Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
200.207.572_01 H
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4883
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1342
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHSHE:2020:407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arrest tot verbetering van ECLI:NL:GHSHE:2020:407

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Zaaknummer 200.207.572

arrest van 7 april 2020 strekkende tot VERBETERING in de zin van artikel 31 Rv van het arrest, gewezen op 11 februari 2020

in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen

[Betonboor- & Zaagwerken] Betonboor- & Zaagwerken B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

verder: [appellante] ,

advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg,

tegen:

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. Beele te Tilburg.

Bij op 19 februari 2020 gedateerde brief heeft mr. Schelvis aan de griffier van het hof bericht dat het hem voorkomt dat het dictum van het arrest in reconventie een kennelijke fout bevat, te weten de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek over een bedrag van

€ 148,50 vanaf 14 oktober 2014 tot de dag van voldoening. Door een rekenfout hoort dat bedrag volgens mr. Schelvis geen € 148,50 maar € 5.590,54 te zijn.

Bij brief van 4 maart 2020 is mr. Beele in de gelegenheid gesteld namens zijn cliënte zijn mening hierover aan het hof kenbaar te maken. Mr. Beele heeft bij op 13 maart 2020 gedateerde brief bericht dat beide advocaten al tot de conclusie waren gekomen dat zijn cliënt € 27.594,15 dient te voldoen en dit bedrag inmiddels ook al heeft voldaan.

Voor zover hier relevant overweegt het hof dat onderdeel 13. (het dictum) van het arrest in reconventie de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 11.693,04 bevat,

“te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van

het Burgerlijk Wetboek over een bedrag van € 148,50 vanaf 14 oktober 2014 tot de

dag van voldoening (…)

Tot die beslissing is gekomen omdat die wettelijke handelsrente blijkens rov. 12.8 toewijsbaar is geoordeeld over

(€ 7.330,73 + € 4.510,81 - € 11.693,04 =) € 148,50.”

Zoals ook voor beide advocaten kennelijk op het eerste gezicht duidelijk was, is daarbij ten onrechte met de na verrekening resterende hoofdsom van € 11.693,04 gerekend en had met de verrekenbare -in conventie toewijsbaar geoordeelde- hoofdsom van € 6.251,-- moeten worden gerekend, zodat de door [appellante] gevorderde wettelijke handelsrente had moeten worden toegewezen over (€ 7.330,73 + € 4.510,81 - € 6.251,-- =) € 5.590,54.

Nu dit ook met de overige in het arrest gehanteerde gegevens en gegeven beslissingen te berekenen valt, oordeelt het hof dat sprake is van een zich voor eenvoudig herstel lenende fout die op de volgende wijze kan worden verbeterd.

Het hof:

Bepaalt dat in onderdeel 13. (het dictum) van het tussen bovenvermelde partijen gewezen arrest van 11 februari 2020 de in reconventie uitgesproken veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 11.693,04

“te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van

het Burgerlijk Wetboek over een bedrag van € 148,50 vanaf 14 oktober 2014 tot de

dag van voldoening (…)

aldus wordt verbeterd dat (alleen) het in de voornoemde geciteerde passage genoemde bedrag van € 148,50 wordt gewijzigd in: € 5.590,54.

Bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van vandaag wordt vermeld op de minuut van het arrest van 11 februari 2020.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, D.A.E.M. Hulskes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2020.

griffier rolraadsheer

.