Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1265

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.244.741_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:5880
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:1703
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuist invullen aanvraagformulier overlijdensrisicoverzekering? Nabestaanden verzoeken uitkering na overlijden aanvrager. Verzekeraar heeft terecht uitkering geweigerd, omdat aanvrager de vragen naar zijn beroep en inkomen/salaris onjuist heeft ingevuld. Bij ware stand van zaken, hetzij geen inkomen van aanvrager, hetzij inkomen uit criminele activiteiten, was verzekeraar geen overeenkomst aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.244.741/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

1. [appellante sub 1] , handelende namens zichzelf

en tevens als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3],

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten c.s.] , dan wel [appellante sub 1] als appellante sub 1,

advocaat: mr. M.B.C.R. Heemskerk te Amsterdam,

tegen

[de vennootschap] , handelend als gevolmachtigde namens de vennootschap naar buitenlands recht [de vennootschap naar buitenlands recht] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. S.D. Palper te Amersfoort,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 maart 2018, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellanten c.s.] als eisers en [de vennootschap] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/323699/HA ZA 17-494)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte overlegging productie 10 van 11 februari 2019;

  • -

    de bij brief van 21 januari 2020 toegezonden vertaling van productie 10 die [appellanten c.s.] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Op 14 mei 2014 heeft [de ex-man van appellante] (hierna: [de ex-man van appellante] ), de ex-man van [appellante sub 1] en de vader van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend voor het sluiten van een “personal overlijdensrisicoverzekering” bij [de vennootschap] , met als verzekeraar [de vennootschap naar buitenlands recht] .

  2. De verzekeringsovereenkomst is met ingang van 1 juni 2014 tot stand gekomen en zou lopen tot 1 juni 2044. Het verzekerd kapitaal was € 500.000,- en [appellanten c.s.] zijn de begunstigden.

  3. Het door [de ex-man van appellante] ondertekende aanvraagformulier houdt onder meer het volgende in:
    “Gegevens verzekeringnemer
    (…)
    Beroep : [ingevuld is:] Manager restaurant
    (…)
    Verzekeringskosten
    (…)
    De koopsom of premie is afkomstig uit:
    [aangekruist is:] Looninkomsten
    (…)
    Doel van de verzekering
    (…)
    Bij een verzekerd bedrag van € 250.000,- of hoger en/of indien de verzekering niet verpand wordt aan uw hypotheek, vragen wij u hieronder een financiële onderbouwing te geven.
    Uw jaarlijkse salaris of inkomen over de afgelopen 2 jaren.
    Jaar: [ingevuld is] 2012 -> € 45.000 bruto p.j.
    Jaar: [ingevuld is] 2013 -> € 47.000 bruto p.j.
    Beschrijf hoe de hoogte van het verzekerde kapitaal is berekend:
    [ingevuld is] Het is meer bedoeld voor de financiële zekerheid van nabestaanden. Het is globaal genomen bedrag mocht ik komen te overlijden, wil ik dat zij verder kunnen studeren…
    (…)
    Slotverklaring en ondertekening
    Hierbij verzoek ik de aanvraag voor de verzekering in behandeling te nemen. Door ondertekening van dit aanvraagformulier verklaren verzekeringnemer (…) dat
    a.) Alle in dit formulier gestelde vragen naar waarheid en volledig zijn beantwoord.
    b.) Zij zich ervan bewust zijn dat, wanneer de verstrekte informatie onjuist en/of onvolledig is, de verzekeraar het recht heeft om de verzekeringsovereenkomst per direct op te zeggen en/of conform artikel 7:930 van het Burgerlijk Wetboek betaling van de uitkeringen te weigeren.
    (…)”

