Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.258.794_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:790
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

reiskosten omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.258.794/01

zaaknummer rechtbank : C/03/257408 / FA RK 18-4396

beschikking van de meervoudige kamer van 2 april 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.G.M. Wensveen te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Smeets te Venlo.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 30 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 30 april 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 30 januari 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 12 juni 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 22 juli 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 22 januari met bijlagen, ingekomen op 23 januari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 24 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 27 januari 2020;

- een faxbericht van de zijde van de man van 3 februari 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 februari 2020.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2020 plaatsgevonden.

Ter mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door mr. A. Hollman, waarnemend voor mr. S. Smeets.

2.6.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen faxbericht van de zijde van de man van 18 februari 2020, met als bijlage een brief van de advocaat van de man aan het hof, waaruit blijkt dat partijen er niet in zijn geslaagd om ook voor de periode na september 2022 tot een minnelijke regeling te komen over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben tot 2010 een relatie met elkaar gehad.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

De man heeft de kinderen erkend.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 september 2018 bepaald op € 282,88 per maand.

4.2.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum, op de draagkracht van de vrouw en op de draagkracht van de man.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog af te wijzen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 september 2018 en te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen hetgeen de man ingevolge de door het hof te geven beschikking te veel mocht hebben betaald, althans een beslissing te geven die het hof juist acht.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.

4.4.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de vrouw constateert het hof dat de vrouw geen ander dictum wenst dan zoals de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft beslist. De standpunten van de vrouw zoals verwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ter zake de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen zal het hof bij de beoordeling in het hoger beroep van de man meenemen.

5 De motivering van de beslissing

De periode tot 1 september 2022

5.1.

Partijen hebben hun standpunten met betrekking tot de kinderalimentatie ter mondelinge behandeling uitgebreid toegelicht. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen in onderling overleg gedeeltelijk tot overeenstemming gekomen met betrekking tot hetgeen hen in deze zaak verdeeld hield en wel voor de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2022.

5.2.

Partijen zijn het navolgende overeengekomen:

- de man betaalt aan de vrouw over de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2022 een bedrag van € 100,- per maand voor de twee kinderen, waarbij de man de rest van zijn draagkracht benut voor het aflossen van schulden. Gelet op het verhandelde ter mondelinge behandeling begrijpt het hof de onderlinge regeling van partijen aldus dat de kinderalimentatie tot 1 maart 2020 dient te worden bepaald op hetgeen de man feitelijk ten titel van kinderalimentatie aan de vrouw, al dan niet via het LBIO, heeft voldaan.

Partijen hebben het hof verzocht deze overeenstemming in het dictum op te nemen, aan welk verzoek het hof zal voldoen zoals in het dictum van deze beschikking weergegeven.

5.3.

Uit de voormelde brief van de advocaat van de man aan het hof van 18 februari 2020, blijkt dat partijen er niet in zijn geslaagd om ook voor de periode na september 2022 tot een minnelijke regeling te komen, dient het hof een beslissing te geven over de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 september 2022.

De periode met ingang van 1 september 2022

Hoogte behoefte kinderen

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen vastgesteld dient te worden bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen in 2010, het jaar waarin de relatie tussen partijen is verbroken.

De man heeft gesteld dat zijn fiscaal inkomen in 2010 hetzelfde was als in 2012 conform de jaaropgaaf 2012 ad € 30.632,-. De vrouw heeft in de door haar overgelegde productie 12 in hoger beroep (voorlaatste pagina), uitgaande van het fiscaal inkomen in 2010 van € 30.632,-, een netto gezinsinkomen in 2010 becijferd van € 2.035,- en een daarop gebaseerde behoefte van de kinderen in 2010 van € 434,- per maand, geïndexeerd met ingang van 1 januari 2018 van € 482,- per maand, dat is € 241,- per kind per maand. Nu de man deze becijfering door de vrouw niet heeft weersproken gaat het hof daarvan uit. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2020 € 252,- per kind per maand.

Zorgkorting

5.5.

Gelet op de bij beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) bij beschikkingen van 4 juli 2014 en 25 november 2016 vastgestelde omgangsregeling, waarbij de kinderen bij de man verblijven van vrijdag 15.30 uur tot zondag 17.30 uur, alsmede gedurende drie weken aaneengesloten in zomervakantie en gedurende de voorjaarsvakantie (wanneer de kinderen carnaval vieren eerst vanaf woensdag), de helft van de meivakantie en de herfstvakantie en wisselend per jaar op Eerste en Tweede Kerstdag dan wel met Oud & Nieuw, ziet het hof geen aanleiding de zorgkorting te bepalen op een door de man gesteld hoger percentage dan de voor een dergelijke omgangsregeling gangbare 15%, nu de man geen, althans onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld, die het hof ook anderszins niet zijn gebleken, die afwijking van het gangbare percentage zouden rechtvaardigen.

Draagkracht van partijen

5.6.1.Partijen zijn er in hun onderlinge regeling vanuit gegaan dat de schulden van de man met ingang van 1 september 2022 zijn afgelost. Alsdan dient de kinderalimentatie opnieuw, zonder rekening te houden met de bestaande schulden, te worden berekend. Het hof heeft deze berekening gemaakt op basis van de inkomensgegevens van de man in 2019 (fiscaal jaarinkomen € 31.311,-) en rekenend met de fiscale cijfers 2020.

Nu in deze procedure is gebleken dat partijen verdeeld zijn over het bedrag dat de man ter zake reiskosten voor de omgangsregeling in zijn draagkrachtloos inkomen mag meenemen, overweegt het hof het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat de man de kinderen vanuit [plaats] met de auto in [woonplaats vrouw] bij de vrouw ophaalt en dat hij de kinderen ook weer met de auto naar [woonplaats vrouw] terugbrengt. Tussen partijen is niet in geschil dat gerekend moet worden met een afstand van 255 kilometer enkele reis. De vrouw heeft niet betwist dat voor het berekenen van de kosten moet worden uitgegaan van een tarief van € 0,125 per kilometer, zoals de man heeft gesteld. De man reist per weekend 1.020 kilometer. Uitgaande van omgang met kinderen in 26 weken betreft het een totaal bedrag van

€ 3.315,- per jaar, dat is € 276,- per maand.

Partijen zullen in beginsel het halen en brengen feitelijk moeten delen. Nu uit de stukken en het verhandelde te mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw de kinderen niet haalt, noch brengt, komen de kosten van het halen en brengen geheel op de schouders van de man. Nu de man de grote reisafstand van [plaats] naar [woonplaats vrouw] mede te danken heeft aan de wijziging van zijn feitelijk verblijf van [woonplaats man] naar [plaats] , overweegt het hof dat de reiskosten die de man feitelijk maakt ad € 276,- per maand, voor 2/3, derhalve voor een bedrag van € 184,- in het draagkrachtloos inkomen van de man betrokken dient te worden. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.124,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule

70% [2.124 – (0,3 x 2.124 + 184 + 975)] = € 229,46 per maand, dit is € 114,73 per kind per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2021 (artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek).

Verdeling van de draagkracht

5.7.

Partijen gaan beiden uit van een draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand, dit is

€ 25,- per kind per maand. Het hof volgt partijen daarin. De draagkracht van partijen tezamen bedraagt € 139,73 per kind per maand.

De zorgkorting bedraagt 15% x € 252,- per kind per maand, is € 37,80 per maand.

Nu de draagkracht van partijen tezamen (ad € 139,73,- per kind per maand) onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien en het tekort (van € 252,- minus

€ 139,73 = € 112,27 per kind per maand) groter is dan twee maal de zorgkorting (2 x € 37,80 per kind per maand), vervalt de aanspraak van de man op de zorgkorting.

5.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man, uitgaande van het huidige inkomen en de huidige situatie en zonder nog langer rekening te houden met de schulden, met ingang van 1 september 2022 een bijdrage ten behoeve van de kinderen zal hebben te betalen van € 114,73 per kind per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2021.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 30 januari 2019 uitsluitend voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging de opvoeding van de minderjarige kinderen,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

van 1 september 2018 tot 1 maart 2020 op het bedrag dat de man ten titel van onderhoudsbijdragen voor de kinderen aan de vrouw, geheel of gedeeltelijk via het LBIO, heeft voldaan;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

voor de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2022 een bedrag dient te voldoen van

€ 50,- per kind per maand, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

een bedrag dient te voldoen van € 114,73 per kind per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2021, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.M.C. Dumoulin en

A.M. van Riemsdijk en is op 2 april 2020 in het openbaar uitgesproken door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.