Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1262

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.239.990_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht; verschuldigdheid aanvullende pensioenpremie; uitleg uitvoeringsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0450
PR-Updates.nl PR-2020-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.239.990/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

1 Vion IM&T B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Vion N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als Vion IM&T (en hierna ook: Vion ICT), Vion N.V. en gezamenlijk als Vion,

advocaat: mr. G.R. Derksen te Enschede,

tegen

Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Achmea,

advocaat: mr. S. van der Vegt te Deventer,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2018 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 30 maart 2017 en 15 maart 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen Vion als gedaagden en Achmea als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5135349 / 16/6476)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties van Vion;

  • -

    de antwoordakte van Achmea.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Appellanten zijn vennootschappen uit een groep. De groep is een onderneming die zich richt op vleesproductie. Vion NV is de moedermaatschappij van Vion IM&T, die voorheen als statutaire naam had: Vion ICT Services B.V. (hierna: Vion ICT). Op 30 april 2015 heeft een juridische fusie plaats gevonden waarbij Vion N.V. de verkrijgende vennootschap is van (de daardoor verdwenen vennootschap) Vion Head office B.V.

3.1.2.

Vennootschappen van de Vion Groep hadden pensioenovereenkomsten met hun werknemers. Die pensioenovereenkomsten werden tot 1 januari 2014 uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds [vestigingsnaam] (hierna: SPS), een ondernemingspensioenfonds voor een aantal ondernemingen in de omgeving van [vestigingsnaam] . N.V. Interpolis BTL (een vennootschap gelieerd aan Achmea; hierna zal Interpolis worden aangeduid als Achmea) trad op als de (her)verzekeraar van SPS.

3.1.3.

De dekkingsgraad van SPS lag onder de 100%. Achmea heeft daarvoor een voorwaardelijke aanvullende premie van 10% van de netto jaarpremie in rekening gebracht bij SPS. Bij brief van 21 december 2012 heeft Achmea aan SPS onder meer het volgende bevestigd over aanvullende premies over de jaren 2011 en 2012: “(…) De aanvullende premies vervallen als u ter vervanging van het huidige Solidair Pensioen een uitvoeringsovereenkomst met een looptijd van 5 jaar voor een ander collectief pensioenproduct afsluit bij Achmea (…)”

3.1.4.

Tot de Vion Groep waarvoor SPS de pensioenregeling uitvoerde behoorde ook Vion Ingredients Nederland (Holding) B.V. (hierna: Vion Ingredients). In het najaar van 2013 heeft een fusie plaatsgevonden waardoor Vion Ingredients is opgegaan in Darling Ingredients Inc. Toen is besloten dat SPS ‘mee zou gaan’ naar Darling. Voor Vion betekende dit dat zij op zoek moest naar een nieuwe pensioenuitvoerder. Daarover is zij gesprekken gaan voeren met Achmea.

3.1.5.

In november 2013 heeft Achmea een offerte gestuurd aan Vion voor een uitvoeringsovereenkomst ingaande 1 januari 2014. Op 8 juli 2014 heeft Vion een concept uitvoeringsovereenkomst ontvangen waarbij Achmea in een begeleidende e-mail nog vier kanttekeningen plaatste (daarop zal in het hierna volgende nader worden ingegaan). De uitvoeringsovereenkomst is door Achmea op 20 oktober 2014 ondertekend en door Vion op 12 november 2014. De uitvoeringsovereenkomst ging in per 1 januari 2014.

In de tijd tussen de ondertekening door Achmea en de ondertekening door Vion, heeft Vion op 30 oktober 2014 per e-mail aan Achmea laten weten dat zij de uitvoeringsovereenkomst niet wilde verlengen. Zodoende is per 1 januari 2015 een einde gekomen aan de uitvoering van de pensioenregeling van Vion door Achmea.

3.1.6.

In de uitvoeringsovereenkomst is in artikel 15 onder het kopje “aanvullende premie” het volgende bepaald:

“15.1 De werkgever is een aanvullende premie aan Interpolis verschuldigd van € 9.999,00. Deze aanvullende premie brengt Interpolis feitelijk alleen geheel of gedeeltelijk in rekening als deze uitvoeringsovereenkomst door opzegging door de werkgever eindigt vóór 31 december 2018, tenzij (…)”.

Met een e-mail van 5 december 2014 heeft Achmea het volgende medegedeeld: “Eerder hebben jullie de uitvoeringsovereenkomst ondertekend. Helaas is in die versie de hoogte van het te betalen bedrag bij een vertrek op een datum die eerder ligt dan 31.12.2018 niet conform de afspraken opgenomen. In bijgaand document is dat aangepast. Ik wil je verzoeken deze versie te laten ondertekenen en die aan ons retour te zenden. (…) Het volgende artikel is aangepast:

Artikel 15 Aanvullende premie

15.1

De werkgever is een aanvullende premie aan Interpolis verschuldigd van € 234.871,42 (…)”.

Met een e-mail van 22 december 2014 heeft Achmea aangegeven dat er een fout is gemaakt en dat het bedrag € 173.302,89 moet zijn. Vion heeft afwijzend gereageerd op de verzoeken van Achmea om de gewijzigde overeenkomst te tekenen en zij heeft ook geweigerd een aanvullende premie te betalen.

Kern van het geschil

3.2.

Kern van het geschil is het volgende. Achmea eist betaling van € 173.302,89 aan aanvullende premies. Volgens Achmea zijn partijen dat overeengekomen. Vion heeft onder verwijzing naar artikel 15 van de uitvoeringsovereenkomst betwist dat zij dit bedrag is overeengekomen aan aanvullende premies. In die bepaling wordt een bedrag van € 9.999,- vermeld.

3.3.

De kantonrechter heeft de vorderingen van Achmea toegewezen. Vion heeft, na een inleiding, waarin zij een weergave heeft gegeven van het geschil en van de door haar gevoerde verweren, negen grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot afwijzing van de vorderingen van Achmea met haar veroordeling in de proceskosten.

Grief 1

3.4.

Vion is van mening dat zij in het geheel geen aanvullende premie aan Achmea verschuldigd is; niet € 173.302,89, maar ook niet het in artikel 15.1 van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen bedrag van € 9.999,-. Daarop heeft grief 1 betrekking. De grief ziet op het verweer van Vion dat de uitvoeringsovereenkomst niet is geëindigd als gevolg van opzegging. Het hof begrijpt de grief aldus dat Achmea volgens Vion geen recht heeft op betaling van de aanvullende premie, omdat daaraan de voorwaarde is verbonden dat de uitvoeringsovereenkomst is opgezegd en dat die voorwaarde niet in vervulling is gegaan.

3.5.

Artikel 15 van de uitvoeringsovereenkomst luidt als volgt:

“15.1 De werkgever is een aanvullende premie aan Interpolis verschuldigd van € 9.999,00. Deze aanvullende premie brengt Interpolis feitelijk alleen geheel of gedeeltelijk in rekening als deze uitvoeringsovereenkomst door opzegging door de werkgever eindigt vóór 31 december 2018 , [onderstreping hof] tenzij (…)

- de werkgever voor de uitvoering van de pensioenregeling direct aansluitend een nieuwe uitvoeringsovereenkomst aangaat met Achmea (…);

- de pensioenregeling geldt voor de werknemers die voldoen aan de voorwaarde(n) om als deelnemer aangemerkt te worden volgens de pensioenregeling die geldt direct voorafgaand aan het eindigen van deze uitvoeringsovereenkomst;

- de nieuwe uitvoeringsovereenkomst niet door opzegging door de werkgever eindigt vóór 31 december 2018.

15.2

Als deze uitvoeringsovereenkomst of de hiervoor bedoelde nieuwe uitvoeringsovereenkomst door opzegging door de werkgever eindigt vóór 31 december 2015 brengt Interpolis de aanvullende premie als bedoeld in het vorige lid feitelijk geheel alsnog in rekening per de datum dat deze uitvoeringsovereenkomst of de nieuwe uitvoeringsovereenkomst eindigt. Ligt deze datum op of na 31 december 2015 en vóór 31 december 2018 dan is de werkgever de aanvullende premie naar rato verschuldigd. Interpolis doet dat als volgt:

Uitvoeringsovereenkomst eindigt door Percentage van de aanvullende

opzegging door werkgever premie dat verschuldigd is

op 31 december 2015 of in 2016 60

in 2017 40

na 2017 en vóór 31 december 2018 20”.

Artikel 16 van de uitvoeringsovereenkomst heeft als kopje “Aanvang, duur en beëindiging” en luidt als volgt:

“16.1 Deze uitvoeringsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2014 en eindigt op 1 januari 2015.

16.2

Deze uitvoeringsovereenkomst wordt telkens stilzwijgend met één jaar verlengd, tenzij één van de partijen twee maanden voor de afloopdatum aan de andere partij schriftelijk te kennen geeft dat zij de uitvoeringsovereenkomst niet, dan wel onder te wijzigen voorwaarden, wenst voor te zetten.(…)”.

3.6.

Tussen partijen staat vast dat Vion de uitvoeringsovereenkomst niet heeft opgezegd, maar dat zij met een e-mail van 30 oktober 2014 aan Achmea heeft medegedeeld dat zij de uitvoeringsovereenkomst niet wilde verlengen. Naar de letterlijke tekst van de overeenkomst is dus niet voldaan aan de voorwaarde die is verbonden aan de verplichting van Vion om de aanvullende premie te betalen. Achmea heeft daar tegen in gebracht dat met Vion is overeengekomen dat Vion het volledige bedrag aan aanvullende premie moet voldoen wanneer de uitvoeringsovereenkomst ten einde komt vóór 31 december 2015.

3.7.

Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex).

3.8.

Het hof stelt vast dat partijen niets hebben aangevoerd over hetgeen is besproken voorafgaand aan de totstandkoming van de uitvoeringsovereenkomst met betrekking tot artikel 16 en /of met betrekking tot het eindigen en de wijze van beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de zinsnede over opzegging in artikel 15.

3.9.

Vion heeft weliswaar aangevoerd dat het nogal uitmaakt of een overeenkomst van rechtswege eindigt (bedoeld zal zijn door tijdsverloop) of door opzegging, maar zij heeft niet toegelicht wat de verschillen zijn voor deze uitvoeringsovereenkomst. Zij heeft niet toegelicht welke andere consequenties de wijze van beëindiging van deze uitvoeringsovereenkomst heeft of kan hebben. Het hof is van oordeel dat uit de artikelen 15 en 16 van de uitvoeringsovereenkomst, in onderling verband gelezen, duidelijk blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat Vion na 31 december 2018 niet meer de aanvullende premie hoefde te betalen wanneer zij dan nog steeds een uitvoeringsovereenkomst had met Achmea en dat, hoe eerder die uitvoeringsovereenkomst zou eindigen, hoe hoger het bedrag zou zijn dat zij aan aanvullende premie zou moeten voldoen.

Deze bedoeling volgt ook uit de tekst van de offerte van november 2013 en redelijkerwijs mocht Vion ook niet verwachten dat Achmea geen aanspraak zou maken op de aanvullende premies wegens een dekkingsgraadtekort.

Wanneer de door Vion voorgestane uitleg zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat Vion het (binnen de periode tot 31 december 2018) in de hand heeft of zij de aanvullende premie verschuldigd wordt. Wanneer de door Vion voorgestane uitleg wordt gevolgd, kan Vion door te kiezen voor een ‘aanzegging’ in plaats van een ‘opzegging’ voorkomen dat zij aanvullende premies moet betalen. Het hof is van oordeel dat dit een zo onaannemelijke uitleg is, dat Vion daarin niet kan worden gevolgd. Het hof is met Achmea van oordeel dat artikel 15 zinledig zou zijn als de door Vion voorgestane uitleg zou moeten worden gevolgd. Dat weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het feit dat de overeenkomst is opgesteld door (juristen van) Achmea en dat Achmea één van de grootste verzekeraars is van Nederland en vele overeenkomsten pleegt af te sluiten. Het hof kan er niet van uit gaan dat Achmea als grotere of veel professionelere partij heeft te gelden dan Vion. Vion is geen kleine onderneming. Vion is onderdeel van een groep. Zij heeft gesteld dat de groep in 2017 gemiddeld 11.800 FTE in dienst had. Het hof is dus van oordeel dat de grief faalt.

Grieven 2 tot en met 5

3.10.

De grieven 2 tot en met 5 zien op de vraag of Vion gehouden is € 173.302,89 aan aanvullende premie te betalen. Vion heeft onder verwijzing naar artikel 15.1 van de uitvoeringsovereenkomst, het verweer gevoerd dat zij hooguit kan worden veroordeeld tot betaling van € 9.999,-. De kantonrechter is tot de conclusie gekomen dat Vion wist dat het in het contract vermelde bedrag van € 9.999,- een vergissing was. De grieven 2 tot en met 5 zijn gericht tegen die conclusie en tegen de daaraan voorafgaande overwegingen. Het hof zal die grieven gezamenlijk bespreken.

3.11.

Vion heeft onder verwijzing naar de artikelen 3:33-3:35 BW een beroep gedaan op het ontbreken van een op rechtsgevolg gerichte wil. Tussen partijen is echter niet in geschil óf er een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Het gaat ‘slechts’ om de vraag wat de inhoud is van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het hof zal dat beoordelen naar de in 3.7 genoemde maatstaf.

3.12.

Achmea heeft in november 2013 een offerte gestuurd aan Vion. Daarin staat onder meer:

Wat gebeurt er als u niet akkoord gaat met het aanpassingsvoorstel? (…) Of u brengt uw pensioenregeling dan onder bij een andere pensioenuitvoerder. De afspraken over de aanvullende nota’s zijn dan voor u van belang.

(…)

U hoeft de voorwaardelijk opgelegde aanvullende premies niet te betalen

Doet u de komende 5 jaar mee aan het vernieuwde Solidair Pensioen? Dan hoeft u de aanvullende premies van 2011 en 2012 niet te betalen. Stapt u over naar een andere pensioenverzekering van Achmea met een contractduur van 5 jaar? Dan hoeft u de aanvullende premies ook niet te betalen. De nieuwe pensioenregeling moet dan wel gelden voor dezelfde deelnemers als in uw huidige pensioenregeling. Het totaalbedrag aan voorwaardelijk opgelegde aanvullende premies is voor SPS als geheel (voor de afsplitsingen): € 730.103,58. VION heeft hier een evenredig aandeel in. (…)”

Op 8 juli 2014 stuurt Achmea vervolgens per e-mail een concept van de uitvoeringsovereenkomst aan Vion. In die e-mail staat onder meer het volgende:

“Voor de goede orde nog even een paar kanttekeningen:

1) (…)

2) In de UO DB staat de voorwaardelijk terug te betalen nota, een bedrag van € 9.999. Wordt definitief vastgesteld zodra invoer deelnemers is gedaan. De terugbetaling hoeft niet plaats te vinden zodra men 5 jaar in het nieuwe Interpolis Solidair product blijft.

3) (…)

4) (…)”

Graag ontvang ik snel jullie bevindingen.”

In artikel 15.1 van het concept van de uitvoeringsovereenkomst was € 9.999 vermeld als bedrag aan aanvullende premie.

In de definitieve versie van de uitvoeringsovereenkomst is hetzelfde bedrag vermeld (zie citaat in 3.1.6).

3.13.

