Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1179

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
200.272.117_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:265g BW. Hof brengt geen wijziging aan in door rechtbank beperkte contactregeling (van wekelijks naar tweewekelijks) tussen de moeder en de uithuisgeplaatste minderjarige; wekelijks contact zou de minderjarige teveel belasten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 2 april 2020

Zaaknummer : 200.272.117/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/268350 / JE RK 19-2137

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

domicilie kiezende te [plaats] ,

appellante,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- mevrouw [pleegmoeder] en de heer [pleegvader],

hierna: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders, wonende op een geheim adres.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland,

locatie [locatie] ,

hierna: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht), in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2019 en op schrift gesteld op 31 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 januari 2020, en waarvan het petitum bij aanvang van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangepast, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI af te wijzen en een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen waarbij [minderjarige] 1x per week op vrijdag van 09.00 uur tot 15.00 uur bij de moeder verblijft en iedere dinsdag een beeldbelmoment plaatsvindt met bepaling dat de GI zorgdraagt voor het vervoer en begeleiding bij de overdrachtsmomenten voor de uitvoering van de omgangsregeling, althans dat het hof een voorziening treft die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2020, heeft de GI verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

 de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

 de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

 de pleegmoeder van [minderjarige] .

Als toehoorder heeft mevrouw [ambulant begeleider] (ambulant begeleider van de moeder) in de zaal plaatsgenomen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 12 februari 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de beëindigde relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Sinds 31 oktober 2017 is er ten behoeve van [minderjarige] een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van kracht.

Sinds november 2017 verblijft [minderjarige] in het huidige pleeggezin.

3.3.

Er was een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] van kracht van één dag per week op vrijdag van 09.00 uur tot 17.00 uur.

Inleidend verzoek

3.4.1.

De GI heeft de rechtbank verzocht een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te leggen van eenmaal per twee weken één dagdeel (vier uur, bij voorkeur van vrijdagochtend 09.00 uur tot 13.00 uur bij het pleeggezin).

3.4.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, kort samengevat, de volgende omgangsregeling bepaald tussen de moeder en [minderjarige] :

  • -

    vanaf 25 oktober 2019: viermaal, iedere twee weken, één ochtend in het pleeggezin van 09.00 uur tot 12.00 uur;

  • -

    vanaf 20 december 2019: eenmaal per twee weken op vrijdag van 09.00 uur tot 15.00 uur waarbij [minderjarige] naar de moeder gaat;

  • -

    de GI draagt zorg voor vervoer en begeleiding bij de overdrachtsmomenten voor de goede uitvoering van bovengenoemde omgangsregeling;

  • -

    iedere week zal de moeder in de gelegenheid worden gesteld te beeldbellen met [minderjarige] (te regelen door de pleegmoeder in overleg met de moeder) waarbij voor de duur van het beeldbellen leidend is wat [minderjarige] kan en wil, gelet op zijn leeftijd.

3.5.1.

De moeder kan zich met deze beslissing niet volledig verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert ze, samengevat en voor zover relevant, het volgende aan.

De rechtbank heeft overwogen dat de omgangsregeling [minderjarige] overvraagt op basis van hetgeen mevrouw [naam] (Xonar) ter zitting naar voren heeft gebracht. Mevrouw [naam] is echter nooit aanwezig geweest bij contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] .

De rechtbank gaat volledig voorbij aan het verweer van de moeder over de omgangsregeling die vanaf oktober 2017 heeft gelopen: wekelijks van 09.00 uur tot 17.30 uur. De GI stelt in het eigen verzoekschrift dat de moeder en [minderjarige] een goede band hebben en dat de moeder over opvoedingsvaardigheden beschikt. De rechtbank meldt niets over Kracht in Zorg en de stellingen die de moeder daarover heeft ingenomen met betrekking tot het goed verlopen van de omgang en dat de begeleiding daarbij zelfs werd stopgezet omdat het goed ging.

De rechtbank had het verzoek van de GI op basis van gebrekkige informatie die vanuit de GI is aangeleverd en de gebrekkige handelwijze van de GI in de maanden voorafgaand aan en na de indiening van het verzoekschrift niet mogen toewijzen. Er dient door een deskundige instantie te worden gekeken op welke wijze de belangen van [minderjarige] gediend worden met betrekking tot de frequentie van de omgang.

3.5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder hieraan, kort gezegd, toegevoegd dat de omgangsregeling met [minderjarige] nu prima verloopt. Het vervoer is geregeld door Zorg & Co. De moeder en [minderjarige] hebben het leuk met elkaar. Tot 15.00 uur is voor [minderjarige] net haalbaar. Tot 18.00 uur was te lang; [minderjarige] werd dan moe en moest huilen. Als [minderjarige] eerder terug wil naar zijn pleegmoeder, houdt de moeder hem niet tegen zijn zin bij haar en dit zal zij ook nooit doen.

3.6.1.

De GI voert in het verweerschrift, samengevat, het volgende aan.

De conclusie van het gezinsonderzoek (januari 2019) was dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij opgroeit in het pleeggezin. Omgang van één keer per week is fors voor een kind in de leeftijd van [minderjarige] , van wie duidelijk is dat hij niet zal terugkeren naar zijn moeder. In augustus 2019 heeft de GI besloten dat het tijd was de omgang aan te passen en op die manier voor [minderjarige] en de moeder rust te creëren en positieve ervaringen op te gaan doen. Mevrouw [naam] is betrokken bij de invloed van de contacten op [minderjarige] en het pleeggezin; zij spreekt en ziet hen regelmatig. Zij heeft het effect van de onregelmatigheden in de omgang en het overvragen van [minderjarige] in de duur van de omgang zelf kunnen constateren. Ook de zoektocht van het pleeggezin om hier zo goed als mogelijk mee om te gaan, heeft mevrouw [naam] intensief begeleid.

In 2019 was het naleven van de omgangsregeling om diverse redenen vaak niet haalbaar. De omgang stopte regelmatig eerder dan 17.30 uur, omdat [minderjarige] dan terug wilde naar de pleegmoeder. De moeder geeft aan dat het dan niet meer mogelijk is om [minderjarige] af te leiden of om het gezellig te maken; [minderjarige] is dan heel vasthoudend. De overwegingen om het contact in te perken, zijn niet gelegen in de kwaliteit van dat wat de moeder en [minderjarige] samen hebben. Het gaat over de onhaalbaarheid van de kwantiteit, en de onrust, het verdriet en de boosheid die dit bij verschillende betrokkenen oproept. Dat is niet in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] .

Vanaf oktober 2019 is er een tweewekelijkse omgang die weer gedeeltelijk begeleid wordt. Tot nu toe is deze omgang alle keren doorgegaan en verloopt die op een fijne manier. [minderjarige] , de moeder en de pleegmoeder zijn hier heel blij mee en ervaren dat iedereen toe was aan positieve ervaringen.

3.6.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI hier, kort gezegd, aan toegevoegd dat de moeder het goed doet in de contacten met [minderjarige] en dat zij uitstekend handelt wanneer zij merkt dat [minderjarige] terug wil naar de pleegmoeder. [minderjarige] wordt binnenkort vier jaar oud en vanaf [geboortedatum] 2020 gaat hij vier dagen per week naar school. Dat wordt intensief voor hem, ook omdat hij naar de BSO gaat. De pleegmoeder wil, gelet op zijn leeftijd, ook met zwemles beginnen. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid en rust. Zijn normale ontwikkeling moet doorgaan. [minderjarige] doet het goed, maar het is merkbaar dat hij na een bezoek aan de moeder moe is (ook al heeft hij het erg naar zijn zin gehad).

De contacten tussen [minderjarige] en zijn vader zijn recent ook opgestart, ook op de vrijdag, maar dan één keer per maand. Al deze omstandigheden brengen met zich dat een regeling zoals moeder die wil, te belastend is voor [minderjarige] .

De GI gaat meteen na de mondelinge behandeling in hoger beroep twee gezinsvoogden toewijzen. Dat is niet gebruikelijk; de moeder heeft veel pech gehad met eerdere gezinsvoogden die langdurig uitvielen. Dat het LET-team erbij betrokken werd (vanwege geuite bedreigingen door de vader, niet door de moeder) heeft ook tot vertraging geleid.

De GI ziet graag dat de beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd. Deze regeling is voor de moeder goed haalbaar: zij heeft oog voor [minderjarige] en kan haar eigen behoefte opzij zetten. Ook voor [minderjarige] en de pleegouders is deze regeling te doen en zij vormt met deze frequentie voor iedereen de beste kans van slagen.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard achter de bestreden beschikking te staan. Een frequentie van eenmaal in de veertien dagen past goed bij dit soort jonge kinderen. De school komt eraan en er komt ook een bezoekregeling met de vader bij. Kinderen krijgen het drukker als zij ouder worden. De regeling gaat goed nu. De raad complimenteert de moeder dat zij [minderjarige] eerder terugbrengt als het niet meer goed gaat. Het is prettig voor [minderjarige] als behouden wordt wat nu goed gaat.

3.8.

De pleegmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroepverklaard dat [minderjarige] een slim en lief jongetje is. Hij heeft veel duidelijkheid en structuur nodig. Sinds de omgang met zijn moeder eenmaal per twee weken is, geeft hem dat meer structuur. De moeder komt alle afspraken na. Het is heel fijn voor [minderjarige] dat hij weet dat hij de ene vrijdag zijn moeder wel ziet en de andere vrijdag niet. Dit geeft hem rust. De contacten lopen ontspannen. [minderjarige] gaat graag mee met zijn moeder. Voorheen duurden de bezoeken te lang en wilde [minderjarige] terug. Hij speelde dan intensief met zijn moeder en daar werd hij moe van. Dat lag niet aan de moeder. [minderjarige] wordt ook moe na een dagje kinderopvang en ook dan wil hij terug naar de veilige omgeving van het pleeggezin. De pleegmoeder vindt het fijn dat zij met de moeder op één lijn zit als het gaat om wat [minderjarige] wel en niet mag. Zij merkt dat [minderjarige] minder negatieve aandacht vraagt.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Artikel 1:265g BW luidt als volgt.

  • -

    Lid 1. Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

  • -

    Lid 2. Op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.9.2.

Het staat vast dat de moeder en [minderjarige] een goede band met elkaar hebben en dat de moeder op een prettige manier invulling geeft aan haar contact met [minderjarige] . Zij laat zien dat zij oog heeft voor zijn behoeftes en dat zij in staat is, zeker nu het vervoer is geregeld, om eenmaal per twee weken de omgangsregeling na te komen. Dit wordt ook onderschreven door de GI, de raad en de pleegmoeder. Dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar verzoek in tijd (van 17.30 uur naar 15.00 uur) heeft teruggebracht, laat ook zien dat de moeder in het belang van [minderjarige] denkt en handelt. Het is voor het hof invoelbaar dat de moeder [minderjarige] wekelijks bij zich wel hebben, zoals dat vroeger ook was. Dit vindt het hof echter niet meer in het belang van [minderjarige] , gelet op het volgende.

3.9.3.

Het staat vast dat [minderjarige] niet meer zal terugkeren naar de moeder en dat zijn perspectief in het pleeggezin ligt. De moeder begrijpt en ondersteunt dit ook. De moeder en de pleegmoeder hebben een prettig contact met elkaar; dit is erg waardevol voor [minderjarige] . [minderjarige] is gehecht aan zijn pleegouders en hij heeft het daar goed. De omvang/frequentie van het contact dat de moeder met [minderjarige] kan hebben, is afhankelijk van wat voor [minderjarige] mogelijk en verantwoord is. Het contact moet ook worden ingepast in de dagelijkse opvoedingssituatie van [minderjarige] in het pleeggezin, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid en stabiliteit die de pleegouders [minderjarige] bieden.

De ‘oude’ regeling met de wekelijkse frequentie was erg druk en vermoeiend voor [minderjarige] . [minderjarige] had er ook last van dat het contact niet altijd doorging, omdat bijvoorbeeld het vervoer een probleem was. Sinds het contact is teruggebracht naar eenmaal per twee weken, gaat het beter met [minderjarige] . [minderjarige] weet precies wanneer hij zijn moeder ziet en dit geeft hem rust. Deze regeling sluit op dit moment volledig aan bij wat [minderjarige] nodig heeft, waarbij het hof er tevens oog voor heeft dat er nog veel veranderingen aankomen voor [minderjarige] . Hij start binnenkort met school, de BSO, zwemles en hij zal één vrijdag per maand gaan doorbrengen met zijn vader. Het zou voor [minderjarige] teveel worden als daar een wekelijks contact met de moeder bij zou komen, ook als dit in tijd zou worden beperkt tot 15.00 uur. Het hof zal daarom geen verandering aanbrengen in de door de rechtbank vastgestelde contactregeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat er wordt doorgegaan met deze regeling: dat gaat goed en dat moet worden gekoesterd.

3.9.4.

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen dient te worden, bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.N.M. Antens en S.C. van Duijn en is op 2 april 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.