Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.247.742_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening van werknemer met werkgever; stelplicht dat er al is terugbetaald rust op schuldenaar; uit de loonstroken blijkt niet dat er al is verrekend met provisie en/of cautievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.247.742/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,

tegen

1 Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna tezamen in enkelvoud aan te duiden als Nationale Nederlanden,

advocaat: mr. D.F.C. de Groot te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 augustus 2018 (zaak-/rolnummer 6549244 CV EXPL 17-7704) op het verzet tegen het verstekvonnis van 29 november 2017 (zaak-/rolnummer 6481854 CV EXPL 17-7085), door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als opposant en Nationale Nederlanden als geopposeerde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers 6481854 CV EXPL 17-7085 en 6549244 CV EXPL 17-7704)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met één productie;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van Nationale Nederlanden.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] is per 1 mei 2007 bij RVS Levensverzekering N.V. in dienst getreden. [appellant] ontving een basisloon en een provisieloon.

3.1.2.

Op of omstreeks 19 augustus 2008 is tussen RVS Levensverzekering N.V. en RVS Schadeverzekering N.V. enerzijds en [appellant] anderzijds een overeenkomst van geldlening gesloten. In deze overeenkomst worden RVS Levensverzekering N.V. en RVS Schadeverzekering N.V. in enkelvoud aangeduid als ‘RVS’ en [appellant] als ‘Schuldenaar’. In deze overeenkomst is het volgende vermeld:

“Overwegende:

• dat Schuldenaar bij RVS in dienst is getreden op 1 mei 2007

• dat Schuldenaar schulden heeft die hij niet zelfstandig geheel kan betalen

• dat RVS Schuldenaar daarbij wil helpen om hem zodoende in staat te stellen zijn schulden aan derden versneld af te lossen

zijn overeengekomen als volgt:

Lening

1. RVS verklaart Schuldenaar een lening te verstrekken. Uit dien hoofde is de Schuldenaar aan RVS een bedrag verschuldigd, groot € 17.000,-.

De Schuldenaar is verplicht de lening aan te wenden voor de aflossing van zijn schulden in de schuldsanering, waarbij [de bewindvoerder] bewindvoerder is.

2. (…)

3. De Schuldenaar verbindt zich de hoofdsom voor 1 december 2008 geheel af te lossen.

Wanneer de schuldenaar hier niet aan voldaan heeft verbindt de schuldenaar zich de hoofdsom als volgt af te lossen:

vanaf 1 december 2008 uiterlijk op de laatste dag van de maand telkens een bedrag groot f 500,- totdat de schuld geheel is voldaan. De maandelijkse aflossingstermijnen zullen in mindering worden gebracht op het door RVS aan de Schuldenaar maandelijks te betalen salaris.

(…)

4. De hoofdsom met kosten is in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar, (…) in geval van:

A. niet of niet tijdige nakoming (…)

B. beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen RVS en de Schuldenaar.

5. De hoofdsom wordt geacht een voorschot op het loon te zijn, als bedoeld in artikel 7:632 BW.

(…)”.

Partijen zijn het er over eens dat het in artikel 3 genoemde bedrag abusievelijk in guldens is vermeld en dat dit in euro’s moet zijn.

3.1.3

Over de maanden december 2008 tot en met maart 2009 zijn er geen bedragen op het salaris in mindering gebracht ten titel van voorschot of ten titel van aflossing lening.

3.1.4.

De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2009 ontbonden.

3.1.5.

Per 28 december 2011 is RVS Levensverzekering N.V. gefuseerd met en opgegaan in Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. Per diezelfde datum is RVS Schadeverzekering N.V. gefuseerd met en opgegaan in Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

De vorderingen in eerste aanleg, de beslissingen van de kantonrechter, de grieven en de conclusie in hoger beroep

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft Nationale Nederlanden gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 12.500,- te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe heeft Nationale Nederlanden kort samengevat aangevoerd dat zij (althans RVS) een geldlening aan [appellant] heeft verstrekt toen [appellant] nog bij haar in dienst was, en dat [appellant] die geldlening aan haar dient terug te betalen.

3.2.2.

Bij verstekvonnis van 29 november 2017 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.2.3.

[appellant] is in verzet gekomen en heeft meerdere verweren tegen de vordering gevoerd.

3.2.4.

Nadat hierover is verder geprocedeerd in de verzetprocedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 15 augustus 2018 de door [appellant] gevoerde verweren verworpen, het verstekvonnis bekrachtigd en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.2.5.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft onder aanvoering van zeven grieven geconcludeerd tot vernietiging van zowel het vonnis van 15 augustus 2018 op het verzet als het verstekvonnis van 29 november 2017 en tot afwijzing van de vordering van Nationale Nederlanden met veroordeling van Nationale Nederlanden in de proceskosten.

Grief 1

3.3.

Met grief 1 klaagt [appellant] over de feitenvaststelling door de kantonrechter. Het hof heeft hiervoor zelf vastgesteld welke feiten in hoger beroep tussen partijen vast staan en dus het uitgangspunt vormen. Om die reden heeft [appellant] verder geen belang bij bespreking van deze grief.

Grief 3

3.4.

Grief 3 valt uiteen in meerdere klachten (waarop hierna nader zal worden ingegaan), maar komt er in de kern op neer dat Nationale Nederlanden geen vordering meer heeft op [appellant] , omdat de lening al is afgelost.

3.5.

Het hof stelt het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat RVS Levensverzekering N.V. en RVS Schadeverzekering N.V. (hierna in enkelvoud: RVS) een geldlening aan [appellant] hebben verstrekt. Het standpunt van [appellant] dat die lening is terugbetaald betreft een bevrijdend verweer. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de stelplicht en de bewijslast van dat verweer op [appellant] rust.

3.6.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij naast zijn basisloon tevens provisie ontving. Hij noemt dat de cautievergoeding. Volgens [appellant] bouwde hij een aanspraak op in de cautiepot en kwam die pot eens in de zoveel tijd tot uitbetaling. [appellant] heeft verder aangevoerd dat het ten tijde van het sluiten van de geldleningovereenkomst duidelijk was dat hij uit hoofde van de cautiepot een aanspraak zou hebben, waarmee het voorschot ( [appellant] bedoelt de geldlening die is verstrekt als voorschot op het nog te verdienen loon) gecompenseerd zou kunnen worden.

3.7.

Het hof begrijpt deze stellingen van [appellant] niet, omdat deze standpunten niet rijmen met de door hem overgelegde loonstroken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.7.1.

Anders dan [appellant] aanvoert, blijkt uit de loonstroken dat de provisie niet werd gereserveerd als ‘cautievergoeding’, maar meteen werd uitbetaald. [appellant] heeft loonstroken overgelegd van de maanden december 2008 tot en met maart 2009. Op alle loonstroken op één na, is een bruto bedrag aan provisie toegekend, waarop premies en loonheffing zijn ingehouden, waarna het netto bedrag is uitbetaald. Van een reservering van provisies was dus geen sprake. Om die reden valt niet in te zien dat of waarom [appellant] nog een aanspraak had op provisie die nog betaald moest worden door RVS en waarmee de lening kon worden afgelost.

3.7.2.

Het is mogelijk dat de lening is gegeven op de bedragen die [appellant] als provisies in de maanden augustus tot en met november 2008 zou gaan verdienen en dat deze provisies met de salarisbetaling in november 2008 zijn verrekend met de verstrekte lening. Dat heeft [appellant] echter niet zo gesteld. Het ligt ook niet voor de hand dat de provisies toereikend zouden zijn om de geldlening af te lossen, gelet op het bedrag dat volgens de loonstrook van december 2008 in totaal over het jaar 2008 aan loon (dus inclusief provisies) is betaald (cumulatief fiscaal loon tot en met december 2008 € 36.400,69). Bedacht dient immers te worden dat een deel van het totaal betaalde fiscale bruto loon het basisloon betreft en dat op het brutoloon nog premies en loonbelasting moesten worden ingehouden voordat het verrekend kon worden met de geldlening.

3.7.3.

