Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1176

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.271.915_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5816
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing rechtbank om minderjarige uit huis te plaatsen. Veel zorgen: huiselijk geweld tussen vader en oudere zus van minderjarige, financiële problemen, gebrek aan hygiëne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 2 april 2020

Zaaknummer : 200.271.915/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/366129 JE RK 19-2261

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.J.W. Vugs,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 18 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 januari 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover het de uithuisplaatsing van de kinderen betreft, althans voor zover het [minderjarige 2] betreft en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de raad strekkende tot de uithuisplaatsing van de kinderen, althans van [minderjarige 2] , alsnog af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en te bepalen dat de kinderen, althans [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang wordt teruggeplaatst bij de vader.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

 de vader, bijgestaan door mr. W.C.G.M. van Hoof, waarnemend voor mr. A.J.W. Vugs;

 de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

 de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft buiten aanwezigheid van partijen en de GI met de zaaksvoorzitter in het bijzijn van de griffier gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 11 december 2019;

  • -

    het V-formulier van 13 januari 2020 met bijlagen van de advocaat van de vader;

  • -

    de brief van de raad van 22 januari 2020;

  • -

    de twee brieven van de raad van 2 maart 2020, beiden voorzien van bijlagen;

  • -

    het V-formulier van 3 maart 2020 met één bijlage van de advocaat van de vader.

2.5.2.

Na de mondelinge behandeling in hoger beroep, op 17 maart 2020, is een persoonlijke brief van de vader (met bijlagen) ingekomen ter griffie van het hof. Voor toezending hiervan heeft het hof geen toestemming gegeven. De mondelinge behandeling was al gesloten en de wederpartij heeft hier niet op kunnen reageren. Het hof zal deze stukken dan ook buiten beschouwing laten, reeds omdat dit strijd oplevert met de goede procesorde.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie die de vader met [de moeder] (hierna: de moeder) heeft gehad, zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] en

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De moeder is op [datum] 2019 overleden.

De vader oefent sindsdien alleen het gezag over de kinderen uit.

3.2.

De kinderen staan sinds 19 september 2019 (aanvankelijk: voorlopig) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 19 december 2020.

Sinds 19 september 2019 zijn de kinderen uithuisgeplaatst. [minderjarige 1] verblijft op een woongroep van Amarant en [minderjarige 2] verblijft sinds 18 oktober 2019 in een pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg/pleeggezin met ingang van 19 december 2019 tot uiterlijk 19 september 2020.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader het hoger beroep ingetrokken voor zover het de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] betreft. De vader wil het liefste allebei zijn dochters thuis hebben, maar hij realiseert zich dat [minderjarige 1] professionele hulp nodig heeft en dat kan hij [minderjarige 1] niet bieden.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voert de vader, samengevat, het volgende aan. De uithuisplaatsing is niet gerechtvaardigd. De vader wil een eerlijke kans om te laten zien dat hij, met behulp van de GI en binnen eventueel te stellen kaders, kan zorgen voor een veilige opvoedingsomgeving. Een voorwaardelijke uithuisplaatsing zou mogelijk een optie zijn. De vader mag de kinderen alleen onder begeleiding zien. Zijn recht op familie- en gezinsleven (8 EVRM) dient te worden gerespecteerd. De uithuisplaatsing is te ingrijpend. De vader voelt zich gesteund door de verklaring van de jeugdarts van het sociaal wijkteam van 26 november 2019 waaruit blijkt dat een uithuisplaatsing niet werd geadviseerd. Er zijn nooit conflicten of escalaties tussen [minderjarige 2] en de vader geweest. Ook zijn er nooit concrete zorgen gemeld, terwijl de hulpverlening al jaren betrokken was bij het gezin. De vader vindt het lastig dat hij niet weet waar hij aan toe is; hij weet evenmin waar hij aan moet werken. Het is niet fair dat de incidenten uit het verleden hem nu nog achtervolgen. De vader heeft straf gekregen en daarmee is de kous af.

Als er vanuit zou worden gegaan dat [minderjarige 1] bij Amarant blijft wonen totdat zij meerderjarig is, kan worden geconcludeerd dat het thuis een stuk rustiger zal zijn voor [minderjarige 2] . Er zijn geen aanvaringen of ruzies waar [minderjarige 2] dan mee geconfronteerd kan worden.

De vader kan ook aan zichzelf werken als [minderjarige 2] bij hem woont. Van alcoholmisbruik is geen sprake. Hij is zelfs gestopt met roken en is druk bezig met het opknappen van zijn huis. De vader herkent zich niet in de harde conclusies die er over zijn persoon worden getrokken in de raadsrapportage en het ots-plan van de GI.

3.5.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek tot uithuisplaatsing gehandhaafd.

De raad heeft zorgelijke dingen gezien. [minderjarige 2] onttrok zich aan het gezin. De pleegmoeder van [minderjarige 2] geeft aan dat [minderjarige 2] niet praat, moeilijk keuzes maakt, geen hulp vraagt en geen emoties laat zien. [minderjarige 2] is blij als ze met de schoolmaatschappelijk werker kan praten. De PMT therapeut van de vader kent hem als een kwetsbare opvoeder en iemand die moeilijk te helpen is. Hij heeft weinig zelfinzicht. De kinderen zorgen voor hem en hij belast de kinderen. De GI heeft een goed plan opgezet om binnen afzienbare tijd duidelijk te krijgen wat de mogelijkheden zijn. Het is niet verantwoord om [minderjarige 2] nu thuis te plaatsen.

3.6.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, verklaard dat [minderjarige 2] veel last had van de ruzies tussen [minderjarige 1] en de vader. Zij was getuige van huiselijk geweld en vluchtte zelfs naar buiten. Als de vader zijn ouderrol goed had vervuld, had hij [minderjarige 2] beschermd tegen het huiselijk geweld dat bovendien (ook) al in een veel eerder stadium plaatsvond tussen de vader en de moeder. [minderjarige 2] vindt het prettig in het pleeggezin. Soms heeft zij het moeilijk en heeft zij huilbuien. [minderjarige 2] praat over de ruzies waarvan zij getuige is geweest. Bij PIT is een persoonlijkheidsonderzoek aangevraagd voor haar. Het is zorgelijk dat de vader [minderjarige 1] heeft verteld dat hij zelfmoordneigingen heeft, omdat hij de kinderen mist. Het gezin heeft 14 jaar hulpverlening gehad van Ouder & Kind. Er waren veel problemen in het gezin. Het RIBW adviseerde de vader om hulp te zoeken bij de GGZ. De GI wil bewijs zien (bloed/urine) dat de vader geen alcoholprobleem heeft, zoals hij zelf stelt. De vader zou zich kunnen aanmelden bij Novadic/Kentron. De vader heeft praktische hulp nodig, omdat zijn woning erg rommelig en onveilig is. De vader heeft hoge schulden en bewindvoering is nog steeds niet geregeld. De vader heeft geen ziektekostenverzekering. De GI gaat de voorwaarden op papier zetten waaraan de vader dient te voldoen. De vader krijgt van de GI de kans om tot eind juni 2020 te laten zien dat hij dit kan waarmaken. Als de vader niet kan aantonen dat hij op de goede weg is, gaat de GI een ander verzoek indienen. Een thuisplaatsing van [minderjarige 2] is nu absoluut niet aan de orde.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Nu de vader zijn grieven tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft ingetrokken, zal het hof de vader in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

Uithuisplaatsing van [minderjarige 2]

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht op en op goede gronden de beslissing heeft genomen om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen, gelet op het volgende.

3.7.4.

De achtjarige [minderjarige 2] is opgegroeid in een onveilige omgeving waarbij zij regelmatig getuige is geweest van verbaal en fysiek huiselijk geweld tussen zowel haar ouders als tussen [minderjarige 1] en haar vader. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat er bij de vader sprake is van persoonlijke problematiek en ook van een beperkte intelligentie. Hij is wantrouwend richting de hulpverlening en heeft weinig inzicht in zijn eigen onvermogen. Verder heeft hij moeite met plannen, ordenen, regelen en wisselt hij erg sterk in zijn emoties. Hij beschikt over een minimale draagkracht, mede door het wegvallen van de moeder (zij is op [datum] 2019 overleden) en de afwezigheid van steunbronnen. De vader is snel overprikkeld en gestrest; hierdoor worden zijn grenzen snel overschreden. Dit heeft tot gevolg gehad dat hij regelmatig verbaal en fysiek geweld heeft gebruik tegen [minderjarige 1] (en in een eerder stadium: tegen de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ). De vader heeft, vanwege deze persoonlijke problematiek, [minderjarige 2] niet de stabiele opvoedomgeving kunnen bieden die zij nodig heeft. De algehele opvoedsituatie van [minderjarige 2] werd gekenmerkt door onveiligheid en onvoorspelbaarheid. Dit heeft gevolgen gehad voor haar ontwikkeling. [minderjarige 2] vertoont opvallend gedrag en zij is mogelijk getraumatiseerd. [minderjarige 2] staat op de wachtlijst voor speltherapie en een persoonlijkheidsonderzoek. Op dit moment bevindt de hulpverlening aan [minderjarige 2] zich nog in een opstartende fase.

3.7.5.

[minderjarige 2] heeft nu een rustige, voorspelbare en veilige omgeving nodig van waaruit zij kan toekomen aan traumaverwerking. Het pleeggezin komt op dit moment tegemoet aan de behoeftes van [minderjarige 2] . Het hof is het niet met de vader eens dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] is afgewend nu [minderjarige 1] niet meer thuis woont. Ook afgezien van het geweld van de vader richting [minderjarige 1] , waren er veel ernstige zorgen in het gezin. Dit is gesignaleerd door de hulpverlening die al veertien jaar betrokken is in het gezin. De andere zorgen zien (onder meer) op: het alcoholgebruik van de vader (tot op heden heeft hij niet aangetoond door bloed/urinecontroles dat hij nuchter is), het gebrek aan hygiëne in de woning (waargenomen door de GI na een huisbezoek) en financiële problemen (de vader heeft geen ziektekostenverzekering). Het hof is op dit moment niet overtuigd dat de vader [minderjarige 2] de basale zorg kan bieden die zij nodig heeft. De uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de beslissing heeft genomen om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] te verlenen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] betreft.

3.7.6.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] betreft;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover het de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] betreft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en is op 2 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.