  4. Op of omstreeks 15 oktober 2015 is [de ex-man van appellante] door een misdrijf om het leven gekomen.

  5. Namens [appellanten c.s.] is uitbetaling van het verzekerde bedrag verzocht. [de vennootschap] heeft uitbetaling definitief geweigerd in haar brief van 2 augustus 2016. De brief luidt als volgt:
    “(…)
    U heeft ons namens de nabestaanden gevraagd om het verzekerde bedrag uit te keren van de [de vennootschap] Personal Overlijdensrisicoverzekering met polisnummer [polisnummer] vanwege het overlijden van de heer [de ex-man van appellante] . Op 6 juli 2016 hebben wij u een brief gestuurd waarin we hebben aangegeven dat de claim op basis van de ons beschikbare informatie niet kan worden toegekend. Wij hebben u echter tot en met 27 juli 2016 in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren waaruit blijkt dat de heer [de ex-man van appellante] in 2014 werkzaam was als manager van een restaurant en hij in 2012, 2013 en 2014 een legaal inkomen had van ca. € 45.000,-/€ 47.000,- bruto per jaar (zoals hij heeft aangegeven op het aanvraagformulier). Wij hebben deze informatie niet ontvangen. Wij moeten u dan ook mededelen dat de claim wordt afgewezen.
    De reden hiervoor is dat de heer [de ex-man van appellante] de mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering heeft geschonden. Hij heeft op het aanvraagformulier aangegeven dat hij van beroep ‘manager restaurant’ is. Op de vraag naar zijn jaarlijks salaris of inkomen over de afgelopen 2 jaren heeft hij aangegeven dat hij in 2012 € 45.000,- bruto heeft verdiend en in 2013 € 47.000,- bruto per jaar.
    Uit diverse berichten in de media blijkt dat de heer [de ex-man van appellante] geen legaal inkomen had, maar door criminele activiteiten in zijn levensonderhoud voorzag. Het feit dat u geen informatie heeft aangeleverd waaruit anders blijkt, bevestigt dit standpunt. Dat betekent dat de heer [de ex-man van appellante] de vragen op het aanvraagformulier niet naar waarheid heeft beantwoord.
    Gezien het voorgaande is er feitelijk en juridisch bezien niet voldaan aan de mededelingsplicht van de verzekeringnemer die is opgenomen in artikel 7:928 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in artikel 2.1 van de polisvoorwaarden QL ORV 12-2013. De mogelijke gevolgen van schending van de mededelingsplicht zijn:
    - Indien wij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zouden hebben gesloten, wordt er in het geheel geen uitkering verleend.
    - Indien wij bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden hadden gesteld, dan is slechts een uitkering verschuldigd als waren deze voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.
    - Indien wij bij kennis van de ware stand van zaken een hogere premie zouden hebben bedongen, of de verzekering tot een lager bedrag zouden hebben afgesloten wordt de uitkering verminderd naar evenredigheid van hetgeen de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen.
    - Indien is gehandeld met het opzet om ons te misleiden, wordt er in het geheel geen uitkering verleend.
    Bij kennis van de ware stand van zaken hadden wij de verzekering niet geaccepteerd. Bovendien is er sprake van opzet om ons te misleiden, want de heer [de ex-man van appellante] wist dat hij niet zou worden geaccepteerd als hij de juiste informatie zou vermelden en heeft zich om die reden voorgedaan als manager van een restaurant met een modaal inkomen.
    Aangezien er niet is voldaan aan de mededelingsplicht en wij bij de ware stand van zaken geen verzekering zouden hebben gesloten alsmede dat er sprake is van opzet tot misleiding, hebben de nabestaanden van de heer [de ex-man van appellante] geen recht op een uitkering op grond van deze verzekering. Dit volgt uit de artikelen 7:930 lid 1 jo. lid 4 en 5 BW en artikel 2.4 van de polisvoorwaarden. De claim wordt dus afgewezen. Het spijt ons dat we u niet anders kunnen berichten en wensen de nabestaanden veel sterkte.
    (…)”.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellanten c.s.] dat [de vennootschap] wordt veroordeeld om over te gaan tot betaling van de aanspraak van € 500.000,-. te verhogen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2015, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellanten c.s.] ten grondslag gelegd dat [de vennootschap] gehouden is de verzekeringsovereenkomst na te komen.

3.2.3.

[de vennootschap] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 1 november 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.2.5.

In het eindvonnis van 28 maart 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten (inclusief nakosten).

3.3.