Op alle loonstroken is te zien dat iedere maand op het nettoloon een zogenaamde ‘inhouding cautie RVS’ is gedaan. In december 2008 is € 205,71 ingehouden. In de maanden januari, februari en maart 2009 is telkens maandelijks € 212,91 ingehouden. [appellant] heeft niet toegelicht waarop deze inhouding, naast de toegekende provisie, betrekking heeft. Gelet op de in januari tot en met maart 2009 ingehouden bedragen lijkt het te gaan om telkens een zelfde bedrag dat maandelijks werd ingehouden. Als het hof ervan uit zou gaan dat deze cautie werd gereserveerd en ieder jaar tot uitbetaling zou komen, dan zou dat gelet op de loonstrook van december 2008 veronderstellenderwijs in 2008 een bedrag betreffen van (12 x € 205,71) € 2.468,52 netto. Dat is een fractie van het door [appellant] geleende bedrag en daarom is niet aannemelijk dat het de bedoeling was dat de lening als voorschot werd verstrekt voor ‘de aanspraak in de cautiepot’. Zelfs als het hof er van uitgaat dat vanaf mei 2007 (vanaf indiensttreding) was gereserveerd en dat eind 2008 de ‘cautiepot’ zou worden uitbetaald, dan zou het (veronderstellenderwijs) gaan om (20 x € 205,71) € 4.114,20 netto, dus nog geen kwart van het geleende bedrag.

3.7.4.

Of deze veronderstellingen van het hof nu wel of niet juist zijn, doet er in wezen niet toe. Het lag op de weg van [appellant] om een nadere toelichting te geven op de overgelegde loonstroken en met name op de ‘inhouding cautie RVS’ gelet op zijn standpunt dat hij ‘provisie (ook wel cautievergoeding)’ ontving naast zijn basisloon. Uit de loonstroken blijkt wel dat er een (klein) bedrag maandelijks werd ingehouden, maar niet dat de ‘Inhouding cautie RVS’ werd gereserveerd en op een later moment tot uitbetaling kwam. Dat blijkt ook niet uit andere documenten. [appellant] heeft daar ook helemaal geen nadere toelichting op gegeven. Van hem had verlangd mogen worden dat hij nader uiteen had gezet hoe dat was geregeld en wat daarover was afgesproken met RVS.

3.8.

Volgens [appellant] moet uit het feit dat vanaf 1 december 2008 provisie is betaald en RVS niet € 500,- heeft ingehouden op het loon, worden afgeleid dat de schuld voor 1 december 2008 is voldaan. Het hof is van oordeel dat dit standpunt speculatief is. Uit het feit dat RVS de bevoegdheid had om vanaf 1 december 2008 € 500,- op het loon in mindering te brengen ter aflossing van de schuld, volgt niet automatisch dat de schuld ‘dus’ al was afgelost. Voor het niet in mindering brengen van € 500,- kunnen allerlei redenen zijn geweest (bijvoorbeeld dat RVS dat toen is vergeten). Verder verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in 3.7.1 tot en met 3.7.4.

Gelet op de bewijslastverdeling had [appellant] hier meer informatie over moeten verstrekken. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat dat het aan Nationale Nederlanden is te wijten dat er te veel tijd is verstreken om die toelichting te kunnen geven. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.8.1.

RVS heeft [appellant] op 9 oktober 2009 aangeschreven over de geldleningovereenkomst en heeft [appellant] gesommeerd om tot betaling over te gaan van het op dat moment openstaande bedrag. [appellant] heeft de ontvangst van deze brief betwist, maar uit een door [appellant] aan RVS gestuurde brief blijkt dat hij daarmee heeft gereageerd op die brief. Die brief van [appellant] is gericht aan de afdeling HR, waarvan de brief van 9 oktober 2009 afkomstig was, en vermeldt het kenmerk waarvan in de brief van 9 oktober 2009 werd verzocht het te vermelden als betalingskenmerk. Verder is in de brief van [appellant] nog te lezen dat hij wordt gesommeerd, zoals inderdaad in de brief van 9 oktober 2009 wordt vermeld. De brief van [appellant] vermeldt een stempel met als datum 13 oktober 2009, dus slechts korte tijd na 9 oktober 2009. Gelet op deze omstandigheden gaat het hof er van uit dat [appellant] de brief van 9 oktober 2009 van RVS wel degelijk heeft ontvangen.

3.8.2.

De brief van [appellant] waarmee hij heeft gereageerd op de brief van 9 oktober 2009 is niet geheel leesbaar, maar wel is duidelijk dat daar niets in staat over het niet meer bestaan van die schuld of dat die schuld is verrekend met provisie en/of de cautiepot. Wanneer de schuld niet meer had bestaan, dan valt niet in te zien waarom [appellant] dat niet in zijn reactie had vermeld. Op dat moment was nog niet veel tijd verstreken sinds het aangaan van de lening en sinds de (beweerdelijke) aflossing van die lening. Gelet op de hoogte van het bedrag (afgezet tegen het maandelijkse netto loon was het een fors bedrag) en gelet op de financiële problemen waarin [appellant] kennelijk verkeerde, is het vrijwel ondenkbaar dat [appellant] niet had vermeld dat de lening was voldaan door verrekening wanneer dat het geval was geweest.

3.8.3.

[appellant] heeft ook nadien niet medegedeeld dat de schuld was voldaan met een verrekening van de provisie. Hij heeft op 12 februari 2013 een brief aan Vesting Finance Fidition (hierna: Vesting) gestuurd. Weliswaar heeft [appellant] in die brief vermeld dat het ging om een voorschot op provisie en dat de schuld maandelijks zou worden verrekend met provisie en bij het eindigen van het dienstverband met de provisie uit de cautiepot, maar hij schrijft niet dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Hij geeft een geheel andere reden waarom hij de vordering betwist. [appellant] schrijft dat het voorschot rechtstreeks aan zijn bewindvoerder was gestort en dat hij de vordering betwist omdat hij het bedrag nooit zelf had ontvangen.

3.8.4.

Verder is in het bestreden vonnis overwogen dat [appellant] volgens zijn eigen opgave in 2013 een naar verhouding tot de schuld zeer geringe aflossingscapaciteit had, dat hij in datzelfde jaar heeft getracht om te worden toegelaten tot de WSNP en hij enige tijd, tot 18 augustus 2015, in staat van faillissement heeft verkeerd. [appellant] heeft weliswaar een grief gericht tegen de conclusies die de kantonrechter daaraan heeft verbonden, maar niet tegen deze feitenvaststelling, zodat ook het hof daarvan uit gaat. Dat verklaart deels de lange tijd die is verstreken sinds het aanhangig maken van deze procedure. Van RVS of van Nationale Nederlanden hoefde niet te worden verlangd dat zij proceskosten zou maken op het moment dat te veel onzekerheid bestond over de mogelijkheid om tot uitvoering van een toewijzend vonnis over te gaan.

3.9.

Om de hiervoor weergegeven redenen verwerpt het hof het verweer van [appellant] dat de lening al is terugbetaald.

Verder is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellant] onvoldoende concreet is geweest om hem toe te laten tot bewijslevering. Het hof ziet ook geen aanleiding om de bewijslastverdeling om te keren of om [appellant] voorshands geslaagd te achten in de bewijslevering.

Grief 3 faalt.

Grief 4

3.10.

Grief 4 betreft een beroep op opschorting. Het hof begrijpt dat [appellant] het volgende bedoelt aan te voeren: indien zijn tegoed uit de cautiepot niet is verrekend met hetgeen hij op grond van de geldleningovereenkomst moest terug betalen, dan heeft hij nog steeds recht op uitbetaling van die cautiepot. Zolang Nationale Nederlanden geen uitsluitsel daarover geeft, beroept [appellant] zich op opschorting van zijn verbintenis tot terugbetaling van de geldlening.

3.11.

Ook deze grief faalt. Immers, ook voor wat betreft de stelling dat de cautiepot nog niet tot uitbetaling is gekomen, rust de stelplicht (en bewijslast) op [appellant] . [appellant] is hierover te weinig concreet. Aan het bewijsaanbod dienaangaande komt het hof daarom niet toe. Het hof verwijst naar de beoordeling van grief 3.

Grief 5

3.12.

[appellant] betoogt met grief 5 dat de vordering van Nationale Nederlanden om meerdere redenen is verjaard. Volgens de grief zijn de aan hem gestuurde brieven niet te kwalificeren als stuitingshandelingen en heeft hij de ontvangst van die brieven betwist. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte niet vastgesteld of alle brieven zijn ontvangen en rust de bewijslast van de ontvangst van die brieven door hem op Nationale Nederlanden. Verder stelt [appellant] dat Nationale Nederlanden nooit een brief aan hem heeft gestuurd en is van een gezamenlijk vorderingsrecht geen sprake.

