Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1174

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.270.871_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 2 april 2020

Zaaknummer : 200.270.871/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/348089 / JE RK 19-1020

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. van Beers,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] en [de stiefmoeder], beiden wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader respectievelijk de stiefmoeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 17 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 december 2019, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, en:

primair het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alsnog af te wijzen;

subsidiair de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van maximaal zes maanden.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2020, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Beers.

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader en de stiefmoeder.

2.3.1.

Namens de raad is, met bericht van verhindering van 2 maart 2020, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord.

[minderjarige 2] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 16 januari 2020.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor en ook de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder met bijlage (productie 3) d.d. 6 maart 2020;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder met bijlagen (producties 4 en 5) d.d. 9 maart 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 22 september 2016 onder toezicht van de GI. Nadien is de ondertoezichtstelling steeds verlengd.

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 22 september 2016 uit huis geplaatst bij de vader. Deze machtiging is sindsdien verlengd.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 22 september 2019 tot 22 september 2020 en de aan de GI verleende machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 22 september 2019 tot uiterlijk 22 september 2020 uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het betreft de uithuisplaatsing van de kinderen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er is voldaan aan het wettelijk criterium.

De uithuisplaatsing is niet meer noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder kan zelf weer voor de kinderen zorgen. Zij heeft de door haar aangegane behandeling in verband met het vermoeden van PTSS positief afgerond. Bovendien heeft zij voldoende zelfinzicht en stelt zij zich kwetsbaar op. Zij is verder bereid om alle hulpverlening te accepteren.

De moeder heeft bovendien zorgen over de huidige opvoedsituatie van de kinderen, in het bijzonder [minderjarige 2] , bij de vader. Het is moeder bekend dat vader burn-out klachten heeft gehad. Verder stimuleert vader de kinderen niet tot het hebben van omgang met de moeder. Het is in het belang van kinderen om met beide ouders contact te hebben. De moeder ziet de kinderen echter nu slechts één keer per maand. De klachten van de kinderen zijn niet verminderd, maar eerder toegenomen doordat zij in een loyaliteitsconflict zitten. De kinderen durven regelmatig niet vrijuit te praten over het contact met anderen en wensen iedereen tevreden te stellen. Daarbij komt dat de hulpverlening voor de kinderen lang op zich heeft laten wachten en pas onlangs is gestart. Er moet worden ingezet op terugplaatsing, zeker voor [minderjarige 2] . Haar terugplaatsing kan samenvallen met haar aanstaande wisseling van school.

Ook is de communicatie tussen de ouders onvoldoende en is er geen ouderschapsplan.

De moeder hoopt dat met inzet van het traject “parallel ouderschap” de situatie, zoals deze zich voordeed vóór de ondertoezichtstelling, wordt hersteld en ouders weer rechtstreeks met elkaar kunnen communiceren.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan. De bestreden beschikking is op goede gronden afgegeven. De GI handhaaft dan ook haar stellingen zoals deze in eerste aanleg zijn aangevoerd. De kinderen zijn geworteld bij de vader, hebben daar hun sociale activiteiten. Zij laten zelf ook weten dat ze graag daar willen blijven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat. Ze gaan maandelijks naar hun moeder en mogen ook vaker als zij dit willen. Zij worden niet door de vader belemmerd in het contact met de moeder. [minderjarige 2] blijft soms langer en mag dit dan zelf met de moeder regelen. De vader heeft een burn-out gehad, maar heeft hulp gehad en de kinderen hier niet mee belast. Met het feit dat de moeder de verblijfplaats nu weer aanvecht, belast zij de kinderen en brengt zij hen in een loyaliteitsconflict waardoor zij veel onrust veroorzaakt.

3.8.

De vader en de stiefmoeder hebben de grieven van de moeder gemotiveerd betwist.

Zij benadrukken dat zij wel degelijk achter een uitbreiding van de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen staan. Hun ervaring is echter dat wanneer de moeder op bepaalde momenten afspraken maakt, zij hier vervolgens op terugkomt. Hierin wordt door de vader en de stiefmoeder een terugkerend patroon gezien. Bovendien zijn de signalen van de moeder aan de kinderen tegenstrijdig, hetgeen voor onrust zorgt.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Het hoger beroep richt zich niet tegen de ondertoezichtstelling.

3.9.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

3.9.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:265 b lid 1 BW en 1:265 c BW.

Het hof zal dat hierna uitleggen.

3.9.5.

Er zijn al langere tijd zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun opvoedsituatie. Zij hebben last van de langdurige conflictueuze scheiding van de ouders en van het feit dat het de ouders niet lukt om afspraken te maken over de kinderen en zich daaraan te houden. De zorgelijke opvoedsituatie bij de moeder was destijds aanleiding voor de uithuisplaatsing van de kinderen. Hoewel het duidelijk is dat de moeder aan zichzelf heeft gewerkt en haar best doet, is er nog steeds sprake van onvoldoende structuur bij de moeder thuis.

Bij de vader hebben de kinderen de ruimte om zich te ontwikkelen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn inmiddels geworteld in het gezin van de vader en stiefmoeder en ontwikkelen zich goed.

Zij gaan daar naar school, hebben hun vrienden, hun clubs en baantjes.

Hoewel de moeder op de mondelinge behandeling van het hof heeft benadrukt dat zij zorgvuldig met de behoeftes van de kinderen omgaat en hen niet belast met haar wens dat de kinderen weer haar komen wonen, lijkt het tegenstelde het geval. Uit hetgeen de GI heeft gesteld volgt immers dat de moeder niet, althans onvoldoende naar de behoeftes van de kinderen kijkt maar haar eigen behoefte centraal stelt. Hoewel zij eerder heeft aangegeven te kunnen instemmen met het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader, heeft zij alsnog in de onderhavige zaak verzocht om de plaatsing van de kinderen bij de vader te beëindigen.

Dit zorgt voor onrust bij de kinderen, terwijl zij allebei een grote behoefte hebben aan duidelijkheid.

Het voorgaande betekent naar het oordeel van het hof dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding, en dat op dit moment ook nog steeds is.

Het betoog van de moeder dat er zorgen bestaan bij de huidige opvoedingssituatie van de kinderen omdat de vader het loyaliteitsconflict bij de kinderen in stand houdt en door de burn-out van de vader, is gemotiveerd betwist en niet nader door de moeder onderbouwd en kan niet leiden tot een ander oordeel.

Het hof hecht tot slot, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, waarde aan het gegeven dat zij allebei al jarenlang te kennen geven dat zij bij de vader willen blijven wonen.

3.9.6.

Op de mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat er, mede dankzij de inspanningen van de kant van de moeder, op korte termijn door de ouders kan worden gestart met het traject parallel ouderschap. Daarbij zal bij zowel de vader als de moeder de focus liggen op de eigen verantwoordelijkheid van ieder als opvoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De rust die dit traject hopelijk bij zowel de kinderen als de ouders (ieder afzonderlijk) brengt, kan ertoe bijdragen dat de kinderen wellicht de behoefte zullen krijgen om (uit zichzelf) meer tijd met de moeder te willen doorbrengen. Op de mondelinge behandeling van het hof is door de vader en de stiefvader aangegeven dat zij hier achter staan.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2019, voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , met ingang van 22 september 2019 tot 22 september 2020 bij de vader;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, H. van Winkel en H.J. Witkamp en is op 2 april 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.