[appellanten c.s.] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellanten c.s.] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.

Het hof stelt voorop dat [de vennootschap] met recht stelt dat het voor de verzekeraar om een juiste beslissing te kunnen nemen over het accepteren van het aangeboden risico en de verzekeringspremie die bij de acceptatie van het risico in rekening zal worden gebracht, van groot belang is dat zij in de precontractuele fase over voldoende informatie beschikt over het aangeboden te verzekeren risico. De verzekeraar is voor het vergaren van de informatie in grote mate afhankelijk van de aanvrager van de verzekering en moet er vanuit kunnen gaan dat de informatie die wordt verstrekt juist is, terwijl de verzekeringnemer daarnaast uit zichzelf verplicht is om relevante feiten mede te delen aan de verzekeraar. Deze plicht komt tot uitdrukking in artikel 7:928 lid 1 BW.

3.5.

Voorts staat vast dat in het aanvraagformulier van [de vennootschap] is gevraagd naar de voor haar kennelijk relevante informatie. Er is onder andere gevraagd naar het beroep van de verzekeringnemer, de herkomst van de premie en het inkomen/salaris van de verzekeringnemer over de afgelopen twee jaren. Dat betekent dat het antwoord op deze vragen voor [de vennootschap] van belang was voor de acceptatie van [de ex-man van appellante] als verzekeringnemer en dat [de ex-man van appellante] dat wist, althans behoorde te begrijpen. [de ex-man van appellante] diende deze vragen naar waarheid in te vullen.

3.6.

Vervolgens is het de vraag of [de ex-man van appellante] de vragen naar zijn beroep, de herkomst van de premie en zijn inkomen/salaris over de afgelopen twee jaren naar waarheid heeft ingevuld. [de vennootschap] stelt dat dit niet het geval is en onderbouwt dit als volgt.

3.6.1.

[de vennootschap] heeft [appellanten c.s.] verzocht een vragenlijst in te vullen waarop onder meer wordt gevraagd naar de oorzaak van het overlijden. [appellanten c.s.] hebben de vragenlijst niet ingevuld maar enkel een akte van overlijden verstuurd. [de vennootschap] heeft vervolgens getracht op andere wijze informatie te verkrijgen over de doodsoorzaak van [de ex-man van appellante] en is daarbij gestuit op een aantal nieuwsartikelen. Deze nieuwsartikelen maakten melding van een gewelddadige dood van [de ex-man van appellante] tijdens een criminele transactie. Voorts is [de vennootschap] gebleken dat [de ex-man van appellante] verdacht werd van de betrokkenheid bij de dood van [betrokkene] op 9 januari 2013 en dat [de ex-man van appellante] in verband daarmee op 16 april 2013 op de Nationale Opsporingslijst is geplaatst. [de ex-man van appellante] is op 26 september 2013 gearresteerd en was tot die tijd voortvluchtig. [de ex-man van appellante] heeft gedetineerd gezeten tot 23 april 2014.

3.6.2.

Op 29 januari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst van de Belastingdienst (hierna FIOD) en [de vennootschap] . Er schenen diverse onderzoeken te lopen naar [de ex-man van appellante] en de FIOD heeft het verzekeringsdossier van [de ex-man van appellante] in beslag genomen. Naar aanleiding van de dagvaarding van [appellanten c.s.] in deze procedure heeft [de vennootschap] in juli 2017 opnieuw contact opgenomen met de FIOD. Op 25 juli 2017 heeft [de vennootschap] van de FIOD een verklaring ontvangen met de volgende inhoud:
“Geachte mevrouw [personeelslid van de vennootschap] ,
(…)
Ik heb op 16 november 2016 van de OVJ in het strafrechtelijk onderzoek contra [de ex-man van appellante] , toestemming gekregen op grond van art. 19 WPG, om relevante informatie met u te delen.
Ik heb vandaag onderzoek gedaan naar inkomen en vermogen van [de ex-man van appellante] (…).
Over genoemd tijdvak vanaf 2012, 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017 komen geen gegevens over inkomen en of vermogen van [de ex-man van appellante] voor in de systemen van de Belastingdienst. Ook staat niets vermeld over ondernemingen, deelnemingen, bezit van vastgoed etc. in de systemen. (inkomen/vermogen) [de ex-man van appellante] heeft ook geen teruggaven van de Belastingdienst ontvangen, zoals gebruikelijk is, bijv zorgtoeslag, kindertoeslag etc. (inkomen)

Er zijn geen gegevens over bankrekeningen bekend. (vermogen)

Verder valt te vermelden dat [de ex-man van appellante] sinds 21-10-2013 geen vaste woon en of verblijfplaats heeft opgegeven en als zodanig geëmigreerd staat.

(…)”.

3.6.3.

Op basis van voormelde informatie komt [de vennootschap] tot de slotsom dat [de ex-man van appellante] het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld. [de ex-man van appellante] heeft ten onrechte verklaard dat hij in mei 2014 manager was in een restaurant en dat hij in de jaren 2012 en 2013 respectievelijk

€ 45.000,- bruto en € 47.000,- bruto heeft verdiend en dat de premie zou worden betaald met looninkomsten.

3.7.1.

[appellanten c.s.] heeft betwist dat [de ex-man van appellante] het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld. [appellante sub 1] heeft [de ex-man van appellante] niet anders gekend dan als werkzaam in de horeca. Vanaf 1999 heeft [de ex-man van appellante] in de horeca gewerkt en in 2009 hebben [appellante sub 1] en [de ex-man van appellante] samengewerkt in een horecazaak van [appellante sub 1] . Niet gebleken is dat [de ex-man van appellante] geen legaal inkomen zou hebben verworven. Die conclusie kan niet worden getrokken uit het feit dat [de ex-man van appellante] (nog) geen aangifte voor de inkomstenbelasting had gedaan ten tijde van zijn overlijden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat hij niet belastingplichtig was in Nederland omdat hij zijn inkomen in het buitenland heeft verworven. [appellanten c.s.] verwijst daarvoor onder meer naar een aantal loonstroken in de periode oktober 2012 – juli 2013 waaruit volgt dat [de ex-man van appellante] in [plaats 1] heeft gewerkt.

3.7.2.

Tijdens het pleidooi heeft [appellante sub 1] verklaard dat zij in 2009 is gescheiden van [de ex-man van appellante] . Tot 2011 hebben [appellante sub 1] en [de ex-man van appellante] samengewerkt in de horecazaak van [appellante sub 1] . Na verkoop van de zaak zijn de wegen van [appellante sub 1] en [de ex-man van appellante] gescheiden en zag [appellante sub 1] [de ex-man van appellante] nog maar af en toe. [appellante sub 1] weet niet waar [de ex-man van appellante] vanaf 2012 precies werkte, maar wel dat het in de horeca was. [appellante sub 1] heeft geen idee waar [de ex-man van appellante] in mei 2014 werkte. [appellante sub 1] heeft navraag gedaan en heeft van contacten in [plaats 2] vernomen dat [de ex-man van appellante] in 2012 en 2013 in Italië heeft gewerkt en in Hongarije. Van een vriend van [de ex-man van appellante] heeft zij de loonstroken uit Hongarije ontvangen, maar [appellante sub 1] weet niet wie de stukken heeft opgesteld.

3.8.