3.13.

Het hof constateert dat de kantonrechter heeft overwogen dat de verjaringstermijn is aangevangen op 2 december 2008 en dat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt. Ook heeft de kantonrechter overwogen waaraan een stuitingshandeling moet voldoen om als zodanig te kwalificeren. Tegen die oordelen voert [appellant] geen grieven aan. Die oordelen vormen ook voor het hof de uitgangspunten.

3.14.

Vesting heeft op 3 januari 2013 een brief gestuurd aan [appellant] over de vordering. Het hof is van oordeel dat deze brief moet worden gekwalificeerd als een stuitingshandeling. Daartoe ziet het hof reden vanwege de bewoordingen van die brief en de reactie daarop van [appellant] , mede gelet op de eerdere brief van 9 oktober 2009 en de toen door [appellant] gegeven reactie (zie hiervoor in 3.8.1. en 3.8.2). In de brief van 3 januari 2013 is immers vermeld: “zij hebben ons verzocht deze schuld bij u te innen” en “wij sommeren u het totaalbedrag binnen tien dagen aan ons te betalen” en “als u niet of te laat betaalt, eisen wij het totaalbedrag direct op”. Het hof gaat er van uit dat [appellant] deze brief heeft ontvangen. Dat blijkt immers uit het feit dat [appellant] op 12 februari 2013 zelf een brief heeft gestuurd aan Vesting, waarin hij het kenmerk heeft vermeld van het dossier van Vesting. Niet valt in te zien hoe [appellant] bekend kon zijn met dat kenmerk zonder deze brief van Vesting. Dat betekent dat in ieder geval vanaf 12 februari 2013 een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen. Los van alle brieven die daarna nog zijn verstuurd (waaronder een brief van 14 december 2015 die duidelijk ook als een stuitingshandeling moet worden gekwalificeerd en waarvan de bevestiging van ontvangst blijkt uit de brief van 20 januari 2016), heeft Nationale Nederlanden binnen deze nieuwe termijn de inleidende dagvaarding uitgebracht. Dat Nationale Nederlanden niet zelf een brief heeft gestuurd, acht het hof niet relevant. Vesting heeft brieven gestuurd namens Nationale Nederlanden. Uit de schriftelijke reactie van [appellant] van 12 februari 2013, blijkt dat het [appellant] volstrekt duidelijk was dat het ging om de onderhavige vordering van Nationale Nederlanden als opvolger van RVS.

In zoverre faalt de grief.

3.15.

Zoals hiervoor al is vermeld, bestrijdt [appellant] met grief 3 ook het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een gezamenlijk vorderingsrecht. Het hof schaart zich achter de door de kantonrechter gegeven motivering. Dat een geldvordering per definitie deelbaar is, is onvoldoende om dat oordeel van de kantonrechter te vernietigen. Of in dit geval sprake is van twee vorderingsrechten of van één gezamenlijk vorderingsrecht, is een kwestie van uitleg van de geldleningovereenkomst. Anders dan [appellant] aanvoert, hoefde niet in de geldleningovereenkomst expliciet te zijn vermeld dat sprake was van één vorderingsrecht. Het hof verenigt zich met de door de kantonrechter gegeven uitleg, die met de grief onvoldoende is bestreden.

Ook in zoverre faalt de grief.

Grief 2

3.16.

Grief 2 ziet op de vraag of Nationale Nederlanden een vorderingsrecht heeft. De overeenkomst van geldlening was gesloten met RVS Levensverzekering N.V. en met RVS Schadeverzekering N.V. , niet met Nationale Nederlanden. Tussen partijen staat vast dat RVS Levensverzekering N.V en RVS Schadeverzekering door fusie zijn opgegaan in Nationale Nederlanden Levensverzekering N.V. en Nationale Nederlanden Schadeverzekering N.V. (zie 3.1.5). De kantonrechter heeft daarover overwogen dat dit tot gevolg heeft gehad dat het vermogen, waaronder begrepen het vorderingsrecht uit deze geldleningsovereenkomst onder algemene titel is overgegaan op Nationale Nederlanden Levensverzekering N.V. en Nationale Nederlanden Schadeverzekering N.V.

