Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1236

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
200.260.434_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1760
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:450, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.260.434/01

zaaknummer rechtbank : C/02/348564 / FA RK 18-4431

beschikking van de meervoudige kamer van 9 april 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.E.M. Boukens,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.J. Nijssen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 19 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 5 juni 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 15 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 april 2019;

- het procesdossier eerste aanleg, ingekomen op 18 juni 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen op 17 februari 2020;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 24 februari 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man is tevens bijgestaan door een tolk (met het nummer 2436), de heer H. Benkrita.

2.5

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof op 9 maart 2020 ingekomen een V-formulier met bijlage van de advocaat van de man.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

3.3

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] . [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 augustus 2018 bepaald op € 200,-- per maand.

4.2

Bij beroepschrift verzoekt de man zoals in het beroepschrift is weergegeven. Bij voormeld V-formulier, ingekomen op 17 februari 2020, heeft de man zijn verzoek gewijzigd en verzoekt hij de bestreden beschikking deels te vernietigen, naar het hof begrijpt wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 12,-- per maand, dan wel op een bedrag als het hof juist acht, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 24 augustus 2018, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum en de draagkracht van de man.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de man af te wijzen, dan wel, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen dat in overeenstemming is met zijn draagkracht, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, met veroordeling van de man in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht

5.1

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

Ingangsdatum

5.2.1

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 1 augustus 2018, is in geschil.

5.2.2

De man voert aan dat hij pas vanaf de datum indiening verzoekschrift rekening kon houden met het betalen van een bijdrage.

5.2.3

De vrouw voert aan dat de man al eerder is aangeschreven zodat hij vanaf dat moment al kon weten dat hij een bijdrage zou moeten gaan betalen. Gelet hierop kan 1 augustus 2018 als ingangsdatum worden gehandhaafd, hetgeen ook slechts een beperkte terugwerkende kracht betekent ten opzichte van de datum van indiening van het verzoekschrift.

5.2.4

Het hof overweegt als volgt. De vrouw voert weliswaar aan dat de man reeds voor het indienen van het inleidend verzoekschrift is aangeschreven met het verzoek om financiële gegevens te verstrekken, maar zij heeft nagelaten een kopie van dit schrijven in het geding te brengen. De enkele stelling dat de man is aangeschreven is onvoldoende om dit aan te nemen nu de man aanvoert dat hij niet eerder rekening kon houden met een te betalen bijdrage. Het inleidend verzoek is op 24 augustus 2018 ingediend en vanaf die datum had de man rekening kunnen houden met een mogelijke vaststelling van een onderhoudsbijdrage. Dat de man hiermee al eerder rekening had kunnen houden is onvoldoende komen vast te staan. Het hof bepaalt de ingangsdatum dan ook op 24 augustus 2018.

Hoogte behoefte [minderjarige]

5.3.1

De man voert aan dat moet worden uitgegaan van een behoefte van [minderjarige] van € 143,-- per maand. Met de door de vrouw gestelde extra kosten moet geen rekening worden gehouden. De vrouw brengt dit pas op de mondelinge behandeling ter sprake en hiervan zijn geen bewijsstukken overgelegd.

5.3.2

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [minderjarige] € 200,-- per maand bedraagt. Weliswaar komt uit de in eerste aanleg overgelegde berekening een behoefte van € 143,-- per maand, maar omdat op dat moment de financiële gegevens van de man ontbraken heeft de vrouw de behoefte geschat op € 200,-- per maand. Daarbij moet de behoefte van € 143,-- per maand vanaf de ingangsdatum worden verhoogd wegens bijzondere behoefte verhogende kosten die de vrouw maakt doordat zij wekelijks met [minderjarige] naar het ziekenhuis moet vanwege zijn problematiek, zodat de behoefte van [minderjarige] alsnog € 200,-- per maand bedraagt.

5.3.3

Naar het hof is gebleken heeft de rechtbank de behoefte van [minderjarige] niet vastgesteld. Op basis van de inmiddels overgelegde inkomensgegevens van de man komt de vrouw op een behoefte van [minderjarige] van € 143,-- per maand. Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw gestelde bijzondere behoefte verhogende kosten. De vrouw heeft deze kosten pas voor het eerst op de mondelinge behandeling ter sprake gebracht en de man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Noch daargelaten de vraag of dit beroep op behoefte verhogende kosten dat voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling is opgeworpen, tijdig is gedaan. In ieder geval zijn deze kosten op geen enkele wijze onderbouwd of nader geconcretiseerd, anders dan dat het volgens de verklaring van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling zou gaan om benzinekosten. Overigens heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de (extra) medische behandeling waarvoor zij de extra kosten gaat maken pas op 11 maart 2020 zal starten. Gelet op het voorgaande wordt het beroep op behoefte verhogende kosten gepasseerd en stelt het hof de behoefte van [minderjarige] in 2018 vast op € 143,-- per maand en voor 2019 (geïndexeerd) op € 145,86 per maand.

Draagkracht

De draagkracht van de man

5.4.1

De draagkracht van de man tot het betalen van de kinderalimentatie is in geschil. Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van de volgende gegevens.

Inkomen

5.4.1.1 De man heeft de volgende inkomsten:

- een belastbaar loon van € 19.583,-- blijkens de jaaropgaaf 2018;

- een belastbaar loon van totaal € 29.149,-- blijkens de twee jaaropgaves 2019.

Naar het hof is gebleken heeft de man zich per 26 augustus 2019 ziek gemeld. Nu de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zijn inkomen nog niet afgenomen is en dit in 2020 ook nog niet gaat gebeuren, houdt het hof geen rekening met een eventuele toekomstige achteruitgang in inkomen van de man.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 vast op € 1.475,-- per maand en vanaf 1 januari 2019 op € 1.980,-- per maand.

Woonlasten

5.4.1.2 Met betrekking tot de woonlasten van de man voert de vrouw aan dat geen rekening moet worden gehouden met de forfaitaire woonlast, althans met een lager bedrag aan woonlasten, nu de man bij zijn vriendin woont en geen huur betaalt. De man maakt bezwaar tegen dit verzoek en voert verder aan dat hij wel degelijk woonlasten heeft. Hij huurt een woning van een kennis en betaalt € 500,-- huur per maand. Bewijsstukken hiervan heeft de man niet in het geding gebracht, omdat de vrouw dit standpunt niet eerder heeft ingenomen.

Het hof stelt voorop dat de gebruikelijke wijze van het bepalen van de draagkracht voor betaling van een kinderbijdrage toepassing van de draagkrachtformule is. Daarin wordt op forfaitaire wijze rekening gehouden met onder meer een redelijke netto woonlast van 30% van het inkomen. Van deze forfaitaire bedragen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken, nu aan het rekenen met forfaitaire bedragen inherent is dat deze bedragen in positieve of negatieve zin kunnen afwijken van de werkelijke bedragen. Hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht vormt voor het hof in dit geval geen aanleiding af te wijken van het in de draagkrachtformule opgenomen forfaitaire bedrag voor woonlasten, gelet ook op het verweer van de man.

Schulden

5.4.1.3 De man voert aan dat rekening moet worden gehouden met een aflossing op schulden ten bedrage van totaal € 351,-- per maand. De man heeft schulden bij Wehkamp, Santander, ING Bank en zijn zus. Hij is deze schulden aangegaan voor woninginrichting, om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, voor financiële ondersteuning van zijn ouders in Marokko, voor vliegtickets naar Marokko, voor advocaatkosten en voor andere lasten, waaronder een drone. De schuld aan de ING Bank is aangegaan op naam van de vriendin van de man omdat de ING Bank de man geen lening wilde verstrekken, maar de man maakt hiervoor maandelijks een bedrag over naar zijn vriendin.

De vrouw betwist gemotiveerd dat rekening moet worden gehouden met de schulden van de man. De schulden zijn niet te controleren en bovendien buitensporig. Zij moeten niet ten laste worden gebracht van de kinderalimentatie. De man heeft er onder meer een telefoon van bijna € 1.000,-- van gekocht, een drone en een televisie van € 600,--. Onduidelijk is waarvoor de schuld aan de ING Bank is aangegaan. Dat de man geld overmaakt naar zijn ouders is zijn eigen keuze, hetgeen ook geldt voor vliegtickets. Voor advocaatkosten is geen plaats, omdat de man in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand.

Naar het oordeel van het hof heeft de man nagelaten op een deugdelijke wijze voldoende inzichtelijk te maken wanneer en waarvoor de verschillende schulden zijn aangegaan en welke bedragen op de betreffende schulden zijn afgelost. Verder heeft de man nagelaten de noodzaak van het aangaan van de schulden voldoende duidelijk te maken en is evenmin gebleken dat het allemaal schulden van de man zelf zijn. Het hof is hierdoor niet in staat te beoordelen of de door de man opgevoerde schulden prioriteit moeten krijgen boven de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van [minderjarige] . Het voorgaande in aanmerking nemende houdt het hof geen rekening met de door de man opgevoerde (aflossing op) schulden.

Zorgkorting

5.4.1.4 Gebleken is dat er geen omgang plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] en dat niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de man.

Onderhoudsverplichting [andere zoon]

5.4.1.5 Naar het hof is gebleken is de man tevens onderhoudsplichtig ten opzichte van zijn andere zoon, [andere zoon] . Uit de overgelegde stukken blijkt dat de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [andere zoon] € 25,-- per maand bedraagt. Weliswaar heeft de man stukken overgelegd waaruit blijkt dat de moeder van [andere zoon] een wijzigingsverzoek heeft ingediend, maar in deze procedure is nog geen uitspraak gedaan, zodat op dit moment de bijdrage nog steeds € 25,-- per maand bedraagt. Het hof ziet in hetgeen de man hieromtrent naar voren heeft gebracht geen aanleiding vooruit te lopen op een mogelijke (toekomstige) wijziging ten aanzien van de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [andere zoon] en houdt rekening met de geldende alimentatieverplichting van € 25,-- per maand.

Draagkracht man

5.4.1.6 De draagkracht van de man bedraagt over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 volgens de draagkrachttabel € 116,-- per maand. Hierop komt de alimentatieverplichting ten behoeve van [andere zoon] van € 25,-- per maand in mindering, zodat de voor [minderjarige] beschikbare draagkracht € 91,-- per maand bedraagt.

De draagkracht van de man bedraagt vanaf 1 januari 2019: 70% x [NBI – (0,3 NBI + €950)] afgerond € 305,-- per maand. Hierop komt de alimentatieverplichting ten behoeve van [andere zoon] van € 25,-- per maand in mindering, zodat de voor [minderjarige] beschikbare draagkracht € 280,-- per maand bedraagt.

De draagkracht van de vrouw

5.5.1

Voor de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens.

Inkomen

5.5.1.1 De vrouw heeft de volgende inkomsten:

- een Wajong-uitkering van € 15.783,-- blijkens de jaaropgaaf 2019; niet in geschil is dat voor 2018 uitgegaan kan worden van hetzelfde jaarinkomen;

- een kindgebonden budget van € 4.253,-- per jaar in 2018 en van € 4.305,-- per jaar in 2019.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting. Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 vast op € 1.521,-- per maand en vanaf 1 januari 2019 op € 1.501,-- per maand.

Draagkracht vrouw

5.5.1.2 De draagkracht van de vrouw bedraagt over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 volgens de draagkrachttabel € 126,-- per maand en vanaf 1 januari 2019 € 106,-- per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.6

De draagkracht van partijen vergeleken, dienen de man en de vrouw van hun beschikbare draagkracht over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 € 68,55 per maand respectievelijk € 74,45 per maand aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van [minderjarige] en vanaf 1 januari 2019 € 108,24 per maand respectievelijk € 37,61 per maand.

5.7

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 derhalve vast op € 68,55 per maand en vanaf 1 januari 2019 op € 108,24 per maand, welk bedrag analoog naar de wettelijke indexering per 1 januari 2020 € 110,95 bedraagt.

Terugbetaling

5.8

Voor zover de man vanaf 24 augustus 2018 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.7 vermelde bijdrage, kan naar het oordeel van het hof van de vrouw in redelijkheid worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt. De vrouw wist, althans kon redelijkerwijs weten, dat er een risico bestond dat zij teveel betaalde kinderalimentatie moest terugbetalen. In de door haar in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening komt zij op een geschatte draagkracht van de man van € 110,-- per maand en een behoefte van [minderjarige] van € 143,-- per maand. Desondanks heeft de vrouw om een bijdrage van € 200,-- per maand verzocht. Door de vrouw is ook geen rekening gehouden met de door de man ten behoeve van [andere zoon] te betalen bijdrage. De vrouw voert weliswaar aan dat zij het teveel betaalde aan [minderjarige] heeft besteed, maar de behoefte van [minderjarige] is (in 2018) € 143,-- per maand en daarmee lager dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 200,-- per maand. Omdat de vrouw aangeeft dat zij het door de man teveel betaalde niet kan terugbetalen, zal het hof bepalen dat de terugbetaling van het door de man aan de vrouw teveel betaalde zal plaatsvinden door middel van verrekening door de man met de toekomstige betalingen ter zake van kinderalimentatie, welke verrekening tot een maximumbedrag van € 25,-- per maand mag plaatsvinden.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard van de procedure.

6.3

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 19 april 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen:

- over de periode van 24 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 € 68,55 per maand;

- over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 € 108,24 per maand;

- vanaf 1 januari 2020 € 110,95 per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 24 augustus 2018 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de man gerechtigd is deze bedragen te innen door middel van verrekening met toekomstige onderhoudsbijdragen tot een maximumbedrag van € 25,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, L.Th.L.G. Pellis en A.M. van Riemsdijk en is op 9 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.