Het hof is van oordeel dat deze stukken moeten worden bezien in het licht van de achtergrond waartegen deze stukken zijn opgemaakt. Achmea werd niet aangezocht als ‘geheel nieuwe pensioenuitvoerder’. Het ging om een loskoppeling van enkele Vion vennootschappen van SPS, waardoor SPS als het ware ‘er tussen uit viel’. Tot dat moment was SPS weliswaar als ondernemingspensioenfonds de pensioenuitvoerder, maar feitelijk voerde Achmea de pensioenregeling uit. Zij deed dat niet slechts administratief. Bij Achmea lag feitelijk ook het financiële risico.

3.14.

Uit de offerte blijkt duidelijk dat het de bedoeling was van Achmea dat zij aanvullende premies in rekening zou brengen wanneer Vion binnen 5 jaar voor een andere pensioenverzekeraar zou kiezen. Ook blijkt uit de offerte duidelijk dat het gaat om premies uit het verleden. De jaartallen worden genoemd en er wordt vermeld dat het gaat om aanvullende premies voor SPS. In de offerte is daarover vermeld dat Vion een evenredig aandeel heeft in € 730.103,58.

3.15.

In de e-mail waarmee de concept uitvoeringsovereenkomst werd gestuurd, is uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor dit onderwerp. Het kan niet anders dan dat het Vion duidelijk moet zijn geweest dat het genoemde bedrag van € 9.999,- een volledig fictief bedrag betrof én dat het uiteindelijk in de uitvoeringsovereenkomst op te nemen bedrag aanzienlijk hoger zou worden dan dit bedrag. Het gaat immers bij dit in de e-mail genoemde bedrag om minder dan 1,5% van het in de offerte genoemde totaalbedrag (van € 730.103,58). Dat kan niet worden beschouwd als een ‘evenredig deel’. En verder is van belang dat het genoemde bedrag een vreemd bedrag is: vier dezelfde cijfers. Deze combinatie van factoren (een vreemd bedrag en een uitermate laag bedrag) maakt dat Vion moet hebben begrepen dat het genoemde bedrag een fictief bedrag was en dat het werkelijke, nog op te nemen, bedrag veel hoger zou zijn.

3.16.

Op 20 november 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden over het concept van de uitvoeringsovereenkomst. Tussen partijen staat vast dat het onderwerp aanvullende premies niet is besproken. Ook staat vast dat de definitieve uitvoeringsovereenkomst zonder toelichting door Achmea aan Vion is gestuurd.

3.17.

Toen Vion de definitieve uitvoeringsovereenkomst ontving is zij er naar eigen zeggen van uit gegaan dat de administratieve invoer van de deelnemers niet tot een wijziging van het bedrag had geleid. In de begeleidende e-mail van 8 juli 2014 was immers vermeld dat dit afhing van de administratieve invoer en inmiddels waren er drie maanden verstreken, aldus Vion. Het hof kan Vion niet volgen in die redenering. Immers, in de e-mail van 8 juli 2014 staat niet dat het definitief vast te stellen bedrag afhankelijk is van het aantal deelnemers. Er staat slechts dat het bedrag definitief wordt vastgesteld zodra de deelnemers zijn ingevoerd. Als Vion meende dat € 9.999,- was gebaseerd op het aantal deelnemers, dan is onbegrijpelijk dat dit bedrag drie maanden later ongewijzigd was. Bij een onderneming met een personeelsbestand als dat van Vion (zie 3.9) is het ondenkbaar dat daarin geen wisseling optreedt in drie maanden. Als Vion wél begreep dat € 9.999,- niet was gebaseerd op het aantal deelnemers, maar dat het een fictief bedrag was, dan had zij kunnen en moeten begrijpen dat het bedrag veel te laag was om de in 3.15 genoemde redenen.

3.18.

De e-mail van 8 juli 2014 met het concept van de uitvoeringsovereenkomst is gericht aan [personeelslid Vion] . Volgens Vion wist Achmea dat dit dossier voor [personeelslid Vion] nieuw was en daarom had zij [personeelslid Vion] deugdelijk moeten informeren. Achmea kon er niet vanuit gaan dat [personeelslid Vion] de voorkennis had die zijn voorgangers bij Vion ( [voorganger bij Vion 1] en [voorganger bij Vion 2] ) hadden, aldus Vion. Het hof verwerpt ook dit verweer. Het was de verantwoordelijkheid van Vion ervoor te zorgen dat de overdracht van het dossier door de personen binnen Vion op correcte wijze gebeurde. Niet valt in te zien waarom het de taak of de verantwoordelijkheid van Achmea was om zich er van te vergewissen dat [personeelslid Vion] de e-mail met de concept uitvoeringsovereenkomst zou vergelijken met de offerte die eerder was toegestuurd. Het komt voor rekening en risico van Vion dat dit kennelijk niet is gebeurd. In dit verband is van belang dat Achmea niet heeft te gelden als de grotere of veel professionelere partij (zie 3.9).

3.19.

Partijen hebben in eerste aanleg nog uitvoerig gedebatteerd over e-mails aan personen die werkzaam waren voor Vion, maar ook bestuurder waren of anderszins een rol speelden in SPS. Het betreft stukken (met name e-mails) die Achmea ter onderbouwing van haar standpunt heeft overgelegd. Vion heeft aangevoerd dat het daarbij gaat om uitlatingen die niet namens of jegens haar zijn gedaan, maar namens of jegens SPS. Het gaat daarbij slechts om communicatie die de juistheid van het standpunt van Achmea zou kunnen ondersteunen; niet om communicatie waaruit de juistheid van het verweer van Vion blijkt. Die communicatie kan daarom verder onbesproken blijven.

3.20.

Het hof is dus van oordeel dat Vion er niet op kon of mocht vertrouwen dat het genoemde bedrag van € 9.999,- het juiste bedrag was. Vanwege de hiervoor genoemde redenen had Vion bij de ontvangst van de definitieve tekst van de uitvoeringsovereenkomst bij Achmea moeten verifiëren of dat bedrag wel correct was. Om die reden verwerpt het hof ook het verweer van Vion dat zij, Vion, een rechtshandeling heeft verricht (de beslissing om de uitvoeringsovereenkomst met Achmea niet voort te zetten) op basis van het in de overeenkomst genoemde bedrag van € 9.999,-. Vion mocht er om de hiervoor genoemde redenen niet op vertrouwen dat dit bedrag juist was.

3.21.

Het hof verwerpt ook het standpunt van Vion dat zij onbekend was met het juiste bedrag. Zoals hiervoor al is overwogen had het Vion duidelijk moeten zijn dat het genoemde bedrag niet het evenredig deel was van € 730.103,58. Welk bedrag dan wel het evenredig deel was dat zij was verschuldigd wegens aanvullende premies, had Vion kunnen navragen bij Achmea of bij SPS. Dat zij dat niet heeft gedaan en daar kennelijk ook niet veel belang aan hechtte – mede gelet op het feit dat zij eerst heeft opgezegd en pas daarna de uitvoeringsovereenkomst heeft getekend – komt voor haar eigen rekening en risico en kan niet worden afgewenteld op Achmea.

3.22.

De slotsom luidt dat de grieven 2 tot en met 5 falen.

Grief 6

3.23.

Deze grief heeft betrekking op de vraag of wettelijke rente of wettelijke handelsrente verschuldigd is. De kantonrechter heeft de wettelijke handelsrente toegewezen over de hoofdsom en daartoe het volgende overwogen: Een handelsovereenkomst is voor zover het de rentecategorie betreft een overeenkomst om baat tussen rechtspersonen. Volgens Vion kan de uitvoeringsovereenkomst niet worden gekwalificeerd als een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW.

3.24.

Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven (HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106 Forellenkwekerij).

Achmea heeft niet gesteld dat de betaling betrekking heeft op de vergoeding voor haar dienstverlening en ook niet dat in het bedrag dat zij heeft gevorderd een component is opgenomen dat kan worden beschouwd als tegenprestatie voor haar diensten. De vordering betreft aanvullende premies waarmee kan worden voorzien in een dekkingstekort in de pensioenvoorziening van de werknemers van Vion. Om die reden slaagt de grief.

3.25.

De grief is niet gericht tegen de toewijzing van wettelijke rente en in eerste aanleg heeft Vion daar geen verweer tegen gevoerd. Het hof acht de wettelijke rente wel toewijsbaar. Tegen de ingangsdatum is geen grief gericht. Daar waar in het dictum van het bestreden eindvonnis is vermeld ‘wettelijke handelsrente’ moet dus worden gelezen ‘wettelijke rente’.

Grief 7

3.26.

Grief 7 ziet op de buitengerechtelijke incassokosten. Volgens Vion heeft de kantonrechter ten onrechte buitengerechtelijke incassokosten aan Achmea toegewezen. Achmea heeft € 2.408,04 gevorderd, maar volgens Vion blijkt niet dat Achmea deze kosten heeft gemaakt.

3.27.

Achmea heeft zich gebaseerd op het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 5 BW. Om die reden heeft zij haar kosten niet nader gespecificeerd. Het hof is echter van oordeel dat Achmea zich niet kon baseren op dit besluit omdat dit besluit is bedoeld voor situaties waarin de verschuldigde hoofdsom eenvoudig is vast te stellen. Dat was hier niet aan de orde. In het verzoek van Achmea om een gewijzigde overeenkomst te ondertekenen heeft Achmea een verkeerd bedrag vermeld. Daarna heeft zij met een e-mail van 22 december 2014 wel het juiste bedrag genoemd. Vervolgens heeft het tot 3 september 2015 geduurd voordat Achmea een berekening gaf van dat bedrag.

3.28.

Nu Achmea zich niet kon baseren op voornoemd besluit, had zij nader dienen te specificeren welke kosten zij heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Weliswaar heeft Achmea gesteld welke werkzaamheden zij heeft verricht, maar zij heeft nagelaten iets te vermelden over de daarmee gemoeide kosten. Het hof kan dus niet beoordelen of de gevorderde kosten redelijke kosten betreffen die in redelijkheid zijn gemaakt. Dat betekent dat de grief slaagt en dat het hof de vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten alsnog zal afwijzen.

Grief 8

3.29.

Grief 8 gaat over de proceskosten en de daarover toegewezen wettelijke handelsrente.

3.30.

Volgens Vion had de kantonrechter de vordering van Achmea moeten afwijzen en in het verlengde daarvan Achmea moeten veroordelen in de proceskosten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen faalt de grief op dit punt.

3.31.

De grief slaagt wel op het onderdeel van de rente over de proceskosten. De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis wettelijke handelsrente toegewezen over de proceskosten. Dit zal een vergissing zijn geweest. Over proceskosten is geen wettelijke handelsrente verschuldigd. Volgens Achmea heeft Vion geen belang bij de grief omdat de proceskosten zijn betaald binnen de gestelde termijn, zodat wettelijke (handels)rente niet opeisbaar is geworden. Het hof is van oordeel dat dit onverlet laat dat het bestreden eindvonnis op dit onderdeel vernietigd dient te worden.

3.32.

Het hof constateert dat Achmea geen wettelijke handelsrente had gevorderd over de proceskosten, zodat de kantonrechter buiten de rechtsstrijd is getreden. Het hof hoeft dus niet alsnog de vordering op dit onderdeel af te wijzen, want er was geen vordering tot veroordeling van wettelijke handelsrente over de proceskosten. Daar waar in het dictum van het bestreden eindvonnis is vermeld ‘wettelijke handelsrente’ moet dus worden gelezen ‘wettelijke rente’.

Grief 9

3.33.

Grief 9 ziet op de vraag of Vion ICT kon worden veroordeeld tot betaling. Vion heeft met deze grief aangevoerd dat Vion ICT geen partij is bij de uitvoeringsovereenkomst en dat niet duidelijk is op grond waarvan Vion ICT is gehouden tot betaling van de aanvullende premies. Achmea heeft daar tegen in gebracht dat de uitvoeringsovereenkomst zou gelden voor alle betrokken vennootschappen en dat Vion heeft gevraagd om facturen te splitsen naar de betrokken vennootschappen.

3.34.

Het hof ziet in de facturering aan Vion ICT geen reden om uit te gaan van een verbintenis van Vion ICT tot betaling van de aanvullende premies. Dat Vion ICT eerder facturen heeft betaald, leidt niet tot de slotsom dat Vion ICT een verbintenis had om te betalen. Het hof is van oordeel dat Achmea onvoldoende heeft aangevoerd om van die verbintenis uit te kunnen gaan. De uitvoeringsovereenkomst is volgens de tekst van die overeenkomst alleen gesloten met Vion N.V., niet ook met andere vennootschappen. In de e-mail van 8 juli 2014 wordt vermeld dat voor de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst het niet uitmaakt wie als partij wordt vermeld, maar dat wil niet zeggen dat dit ook niets uitmaakte voor wat betreft de aansprakelijkheid voor betalingen en de verhaalbaarheid van vorderingen. Wat dat laatste betreft heeft Achmea niets aangevoerd. Ook van een andere grondslag voor een betalingsverplichting is niets gesteld of gebleken. Eventuele strijdigheid met artikel 23 Pensioenwet, leidt er niet toe dat Vion ICT zich heeft verbonden tot betaling van de aanvullende premie. Om die reden slaagt de grief en zal het bestreden eindvonnis worden vernietigd. Het hof zal de vorderingen tegen Vion ICT alsnog afwijzen.

Samenvatting

3.35.

De grieven tegen het tussenvonnis falen, zodat het hof het tussenvonnis zal bekrachtigen. De grieven tegen het eindvonnis slagen slechts op enkele ondergeschikte punten.

3.36.

Het hof passeert het bewijsaanbod, ofwel omdat in hoger beroep onvoldoende is gesteld om aan bewijslevering toe te komen, ofwel omdat bewijslevering niet tot een andere beslissing kan leiden. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor bij de beoordeling van de grieven is overwogen.

3.37.

Daar waar in het dictum van het bestreden eindvonnis is vermeld ‘wettelijke handelsrente’ moet dus worden gelezen ‘wettelijke rente’.

3.38.

Het hof zal de vordering tegen Vion ICT alsnog afwijzen. Achmea zal worden veroordeeld in de proceskosten van Vion ICT maar die kosten zal het hof begroten op nihil, aangezien in eerste aanleg geen specifiek door Vion ICT gevoerd verweer aan de orde is geweest.

3.39.

Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep daarom compenseren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis waarvan beroep;

vernietigt het eindvonnis waarvan beroep voor zover

- de vorderingen van Achmea tegen Vion ICT zijn toegewezen;

- Vion ICT is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Achmea;

- Vion N.V. is veroordeeld tot betaling van € 237,15, € 99,88 en € 1.479,96;

- wettelijke handelsrente is toegewezen in plaats van wettelijke rente;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van Achmea tegen Vion ICT alsnog af;

- wijst de vorderingen van Achmea om Vion N.V. te veroordelen tot buitengerechtelijke incassokosten alsnog af;

- veroordeelt Vion N.V. in de wettelijke rente (in plaats van de wettelijke handelsrente) over de bedragen waartoe zij is veroordeeld in eerste aanleg;

- veroordeelt Achmea in de proceskosten die Vion ICT in eerste aanleg heeft gemaakt en begroot die op nihil;

- veroordeelt Achmea tot terugbetaling van hetgeen Vion en / of Vion ICT op grond van het bestreden eindvonnis aan Achmea ten onrechte heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, H.K.N. Vos en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer