Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1258

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.230.819_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijk appel als gevolg van berusting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.230.819/01

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

eiser in het incident,

advocaat: mr. M. Stegeman te Doorn,

tegen

Vereniging [de Vereniging] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verweerster,

advocaat: mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van de

vonnissen van 4 januari 2017 en 31 mei 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant,

zittingsplaats Breda gewezen tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - [de Vereniging]

- als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C02/318428 HA ZA 16-525)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 22 maart 2019 arrest gewezen in het incident en de voeging bevolen van deze zaak met de bij dit hof aanhangige zaken met nummer 200.230.832/01

en 200.224.034/01.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] ;

  • -

    de memorie van antwoord van [de Vereniging] ;

  • -

    de antwoordakte van 30 oktober 2018.

3 De beoordeling

3.1.

[de Vereniging] heeft aangevoerd dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij in de vonnissen waarvan beroep heeft berust. Daartoe heeft [de Vereniging] het volgende aangevoerd.

[appellant] heeft [de Vereniging] op 10 oktober 2017 een e-mail gestuurd met als bijlage een brief, waarin onder meer de volgende passages zijn opgenomen:

"Op 31 mei 2017 is er vonnis gewezen over het geschil tussen Vereniging

[de Vereniging] en de niet-leden. In dat vonnis heeft de rechtbank een beslissing gegeven over de bijdrage in de kosten, welke de niet-leden zouden

moeten voldoen.

(...)

Ik heb besloten om mij bij dat vonnis neer te leggen. Ik zal over de afgelopen aldus een bedrag moeten voldoen dat (maximaal) iets lager is dan het

bedrag dat de leden hebben voldaan."

Aldus heeft [appellant] ondubbelzinnig jegens [de Vereniging] verklaard, dat hij zich bij de onderhavige uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2017 neerlegt.

Uit die verklaring heeft [de Vereniging] afgeleid en in de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijs mogen afleiden, dat [appellant] aldus op ondubbelzinnige wijze zijn wil om in het

vonnis te berusten tot uitdrukking heeft gebracht.

[appellant] is daarom onherroepelijk gebonden aan zijn berusting en hij kan jegens [de Vereniging]

geen beroep meer doen op het ontbreken van de wil om te berusten. [de Vereniging] wijst in

het kader van haar beroep op berusting door [appellant] nog op arresten van de Hoge

Raad van 30 juni 2006 en 18 april 1986 (zie ECLI:NL:HR:2006:AV3373 respectievelijk ECLI:NL:HR:1986:AC9310).

[de Vereniging] heeft de e-mail van [appellant] van 10 oktober 2017 inclusief de

daarbij door hem toegezonden brief met berustingsverklaring overgelegd.

3.2

[appellant] heeft de stelling van [de Vereniging] dat sprake is van berusting bestreden op drie gronden. In de eerste plaats is de brief niet afkomstig van de advocaat van [appellant] . In de tweede plaats heeft [appellant] niet goed begrepen dat de brief juridisch als berusting in het vonnis zou worden opgevat; hij had niet de bedoeling om te berusten. In de derde plaats bevat de brief alleen een aanbod dat door [de Vereniging] niet is aanvaard en mocht [de Vereniging] er niet op vertrouwen dat [appellant] had berust.

3.3

Deze verweren gaan niet op. Uit de hiervoor onder 3.1 opgenomen brief van [appellant] blijkt dat hij ondubbelzinnig, immers met zoveel woorden, heeft verklaard dat hij zich bij het vonnis neerlegt en daaraan zal voldoen. Daarmee heeft [appellant] onmiskenbaar afstand gedaan van zijn recht op hoger beroep. Daarvoor is geen juridische expertise vereist. Dat [appellant] de brief zelf heeft geschreven maakt dan ook geen verschil. Van een aanbod aan [de Vereniging] is in deze brief geen sprake. Er is ook geen enkele aanleiding geweest voor [de Vereniging] te veronderstellen dat [appellant] met zijn brief iets anders heeft bedoeld dan zich neer te leggen bij het onderhavige vonnis van de rechtbank. Op grond van dit een en ander moet hij ingevolge art. 334 Rv niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.4

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. De kosten van dit hoger beroep worden begroot op € 716,00 griffierecht en

€ 2.685,00 (tarief II in appel=€ 1.074,00 per punt x 2,5 punten voor antw inc, mva en antw akte), derhalve € 3.401,00. Rente en kosten worden als onbetwist toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

Het hof rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, op 31 mei 2017 gewezen tussen appellant - [appellant] als gedaagde en geïntimeerde – [de Vereniging] als eiseres;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van [de Vereniging] bepaald op € 3.401,00 en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening en bepaalt de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en P. Kuipers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2020.

griffier rolraadsheer