[appellant] voert met deze grief aan dat Nationale Nederlanden de fusie-akte niet heeft overgelegd en dat niet is gebleken dat de onderhavige vordering nog onderdeel was van het vermogen van de verdwijnende vennootschappen. Volgens [appellant] was dat niet het geval, omdat de vordering niet meer bestond op het moment van de fusie.

3.17.

Zoals hiervoor is overwogen, volgt het hof [appellant] niet in zijn verweer dat de vordering niet meer bestond op het moment van de fusie. Nu het uitgangspunt is dat de vordering wel bestond, is deze overgegaan onder algemene titel. Nationale Nederlanden hoeft geen inzicht te geven in het vermogen van RVS. Dat de fusie-akte niet in het geding is gebracht, betekent niet dat Nationale Nederlanden haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Dát sprake is geweest van een fusie heeft [appellant] immers niet betwist.

Grief 2 faalt dus ook.

Grief 6

3.18.

Volgens [appellant] is het in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap om negen jaar later de terugbetaling van loon te vorderen en is door het lange tijdsverloop en de fusie niet meer te achterhalen wat de feitelijke gang van zaken is geweest. Volgens [appellant] is ook sprake van strijd met artikel 6:2 BW en/of met artikel 6:248 BW.

3.19.

[appellant] doet het voorkomen alsof Nationale Nederlanden loon van hem terugvordert. Dat is niet het geval, althans dat moet worden genuanceerd. RVS heeft tijdens de arbeidsovereenkomst aan [appellant] geld geleend. Dat dit in de overeenkomst is aangemerkt als een voorschot op loon, wil niet zeggen dat Nationale Nederlanden nu loon van [appellant] terugvordert. RVS was destijds niet verplicht om de geldleningovereenkomst aan te gaan. Het getuigt juist van goed werkgeverschap dat RVS heeft getracht [appellant] te helpen bij het oplossen van zijn schuldenproblematiek en daartoe zo’n groot bedrag aan hem heeft geleend. Dat het lange tijd heeft geduurd voordat deze procedure aanhangig is gemaakt, is in ieder geval mede te wijten aan [appellant] (zie 3.8.4). [appellant] heeft een aanzienlijk bedrag geleend. Er is geen reden waarom Nationale Nederlanden van terugbetaling af zou moeten zien. Dat zij daar niet van af ziet, levert geen strijdigheid op met het beginsel van (postcontractueel) goed werkgeverschap. Nationale Nederlanden handelt ook niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Evenmin acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Nationale Nederlanden zich beroept op de terugbetalingsverplichting die op [appellant] rust op grond van de geldleningovereenkomst.

Ook grief 6 faalt.

Grief 7

3.20.

[appellant] betoogt met grief 7 dat de kantonrechter hem ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief faalt.

3.21.

Verder heeft [appellant] aangevoerd dat er geen termen aanwezig zijn om de proceskostenveroordeling te matigen tot 2 punten tegen een tarief van € 150,- per punt en dat ten onrechte de vertaalkosten en het griffierecht niet geheel zijn betrokken in de proceskostenveroordeling. Volgens [appellant] dient de proceskostenveroordeling alsnog te worden vastgesteld op het gehele, niet gematigde, bedrag.

Het is het hof onduidelijk wat [appellant] hiermee bedoelt. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten en bepleit hiermee een hogere proceskostenveroordeling. Het hof constateert dat het niet anders kan dan dat de grief in zoverre een verschrijving betreft.

Slotsom

3.22.

De slotsom luidt dat alle grieven falen.

Voor het honoreren van het - algemene - bewijsaanbod van [appellant] , voor zover niet reeds besproken, ziet het hof geen aanleiding.

Het hof zal het vonnis van 15 augustus 2018 bekrachtigen, waarmee het verstekvonnis van 29 november 2017 is bekrachtigd.

[appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 15 augustus 2018;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Nationale Nederlanden op € 726,- aan griffierecht en op € 1.611,- aan salaris advocaat,

en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening,

en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M. van Ham en

M.E. Smorenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer