Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1205

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
200.224.681_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroepsaansprakelijkheid van accountant voor (vermeend) onjuiste mededeling; relatie tussen tuchtrechtelijke veroordeling en civiele onrechtmatigheid; schade en causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 3, p. 120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.224.681/01

arrest van 7 april 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. Woningstichting [de woningstichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

3. [de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten c.s.] , en afzonderlijk als [appellant] , [de woningstichting] c.q. [de vennootschap] ,

advocaat: mr. J.L.J. Leijendekker te Wijk bij Duurstede,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [Audit & Assurance] Audit & Assurance B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geintimeerden c.s.] , en afzonderlijk als [geïntimeerde] c.q. [Audit & Assurance] ,

advocaat: mr. H.E. van Berckel-Dekker te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 april 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 januari 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten c.s.] als eisers en [geintimeerden c.s.] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/288458/HAZA 15-36)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling


De feiten

3.1.

De rechtbank heeft in de r.o. 2.1.-2.9. van het vonnis waarvan beroep de volgens haar tussen partijen vaststaande feiten weergeven. Volgens [appellanten c.s.] heeft hun grief I betrekking op de r.o. 1.1. tot en met 5.4. van het vonnis waarvan beroep. De toelichting op de grief bevat echter geen concrete bewaren tegen de genoemde feitenvaststelling. Ook voor het hof staan de door rechtbank vastgestelde feiten daarom vast. Daarnaast staan andere feiten tussen partijen vast. Het hof geeft hierna een overzicht van de relevante feiten.

a. [appellant] is voorzitter van woningstichting [de woningstichting] (hierna: [de woningstichting] ) en bestuurder van [de vennootschap] . De heer [de directeur van het projectbureau Euraco] (hierna: [de directeur van het projectbureau Euraco] ) is directeur van het projectbureau Euraco B.V. (inmiddels Excerpt geheten, hierna: Euraco).

b. [de directeur van het projectbureau Euraco] , althans Euraco, enerzijds en [de woningstichting] en [appellant] anderzijds hebben samengewerkt bij de ontwikkeling van project [het project] te [vestigingsplaats ] (hierna: het project). Bij de uitvoering daarvan zijn tussen deze partijen geschillen ontstaan over de financiële afrekening van het project.

c. [appellant] en [de vennootschap] hebben een verzoek tot faillietverklaring van [de directeur van het projectbureau Euraco] ingediend. In verband met het tegen dit verzoek te voeren verweer heeft [de directeur van het projectbureau Euraco] - namens Euraco - [Audit & Assurance] begin januari 2012 opdracht gegeven ‘tot controle van specifieke financiële overzichten in zake de geldstromen en posities’ inzake het project.

d. In de opdrachtbevestiging van 9 januari 2012 - die namens Euraco op 10 januari 2012 door [de directeur van het projectbureau Euraco] voor akkoord is ondertekend - wordt onder meer vermeld (prod. 4 cva):

Opdracht

Wij zullen fungeren als accountant van Euraco B.V. met als doel vast te stellen dat de financiële overzichten opgenomen en resterende posities juist zijn. Dat wil zeggen dat de ontvangen bouwtermijnen onderbouwd zijn met verzonden facturen aan de hypotheekverstrekker/ontwikkelaar, de relevante voortgangsrapportages en dat de ontvangen en betaalde retourbetalingen aan de heer [appellant] /Stichting [de woningstichting] overeenkomen met de bancaire af- en bijschrijvingen. Deze overzichten dienen te worden aangesloten op uw gevoerde financiële administratie.

Voorts dienen we vast te stellen dat de financiële overzichten voorzien zijn van een toelichting met betrekking tot de gehanteerde uitgangspunten.

Wij zullen omtrent onze controle een accountantsmededeling afgeven.

Verantwoordelijkheid accountant

Wij zullen onze controle verrichten in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder Standaard 800 “De accountantsverklaring in het kader van bijzonder controleopdrachten” en Verordening Gedragscode (VGC)’.

e. [geïntimeerde] , als registeraccountant werkzaam bij [Audit & Assurance] , heeft de aan [Audit & Assurance] verstrekte opdracht uitgevoerd.

f. Bij brief van 23 januari 2012 heeft [geïntimeerde] namens [Audit & Assurance] aan Euraco de volgende mededeling gedaan (prod 2 cva):

‘Betreft: Project [het project] te [vestigingsplaats ]

Geachte heer [de directeur van het projectbureau Euraco] ,

In verband met een lopend geschil inzake de afronding van het Project [het project] te [vestigingsplaats ] heeft u aan ons verzocht om een mededeling te doen inzake de geldstromen en resterende rekening courant posities voor dit project. Deze posities zijn door u opgenomen in de door ons gewaarmerkte bijlage.

Wij zijn van mening dat de specifiek opgenomen posities een juist beeld geven van de ontvangen termijnen inzake dit project en de gedane (retour)betalingen aan de heer [appellant] en woningstichting [de woningstichting] (ontwikkelaar).

Ter toelichting op de door u opgestelde overzichten is wel een toelichting van belang welke uitgangspunten voor de verwerking zijn gehanteerd. Met betrekking tot het project zijn twee geldstromen te onderkennen. Een geldstroom met de externe financier, te weten PVF Achmea, van het project. Deze geldstroom heeft plaatsgevonden op basis van gefactureerde termijnen. Deze termijnen werden aangeboden aan de financier en direct aan Euraco B.V. als hoofdaannemer uitbetaald. In verband met een wijziging in de btw wetgeving zijn deze om administratieve redenen gecrediteerd, echter de geldstroom heeft overeenkomstig de voortgang plaatsgevonden. De basis voor deze geldstroom was het overzicht Prognose kosten renovatie [het project] d.d. 2 maart 2009 welke tussen ontwikkelaar ( [appellanten c.s.] /hoofdaannemer (Euraco B.V.) en de financier (PVF Achmea) als leidend uitgangspunt van de afspraken rond dit project is gehanteerd. De formele afwikkeling middels een slotfactuur bij definitieve oplevering vindt plaats begin 2012. Dit betreft met name de facturering van de btw over de reeds vooruitontvangen (19% of 6% over € 505.999,20).

Hierdoor ontstaat een aanvullende vordering op de ontwikkelaar.

Een tweede geldstroom betreffen betalingen en ontvangsten aan de ontwikkelaar. Deze betalingen vonden plaats op basis van mondelinge afspraken. Het beeld dat uit de bankstand ontstaat is dat er afroming (onttrekking) plaatsvond van beschikbare saldi. Bij een dreigend tekort aan liquiditeit was er sprake van stortingen. Het bedrag van de onttrekkingen overtreft het bedrag van de stortingen met € 181.470,-.

De vetgedrukte bedragen sluiten aan op de administratie van Euraco B.V. en de door ons gewaarmerkte bijlage.

Hoogachtend,

[Audit & Assurance] Accountants

Namens deze

[geïntimeerde] RA’.

g. Op 24 januari 2012 is het onder c. genoemde verzoek tot faillietverklaring behandeld door de rechtbank Den Haag, waarbij [de directeur van het projectbureau Euraco] onder meer een beroep heeft gedaan op de onder f. aangehaalde mededeling van [Audit & Assurance] .

h. Bij beschikking van 31 januari 2012 heeft de rechtbank het faillissementsverzoek afgewezen, omdat de rechtbank niet duidelijk achtte of sprake was van pluraliteit van schuldeisers en evenmin of [de directeur van het projectbureau Euraco] verkeerde in een toestand van te hebben opgehouden te betalen.

i. [appellant] heeft bij brief van 27 december 2013 een klacht over [geïntimeerde] ingediend bij de Accountantskamer.

j. Bij beslissing van 5 september 2014 (prod. 1 inl. dagv.) heeft de Accountantskamer de klacht gegrond verklaard en [geïntimeerde] de maatregel van waarschuwing opgelegd.

De Accountantskamer heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:
‘4.4.3.1 Wat er ook zij van hetgeen namens betrokkene bij verweerschrift is gesteld, vast staat dat de derde alinea van de mededeling van 23 januari 2012 slechts op van [de directeur van het projectbureau Euraco] afkomstige informatie berust, waardoor niet uitgesloten kan worden dat de mededeling voor zover deze inhoudt dat er een (aanvullende) vordering op [de woningstichting] ontstaat, een deugdelijke grondslag ontbeert. Daardoor heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-130 van de VGC. Daarbij komt nog dat een accountant op grond van artikel A-120.2 van de VGC iedere situatie die zijn professionele oordeelsvorming op een ongepaste wijze beïnvloedt, vermijdt. Door - op de hoogte zijnde van het geschil tussen [de directeur van het projectbureau Euraco] en klager - alleen op basis van door [de directeur van het projectbureau Euraco] /Euraco verstrekte informatie te concluderen: “Hierdoor ontstaat een aanvullende vordering op de ontwikkelaar” heeft betrokkene zich niet aan deze gedragsregel gehouden. Denkbaar was geweest dat betrokkene zich, om deze bedreiging voor zijn oordeelsvorming weg te nemen, tot zijn opdrachtgeefster had gewend om na te gaan of deze ermee kon instemmen dat hij zich verstond met klager of diens accountant. Gezien het vorenstaande heeft betrokkene ook gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van ‘objectiviteit’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder b. en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-120 van de VGC. Dat klemt te meer nu betrokkene wist of kon vermoeden dat zijn oordeel (mede) ten grondslag zou worden gelegd aan het standpunt van [de directeur van het projectbureau Euraco] in het geschil met klager, en door de rechter in diens oordeelsvorming over het faillissementsverzoek zou kunnen worden betrokken. In een dergelijke situatie moet de accountant volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer, ook als hij een partijbelang dient, ervoor zorgdragen dat hij met zijn oordeel de objectieve waarheidsvinding door de rechter niet belemmert. Ook vanuit dit perspectief bezien is betrokkene door in de mededeling op te nemen dat er een (aanvullende) vordering op [de woningstichting] ontstaat, tekortgeschoten in de naleving van dit beginsel.

(…)

Met de hiervoor geconstateerde schendingen van de fundamentele beginselen “objectiviteit” en “deskundigheid en zorgvuldigheid” dient de klacht in zoverre gegrond te worden verklaard.’


k. Tegen de beslissing van de Accountantskamer is geen hoger beroep ingesteld.


l. Bij brief van 18 september 2014 (prod. 3 inl. dagv.) heeft [appellant] [geïntimeerde] en [Audit & Assurance] aansprakelijk gesteld. Bij brief van 23 september 2014 is de aansprakelijkheid door [geïntimeerde] en [Audit & Assurance] betwist.


De eerste aanleg

3.2.1.

[appellanten c.s.] hebben in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] / [Audit & Assurance] aansprakelijk is voor de schade nader op te maken bij staat dan wel een onafhankelijke deskundige benoemt die de schade vaststelt in onderhavige procedure;

II. bepaalt dat [geïntimeerde] / [Audit & Assurance] een voorschot op de schade dient te betalen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

III. [geïntimeerde] / [Audit & Assurance] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag dat onrechtmatig is gehandeld, te weten 23 januari 2012, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding,
met veroordeling van [geïntimeerde] en [Audit & Assurance] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellanten c.s.] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[geïntimeerde] heeft op 23 januari 2012 ten onrechte medegedeeld dat [appellant] of [het project] een schuld heeft aan Euraco. De Accountantskamer heeft de klacht die [appellant] in verband hiermee heeft ingediend gegrond verklaard. Gelet hierop hebben [geintimeerden c.s.] onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten c.s.] en zijn zij aansprakelijk voor de schade die [appellanten c.s.] hebben geleden en nog zullen lijden.

3.2.3.

[geintimeerden c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten c.s.]
afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten met nakosten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
De stelling dat de zorgvuldigheidsnorm is geschonden vergt een verdergaande onderbouwing dan alleen de verwijzing naar de uitspraak van de tuchtrechter. Vast staat dat [geïntimeerde] in tuchtrechtelijke zin niet de vereiste objectiviteit, deskundigheid en zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Daarmee staat niet vast dat de door [geïntimeerde] namens [Audit & Assurance] gedane mededeling onjuist is. [appellanten c.s.] hebben onvoldoende onderbouwd waaruit de onjuistheid van de mededeling blijkt en hebben daarmee ook hun stelling dat [geintimeerden c.s.] jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld onvoldoende onderbouwd. [appellanten c.s.] hebben weliswaar stellingen aangevoerd inzake de door hen geleden schade, maar hebben onvoldoende toegelicht wat het causale verband is tussen deze (gestelde) schade en het (vermeend onrechtmatige) handelen van [geintimeerden c.s.]

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.3.1.

[appellanten c.s.] hebben in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellanten c.s.] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun - in hoger beroep gewijzigde - vordering.

3.3.2.

[appellanten c.s.] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. Thans vorderen zijn dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] en/of [Audit & Assurance] aansprakelijk zijn voor de schade nader op te maken bij staat dan wel een onafhankelijke deskundige benoemt die in de onderhavige procedure de schade vaststelt die [appellanten c.s.] hebben geleden of zullen lijden ten gevolge van het in de inleidende dagvaarding en in de memorie van grieven genoemde handelen van [geintimeerden c.s.] ;

II. bepaalt dat [geïntimeerde] en/of [Audit & Assurance] een voorschot op de schade dienen te betalen zoals het hof in goede justitie juist acht;

III. [geïntimeerde] en/of [Audit & Assurance] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het gevorderde schadebedrag vanaf de dag dat onrechtmatig is gehandeld, te weten 23 januari 2012, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding, althans de dag die het hof juist acht,
met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van beide instanties.

3.3.2.

[geintimeerden c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep dient te bekrachtigen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen.

Grief 1

3.4.

Met hun eerste grief maken [appellanten c.s.] , gelet op het bovenschrift in de memorie van grieven, bezwaar tegen de beslissingen van de rechtbank in de r.o. 1.1 tot en met 5.4. en met name in r.o. 4.8.
De grief behoeft als zodanig geen behandeling.
Het hof overweegt daartoe dat de grief, gelet op het genoemde bovenschrift, betrekking heeft op het volledige vonnis waarvan beroep. In de toelichting op de grief wordt vervolgens bezwaar gemaakt tegen enkele specifieke beslissingen van de rechtbank, zoals in verband met de (gestelde) onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] en de (gestelde) schade bij [appellanten c.s.] en het causaal verband. Deze beslissingen worden ook door middel van de grieven 2-4 aan de orde gesteld. De in het bovenschrift specifiek genoemde r.o. 4.8. heeft betrekking op de proceskostenveroordeling, waarop ook grief 5 betrekking heeft. Het hof zal het gestelde in de toelichting op grief 1 betrekken bij zijn behandeling van de grieven 2 en volgende.

Grieven 2 en 3: de onrechtmatigheid

3.5.1.

De grieven 2 en 3 hebben betrekking op de beslissingen van de rechtbank inzake de (gestelde) onrechtmatigheid van het handelen van [geintimeerden c.s.] (r.o. 4.5 en 4.6 in het vonnis waarvan beroep).

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat de desbetreffende beslissingen van de rechtbank terecht zijn gebaseerd op het in verscheidene (ten dele in het vonnis genoemde) arresten van de Hoge Raad geformuleerde en bevestigde uitgangspunt dat het oordeel van de tuchtrechter dat de voor de beroepsgroep geldende normen zijn overschreden niet zonder meer betekent dat de beroepsbeoefenaar civielrechtelijk aansprakelijk is op grond van schending van de zorgvuldigheidsnorm.

De grieven 2 en 3 falen voor zover zij zijn gebaseerd op de opvatting dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid van [geintimeerden c.s.] ‘automatisch’ of ‘per definitie’ voortvloeit uit de tuchtrechtelijke veroordeling van [geïntimeerde] (mvg 66, 54).

3.5.3.1. Het hof is van oordeel dat [appellanten c.s.] ook in hoger beroep onvoldoende hebben onderbouwd waarom [geintimeerden c.s.] , uitgaande van het tuchtrechtelijke verwijt dat [geïntimeerde] kan worden gemaakt, jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld.
Het hof overweegt daartoe dat dit tuchtrechtelijke verwijt neerkomt op het niet-toepassen van wederhoor bij [appellant] en/of [de woningstichting] . Volgens de Accountantskamer kan daardoor niet worden uitgesloten dat de mededeling van [geïntimeerde] - die erop neerkomt dat Euraco een vordering heeft op [appellant] / [het project] - een deugdelijke grondslag ontbeert. Aan de door de Accountantskamer opgelegde waarschuwing ligt dus niet het verwijt te grondslag dat [geïntimeerde] een inhoudelijk onjuiste mededeling inzake die vordering heeft gedaan.
In verband met de civielrechtelijke aansprakelijkheid van [geintimeerden c.s.] heeft de rechtbank onderzocht of de mededeling daadwerkelijk onjuist is geweest. Tegen deze benadering hebben [appellanten c.s.] geen grief aangevoerd. Dat is ook terecht omdat, afgezien van buitengewone omstandigheden waaromtrent niets is gesteld of gebleken, niet valt in te zien waarom [geintimeerden c.s.] jegens [appellanten c.s.] aansprakelijk zouden zijn voor een als zodanig juiste mededeling. Zoals eerder is gebleken (zie r.o. 3.2.4.) heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [appellanten c.s.] onvoldoende hebben onderbouwd waaruit de onjuistheid van de mededeling blijkt.

Hiervan uitgaande had het op de weg van [appellanten c.s.] gelegen om in hoger beroep alsnog deugdelijk te onderbouwen waarom de mededeling van [geïntimeerde] onjuist zou zijn geweest.
[appellanten c.s.] zijn hierin niet geslaagd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.5.3.2. [appellanten c.s.] hebben (ook) in hoger beroep veel aandacht besteed aan hun geschillen met [de directeur van het projectbureau Euraco] en Euraco (o.m. mva 16-28, 39-46) en de dienaangaande door de rechtbank Den Haag gewezen vonnissen van 20 juli 2016 en 20 september 2017 (mvg 29 e.v., 32 e.v. en 83; prod. 14 en 15a mvg). Uit deze stellingen en de genoemde vonnissen volgt dat de onderlinge geschillen maar zeer ten dele verband houden met de kwestie waarop de mededeling van [geïntimeerde] betrekking heeft, te weten: het project [de woningstichting] en de in dat kader door Euraco van de hypotheekverstrekker ontvangen bouwtermijnen in relatie tot girale betalingen door Euraco aan [appellant] / [de woningstichting] en door [appellant] / [de woningstichting] aan Euraco (zie r.o. 3.1. onder d.). [appellanten c.s.] hebben niet deugdelijk onderbouwd gesteld waarom al deze geschillen en de in verband daarmee genoemde geldbedragen, vorderingen en rechterlijke beslissingen bijdragen aan de onderbouwing van hun standpunten over de mededeling.

3.5.3.3. Hetzelfde bezwaar bestaat in verband met de notitie van [betrokkene] (hierna: [betrokkene] , prod. 10 van [appellanten c.s.] ), waarop [appellanten c.s.] zich in dit verband beroepen, in elk geval voor de onderdelen II-IV van de notitie.
De bevindingen van [betrokkene] inzake het project [de woningstichting] (onder I) monden uit in een conclusie over het bestaan van een vordering ‘per heden’. Gelet op de vermelding ‘zitting juli 2016?’ in de aanhef van de notitie gaat het hof ervan uit dat [betrokkene] bevindingen betrekking hebben op de situatie in het voorjaar van 2016. Zonder nadere toelichting, die [appellanten c.s.] niet hebben gegeven, kunnen [betrokkene] bevindingen daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt dat de uit januari 2012 daterende (en op gegevens uit de periode daarvóór gebaseerde) mededeling van [geïntimeerde] onjuist is.
Daar komt bij dat [betrokkene] ook onder I verscheidene personen en bedragen noemt die op het eerste oog vallen buiten het bereik van de aan [Audit & Assurance] gegeven opdracht en de op basis daarvan door [geïntimeerde] gedane mededeling. [appellanten c.s.] hebben niet toegelicht waarom deze informatie niettemin relevant is voor het oordeel over de (on)juistheid van de mededeling van [geïntimeerde] .

3.5.3.4. [appellanten c.s.] hebben verder gesteld (mvg 76 e.v.) dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan de stelling van [geintimeerden c.s.] dat [geïntimeerde] [appellant] / [de woningstichting] op enig moment na de zitting van de Accountantskamer alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om de onjuistheid van zijn mededeling aan te tonen. [appellanten c.s.] verwijzen in dit verband naar de verklaring van [geïntimeerde] tijdens de (eerste) comparitie na antwoord in eerste aanleg. Gelet op het proces-verbaal hield die verklaring in: ‘Na de beslissing van de Accountantskamer heb ik [appellant] wel de gelegenheid gegeven om zijn standpunt naar voren te brengen. De stukken die hij mij heeft verstrekt vormen voor mij juist een bevestiging dat mijn conclusies zoals gedaan in de mededeling juist waren’. Volgens [appellanten c.s.] heeft [geïntimeerde] deze gelegenheid in het geheel niet geboden en hebben zij op dit punt een tweede tuchtklacht ingediend.
Volgens [geintimeerden c.s.] (mva 28) is de verklaring van [geïntimeerde] onjuist in het proces-verbaal opgenomen en heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij op basis van de stukken zijdens [appellant] in de eerste tuchtprocedure voor de Accountantskamer heeft geconcludeerd dat zijn mededeling juist is geweest. [geintimeerden c.s.] blijven bij deze laatste conclusie.

Het hof laat deze kwestie verder rusten. Ook als [geïntimeerde] niet uitdrukkelijk gelegenheid tot wederhoor heeft gegeven en als hij zich daarover tijdens de genoemde comparitie na antwoord onjuist, of althans onduidelijk heeft uitgelaten (en ook als de Accountantskamer de tweede tuchtklacht op dit punt gegrond zou verklaren) volgt daaruit niet dat [geïntimeerde] in januari 2012 een onjuiste mededeling heeft gedaan.


3.5.3.5. Bij pleidooi hebben [appellanten c.s.] de grondslag van hun vordering uitgebreid, in die in dat zij nu stellen dat [geintimeerden c.s.] ook aansprakelijk zijn vanwege hun ‘voorgezette onrechtmatige daad’ die daarin bestaat dat zij ten onrechte weigeren om de onjuiste mededeling van [geïntimeerde] in te trekken dan wel te corrigeren.
Dit is een verwijt dat inhoudelijk gezien verschilt van het eerdergenoemde tuchtrechtelijke verwijt inzake het ontbreken van wederhoor. Het verwijt ziet ook op en andere periode, namelijk de periode nadat de mededeling was gedaan. Het hof overweegt dat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel de bevoegdheid tot vermeerdering van de grondslag van de vordering in hoger beroep beperkt, in die zin dat die grondslag niet later dan in de memorie van grieven mag worden vermeerderd. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, die in het onderhavige geval echter niet aanwezig zijn. Het hof wijst er in dit verband op dat [geintimeerden c.s.] tijdens het pleidooi uitdrukkelijk bewaar hebben gemaakt tegen de genoemde uitbreiding van de grondslag van de vordering.

Het hof zal de vordering daarom niet beoordelen op basis van de uitgebreide grondslag zoals hiervoor genoemd. Het hof voegt daaraan toe dat (ook) deze grondslag alleen kan leiden tot toewijzing van de vordering als de onjuistheid van de mededeling van [geïntimeerde] in rechte is komen vast te staan. Zoals hiervoor is gebleken is dat niet het geval.

3.5.4.

[appellanten c.s.] hebben geen andere argumenten aangevoerd die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat [geintimeerden c.s.] in verband met de mededeling van [geïntimeerde] van januari 2012 onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellanten c.s.]

3.5.5.

Nu [appellanten c.s.] niet hebben voldaan aan hun stelplicht is (nadere) bewijslevering - al dan niet door de benoeming van een deskundige - niet aan de orde.

3.5.6.

Ook om al de hiervoor genoemde redenen (naast de in r.o. 3.5.2. genoemde reden) falen de grieven 2 en 3.

Grief 4: schade en causaal verband

3.6.

Grief 4 heeft betrekking op de beslissingen van de rechtbank inzake de (gestelde) schade bij [appellanten c.s.] en het causaal verband tussen deze schade en de (vermeend onrechtmatige) gedragingen van [geintimeerden c.s.] (r.o. 4.6., laatste alinea, in het vonnis waarvan beroep).

Volgens [appellanten c.s.] staan schade en causaal verband vast. De onderbouwing van dit standpunt is summier.
hebben in de eerste plaats een beroep gedaan op de eerder genoemde notitie van [betrokkene] . Dit beroep faalt, gelet op de in r.o. 3.5.3.3. vermelde gronden.

[appellanten c.s.] hebben daarnaast een beroep gedaan op de eerder genoemde vonnissen van de rechtbank Den Haag (zie r.o. 3.5.3.2.). Ook dit beroep kan [appellanten c.s.] niet baten. In deze vonnissen worden de vorderingen in conventie van [appellant] dan wel [appellant] en [de vennootschap] jegens [de directeur van het projectbureau Euraco] namelijk toegewezen, mede omdat verweren van laatstgenoemde die uitdrukkelijk verband houden met het project [de woningstichting] worden verworpen, en worden de vorderingen in reconventie van [de directeur van het projectbureau Euraco] , die (mede) betrekking hebben op het project [het project] , juist afgewezen. Uit deze vonnissen kan dus niet worden afgeleid dat [appellant] in verband met het project [de woningstichting] enige schade hebben geleden of ander nadeel hebben ondervonden, laat staan dat dergelijk(e) schade/nadeel het gevolg is geweest van de mededeling van [geïntimeerde] (zijn persoon noch de mededeling van januari 2012 worden in de beide vonnissen genoemd).
Andere argumenten die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat aannemelijk is dat [appellanten c.s.] mogelijk schade is toegebracht door de mededeling van [geïntimeerde] (of daarvan nadeel heeft ondervonden) zijn gesteld noch gebleken. Het hof overweegt in dit verband nog dat tussen partijen vast staat dat het faillissementsverzoek van [appellant] / [de vennootschap] jegens [de directeur van het projectbureau Euraco] is afgewezen omdat de rechtbank niet duidelijk achtte of sprake was van pluraliteit van schuldeisers en of [de directeur van het projectbureau Euraco] verkeerde in een toestand van te hebben opgehouden te betalen (zie r.o. 3.1. onder h.). [geintimeerden c.s.] hebben - als zodanig onweersproken - gesteld dat de verklaring van [geïntimeerde] in dit kader geen beslissende invloed heeft gehad.

Grief 4 faalt daarom.

Grief 5: wettelijke rente en proceskosten
3.7.1. Grief 5 heeft in de eerste plaats betrekking op de (volgens [appellanten c.s.] ) door [geintimeerden c.s.] verschuldigde wettelijke rente.
[appellanten c.s.] hebben in zoverre geen belang bij de behandeling van de grief, omdat de vraag of [geintimeerden c.s.] wettelijke rente verschuldigd zijn niet relevant is omdat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellanten c.s.] zal afwijzen.

3.7.2.

Grief 5 heeft daarnaast betrekking op de proceskostenveroordeling - ten nadele van [appellanten c.s.] - in het vonnis waarvan beroep.

De grief faalt in zoverre, nu het falen van de grieven 1-4 ertoe leidt dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen.

Ten slotte

3.8.

Het hof Het hof zal [appellanten c.s.] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geintimeerden c.s.]
Deze kosten zullen worden vastgesteld op € 716,- aan griffierecht en € 9.483,- aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, waarbij het hof, gelet op de omvang van het door [appellanten c.s.] gestelde belang, het redelijk oordeelt om niet tarief II (onbepaalde waarde) te hanteren, maar tarief V.
Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep door [appellanten c.s.] gevorderde;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 716,- aan griffierecht en op € 9.483,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, W.J.J. Beurskens en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2020.

griffier rolraadsheer