Het hof is van oordeel dat [de ex-man van appellante] het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld. Dat [de ex-man van appellante] op 14 mei 2014 werkzaam was als manager van een restaurant is op geen enkele wijze gebleken; [appellante sub 1] weet zelf ook niet of dat het geval was. Vaststaat wel dat [de ex-man van appellante] op 14 mei 2014 zonder vaste woon- of verblijfplaats was en dat over het jaar 2014 geen inkomensgegevens bekend van hem zijn bij de Belastingdienst. De stelling van [appellante sub 1] dat zij [de ex-man van appellante] niet anders kent dan als werkzaam in de horeca is onvoldoende, temeer nu [appellante sub 1] zelf verklaart dat zij geen zicht meer had op het leven van [de ex-man van appellante] vanaf 2012. Evenmin is gebleken dat [de ex-man van appellante] in de jaren 2012 en 2013 het door hem opgegeven inkomen of salaris heeft verdiend. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat over de jaren 2012 en 2013 geen inkomensgegevens van [de ex-man van appellante] bekend zijn. De loonstroken die [appellante sub 1] naar eigen zeggen heeft ontvangen van een vriend van [de ex-man van appellante] , roepen bovendien vragen op omdat onduidelijk is wie deze stukken heeft opgesteld, wanneer dat is gebeurd en wat de status van die stukken is. Ten overvloede merkt het hof op dat uit die stukken niet het inkomen of salaris blijkt dat [de ex-man van appellante] aan [de vennootschap] heeft opgegeven over de jaren 2012 en 2013. Bovendien acht het hof het onwaarschijnlijk dat [de ex-man van appellante] , die vanaf 9 januari 2013 gesignaleerd stond en vanaf 22 september 2013 gedetineerd was, in 2013 een inkomen van

€ 47.000,- per jaar als manager van een restaurant zou hebben kunnen verwerven.

3.9

De stelling van [appellanten c.s.] dat de ware stand van zaken is dat [de ex-man van appellante] op 14 mei 2014 werkzaam was in de horeca en daarmee het door hem opgegeven inkomen verwierf wordt door het hof verworpen. Die stelling ziet eraan voorbij dat het er niet omgaat of hij “in de horeca werkzaam” was, maar of hij als manager van een restaurant werkzaam was nu hij dat beroep aan [de vennootschap] heeft opgegeven terwijl daarvan, zoals hiervoor onder 3.8 ook is overwogen, ook overigens op geen enkele wijze is gebleken.

3.10.

Nu [appellanten c.s.] de stellingen van [de vennootschap] dat [de ex-man van appellante] het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van [appellanten c.s.]

3.11.1.

Vervolgens is het de vraag of [de vennootschap] bij kennis van de ware stand van zaken als bedoeld in artikel 7:930 lid 4 BW tot het sluiten van de verzekering zou zijn overgegaan. Partijen hebben zich daarbij geconcentreerd op de vraag of [de ex-man van appellante] nu wel of geen criminele activiteiten ontplooide voorafgaand aan en ten tijde van zijn aanvraag.

3.11.2.

Het hof is van oordeel dat in ieder geval van de volgende feiten kan worden uitgegaan op het moment dat [de ex-man van appellante] het aanvraagformulier invulde:
(i) [de ex-man van appellante] was gedetineerd tot 23 april 2014 en was daarna zonder vaste woon- of verblijfplaats en dus ook ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier op 14 mei 2014;

(ii) niet gebleken is van enige (legale) inkomsten in Nederland van [de ex-man van appellante] over de jaren 2012 en 2013 terwijl evenmin is gebleken dat [de ex-man van appellante] het op het aanvraagformulier opgegeven salaris of inkomen over de jaren 2012 en 2013 heeft verworven.

Niet in discussie is dat als [de ex-man van appellante] melding zou hebben gemaakt van het feit dat hij zijn inkomen zou verwerven met criminele activiteiten [de vennootschap] niet tot het sluiten van de verzekering zou zijn overgegaan. Dat geldt ook indien [de ex-man van appellante] , zoals [de vennootschap] onbestreden heeft gesteld, “geen beroep” zou hebben ingevuld en / of geen inkomensgegevens zou hebben vermeld. Daarmee staat vast dat tussen [de ex-man van appellante] en [de vennootschap] geen verzekering tot stand zou zijn gekomen.

3.12.

De slotsom is dat de grieven falen. Hetgeen overigens of meer naar voren is gebracht in de grieven kan niet tot een ander oordeel leiden. Het vonnis zal worden bekrachtigd en [appellanten c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [de vennootschap] worden begroot op:

- griffierecht € 5.270,-

- salaris advocaat € 14.034,- (3 punten x Tarief VII € 4.678,-)

Totaal € 19.304,-

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 28 maart 2018;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op

€ 19.304,-;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, E.H. Schulten en E.J. Wervelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer