Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1251

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
20-002172-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Hennepkwekerij in aangelegde ondergrondse betonnen bunker. Het hof is van oordeel dat verdachte als initiator en brein achter de aangetroffen ondergrondse bunker met daarin de hennepkwekerij dient te worden aangemerkt en dat zijn materiële en/of intellectuele bijdrage aan de hennepteelt van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen van opzettelijke hennepteelt. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden dan wel dient als ongeloofwaardig terzijde te worden gesteld. Tevens bewezen diefstal elektriciteit ten behoeve van de hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002172-15

Uitspraak : 2 april 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-860430-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd’ (feit 1) en diefstal (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De verdediging heeft een tot vrijspraak strekkend verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een (grote) hoeveelheid (ongeveer 1.708) hennepplanten en/of delen daarvan en/of 10,2 kilogram hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep (zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet), heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;

2.

in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., heeft weggenomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van hetgeen onder 1 en 2 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken nu niet blijkt van enige betrokkenheid bij de aangetroffen hennepkwekerijen en diefstal van elektriciteit.

A.

Feiten 1

Op 2 oktober 2013 werd een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid ter beschikking gesteld aan de politie Oost-Brabant met de navolgende informatie:

Op het perceel, behorende bij [adres] , zit een hele grote hennepkwekerij. Deze hennepkwekerij zit goed verstopt.

Op internet werd op Funda het adres [adres] gevonden als een perceel dat de koop had gestaan vanaf 19 augustus 2011 met een vraagprijs van € 550.000 k.k. Verder stond op internet dat de verkoopdatum van dit pand 2 oktober 2012 was. Als beschrijving stond hierbij dat het perceel gelegen was aan de rand van de bebouwde kom in een zeer fraaie en groenrijke omgeving op een perceel van 19.637 m2, met daarbij een vrijstaande woning met diverse bijgebouwen en opstallen. Verder stond erbij dat het ging om de volgende kadasternummers: Cuijk [nr 1] , Cuijk [nr 2] , Cuijk [nr 3] , Cuijk [nr 4] en Cuijk [nr 5] .2

Blijkens gegevens uit het kadaster waren de percelen Cuijk [nr 1] , Cuijk [nr 2] , Cuijk [nr 3] , Cuijk [nr 4] en Cuijk [nr 5] met ingang van 9 november 2012 eigendom van [verdachte] , en [vrouw] , beiden met elkaar gehuwd en ieder voor de helft eigenaar, beiden wonende aan de [adres] . De percelen met de verschillende kadasternummers grenzen aan elkaar, zodat het perceel als een geheel kan worden gezien.3

Blijkens gegevens uit het kadaster waren op het pand twee hypotheken gevestigd: één hypotheek ten gunste van hypotheek [hypotheekgever 1] , voor een bedrag van € 230.000,-, en een andere hypotheek ten gunste van hypotheekhouder [hypotheekgever 2] , voor een bedrag van € 250.000,-.4

Op 8 oktober 2013 werd het perceel [adres] , door de politie betreden en is de op het perceel staande woning door de politie binnengetreden.5

In de kelder van het bijgebouw van de woning werd een kweekruimte aangetroffen voor het opkweken van hennepplanten. Deze kelderruimte was te bereiken middels een luik in de hal van het bijgebouw. De zolder van het bijgebouw was ingericht als droogruimte voor het drogen van henneptoppen. Er lag in totaal 10,2 kilogram gedroogde hennep.

Op 8 oktober 2013, omstreeks 13.30 uur, nam verbalisant [verbalisant] telefonisch contact op met de oude eigenaar van het [adres] , de heer [naam] . De verbalisant deelde hem mede dat de politie bezig was met een onderzoek op zijn oude perceel en vroeg hem, [naam] , of hem iets bekend was van bouwwerkzaamheden in de oude kas. [naam] deelde de verbalisant mede dat bij hem niets daarvan bekend was.6

Op 8 oktober 2013, omstreeks 14.00 uur, verscheen [verdachte] (hof: de verdachte) voornoemd op het perceel [adres] . Verbalisant [verbalisant] stelde de identiteit van [verdachte] vast. [verdachte] overhandigde aan verbalisant [verbalisant] een huurovereenkomst tussen hem en [huurster] met betrekking tot het pand [adres] . Verbalisant [verbalisant] nam dit huurcontract in beslag.7

In de tuin van het perceel [adres] zagen de verbalisanten in de nabijheid van een grote kas een object in de tuin staan. Dit object was aan de voorzijde gecamoufleerd met bomen en sparren en vervolgens was er een groen zeil zichtbaar. Het bleek te gaan om een betonnen c.q. stenen bunker. De gehele bunker bleek te zijn afgedekt met plastic. Vervolgens was hier zand overheen gegooid. Nadat het zeil terzijde was geschoven werd een schuimrubber deur zichtbaar waarachter zich een voorportaal bevond met in de hoek een grote ventilator voor het afzuigen van vieze lucht door een tunnel. Nadat nog een schuimrubber deur was verwijderd werd een groot dieselaggregaat, ook wel dieselgenerator genoemd, aangetroffen. Eveneens werd een grote IBC-container van 1.000 liter aangetroffen, gedeeltelijk gevuld met diesel. In de muur aan de achterzijde was een opening om verse lucht naar binnen te krijgen voor de generator.8

In de hoek van de kas was een betonnen tunnelingang gemaakt die was afgedekt met zwart plastic. Deze tunnel liep vanuit de kas over een lengte van 10 à 15 meter naar de

aggregaatruimte. Vanuit de aggregaatruimte werd de verbruikte lucht in de kas geblazen.

Bij onderzoek in de kas werd een tuinhuis aangetroffen. Dit tuinhuis stond midden in de kas en vlakbij de buitenwand aan de zijde van het woonhuis. Aan de zijde van het woonhuis was de inkijk in het tuinhuis afgeschermd door middel van doeken die aan de binnenkant van de kas hingen. Buiten het tuinhuis stonden enkele volle emmers met mapito c.q. steenwolvlokken. De verbalisanten zagen en voelden dat deze mapito nat was en dat er wortelresten van hennepplanten tussen zaten. Verder stonden in de hoek van de kas enkele grote bouwafvalzakken, die eveneens gevuld waren met mapito met wortelresten. Er liep een kruiwagenspoor vanaf het tuinhuis naar de plaats waar de bouwafvalzakken stonden. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat verdachte [Verdachte 2] bezig was met het vullen van de afvalzakken met mapito.

In de kas waren betonnen platen gelegd voor looppaden.

Aan de buitenzijde van de kas werd een elektriciteitskabel die vanuit de aggregaatruimte liep, opgegraven waarna werd gezien dat deze ondergronds de kas inliep nabij de tunnel.9

Gezien de hele situatie ter plaatse leek het de verbalisanten waarschijnlijk dat er een ondergrondse ruimte was in de kas en dat de ingang waarschijnlijk in de buurt van het tuinhuis was. Met behulp van een graafmachine werd de elektriciteitskabel van het aggregaat in de kas gevolgd. Deze liep over een lengte van ongeveer 20 meter in de richting van het tuinhuis in het midden van de kas. Vervolgens werd gezien dat ongeveer 25 centimeter onder de grond een betonnen ruimte was gebouwd.10

Het plafond van de betonnen ruimte was afgedekt met betonnen kanaalplaatvloeren. Nadat deze waren weggehaald werd een ondergrondse ruimte aangetroffen die was ingericht als hennepkwekerij. Nadat de ruimte door middel van een ladder was betreden werden twee personen aangetroffen welke zich in deze hennepkwekerij bevonden, die werden aangehouden. Het ging hier om [verdachte 3] , en [verdachte 4] . In de ondergrondse ruimte was een soort liftkamer ingericht waarin een enkelvoudige schaartafel was geplaatst van het merk BD-lift. Bovenop deze schaartafel was een betonnen kanaalplaatvloer gelegd die door middel van een elektrische bedieningspeer naadloos aansloot op de vloer van het tuinhuis. In de liftkamer was een tv-monitor aanwezig, die op het moment van de politie-inval in werking was. Tegen één van de spanten in het dak van de kas bleek een mini-camera te hangen die de beelden uit de kas draadloos overbracht naar de tv-monitor beneden.

De ondergrondse ruimte bleek verdeeld te zijn in 4 ruimtes: de liftkamer, de verzorgingsruimte en twee identiek ingerichte kweekruimtes.

In de verzorgingsruimte kwam de elektriciteit binnen ten behoeve van de kwekerij. In de schakelkast bevond zich een instructie in de Oekraïense taal voor de bediening van de schakelkast. Verder lagen er aantekeningen in de Oekraïense taal voor de kweek van hennep. Voorts stonden in deze ruimte de watervaten met voedingsmiddelen ten behoeve van beide kweekruimtes. Ook hingen hier de airconditioners voor de aan- en afvoer van lucht. Ook de bediening van de diverse apparaten ten behoeve van de kwekerij bevond zich in deze ruimte. De hoogte van de lampen in de kweekruimtes was vanuit de verzorgingsruimte elektrisch bedienbaar.11

In kweekruimte 1 hingen 5 frames. Aan deze elektrisch in hoogte verstelbare frames waren elk 17 assimilatielampen met voorschakelapparaten c.q. transformatoren opgehangen. De voorschakelapparaten waren verstelbaar in sterkte van 600 tot 1.150 Watt. In elke lichtarmatuur hing een assimilatielamp van 1.000 Watt. De schakelkast voor deze kweekruimte 1 bleek zich in de verzorgingsruimte te bevinden. Door deze schakelkast met tijdklok werd de elektrische apparatuur in- en uitgeschakeld. Op de achterwand in kweekruimte 1 hingen 4 koolstoffilters, die waren aangesloten op een boxventilator. Middels aangesloten flexibele buizen werd gezorgd voor de aanvoer van verse lucht en de afvoer van vuile lucht. De ventilatoren waren in werking. De vloer van kweekruimte 1 was één grote kweekruimte. De vloer was bedekt met zwarte vijverfolie. Het zwarte zeil was bedekt met mapito, die deels was vermengd met potaarde. Door deze kweekruimte liep van voor naar achter een irrigatiesysteem voor de watervoorziening. Verder waren er van voor naar achter drie looppaden gemaakt door middel van houten planken.

Het kweekoppervlakte in kweekruimte 1 was 59,40 m2. Er stonden 520 hennepplanten met een geschatte leeftijd van 1 week oud.12

In kweekruimte 2 hingen 5 frames. Aan deze elektrisch in hoogte verstelbare frames waren elk 17 assimilatielampen met voorschakelapparaten c.q. transformatoren opgehangen. De voorschakelapparaten waren verstelbaar in sterkte van 600 tot 1.150 Watt. In elke lichtarmatuur hing een assimilatielamp van 1.000 Watt. De schakelkast voor deze kweekruimte 1 (het hof begrijpt: kweekruimte 2) bleek zich in de verzorgingsruimte te bevinden. Door deze schakelkast met tijdklok werd de elektrische apparatuur in- en uitgeschakeld. Op de achterwand in kweekruimte 1 (het hof begrijpt: kweekruimte 2) hingen 4 koolstoffilters, die waren aangesloten op een boxventilator. Middels aangesloten flexibele buizen werd gezorgd voor de aanvoer van verse lucht en de afvoer van vuile lucht. De ventilatoren waren in werking. De vloer van kweekruimte 1 (het hof begrijpt: kweekruimte 2) was één grote kweekruimte. De vloer was bedekt met zwarte vijverfolie. Het zwarte zeil was bedekt met mapito, die deels was vermengd met potaarde. Door deze kweekruimte liep van voor naar achter een irrigatiesysteem voor de watervoorziening. Verder waren er van voor naar achter drie looppaden gemaakt door middel van houten planken.

Het kweekoppervlak in kweekruimte 2 was 61,17 m2. Men was bezig de kweekbodem bestaande uit mapito en deels vermengd met potaarde te verversen. Een deel van de kweekbodem was al uitgeruimd en er stonden nog enkele volle emmers gevuld met natte mapito en wortelresten klaar om naar boven getransporteerd te worden.13

Gezien de hele inrichting kon hier gesproken worden van een professionele hennepkwekerij.

De verbalisanten zagen dat:

  • -

    de belichting werd geregeld middels kunstlicht op tijdklokken;

  • -

    de kweekruimtes helemaal afgeschermd waren van daglicht en geïsoleerd met betrekking tot de temperatuur;

  • -

    er ventilatorkasten waren aangebracht en er afzuiging naar buiten was;

  • -

    de verwarming thermostaat gestuurd werd;

  • -

    de energie buiten de meter om getrokken werd;

  • -

    de kweekruimtes zodanig geschakeld waren dat één kweekruimte tegelijkertijd in werking was.14

De stroomvoorziening voor deze kwekerij werd verkregen door een illegale aansluiting. Vanuit de achterzijde van de loods waar beide kweekruimtes waren ingericht liep een elektriciteitskabel naar de voorzijde van de loods, waar de meterkast was geïnstalleerd. De stroomvoorziening was buiten de meter om aangelegd. Alle apparatuur ten behoeve van de kwekerij was op deze kabel aangesloten. Omdat de elektriciteitskabel was aangesloten voor de bestaande elektriciteitsmeter van Enexis registreerde de elektriciteitsmeter niet de hoeveelheid elektriciteit die werd gebruikt in de hennepkwekerij.15

Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant 2] hebben op de plaats van het delict een onderzoek ingesteld naar de aard van het inbeslaggenomen plantenmateriaal. De verbalisanten zagen en roken dat het plantenmateriaal hun bekend voorkwam als hennep c.q. hennepdelen, een stof als bedoeld op lijst II van de Opiumwet. De verbalisanten herkenden het plantenmateriaal aan zijn specifieke geur en aan zijn specifieke uiterlijke kenmerken als hennep. Beide verbalisanten zijn aangesteld als taakaccenthouders hennep en hebben een ruime ervaring met het ontmantelen van hennepkwekerijen en het herkennen van hennep.16

Op 8 oktober 2013 werd door een fraude-inspecteur van Enexis in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant] een onderzoek ingesteld. Aan de hand van de aangetroffen situatie kon worden gesteld dat sprake was van diefstal van elektrische energie.17

Aangifte Enexis B.V.:

Namens Enexis B.V. werd aangifte gedaan van energiediefstal op het perceel [adres] gepleegd in de periode van 5 november 2012 tot en met 8 oktober 2013. De fraude-inspecteur constateerde op 8 oktober 2013 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie. Het deksel van de aansluitkast is ongeoorloofd open geweest. De fraude-inspecteur zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Contractueel hoor er 3 x 35A in te zitten. Hij zag dat er nu zekeringen met een waarde van 3 x 63A geplaatst waren. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.18

Bevindingen met betrekking tot [Verdachte 2] :

Ten aanzien van [Verdachte 2] , die bezig was met het vullen van afvalzakken met mapito hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] gerelateerd dat zij hem na zijn aanhouding hebben overgebracht naar het bureau van politie te Boxmeer. Beide verbalisanten zagen dat [Verdachte 2] een donkerkleurige broek aan had met daarop meerdere groene vlekken en dat [Verdachte 2] rook naar de voor verbalisanten bekende geur van hennep.19

Onderzoek Kadaster, verhuur bedrijfswoning met bijgebouw en overige bevindingen:

Bij onderzoek in het Kadaster bleek dat de navolgende kadastrale objecten gelegen aan de [adres] eigendom waren van de verdachte en zijn echtgenote met ingang van 9 november 2012:

Kadastraal object: CUIJK [nr 1] , omschrijving wonen en terrein (akkerbouw)

Kadastraal object: CUIJK [nr 2] , omschrijving terrein (akkerbouw)

Kadastraal object: CUIJK [nr 3] , omschrijving terrein (grasland)

Kadastraal object: CUIJK [nr 4] , omschrijving erf-tuin

Kadastraal object: CUIJK [nr 5] omschrijving terrein (akkerbouw).

Tevens bleek daaruit dat de bedrijfswoning/hoofdgebouw en het bijgebouw met nummer [nummer] (dus) waren gelegen op perceel met nummer CUIJK [nr 1] .20

De grootte van het perceel CUIJK [nr 1] is 46,63 are.21 Uit een uittreksel Kadastrale Kaart blijkt dat de oppervlakte van de ondergrond van het woonhuis met bijgebouw een klein onderdeel uitmaakt van de oppervlakte van het gehele perceel CUIJK [nr 1] .22

Verdachte verhuurde de bedrijfswoning met bijgebouw aan de [adres] met ingang van 6 november 2012 voor onbepaalde tijd aan [huurster] , tegen een bij vooruitbetaling vóór op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft te betalen maandelijkse huursom van € 1.500,- en tegen betaling van een eenmalige waarborgsom van € 1.500,-. In uitzondering op de maandelijkse huursom van € 1.500,- is ten aanzien van de betaling van de huur over de periode van 6 november 2012 tot en met 30 november 2012 bepaald dat het over die eerste periode verschuldigde bedrag € 1.250,- bedraagt en vóór 6 november 2012 voldaan dient te zijn. Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als bedrijfswoning.23

Verdachte verpachtte per 1 maart 2013 een deel van het perceel [adres] aan [pachter] voor een jaarlijkse pachtprijs van € 1.200,- (hof: omgerekend derhalve een bedrag van € 100,- per maand). Het betrof de perceelnummers: [nr 3] , [nr 2] , [nr 4] en [nr 5] , met een totale oppervlakte van 1 hectare 47 are en 49 centiare.24

Uit een proces-verbaal van bevindingen met daarbij gevoegde foto’s en schetsen van de aangetroffen situaties boven en onder de grond, gemaakt naar aanleiding van de ontdekte hennepkwekerij, bleek dat separaat van de bedrijfswoning met bijgebouw genummerd [nummer] de tuinkas was gelegen met daarin het tuinhuisje met de ingang naar de ondergrondse betonnen ruimte met daarin de hennepkwekerij. Naast de kas bevond zich de ondergrondse gecamoufleerde aggregaatruimte met een ondergrondse tunnel naar de kas.25

De financiering en in dat verband verstrekte hypotheken:

Ter financiering van de aankoop had verdachte bij [hypotheekgever 2] , op 9 november 2012 een hypotheek met een hoofdsom van € 250.000,- afgesloten. De geldlening werd verstrekt, tenzij deze zou worden verlengd, voor een tijdsduur die eindigt op 5 november 2014. De hypotheek was verleend tegen een rente van 10% per jaar en met de bijzondere voorwaarde dat er op 31 december 2013 een bedrag van € 125.000,- moest worden afgelost. Ten aanzien van de rente was bepaald dat die in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling diende te worden voldaan, voor het eerst op 1 december 2012 over het ‘sedert heden’ verstreken tijdvak.

De aflossing diende te geschieden in één bedrag bij het einde van de looptijd.

Verdachte had daarnaast bij [hypotheekgever 1] , op dezelfde datum een hypotheek met een hoofdsom van € 230.000,- afgesloten tegen een rente van 9% per jaar en de bijzondere voorwaarde dat op 5 november 2014 het gehele bedrag moest zijn afgelost, tenzij de looptijd zou worden verlengd. Ten aanzien van de rente was bepaald dat die in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling diende te worden voldaan, voor het eerst op 1 december 2012 over het ‘sedert heden’ verstreken tijdvak.

Bij beide hypotheken was in onderpand gegeven:

  1. het recht van eigendom met betrekking tot het woonhuis met schuur, bijgebouwen, ondergrond, erf, tuin en verdere toebehoren gelegen te [adres] , sectie [nr 1] ter grootte van zesenveertig are en drieënzestig centiare (46 a 63 ca);

  2. (kort samengevat) het recht van eigendom met betrekking tot de vier percelen [nr 3] , [nr 2] [nr 4] en [nr 5] , ter grootte van in totaal 1 hectare, 47 are en 49 centiare

De koopsom van het pand [adres] met de bijbehorende grondpercelen bedroeg € 400.000 kosten koper. Door verdachte en zijn vrouw werd dus in totaal € 80.000 meer geleend dan de koopsom. De kosten koper bedragen normaliter 6%.

Voor de hypotheken moest verdachte maandelijks aan rente betalen € 2.083,33 (hypotheek 1) en € 1.725,- (hypotheek 2), in totaal derhalve € 3.808,33. Bij controle van de bankrekening van [verdachte] bleek dat deze bedragen per maand door [verdachte] aan de hypotheekgevers werd voldaan. Van een aflossing door [verdachte] van de helft van de door [hypotheekgever 2] verstrekte hypotheek is tijdens het onderzoek niet gebleken.26

Getuige [hypotheekgever 2] heeft verklaard dat het volledige hypotheekbedrag in november 2014 afgelost zou worden. In antwoord op de vraag waarom het zo’n kort lopende lening was, heeft de getuige geantwoord dat dat in ieder geval niet van hem, [hypotheekgever 2] , af kwam en dat hij denkt dat het van hem (het hof begrijpt: de verdachte) af kwam, dat hij niet langer dan twee jaar nodig had.27

Levering beton en inzet betonpompwagen:

Bij nader onderzoek naar de geleverde materialen ten behoeve van de bouw en exploitatie van de hennepkwekerij in de ondergrondse betonnen bunker werd vastgesteld dat op 20 november 2012 beton was geleverd door een Duits bedrijf genaamd [bedrijfsnaam] . Op 20 en 27 november 2012 werd meerdere keren in- en uitgebeld door dat bedrijf met het mobiele telefoonnummer op naam van verdachte. Op 20 november 2012 waren dit vijf uitgaande en drie inkomende gesprekken, waarvan één inkomend gesprek om 12.53 uur op het mobiele telefoonnummer van verdachte en op 27 november 2012 waren dit twee uitgaande en twee inkomende gesprekken. Ook daarna zijn er nog diverse telefonische contacten geweest tussen het telefoonnummer van de verdachte en [bedrijfsnaam] . In 2012 waren dit vier gesprekken op 10 december 2012, twee gesprekken op 11 december 2012 en vier gesprekken op 27 december 2012.

Verder bleek dat voor het storten van het beton een betonpompwagen van het bedrijf [bedrijfsnaam] was ingezet. Op 20 en 27 november 2012 vonden meerdere gesprekken plaats tussen het mobiele telefoonnummer van verdachte en het telefoonnummer van het bedrijf [bedrijfsnaam] Op 20 november 2012 om 12.57 uur was er een inkomend gesprek op het mobiele telefoonnummer van verdachte en op 27 november 2012 ging het om drie inkomende gesprekken en één uitgaand gesprek. Uit een factuur van [bedrijfsnaam] bleek dat op 20 november 2012 een betonpomp was geleverd en ingezet op het adres [adres] , van 13.00 uur tot 18.15 uur, in opdracht van [bedrijfsnaam] uit Duitsland. Blijkens de factuur is er toen 35,5 m3 verpompt.28

Getuige [bedrijfsnaam] , werkzaam voor het bedrijf [bedrijfsnaam] , is op 17 februari 2014 gehoord door de politie. Zij is de partner van [bedrijfsnaam] , eigenaar van het bedrijf. Zij heeft verklaard dat zij onder meer de administratie doet en dat [verdachte] (hof: de verdachte) voor Vianen op 20 november 2012 heeft besteld en betaald. Het bestelde beton werd afgeleverd in een betonmixer. Als betonpompleverancier werd vaak gebruik gemaakt van het bedrijf [bedrijfsnaam] . De getuige weet dat [verdachte] na de levering van het beton contant heeft betaald aan de chauffeur van de betonmixer. Getuige heeft van te voren uitgerekend wat het huren van de betonpomp kostte. Als de betonpomp geleverd gaat worden bellen zij (het hof begrijpt: het bedrijf [bedrijfsnaam] ) de opdrachtgever op, zodat hij weet hoe laat zij op het project zijn en de betonpomp er ook is, omdat de beton verwerkt moet worden.29

Getuige [bedrijfsnaam] is op 17 mei 2018 gehoord door de raadsheer-commissaris in de strafzaak tegen de verdachte. Zij heeft toen verklaard dat zij voorafgaande aan haar verhoor door de politie zelf nog in de administratie van het bedrijf [bedrijfsnaam] heeft gekeken of de naam [verdachte] in de administratie voorkwam en dat was inderdaad zo. Ze weet nog dat [verdachte] meerdere leveringen beton heeft ontvangen; ze denkt in totaal ongeveer zes keer. De levering van beton moet van tevoren worden ingepland, omdat het beton vloeibaar wordt aangeleverd. Nadat het beton gestort is, moet dit direct worden verwerkt omdat beton droogt. In zijn algemeenheid heeft beton 5 à 6 uur nodig om hard te worden.30

Schaarheftafel:

In de ondergrondse hennepkwekerij was een schaarheftafel ingebouwd, met elektrische en hydraulische elementen van het merk BD Lift. Deze heftafel was de enige ingang naar de kwekerij en werd gebruikt voor het vervoer van personen en goederen naar de oppervlakte. In Nederland zit een leverancier, namelijk [bedrijfsnaam] .

Blijkens controle van de ondernemersrekening van [verdachte] bleek dat er op 21 december 2012 een bedrag van € 6.652,58 was overgemaakt naar [bedrijfsnaam] ., met vermelding van debiteurnummer [nummer] .

Middels een vordering verstrekking historische gegevens werden bij [bedrijfsnaam]

de gegevens gevorderd met betrekking tot de opdracht en transactie voor de lift/schaarheftafel. Door [bedrijfsnaam] werd een opdrachtbevestiging verstrekt voor een Flexitac schaarheftafel, type Megaheffer, totaalprijs € 6.652,58. De factuur met debiteurnummer [nummer] was gericht aan [adres] (het hof begrijpt: het huisadres van de verdachte). Verder verstrekte [bedrijfsnaam] een kopie van een afschrift van hun eigen bankrekening, waaruit bleek dat het volledige bedrag op 21 december 2012 was betaald. Verder werd namens [bedrijfsnaam] medegedeeld dat de tafel meteen na betaling van het bedrag was afgeleverd op het huisadres van [verdachte]

Voorts is uit onderzoek gebleken dat het bedrijfstelefoonnummer van [bedrijfsnaam] diverse malen voorkomt op de printlijst van het mobiele telefoonnummer van verdachte. Op 21 december 2012 is er 8 maal telefonisch contact geweest tussen de telefoonnummers van verdachte en genoemd bedrijf. Daaraan voorafgaand hebben er in totaal drie telefonische contacten tussen de beide telefoonnummers plaatsgevonden, te weten op 27 november 2012, 10 december 2012 en 17 december 2012.31

Dieselaggregaat:

In de tuin bij de hennepkwekerij werd een verborgen gecamoufleerde bunker ontdekt, waarin een aggregaat, ook wel dieselgenerator, was geplaatst van het merk Olympian, type GEP 200-4, product identiteitsnummer OLY00000CLEY00933. Gezien de waarde en het gewicht van de aggregaat werd de herkomst van dit apparaat onderzocht.

Uit onderzoek naar de herkomst van het bij de betonnen bunker aangetroffen dieselaggregaat bleek dat deze door een onbekende koper was betaald en op 19 februari 2013 was afgeleverd op het huisadres van verdachte, [verdachte] . Aan leverancier [bedrijfsnaam] werd contant een bedrag van € 23.250,00 betaald. Voor het transport van een dergelijk aggregaat van ongeveer 3.000 kilo moet een transportbedrijf worden ingeschakeld en een afleveradres worden opgegeven.32

Verklaring [huurster] :

De huurster van de bedrijfswoning en het bijgebouw, [huurster] is op 17 mei 2018 als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte haar had aangeboden om dit pand te bewonen. De verdachte kwam vaker langs. In de omgeving van de [adres] waren er vaak ook andere mannen aanwezig waren – Oekraïners of Russische mannen – die zij niet kende. Verdachte sprak wel met die mannen, waarbij hij met hen in een hoek van het perceel ging staan.

Verder heeft huurster op verzoek van verdachte de buren uitgenodigd voor koffie met gebak.33

Verklaringen verdachte:

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij weet dat het aggregaat dat op de [adres] is aangetroffen bij hen op de [adres] is gelost (het hof begrijpt: [adres] ). Ook de schaarheftafel is bij verdachte in een koude periode van het jaar bij verdachte op de [adres] afgeleverd en door verdachte naar de [adres] gebracht. Verdachte heeft de tafel betaald.34

Verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij en zijn echtgenote eigenaar zijn van het perceel [adres] . Het klopt volgens verdachte dat de huidige woning (het hof begrijpt: [adres] ) binnen twee jaar verkocht moest worden. De echtgenote van verdachte is nooit in de woning aan de [adres] geweest. Het pand verhuurde verdachte voor € 1.500,- per maand aan [huurster] . Het klopt dat verdachte het beton zelf bij [bedrijfsnaam] heeft betaald en dat hij ook de schaarheftafel heeft geregeld en betaald. Het klopt dat het aggregaat op het huisadres van de verdachte is afgeleverd.35

Verdachte heeft in hoger beroep op 20 februari 2020 verklaard dat hij ten tijde van de inval van de politie op 8 oktober 2013 zijn eigen woning aan de [adres] ) nog niet te koop had gezet. Verdachte heeft voorts verklaard dat het klopt dat de aflossingen (bedoelde zal zijn: rentebetalingen, hof voor de beide hypotheken hoger waren dan het bedrag dat hij aan huurinkomsten ontving, waardoor verdachte verlies leed.

B.

Overwegingen en gevolgtrekkingen van het hof naar aanleiding van de feiten:

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte op 9 november 2012 in eigendom heeft verkregen het perceel [adres] bestaande uit meerdere perceelnummers (kadastrale objecten), na dit op 2 oktober 2012 te hebben aangekocht. Per 6 november 2012 heeft verdachte daarvan de bedrijfswoning en het bijgebouw – deel uitmakend van perceelnummer [nr 1] – verhuurd aan [huurster] . Per 1 maart 2013 heeft verdachte de andere percelen – behoudens perceelnummer [nr 1] – verpacht aan een derde.

Verder leidt het hof uit voormelde feiten af dat de door verdachte reeds voor het verwerven van het eigendom van genoemd perceel aangegane huurovereenkomst met [huurster] voor verdachte zwaar verliesgevend was. Zoals hiervoor vastgesteld bedroegen de hypotheekrentes in totaal € 3.808,33 per maand, ofwel (afgerond) € 45.700,- per jaar; dit is -/- 9,52 % van de totale hoofdsom van de hypothecaire leningen (zijnde € 480.000,-). Uitgaande van het huurcontract en de pachtovereenkomst begroot het hof het jaarlijkse huur- en pacht rendement op (12 x (€ 1.500,- + € 100,-))/€ 480.000,- = 4%, zodat het jaarlijkse verlies per saldo (-/- 9,52% + 4% =) -/- 5,52% van de waarde van de onroerende zaak - inclusief extra investeringen daarin, kosten koper en rente - ad

€ 480,000,- bedroeg. In een getal uitgedrukt bedroeg het jaarlijkse verlies (€ 45.700,- -/-

€ 19.200,-) = € 26.500,-.Nu verdachte tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 21 oktober 2013 verklaarde dat hij met de huurster van de woning en het bijgebouw had afgesproken dat de huurperiode ongeveer vijf jaar zou zijn (doss. pag. 321), volgt daaruit dat dit verlies in totaal zou kunnen oplopen tot (5 x € 26.500,- =) € 132.500,- in totaal.

Ook leidt het hof uit vorenstaande feiten af dat [huurster] buiten (de ondergrond van) de bedrijfswoning en het vrijwel direct daarnaast gelegen bijgebouw geen enkel deel van perceel [nr 1] met de kas en ondergrondse bunker huurde, terwijl noch zij noch een derde enig ander deel van perceel [nr 1] van verdachte pachtte. Het hof leidt hieruit af dat verdachte ten tijde van het aanleggen en in stand houden van de hennepkwekerij het (alleen met twee hypotheken bezwaarde maar overigens) geheel onbezwaarde eigendom had van perceel [nr 1] met daarop de kas met ondergrondse betonnen bunker met daarin de hennepkwekerij.

Belastend is verder dat verdachte vrijwel direct nadat hij het eigendom van perceel [adres] had verworven betrokken was bij het bestellen en/of afleveren en/of betalen van zowel het beton (eerst) op 20 november 2012 en de betonpompwagen op 20 november 2012, als de schaarheftafel op 21 december 2012 en het dieselaggregaat op 19 februari 2013. Het hof wijst op de volgende feiten en omstandigheden, zoals die uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijken:

  • -

    Getuige [naam] , werkzaam voor het bedrijf [bedrijfsnaam] , heeft verklaard dat verdachte op 20 november 2012 beton heeft besteld en betaald, dat werd afgeleverd in een betonmixer. Als betonpompleverancier werd vaak gebruik gemaakt van het bedrijf [bedrijfsnaam] . Als de betonpomp geleverd gaat worden bellen zij (het hof begrijpt: het bedrijf [bedrijfsnaam] ) de opdrachtgever op, zodat hij weet hoe laat de leverancier op het project is en de betonpomp er ook is, omdat het beton verwerkt moet worden.

  • -

    Getuige [naam] heeft verklaard dat [verdachte] ongeveer zes keer leveringen beton heeft ontvangen. De levering van beton moet van tevoren worden ingepland, omdat het beton vloeibaar wordt aangeleverd. Nadat het beton gestort is, moet dit direct worden verwerkt omdat beton droogt. In zijn algemeenheid heeft beton 5 à 6 uur nodig om hard te worden.

  • -

    Er is op 20 november 2012 om 12.53 uur door het bedrijf [bedrijfsnaam] ingebeld op het telefoonnummer van de verdachte.

  • -

    Er is op 20 november 2012 om 12.57 uur door het bedrijf [bedrijfsnaam] ingebeld op het telefoonnummer van de verdachte.

  • -

    De betonpomp van het bedrijf [bedrijfsnaam] is op 20 november 2012 geleverd en ingezet op het adres [adres] te Vianen (het hof begrijpt: [adres] te Vianen), van 13.00 uur tot 18.15 uur, in opdracht van [bedrijfsnaam] uit Duitsland. Er is toen 35,5 m3 verpompt.

  • -

    De door verdachte op 21 december 2012 betaalde schaarheftafel, geleverd door [bedrijfsnaam] , was ingebouwd in de ondergrondse hennepkwekerij. Deze heftafel was de enige toegang tot de kwekerij en werd gebruikt voor het vervoer van personen en goederen naar de oppervlakte.

  • -

    De diverse (overige) telefonische contacten tussen het telefoonnummer van de verdachte en dat van de bedrijven [bedrijfsnaam] , [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam] .

  • -

    Het dieselaggregaat met een gewicht van ongeveer 3.000 kilo, dat werd aangetroffen in de tuin bij de hennepkwekerij in een gecamoufleerde bunker, werd op 19 februari 2013 afgeleverd op het woonadres van de verdachte, onder contante betaling van een bedrag van € 23.250,00.

Verdachte is na aankoop meermalen op het perceel [adres] geweest. In de omgeving van de [adres] waren vaak ook andere mannen aanwezig, Oekraïners of Russische mannen. Verdachte sprak wel met die mannen, waarbij hij met hen in een hoek van het perceel ging staan.

Ten tijde van de inval door de politie op 8 oktober 2013 werden in de ondergrondse hennepkwekerij twee mannen, [verdachte 3] en [verdachte 4] aangetroffen. In de nabijheid daarvan werd [Verdachte 2] aangetroffen, die doende was met het vullen van afvalzakken met mapito en die naar hennep rook. Alle drie de mannen zijn van Oekraïense afkomst.

Verklaring verdachte/Alternatief scenario

Verdachte heeft omtrent de vastgestelde feiten een alternatief scenario aangedragen. Verdachte heeft verklaard het perceel tegen bijzondere ongunstige financiële condities te hebben aangekocht omdat hij er snel – na verkoop van zijn eigen woning – zelf wilde gaan wonen. Binnen een tijdsbestek van 2 jaren wilde verdachte zijn eigen woning verkocht hebben. Volgens verdachte verklaart dit de hoge rentes en de aflossingstermijnen van 2 jaren bij de door hem bij [hypotheekgever 2] en [hypotheekgever 1] afgesloten hypotheken. Verdachte heeft verder verklaard dat hij toestemming aan huurster [huurster] had gegeven om op het perceel betonnen visbassins aan te leggen en dat hij huurster daarmee heeft geholpen door de bestelling en/of levering en/of betaling van het beton en een schaarheftafel. Volgens verdachte was het voor hem als ondernemer makkelijker goederen te bestellen dan voor [huurster] als particulier. Verdachte heeft verder verklaard dat het klopt dat het stroomaggregaat op zijn adres is afgeleverd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk verklaard na verhuur nog één tot twee keer op het perceel te zijn geweest om de huur op te halen en vervolgens verklaard dat hij er twee tot drie keer is geweest om de huur op te halen. Verdachte heeft verklaard er geen weet van te hebben gehad wat zich verder allemaal op het terrein afspeelde. Verdachte zou nooit met de aldaar op het perceel aanwezige personen hebben gesproken.

Het hof stelt ter zake van het geschetste alternatieve scenario het volgende voorop. Volgens bestendige jurisprudentie heeft als uitgangspunt te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.

In het kader van deze vooropstelling overweegt het hof omtrent de verklaring van de verdachte:

-Ten aanzien van de bijzonder nadelige wijze van financieren:

De verklaring van verdachte dat hij binnen twee jaar na verwerving van de [adres] , zijn eigen woning aan de [adres] wilde verkopen en daar dan zelf wilde gaan wonen vindt in de eerste plaats geen steun in het dossier. Er blijkt nergens uit dat verdachte direct na verwerving van [adres] inspanningen heeft verricht om zijn eigen woning te verkopen, dit terwijl verdachte reeds op 2 oktober 2012 het perceel en de daarop staande gebouwen aan de [adres] had gekocht. Sterker nog, ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij zijn woning niet te koop had gezet en dat dit betekende dat hij verlies leed op de aanschaf van de percelen met opstallen gelegen en staande aan de [adres] . De betaalde hypotheekrentes waren volgens verdachte hoger dan het bedrag dat hij aan huurinkomsten ontving, waardoor hij verlies leed.

Verder strookt zijn verklaring niet met de inhoud van de door hem met de huurster afgesloten huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd en niet voor twee jaren was afgesloten, hetgeen meer in lijn met de verklaring van verdachte zou hebben gelegen. Ook heeft verdachte wisselend verklaard over de periode waarbinnen hij zijn eigen woning wilde verkopen. Bij de politie zou dit binnen 5 jaar zijn (blz. 321), ter terechtzitting in eerste aanleg tussen de 5 en 6 jaar en ter terechtzitting in hoger beroep tussen de 2 en 5 jaren. Tenslotte acht het hof het onaannemelijk dat een ervaren onroerend goedhandelaar - die verdachte verklaart te zijn – een dergelijke zwaar verliesgevende financiële constructie aangaat. Daarbij moet worden bedacht dat verdachte de verliescalculatie reeds in de korte periode van de eigendomsverkrijging van het perceel met opstallen, het afsluiten van de huurovereenkomst ter zake van de bedrijfswoning en het bijgebouw en het geven van twee hypotheken aan particulieren moet kunnen hebben gemaakt, nu alle getalsmatige inputvariabelen voor die berekening in die korte periode aan verdachte reeds bekend waren. De door verdachte daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep gemaakte opmerking “dat het er niet om gaat om wat het kost maar wat het oplevert” vormt daarvoor geen afdoende verklaring.

Hierbij merkt het hof nog op dat verdachte en huurster wezenlijk verschillen in de huursom per maand die uiteindelijk door huurster werd betaald. Verdachte heeft verklaard dat deze overeenkomstig de huurovereenkomst maandelijks een bedrag van € 1.500,- is geweest terwijl huurster consistent heeft verklaard dat zij slechts € 500,- per maand hoefde te betalen. Wanneer laatstgenoemde verklaring juist zou zijn, dan zou dit betekenen dat het hiervoor door het hof berekende nadeel op de gekozen financieringsconstructie nog veel ongunstiger voor verdachte is geweest, hetgeen nog meer vraagtekens oproept.

-Ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de bestelling/aflevering en betaling van het beton, het aggregaat en de schaarheftafel:

Allereerst stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte dat hij bij de bestelling/aflevering en betaling van het beton, het aggregaat en de schaarheftafel is betrokken op verzoek van en in opdracht van [huurster] , geen steun vindt in het dossier, met name niet in de eigen verklaring van huurster.

Verder heeft verdachte op dit punt wisselend verklaard. Aanvankelijk heeft verdachte bij de politie verklaard (p. 321 en p. 322) geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij de bestelling en/of aflevering en/of betaling van deze goederen. Geconfronteerd met de resultaten van het politie-onderzoek, onder meer de vastgestelde telefonische contacten tussen verdachte en de leveranciers van deze goederen (hof: zie hiervoor de vastgestelde feiten), heeft verdachte zijn bijdrage hieraan schoorvoetend toegegeven.

Ook is de verklaring van verdachte op dit punt niet aannemelijk. Zo zou huurster de eerste maand huur wel hebben betaald (het hof begrijpt: de € 1.250,- over de periode van 6 november 2012 tot en met 30 november 2012, welk bedrag vóór 6 november 2012 voldaan diende te zijn) en daarna liep de huurachterstand op naar een bedrag van € 7.000,-. Daarmee strookt niet dat de verdachte op 21 december 2012 een schaarheftafel voor een bedrag van € 6.652,58 zou hebben voorgeschoten (p. 326).

Verder heeft de verdachte over het aggregaat bij de rechtbank verklaard dat die weliswaar op zijn huisadres is afgeleverd, maar dat hij er verder niets mee van doen had. Ook die verklaring acht het hof niet aannemelijk. Vast staat dat er een bedrag van

€ 23.250,00 contant aan de leverancier is betaald. Het hof vermag niet in te zien dat een ander dan de verdachte dit bedrag betaald zou hebben en het aggregaat met een aanzienlijke waarde vervolgens laat afleveren op het adres van de verdachte. Een aggregaat bovendien met een gewicht van ongeveer 3.000 kilogram waarvoor een transportbedrijf nodig is om het te transporteren.

-Ten aanzien van de aanleg van de visbassins:

De verklaring van de verdachte dat hij huurster toestemming zou hebben gegeven om op het perceel visbassins aan te leggen en dat daarvoor de hiervoor genoemde goederen zouden worden gebruikt acht het hof ongeloofwaardig.

In de eerste plaats - zo volgt uit de hiervoor weergegeven gevolgtrekkingen van het hof uit de vastgestelde feiten - heeft verdachte enkel de bedrijfswoning en het bijgebouw aan [huurster] verhuurd; niet meer en niet minder. De verhuur hield derhalve niet mede in het overige gedeelte van het perceel met nummer [nr 1] waarop/waaronder de betonnen bunker met de hennepkwekerij werd aangetroffen. Verdachte is van dat overige gedeelte volledig eigenaar gebleven en die dus exclusief gerechtigd bleef om over dat perceeldeel te beschikken en dat te gebruiken.

Het hof ziet niet in waarom verdachte aan een niet-gerechtigde tot dat deel van het perceel toestemming zou verstrekken om daarop ingrijpende bouwwerkzaamheden te laten verrichten ten behoeve van de aanleg van betonnen visbassins. Te meer ook gelet op de eigen verklaring van verdachte dat hij binnen twee jaren daar zelf wilde gaan wonen. Verdachte zou dan ongewild opgezadeld worden met betonnen visbassins ten aanzien waarvan het hof niet is gebleken dat verdachte daarin een bijzondere interesse had. Ook vanuit het oogpunt van de huurster is de verklaring van verdachte omtrent het toestemming verlenen voor de bouw van betonnen visbassins op het perceel ongeloofwaardig. Niet valt in te zien waarom huurster zich dergelijke grote investeringen ter verwezenlijking van die bassins zou getroosten met de wetenschap dat zij toch weer binnen twee jaren daar moest vertrekken wegens het eindigen van de huurovereenkomst.

Tenslotte is niet aanstonds duidelijk wat een schaarheftafel en een stroomaggregaat kunnen bijdragen aan de verwezenlijking en exploitatie van visbassins. De schaartafel die bovendien, zoals het hof hiervoor reeds heeft vastgesteld, was ingebouwd in de ondergrondse hennepkwekerij en de enige toegang daartoe vormde.

Ook verdachte heeft daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep en ook in zijn eerdere verklaringen geen verhelderende en plausibele verklaring kunnen geven.

-Omtrent zijn aanwezigheid op het perceel na verhuur en zijn kennis:

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk verklaard na verhuur nog één tot twee keer op het perceel te zijn geweest om de huur op te halen en vervolgens verklaard dat hij er twee tot drie keer is geweest om de huur op te halen. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig.

Allereerst strookt deze verklaring van verdachte niet met zijn eerste verklaring bij de politie (p. 322) waarbij hij nog heeft verklaard dat de huurster [huurster] juist naar zijn woning aan de [adres] kwam om de huur contant te betalen.

Verder heeft verdachte wisselend verklaard over het aantal malen dat hij na verhuur nog op het perceel is geweest. Bij de politie heeft verdachte verklaard (p. 321) na de aankoop in totaal er nog 8 of 10 keer te zijn geweest.

Ook uit de tot bewijs gebezigde verklaring van [huurster] volgt dat verdachte vaker langs kwam en dat verdachte sprak met Oekraïners of Russische mannen, waarbij hij met hen in een hoek van het perceel ging staan.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij er maar een aantal malen geweest zou zijn na de aankoop niet geloofwaardig en schuift het hof die verklaring ter zijde.

-Werkzaamheden op het terrein, kennis daarvan en kennis met Oekraïners:

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de momenten waarop hij op het perceel was, hem niets is opgevallen en dat hij ook niet met mensen op dat perceel heeft gesproken.

Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk.

Uit het dossier (p. 105) volgt dat op 18 december 2012 een toezichthouder op het terrein [adres] is geweest en dat er een hele hoop zand buiten lag, dat dit zand drijfnat was en dat er ook een hoop kiezels lagen alsof een cementwagen was uitgespoeld. Het kan niet anders zijn dan dat het ook verdachte bij zijn bezoeken aan het perceel moet zijn opgevallen dat er werkzaamheden werden uitgevoerd. Verder heeft [huurster] ook gezien dat verdachte met de – naar haar idee – Oekraïense dan wel Russische personen heeft gesproken. Het hof heeft geen redenen te twijfelen aan hetgeen huurster op dit punt heeft verklaard.

Conclusie alternatief scenario:

Het hof is op basis van al het vorenstaande van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden dan wel als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld

Betrokkenheid bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de gevolgtrekkingen kan worden bewezen dat verdachte zich aan het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van hennepteelt en de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 1:

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en de gevolgtrekkingen daaruit door het hof volgt dat verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht met betrekking tot de hennepteelt en de diefstal van stroom.

Anderzijds volgt uit die feiten en omstandigheden en de gevolgtrekkingen die het hof daaruit heeft afgeleid dat verdachte volledig eigenaar is gebleven van het niet verhuurde deel van het perceel ( [nr 1] ) met daarop de kas en de ondergrondse betonnen bunker met hennepkwekerij en daarover dus exclusief kon beschikken en dat exclusief kon gebruiken. Verdachte was bij die stand van zaken niet alleen exclusief bevoegd om op dat deel van het perceel ingrijpende bouwwerkzaamheden uit te laten voeren ter verwezenlijking van een betonnen bunker en een hennepkwekerij, maar daarvoor ook ten volle verantwoordelijk. Vaststaat dat verdachte in ieder geval een essentiële bijdrage daaraan heeft geleverd doordat hij het beton voor de bunker, een schaarheftafel die als lift in de hennepkwekerij diende en een stroomaggregaat heeft besteld, betaald en bij zich thuis of op het bedoelde perceeldeel heeft laten bezorgen/afleveren. Niet is vastgesteld kunnen worden dat de betrokkenheid van verdachte zich ook uitstrekte tot de bestelling en/of betaling en/of levering van de overige kweekmaterialen die in de hennepkwekerij zijn aangetroffen. Evenmin is vastgesteld kunnen worden dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de exploitatie van de ondergrondse kwekerij. Dit betekent dat een ander of anderen daarbij betrokken zijn geweest. Het kan echter niet anders zijn dan dat verdachte in zijn hiervoor genoemde hoedanigheid van eigenaar daarvan op de hoogte is geweest en daarvoor aan die ander of anderen toestemming en instructies heeft gegeven. Aanwijzingen daarvoor vindt het hof ook in de vaststellingen dat verdachte na het sluiten van de huurovereenkomst betreffende de bedrijfswoning en het bijgebouw nog meermalen op het perceel is geweest en daar heeft gesproken met personen die de actieve teelthandelingen in de kwekerij hebben verricht, zijnde personen van Oekraïense dan wel Russische oorsprong. Verder zijn op de dag van de inval van de politie op 8 oktober 2013 twee mannen van Oekraïense afkomst aangetroffen in de ondergrondse hennepkwekerij en een derde man van Oekraïense afkomst in de nabijheid daarvan. Ook daaruit leidt het hof dat er meerdere personen betrokken zijn geweest bij het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennepplanten.

Het hof heeft ook de overtuiging dat verdachte tot aankoop van het perceel is overgegaan met het enkele doel om daarop een hennepkwekerij te vestigen en te exploiteren. Daarop duidt niet alleen de bijzondere financieringsconstructie die zwaar verliesgevend voor verdachte is geweest maar ook het feit dat zeer snel na aankoop materialen ten behoeve van de kwekerij door hem worden aangekocht en op 20 november 2012 reeds de eerste “betonwerkzaamheden” waarbij 35,5 m3 beton is verpompt zijn verricht. Het hof heeft daarbij sterk de indruk dat [huurster] , de huurster, als een soort katvangster door verdachte is gebruikt om het perceel een bewoond aanzien te geven mede gelet op haar mededeling dat zij op verzoek van verdachte de buren op de koffie had uitgenodigd. Dragend is voorts dat verdachte in weerwil van het belang van de snelle verkoop van eigen woning hiertoe niet is overgegaan, dit terwijl de aankoop van de [adres] reeds op 2 oktober 2012 en de inval van de politie iets meer dan een jaar later op 8 oktober 2013 plaatsvond.

Gelet op dit alles is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte als initiator en brein achter de aangetroffen ondergrondse bunker met daarin de hennepkwekerij dient te worden aangemerkt en dat zijn materiële en/of intellectuele bijdrage aan de hennepteelt van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen van opzettelijke hennepteelt als onder 1 ten laste gelegd.

Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en de gevolgtrekkingen daaruit door het hof volgt eveneens dat verdachte weliswaar eigenaar/verhuurder was van de bedrijfswoning en het bijgebouw maar dat van verdere betrokkenheid van verdachte bij de daarin aangetroffen kweekruimte met daarin hennepplanten en aangetroffen hennepdrogerij met daarin 10,2 kilogram hennep niet is gebleken. Het hof zal verdachte in zoverre ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2:

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en de gevolgtrekkingen daaruit door het hof volgt ten aanzien van de diefstal van stroom dat de stroomvoorziening voor deze kwekerij werd verkregen door een illegale aansluiting. Vanuit de achterzijde van de loods waar beide kweekruimtes waren ingericht liep een elektriciteitskabel naar de voorzijde van de loods, waarin de meterkast was geïnstalleerd. De stroomvoorziening was buiten de meter om aangelegd. Nu zowel de meterkast als de loods niet stonden op/in het verhuurde deel van het perceel, was verdachte daarvoor als eigenaar verantwoordelijk en was hij als enige bevoegd om deze stroomvoorziening op deze wijze te laten aanleggen. Het hof is van oordeel dat gelet hierop het niet anders kan zijn dat dat verdachte als “brein”/”initiator” van de diefstal van elektriciteit moet worden gezien en het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen.

Het hof heeft onvoldoende bewijs aangetroffen dat sprake is geweest van medeplegen aan de onder 2 tenlastegelegde diefstal. Niet is immers gebleken van voldoende feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat, indien een ander of anderen dan verdachte feitelijke werkzaamheden heeft/hebben uitgevoerd die afname van elektriciteit buiten de meter om mogelijk maakten, deze(n) als medeplegers aan de diefstal van elektriciteit kunnen worden aangemerkt.Verdachte wordt dus vrijgesproken van het medeplegen.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte ter zake de feiten onder 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in het kader van beroep of bedrijf terwijl zijn handelen betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennep. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit. Verdachte was de initiator en het brein achter de in een ondergrondse betonnen bunker aangetroffen hennepkwekerij. De kwekerij was zeer professioneel opgezet en de realisering ervan heeft een meer dan gemiddelde investering van verdachte gevergd. Dit alles maakt het naar het oordeel van het hof een zeer ernstig feit. Niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof neemt in aanmerking dat het hof ten aanzien van feit 1 minder bewezen heeft verklaard dan de rechtbank heeft gedaan.Rekening houdend voorts met de persoonlijke omstandigheden van verdachte – waaronder de omstandigheid dat verdachte niet eerder ter zake een Opiumwetfeit is veroordeeld – is naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren in beginsel passend en geboden.

Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in het hoger beroep is overschreden. Op 9 juli 2015 heeft verdachte hoger beroep ingesteld en het hof zal uitspraak doen op 2 april 2020. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op 2 jaren wordt gesteld met 2 jaren en bijna negen maanden overschreden. Een deel van deze overschrijding is voor rekening van de verdediging omdat op diens verzoek getuigen zijn gehoord en er extra inspanningen verricht dienden te worden om zich in het buitenland bevindende getuigen te traceren. Gelet op deze overschrijding en op het feit dat het hof minder bewezen heeft verklaard dan de rechtbank, zal het hof de op te leggen straf matigen naar een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. J.J. van der Kaaden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 2 april 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. J.J. van der Kaaden zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt — tenzij anders vermeld — steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, hennepteam, [naam onderzoek] , gesloten d.d. 20 oktober 2014, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bij lagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-543.

2 Relaasproces-verbaal en aantreffen kwekerij, p. 10.

3 Ibidem, p. 10.

4 Ibidem, p. 10.

5 Ibidem, p. 11.

6 Ibidem, p. 12.

7 Ibidem, p. 12.

8 Ibidem, p. 13.

9 Ibidem, p. 13.

10 Ibidem, p. 14.

11 Ibidem, p. 14.

12 Ibidem, p. 14 en 15.

13 Ibidem, p. 15.

14 Ibidem, p. 15

15 Ibidem, p. 16.

16 Ibidem, p. 16.

17 Ibidem, p. 16.

18 Proces-verbaal van aangifte d.d. 26 november 2013, p. 478-479, en de daarbij gevoegde schriftelijke aangifte d.d. 22 november 2013, p. 480-483.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2013, p. 432.

20 Kadastrale berichten, p. 42-53.

21 Taxatierapport Belastingdienst/kantoor Roermond d.d. 13 augustus 2013, p. 95.

22 Uittreksel Kadastrale Kaart, p. 99.

23 Huurovereenkomst, p. 79-82.

24 Pachtovereenkomst, p. 147.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 oktober 2014, p. 220-227.

26 Proces-verbaal van bevindingen financiering henneppand d.d. 1 oktober 2014, p. 152-153, en de onderliggende hypotheekaktes, p. 63-69 en p. 70-77.

27 Proces-verbaal verhoor getuige [hypotheekgever 2] d.d. 18 november, p. 116-118.

28 Proces-verbaal van bevindingen levering beton d.d. 1 oktober 2014, p. 154-155, de daarbij gevoegde factuur van [bedrijfsnaam] d.d. 4 december 2012, p. 156, en proces-verbaal van bevindingen printgegevens telefoon [verdachte] d.d. 1 oktober 2014, p. 169-171.

29 Proces-verbaal verhoor getuige [naam] d.d. 17 februari 2014, p. 157-158.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 17 mei 2018.

31 Proces-verbaal van bevindingen levering lift/schaarheftafel d.d. 1 oktober 2014, p. 160-161, en proces-verbaal van bevindingen printgegevens telefoon [verdachte] d.d. 1 oktober 2014, p. 169-171

32 Proces-verbaal van bevindingen levering aggregaat d.d. 1 oktober 2014, p. 162-163.

33 Proces-verbaal verhoor getuige door de raadsheer-commissaris van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 17 mei 2018.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 12 februari 2014, p. 324-329.

35 Proces-verbaal terechtzitting rechtbank Oost-Brabant d.d. 25 juni 2015, p. 2-4.