Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1210

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
19/00405
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:3687, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de WOZ-waarde van de woning. Naar het oordeel van het Hof rust op de heffingsambtenaar niet de plicht belanghebbende te wijzen op het doen van een verzoek om gehoord te worden, heeft de rechtbank belanghebbendes verzoek om het verweerschrift van de heffingsambtenaar buiten beschouwing te laten terecht afgewezen, heeft de rechtbank belanghebbendes verzoek tot uitstel van de zitting terecht afgewezen en is de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/959
Viditax (FutD), 17-04-2020
NTFR 2020/1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00405

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2019, nummer SHE 18/2474 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Gemeente 's-Hertogenbosch

hierna: de heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde WOZ-beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2017 voor het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 vastgesteld op € 426.000 (hierna: de beschikte waarde). Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de woning een aanslag in de onroerendezaakbelasting over het jaar 2018 opgelegd (hierna: de aanslag). De aanslag en de beschikte waarde staan op één aanslagbiljet. De heffingsambtenaar heeft, nadat belanghebbende tegen de beschikte waarde bezwaar gemaakt heeft, bij uitspraak van 31 augustus 2018 de beschikte waarde gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 5 februari 2020 te ‘s-Hertogenbosch.

Ter zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de heffingsambtenaar, [A] en [B] .

1.6.

Het hof heeft aan het einde van deze zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning, een in 2002 gebouwde twee-onder-een-kap met een inhoud van ca. 534 m3. De woning heeft een dakkapel, een aanbouw met een oppervlakte van ca. 28 m2, een tweede aanbouw met een oppervlakte van ca. 20 m2 en een garage met een oppervlakte van ca. 76 m2. De woning en de garage staan op een perceel met een totale oppervlakte van ca. 286 m2.

2.2.

De woning ligt aan het einde van een (voor auto’s) doodlopende straat. De woning ligt ca. 49 cm lager dan omliggende woningen (hierna: kuilligging) en ligt voorts tegen een oudere woonwijk aan (hierna: trendbreuk).

2.3.

Het beroepschrift dat belanghebbende heeft ingediend bij de rechtbank dateert van 10 oktober 2018. Het verweerschrift van de gemeente in eerste aanleg is door de rechtbank ontvangen op 17 mei 2019 en door belanghebbende op 21 mei 2019. De zitting bij de rechtbank heeft plaatsgehad op 28 mei 2019. De rechtbank heeft een verzoek van belanghebbende tot uitstel van de mondelinge behandeling op 28 mei 2019, ter zitting afgewezen.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een taxatierapport overgelegd, opgesteld op 23 oktober 2019 door [B] van [kantoor] te [kantoorplaats] (hierna: de taxateur). De waarde van de onroerende zaak is in het taxatierapport bepaald op € 440.000.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is belanghebbende ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase?

II. Is het verweerschrift van de heffingsambtenaar in eerste aanleg ten onrechte niet buiten beschouwing gelaten door de rechtbank?

III. Is belanghebbendes verzoek om de behandeling in eerste aanleg uit te stellen, ten onrechte afgewezen?

IV. Heeft de heffingsambtenaar de beschikte waarde aannemelijk gemaakt?

Belanghebbende is van mening dat de vragen I, II en III bevestigend en vraag IV ontkennend moeten worden beantwoord. De heffingsambtenaar is van mening dat de uitspraak van de rechtbank juist is.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot verlaging van de beschikte waarde naar € 416.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Naar het hof begrijpt is belanghebbende van mening dat de heffingsambtenaar hem ten onrechte niet heeft gehoord. Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase niet heeft verzocht om gehoord te worden. De heffingsambtenaar had belanghebbende moeten wijzen op de noodzaak te verzoeken om een hoorgesprek, aldus belanghebbende.

4.2.

In het eerste lid van artikel 231 van de Gemeentewet is bepaald dat de heffing van gemeentelijke belastingen geschiedt met toepassing van (onder meer) de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In artikel 25 van de AWR is bepaald dat - in afwijking van het in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde - een belanghebbende op diens verzoek wordt gehoord. Nu belanghebbende niet heeft verzocht om gehoord te worden en genoemde wetsbepalingen geen andere verplichting voor het bestuursorgaan voorschrijven, kan de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar belanghebbende had moeten wijzen op het doen van een verzoek om gehoord te worden, niet slagen. Vraag I wordt ontkennend beantwoord.

Vragen II en III

4.3.

Artikel 8:31 van de Awb luidt voor het jaar 2018 als volgt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.‘

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb luidt voor het jaar 2018 als volgt:

‘Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.’

4.4.

Er is geen sanctie verbonden aan het niet (tijdig) indienen van een verweerschrift. De bestuursrechter kan daaraan gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen. Door de heffingsambtenaar is gesteld – en belanghebbende heeft dit niet weersproken – dat de rechtbank de heffingsambtenaar niet heeft verzocht een verweerschrift in te dienen. In dat geval kan de heffingsambtenaar een verweerschrift indienen maar geldt niet de termijn van vier weken als bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid van artikel 8:42 van de Awb. Nu het verweerschrift is ingediend buiten de zogenoemde tiendagentermijn genoemd in artikel 8:58, lid 1, van de Awb, heeft de rechtbank op goede gronden beslist dat het verweerschrift van de heffingsambtenaar in eerste aanleg niet buiten beschouwing gelaten behoeft te worden. Vraag II wordt ontkennend beantwoord.

4.5.

Belanghebbende stelt in hoger beroep (kort weergegeven) dat de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift in eerste aanleg nieuwe elementen heeft aangedragen en dat hij, doordat het verweerschrift zo kort voor de zitting is ingediend, te weinig tijd had om het verweerschrift te bestuderen. Hierdoor kon hij zich onvoldoende verweren. De rechtbank heeft daarom belanghebbendes verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling ten onrechte afgewezen.

4.5.1.

De rechtbank heeft geoordeeld (r.o. 2):

‘… in het verweerschrift is ingegaan op de aanvullende gronden van eiser die de rechtbank op 14 mei 2019 heeft ontvangen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser zich met het oog op de behandeling op zitting onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. De door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn voldoende bekend gebleken bij eiser en hij heeft zich hierover voldoende kunnen uitlaten. In het verweerschrift heeft verweerder de relevante overwegingen van de (vaste) rechtspraak waar naar wordt verwezen geciteerd en de gronden van eiser zijn uitvoerig besproken op de zitting, waarbij verweerder de waardematrix op verzoek van eiser op verschillende punten nader heeft toegelicht. Nu eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen, ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om eiser nog meer gelegenheid te geven zijn standpunt te onderbouwen.’.

4.5.2.

De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting van het hof verklaard – en dit is door belanghebbende niet weersproken - dat de rechtbank op de zitting in eerste aanleg aan belanghebbende voldoende tijd heeft gegund voor het stellen van vragen en het zich uitlaten over het ingediende verweer met bijlagen. Dit wordt ondersteund door het proces-verbaal van laatstgenoemde zitting. Nu belanghebbende in hoger beroep - ten opzichte van de fase in eerste aanleg - nagenoeg geen nieuwe argumenten tegen de door de heffingsambtenaar ingenomen standpunten heeft aangedragen, is het hof van oordeel dat belanghebbende door de afwijzing van zijn verzoek om uitstel niet in zijn belangen is geschaad. Vraag III wordt ontkennend beantwoord.

Vraag IV

4.6.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt in dit geval als waardepeildatum 1 januari 2017 en heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.6.2.

De bewijslast met betrekking tot de vraag of de beschikte waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2017 niet te hoog is vastgesteld, rust op de heffingsambtenaar (vgl. Hoge Raad 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300).

4.6.3.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde het in 2.4 genoemde taxatierapport inclusief matrix en grondstaffel overgelegd. Hierin is op basis van de vergelijkingsmethode aan de hand van de referentieobjecten de waarde bepaald. Dit is een op zichzelf beschouwd juiste methode ter bepaling van de waarde. De referentieobjecten zijn voldoende bruikbaar voor de vaststelling van de waarde van de woning. Ze zijn alle gelegen in dezelfde wijk als de woning en zijn qua type woning, uitstraling, ligging, bouwjaar, grondoppervlakte en inhoud zeer goed vergelijkbaar met de woning.

4.6.4.

Met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten heeft de heffingsambtenaar rekening gehouden. Zo heeft de taxateur in verband met de door belanghebbende gestelde trendbreuk en verkeersoverlast (kerende auto’s) een correctie van € 20.000 toegepast op de berekende waarde. Ook met de achterop het perceel geplaatste garage en met de kuilligging is door middel van een aanvullende correctie van € 5.000 op de berekende waarde rekening gehouden.

Uit de matrix blijkt ook – in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende heeft gesteld - dat de taxateur verschillen in de staat van onderhoud, kwaliteit en luxeniveau tussen de woning en het referentieobject [adres 2] tot uitdrukking heeft gebracht in de prijs per m³. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat met deze correcties onvoldoende recht is gedaan aan de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten.

4.6.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat bij de woning en bij het referentieobject [adres 2] geen sprake is van een bijkeuken maar van een berging. Uit de stukken blijkt dat bij beide objecten sprake is van een bijkeuken. De andersluidende stelling van belanghebbende kan niet slagen nu een concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Een dergelijke bijkeuken vormt een onderdeel van de woning en de door de taxateur toegepaste prijs per m3 voor het referentieobject [adres 2] komt het hof niet onaannemelijk voor.

4.6.6.

Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de taxateur de beschikte waarde heeft vastgesteld onder invloed van inconsistente, onduidelijke en een onverklaarde ontwikkeling van WOZ-waarden van de referentieobjecten en voorts zonder de ontwikkeling van prijsindexcijfers hierbij in ogenschouw te nemen, kan dit betoog belanghebbende niet baten. De beschikte waarde is namelijk tot stand is gekomen door middel van de vergelijkingsmethode. Deze methode neemt als uitgangspunt gerealiseerde verkoopprijzen en niet algemene(re) prijsontwikkelingen noch WOZ-waarden van referentieobjecten. Enkel voor het doorrekenen van bedoelde gerealiseerde verkoopprijzen naar de waardepeildatum heeft de taxateur prijsindexcijfers gehanteerd. Deze door de heffingsambtenaar overgelegde prijsindexcijfers zijn door belanghebbende onvoldoende weersproken.

4.6.7.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende tenslotte niet aannemelijk gemaakt dat de woning minder privacy heeft dan de referentieobjecten. Vraag IV wordt bevestigend beantwoord.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan op 9 april 2020 door J.H. Bogert, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en H.J. Cosijn, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is alleen door de griffier ondertekend aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.