op de datum waarop het ingaat. Pas op die datum is voldaan aan de voorwaarde waaronder het recht ontstaat en kan de omvang van het pensioenrecht worden berekend

3.12.

Het partnerpensioen wordt berekend met toepassing van artikel 9.3 en artikel 9.8 PR 2015. Waar artikel 9.8 spreekt over “hetzelfde overlijden”, verwijst deze bepaling naar het overlijden van de (gewezen) deelnemer (dus van [appellant] ). In deze bepaling wordt verwezen naar “recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen”. ABP vermindert het PP met de bijzondere partnerpensioenen. De bepaling verwijst niet naar een “aanspraak” op een of meer bijzondere partnerpensioenen, maar naar een “recht” op BPP. Dat recht ontstaat pas (artikel 9.5 PR 2015) op de dag van ingang van het pensioen, zijnde de dag van overlijden van de (gewezen) deelnemer. Dat brengt naar het oordeel van het hof mee dat op dat moment, dus op de dag volgend op het overlijden, zal moeten worden vastgesteld of er BPP’n bestaan en, zo ja hoeveel en tot welk(e) bedrag(en).

3.13.

Het hof stelt vast dat, berekend volgens die systematiek, volgens het PR 2015 het PP van de huidige partner van [appellant] wordt vastgesteld aan de hand van het door hem opgebouwde ouderdomspensioen, verminderd met de pensioenrechten in de vorm van één of meer BPP’n. Omdat [ex-echtgenote 2] inmiddels is overleden, zal haar pensioenaanspraak niet meer resulteren in een pensioenrecht. Bij de vaststelling van het PP ten gunste van de huidige partner van [appellant] zal op haar pensioen het BPP ten gunste van [ex-echtgenote 3] en het BPP ten gunste van [ex-echtgenote 1] in mindering worden gebracht.

3.14.

Blijkens de kop boven artikel 9.8 ziet deze bepaling ook op de berekening van een BPP. Bij de berekening van de omvang van het aan [ex-echtgenote 3] toekomende BPP wordt of worden daarop dus de BBP’n in mindering gebracht die mogelijk al in de periode voorafgaand aan haar huwelijk met [appellant] waren opgebouwd. Omdat ook die berekening een pensioenrecht betreft en het recht pas ontstaat bij ingang van het pensioen, dus op de dag volgend op die van het overlijden, zal het BPP van [ex-echtgenote 3] worden vastgesteld met inachtneming van eerdere BPP’n die als gevolg van het overlijden zijn ingegaan. En dan zal het BPP ten gunste van [ex-echtgenote 3] enkel worden verlaagd met het BPP waarop [ex-echtgenote 1] nu een aanspraak heeft en niet langer met het BPP waarop [ex-echtgenote 2] aanspraak had. Uit die pensioenaanspraak van [ex-echtgenote 2] ontstaat immers als gevolg van haar overlijden geen pensioenrecht meer (omdat de voorwaarde waaronder zij recht had, voor haar niet intreedt).

Deze berekening was en is niet in strijd met de (toenmalige) Pensioenwet.

Voor zover [appellant] bij memorie van grieven anders betoogt, faalt de grief.

Het echtscheidingsconvenant met [ex-echtgenote 3] .

3.15.

Ook de omstandigheid dat [appellant] met [ex-echtgenote 3] in een convenant afspraken heeft gemaakt over het BPP geeft geen grond voor toewijzing van het gevorderde. ABP is in dit geval niet gehouden rekening te houden met dat convenant, voor zover daarin al een andere wijze van vaststelling van het BPP voor [ex-echtgenote 3] zou zijn overeengekomen (zie artikel 57 lid 4 tweede volzin Pw). Daarnaast is onjuist dat [ex-echtgenote 3] na het overlijden van [ex-echtgenote 2] meer zou krijgen dan wat haar op grond van het convenant toekomt. Op grond van het convenant behoudt [ex-echtgenote 3] de pensioenaanspraken voor zover deze zijn opgebouwd tot aan de datum van echtscheiding. [ex-echtgenote 3] heeft dus een aanspraak op een BPP, niet zijnde een gefixeerd bedrag of een pensioenrecht van een gegarandeerde omvang. Hoe hoog uiteindelijk het uit die aanspraak voortvloeiende BPP zal zijn, moet op het moment waarop het pensioenrecht ingaat worden berekend met inachtneming van de daarop toepasselijke wetgeving en het daarop toepasselijke pensioenreglement, een en ander als hiervoor overwogen in r.o. 3.12 tot en met 3.14.

Strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.16

Voor zover [appellant] een beroep doet op de redelijkheid en billijkheid faalt de grief ook. Het hof overweegt op dit punt dat de door [appellant] ter onderbouwing van zijn stellingname aangevoerde feiten niet de conclusie rechtvaardigen dat de door ABP gevolgde praktijk jegens hem, [appellant] , of jegens zijn huidige partner naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

De aanspraak op PP van de huidige partner van [appellant] is niet gewijzigd door het overlijden van [ex-echtgenote 2] . Weliswaar is de aanspraak van [ex-echtgenote 3] groter geworden, maar niet ten koste van de aanspraak van de huidige partner van [appellant] . Zou [appellant] in zijn standpunt worden gevolgd, dan zou dat leiden tot een benadeling van [ex-echtgenote 3] (omdat de hogere aanspraak al aan haar is gecommuniceerd), waarvan evenzeer kan worden betoogd dat dat onredelijk zou zijn. En anders dan [appellant] in de toelichting op zijn grief aanvoert, bestaat er wel een reden om niet tegemoet te komen aan de wensen van [appellant] . Die reden is te vinden in de berekeningssystematiek van het PR 2015, een en ander zoals hiervoor overwogen.

3.17.

Ter onderbouwing van zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid voert [appellant] tot slot nog aan dat ABP onzorgvuldig heeft gehandeld. In dit verband heeft [appellant] gesteld dat ABP de doorschuifregeling niet met hem heeft gecommuniceerd, zodat hij daarmee rekening kon houden toen hij het echtscheidingsconvenant sloot. [appellant] heeft echter onvoldoende concrete feiten gesteld om er van uit te kunnen gaan dat deze regeling voor hem van belang was toen hij het echtscheidingsconvenant met [ex-echtgenote 3] sloot. Voor zover [appellant] hiermee aan zijn vorderingen nog ten grondslag wil leggen dat ABP jegens hem onrechtmatig handelt, stelt het hof vast dat [appellant] een dergelijke stellingname verder niet uitwerkt en met op een onrechtmatige daad toegespitste argumenten onderbouwt. Het hof gaat daarom aan een dergelijke stellingname voorbij.

3.18.

[appellant] sluit de memorie van grieven af met de conclusie dat aan de doorschuifregeling een duidelijke grondslag ontbreekt en ABP geen valide reden heeft om het BPP van [ex-echtgenote 2] niet toe te voegen aan de aanspraak op PP voor zijn huidige partner. Het hof stelt vast dat een dergelijke grondslag voor het handelen van ABP wel bestaat, zodat deze conclusie feitelijk onjuist is.

Slotsom

3.19.

De slotsom luidt dat de kantonrechter het gevorderde terecht heeft afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. In dat geval heeft ABP geen belang meer bij de beoordeling van de door ABP bij memorie van antwoord nog aangevoerde (formele) verweren, zodat het hof daar verder niet meer op in zal gaan. [appellant] heeft ook in hoger beroep te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zal om die reden worden verwezen in de kosten van het geding.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ABP vastgesteld op € 726,= aan griffierecht en op € 1.074,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen nadat [appellant] is aangeschreven tot betaling van deze kosten, en tot betaling van de nakosten van € 205,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat [appellant] is aangeschreven tot betaling van deze nakosten alsmede te vermeerderen met € 68,= indien niet binnen 14 dagen is voldaan aan alle kostenveroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M. van Ham en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer