Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:117

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
200.261.539_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. Ontslag op staande voet wegens liegen over contact met huisarts en eerdere incidenten niet rechtsgeldig. Billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0075
AR-Updates.nl 2020-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 16 januari 2020

Zaaknummer : 200.261.539/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7530034 EJ VERZ 19-82

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.N. van Geenen te Venlo,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. J.J.T. Ebisch te Venlo.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 1 april 2019 (hierna: de bestreden beschikking) en de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 januari 2019 (met zaaknummer 7464155 AZ VERZ 19-4) waarbij de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant is verwezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2019;

  • -

    een V6-formulier van [verweerster] met productie 19, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2019;

  • -

    een V6-formulier van [verweerster] met het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 11 maart 2019, ingekomen ter griffie op 17 september 2019;

  • -

    een V6-formulier van [verweerster] met productie 20, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2019;

  • -

    een V6-formulier van [verweerster] met een akte houdende eisvermeerdering en producties 21 en 22, ingekomen ter griffie op 4 november 2019;

  • -

    een V6-formulier van [appellant] met een akte houdende wijziging van eis tevens inbrengen van nadere producties (34-49), ingekomen ter griffie op 6 november 2019;

- de op 14 november 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van Geenen;

- namens [verweerster] de heer [directeur] , directeur, bijgestaan door mr. Ebisch;

- de ter zitting door beide advocaten overgelegde pleitnotities.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1980, is op 1 augustus 2014 bij [verweerster] in dienst getreden als assistent bedrijfsleider. Hij ontving op het laatst een salaris van € 1.773,55 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld.

3.1.2.

Bij brief van 23 april 2018 heeft [appellant] een officiële waarschuwing van [verweerster] ontvangen. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Vandaag ben je niet komen opdagen op je werk. Je stond ingepland voor het afhalen van de vlaaien bij de bakker. (…)

Vanochtend waren onze gasten eerder dan gepland waardoor ze voor een gesloten deur stonden. Deze gasten hebben [verweerster] via bizziphone -het callcenter- gepoogd te bereiken. Jij hebt het zakelijke toestel van [verweerster] dat als eerste gebeld wordt in geval van spoed. Ze kregen daarop geen gehoor. Daarna werd ik ( [naam 1] ) gebeld, als tweede noodnummer op hun lijstje. Ik vond het vreemd dat ze jou niet aan de lijn kregen omdat jij immers de vlaaien zou halen rond diezelfde tijd. Daarna heb ik jou zelf gebeld en een app gestuurd. Hierop kwam ook geen respons. Daarop heb ik de bakker gebeld en gevraagd of de vlaaien al waren afgehaald. Dat was niet gebeurd. Later bereikte in [naam 2] die aangaf een app van jou ontvangen te hebben waarin je aangaf de vlaaien niet te gaan halen. Ik heb de inhoud van deze app inmiddels gezien. Dit alles speelde vanochtend tussen 11 en 12uur. Inmiddels is het bijna 23uur en heb ik nog geen enkele reactie van je gehad (via app, mail of telefoon).

Wij kunnen je enkel meedelen dat [verweerster] jouw werkgever is en niet [naam 2] . Het is niet acceptabel dat jij werk doorschuift naar een oproepkracht van [verweerster] en ons als werkgever niet op de hoogte stelt van je afwezigheid. Daarnaast vinden wij het onacceptabel dat je weer meer dan 12 uur onbereikbaar bent op een dag waarop je werkzaamheden zou verrichten. Aangezien het niet de eerste keer is dat dit gebeurt rest ons niets anders dan jou hiervoor een officiële waarschuwing te geven. Bij herhaling volgen passende maatregelen. (…)

3.1.3.

Op vrijdagochtend 16 november 2018 heeft [appellant] zich telefonisch bij [verweerster] afgemeld voor het werk, omdat hij last had van een ontstoken oog.

3.1.4.

Bij emailbericht van diezelfde dag heeft [verweerster] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van de onduidelijke situatie rondom jouw melding bij de huisarts vanochtend stuur ik jou deze mail. Toen je mij belde om je af te melden voor het werk vanwege een ontstoken oog gaf je aan twee keer gebeld te hebben met de huisarts rond 8u en ook met de HAPS. Je gaf aan niet terecht te kunnen bij je huisarts vandaag (wel maandag). Voor de huisarts was het geen urgent geval volgens jou. (…) Na het zien van de foto per app schrok ik van hoe jouw oog eruit zag en heb ik zelf actie ondernomen om je toch voor het weekend bij een dokter te krijgen. De HAPS is pas vanaf 17u bereikbaar. Daar heb je dus geen contact mee gehad kunnen hebben. De SEH (spoed eisende hulp) die ik heb gebeld had ook geen telefoon van jou gehad. Daarop heb ik jou gevraagd mij het telefoonnummer van je huisarts door te appen.
Toen ik de huisarts belde werd mij verteld door twee assistentes dat er vandaag geen contact met jou was geweest. Dit wordt standaard vastgelegd in hun systeem. Het laatste contact dateert van augustus 2018. Met andere woorden jij zou helemaal niet gebeld hebben met de huisarts?? Toen ik ze verzocht om een consult was dit geen probleem en kon je om 16u alsnog terecht. Dus hoezo, je kon niet terecht voor het weekend?? Van daaruit ben je doorgestuurd naar het ziekenhuis (oogarts) omdat het niet goed was met je oog.
Ik vind dit een ernstige zaak en wil daarom snel opheldering. Eerder heb ik je betrapt op leugens en dat heeft mijn vertrouwen in jou flink beschadigd.
Je gaf aan gebeld te hebben met je prive mobiele telefoon. Ik verwacht een overzicht van de bel-historie van deze telefoon waaruit ik kan controleren of, wanneer en hoe lang jij gebeld hebt met je huisarts (…)”

3.1.5.

[appellant] heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van [verweerster] om een overzicht van zijn belhistorie te verstrekken. Bij e-mailbericht van 19 november 2018 heeft [appellant] als volgt op het e-mailbericht van [verweerster] gereageerd:

“Mijn ziekmelding vrijdagochtend was heel duidelijk, deze werd alleen niet als zodanig geaccepteerd omdat deze jullie privé plannen in de war zou schoppen.
jou telefoontje als werkgever naar mijn huisarts waar jij gesproken hebt over pus die uit het oog stroomde, daar kan ik als werknemer alleen maar op zeggen dat jij daarmee op zeer brute wijze inbreuk hebt gemaakt op de privacy van mij als werknemer en dat dit bovendien op basis van de huidige privacywetgeving absoluut onacceptabel is.
Jij geeft in jou schrijven duidelijk aan dat je mij niet vertrouwd, en volgens mij zou juist vertrouwen de basis moeten zijn om een medewerker in dienst te hebben als bedrijfsleider. Ik ben van mening dat door dit wantrouwen de arbeidsverhoudingen dusdanig verstoord zijn, dat normaal functioneren binnen [verweerster] hierdoor onmogelijk is geworden. Het lijkt mij daarom voor beide partijen het beste de arbeidsovereenkomst zoals die er nu ligt middels een vaststellingsovereenkomst in verband met onoverbrugbare meningsverschillen per 31-12-2018 te beëindigen.”

3.1.6.

Op 19 november 2018 heeft aan het eind van de middag een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en de heer [directeur] van [verweerster] , in aanwezigheid van mevrouw [naam 3] . Tijdens dit gesprek is [appellant] op staande voet ontslagen en heeft hij een brief meegekregen waarin het ontslag op staande voet wordt bevestigd. In deze brief staat het volgende vermeld:

“Afgelopen vrijdag 16 november 2018 heb jij ernstig verwijtbaar gedrag getoond. Ik verwijs naar de mail van vrijdagavond. Dit is niet het eerste incident dat wij met jou hebben gehad. Eerder hebben wij jou o.a. al een waarschuwing per aangetekend schrijven gegeven. De feiten wogen zo zwaar dat wij jou op staande voet wilden ontslaan die vrijdagochtend. Echter wilden wij de feiten nogmaals controleren om zuiver te kunnen handelen. Daarvoor hadden wij jouw medewerking nodig en die kregen we niet. Je kon jezelf eenvoudig vrijpleiten door te laten zien dat je wel degelijk gebeld had met je huisarts. Je reageerde wel op mail en app aangaande andere zaken maar niet op de betreffende mail en app met verzoek tot aanvullende info over het incident van vrijdagochtend.
Vandaag heb ik opnieuw contact opgenomen met jouw huisarts aangaande de vermeende meldingen van vrijdagochtend en is duidelijk geworden dat jij inderdaad ernstig verwijtbaar hebt gehandeld. Met andere woorden, je hebt gelogen over je contact met de huisarts. De arbeidsrelatie is ernstig verstoord. Dit in overweging nemend gaan wij alsnog over tot ontslag op staande voet.”

3.1.7.

Op 19 november 2018 om 20:20 uur heeft [verweerster] nog een e-mail aan [appellant] verzonden. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“Het ontslag is gegeven en je bent het er niet mee eens maar ik vind het belangrijk dat ik hier nog een keer uitleg waarom dit gebeurd, is. Jouw vermeende ziekmelding van vrijdagochtend was helemaal niet duidelijk. (…) Je hebt voortdurend kwaaltjes die geen aanleiding zijn om niet te komen werken. (…) Rond de middag heb ik jou opnieuw gebeld nadat ik de foto van jouw oog op de app had gezien. Ik vond het er best ernstig uitzien, al ben ik slechts dierenarts. Ik heb jou toen gevraagd om het telefoonnummer van jouw huisarts en gezegd dat ik me zorgen maakte en voor je zou gaan bellen. Je hebt me toen het nummer geappt. Je was op de hoogte dat ik ging bellen en hebt op geen enkele manier aangegeven het daar niet mee eens te zijn.
Toen ik ontdekt had dat je volgens de huisartsenpraktijk niet gebeld had en je wel op vrijdag op consult mocht komen heb ik je teruggebeld en geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid. Je bleef volhouden dat je wel gebeld had (twee keer), waarop ik je verzocht om dit te bevestigen middels de telefoonhistorie. (…)

[naam 4] en ik hebben op dat moment (vrijdagmiddag rond 12.15u ) besloten jou op staande voet te ontslaan mocht je niet open en transparant communiceren over je bel geschiedenis.
Door vrijdag geen openheid van zaken te geven heb je de arbeidsrelatie verder verstoord. Het klopt zoals je zegt dat het vertrouwen in jou sterk is afgenomen. Je hebt eerder dit jaar ook een officiële waarschuwing gekregen. Het was nu aan jou om vertrouwen terug te winnen. Je had sowieso de schijn tegen.
Rond 16u ben je met je vader alsnog naar de huisarts gegaan, het consult dat ik voor jou heb kunnen regelen. Toen je rond 16.30u belde gaf je aan door de huisarts doorverwezen te zijn naar de oogarts.
We hebben jou in het kader van zorgvuldigheid tot vandaag de tijd gegeven het tegendeel te bewijzen (per mail en app verzocht).(…)

Vandaag heb ik opnieuw gebeld naar de huisarts en gevraagd of ze zich niet vergist konden hebben. Dit was niet mogelijk omdat elk telefoontje direct wordt geregistreerd in het dossier van de patiënt, dat is protocol. De assistente vermeldde dat oogklachten worden beschouwd als risicovol en er zal aangedrongen worden op een consult. Dus ook daar klopt je verhaal gewoonweg niet. (…)

Vandaag heb ik je gevraagd om 17u de sleutels, telefoon, bankpas en andere materialen in te leveren bij [verweerster] en heb ik een laatste poging gedaan om het op een nette manier op te lossen. Ook die poging mislukte. (…)
Je blijft de assistentes beschuldigen van het feit dat zij de waarheid niet spreken en weigert mee te werken aan een eenvoudige manier om de waarheid boven tafel te krijgen. (…)
Hieruit kan ik enkel maar concluderen dat jouw verhaal niet klopt en dat je vrijdagochtend frauduleus hebt gehandeld tijdens het telefonisch gesprek waarin je aangaf last te hebben van je oog. Dat is ernstig verwijtbaar en daarmee heb je de arbeidsrelatie compleet verstoord. Daarnaast heb je eerder dit jaar al een officiële waarschuwing gehad wegens verwijtbaar gedrag.
Daarom restte mij niets anders dan ontslag op staande voet te geven vandaag om 17uur. [naam 3] was mijn getuige in deze. Je hebt de ontslagbrief van [verweerster] meegekregen.”

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] primair verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerster] te veroordelen hem weer te werk te stellen, op straffe van een dwangsom, met doorbetaling van het loon vanaf 20 november 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Subsidiair heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van:

- een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto;

- de gefixeerde schadevergoeding van € 2.490,06 bruto, te vermeerderen met de
wettelijke rente en de wettelijke verhoging;

- de transitievergoeding van € 2.553,91 bruto;

- een bedrag van € 2.163,69 bruto aan vakantie-uren/overuren, te vermeerderen met de
wettelijke rente en de wettelijke verhoging.

Daarnaast heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en de verzoeken van [verweerster] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en primair verzocht [verweerster] te veroordelen hem weer te werk te stellen op straffe van een dwangsom, met doorbetaling van het loon vanaf 20 november 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Subsidiair heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van:

- een billijke vergoeding van € 44.000,- bruto;

- de gefixeerde schadevergoeding van € 2.490,06 bruto, te vermeerderen met de
wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf 20 september 2018;

- de transitievergoeding van € 2.553,91 bruto.

Daarnaast heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten en te vermeerderen met rente.

In eerste aanleg heeft [appellant] tevens subsidiair verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.163,69 bruto aan vakantie-uren/overuren, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Het hof begrijpt, en ook [verweerster] diende te begrijpen, dat [appellant] dit verzoek in hoger beroep handhaaft, aangezien hij een grief heeft gericht tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van dit verzoek. [verweerster] heeft in haar verweerschrift in hoger beroep ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen dit verzoek.

3.5.

[appellant] heeft na indiening van het verweerschrift zijn verzoek nog gewijzigd. Hij heeft ten eerste het primair verzochte ingetrokken en ten tweede aangegeven het subsidiaire verzoek te willen aanvullen met het verzoek tot betaling van een bedrag van € 2.163,69 bruto aan vakantie-uren/overuren. De eerste eiswijziging betreft een vermindering van het verzoek en is derhalve toelaatbaar. De tweede eiswijziging zal het hof ook in de beoordeling betrekken. Daarbij verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in r.o. 3.4. is overwogen.

3.6.

[verweerster] heeft na indiening van het verweerschrift een akte houdende eisvermeerdering aan het hof toegezonden, waarin zij (primair) verzoekt [appellant] te veroordelen in de reële proceskosten in plaats van in de geliquideerde proceskosten. Nu aan dit verzoek door [verweerster] een schending van artikel 21 Rv ten grondslag wordt gelegd, is er geen sprake van een nieuw zelfstandig verzoek en daarmee ook niet van een vermeerdering van het verzoek dat in beginsel bij verzoek- of verweerschrift dient plaats te vinden. Het hof zal dit verzoek behandelen bij haar beslissing over de proceskosten.

3.7.

[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. De grieven richten zich kort gezegd tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en de afwijzing van de verzoeken van [appellant] tot een vergoeding wegens onregelmatig ontslag, een transitievergoeding, een billijke vergoeding en tot uitbetaling van overuren/vakantie-uren. [appellant] stelt dat hij wel degelijk op 16 november 2018 heeft gebeld naar de huisarts voor het maken van een afspraak en betwist dat hij afspraken niet is nagekomen en/of diverse malen zonder reden of ziekmelding afwezig is geweest. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

dringende reden

3.8.

Artikel 677 lid 1 BW bepaalt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor de werkgever worden als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.9.

[verweerster] heeft [appellant] de reden voor het ontslag medegedeeld in een gesprek op 19 november 2018 en deze bevestigd in de ontslagbrief (rov. 3.1.6.) die [appellant] tijdens het gesprek is overhandigd. [verweerster] geeft in de ontslagbrief als dringende reden dat [appellant] tegen haar heeft gelogen over het contact met de huisarts op 16 november 2018. [appellant] heeft [verweerster] meegedeeld dat hij tweemaal met de huisarts heeft gebeld voor het maken van een afspraak, maar dat hij pas op maandag terecht kon. De huisartsenpraktijk heeft echter tegen de heer [directeur] meermaals aangegeven dat [appellant] op 16 november 2018 niet heeft gebeld. Het hof leidt uit de ontslagbrief af dat dit, in combinatie met eerdere incidenten (waarnaar in de ontslagbrief wordt verwezen), de reden is voor het ontslag op staande voet.

3.10.

Het hof is van oordeel dat [appellant] uit de ontslagbrief heeft moeten begrijpen dat eerdere incidenten mede bepalend waren voor het oordeel van [verweerster] dat ontslag op staande voet op zijn plaats was. Uit de ontslagbrief volgt dat er eerdere incidenten zijn geweest en dat [appellant] hiervoor ook een waarschuwing heeft gekregen. [appellant] heeft tevens moeten begrijpen dat het bij deze eerdere incidenten gaat om ongeoorloofde afwezigheid, onbereikbaarheid en het niet nakomen van de afspraken. Dit volgt uit de waarschuwingsbrief van 23 april 2018 (rov. 3.1.2.), waarnaar in de ontslagbrief wordt verwezen, en uit de overgelegde e-mail- en WhatsApp berichten, waaruit blijkt dat [appellant] hier meermaals op is aangesproken door [verweerster] .

3.11.

Het hof constateert dat de eerdere incidenten voor [verweerster] tot 16 november 2018 geen reden waren om de arbeidsovereenkomst met [appellant] te beëindigen. Voor [verweerster] waren de gebeurtenissen op 16 november 2018 doorslaggevend.

Het hof stelt vast dat [appellant] zich op 16 november 2018 ’s ochtends bij [verweerster] heeft ziekgemeld wegens een ontstoken oog. [verweerster] betwist dat er sprake is van een ziekmelding, maar in haar e-mail van 16 november 2018 (rov. 3.1.4.) staat vermeld dat [appellant] zich heeft afgemeld voor het werk in verband met een ontstoken oog. Dit dient te worden beschouwd als een ziekmelding. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] op 16 november 2018 daadwerkelijk een ontstoken oog had en daardoor arbeidsongeschikt was. Partijen discussiëren over de vraag of [appellant] wel of niet heeft gelogen toen hij [verweerster] vertelde dat hij tweemaal met de huisarts had gebeld voor het maken van een afspraak.

Ook indien zou komen vast te staan dat [appellant] gelogen heeft over het contact met zijn huisarts, is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet betekent dat er sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, ook niet in combinatie met de door [verweerster] gestelde eerdere incidenten. Indien de leugen zou komen vast te staan, heeft [appellant] niet gelogen over zijn gezondheidssituatie. Van ongeoorloofde afwezigheid danwel onbereikbaarheid, waarop de waarschuwing en de eerdere gestelde incidenten zagen, was derhalve geen sprake. Voor zover hij heeft geprobeerd zijn genezing te vertragen door niet te bellen met zijn huisarts en daarover te liegen, had dit opgelost dienen te worden met een loonopschorting. Het enkele feit dat [appellant] in dat geval tegen zijn werkgever gelogen heeft, is weliswaar verwijtbaar, maar rechtvaardigt in de gegeven omstandigheden geen onmiddellijke verbreking van het dienstverband. Daarbij acht het hof van belang dat de gestelde leugen niet zag op een onterechte ziekmelding, maar op het al dan niet consulteren van de huisarts door [appellant] en evenmin direct verband hield met zijn werkzaamheden. Er lijkt veeleer sprake te zijn geweest van een al eerder, in de loop der tijd ontstane verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen. Dit wordt bevestigd door de mail van [appellant] van 19 november 2018 (rov. 3.1.5.) waarin hij meldt dat de arbeidsverhouding dusdanig verstoord is dat normaal functioneren onmogelijk is geworden en de mail van [verweerster] van 19 november 2018 (rov. 3.1.6.) waarin eveneens staat dat de arbeidsrelatie ernstig is verstoord.
Bij een en ander neemt het hof voorts in aanmerking dat de werkgever na een ziekmelding van de werknemer in het algemeen een arbo-arts dient in te schakelen. Dat [verweerster] in deze zaak contact heeft opgenomen met de huisarts is weliswaar begrijpelijk, maar bedacht dient te worden dat de contacten tussen werknemer en diens huisarts uitsluitend in het domein van de werknemer en niet in het domein van de werkgever liggen.

3.12.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek van [appellant] tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft afgewezen.

vergoeding wegens onregelmatige opzegging

3.13.

[appellant] heeft een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verzocht ter hoogte van
€ 2.490,06. Het hof leidt uit de processtukken af dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat partijen daar ook vanuit gaan. In dat geval is artikel 7:672 lid 10 BW van toepassing. Het hof stelt vast dat [appellant] het verzoek heeft ingediend bij de kantonrechter op 14 januari 2019, derhalve binnen de vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Ingevolge artikel 7:672 lid 10 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Aangezien [verweerster] de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, terwijl een dringende reden ontbrak, is [verweerster] op grond van artikel 7:672 lid 10 BW aan [appellant] een vergoeding verschuldigd. Nu [verweerster] de hoogte van de door [appellant] verzocht vergoeding niet heeft betwist, zal het hof het bedrag ad
€ 2.490,06 toewijzen. [appellant] heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging vanaf 20 november 2018. De wettelijke verhoging is niet toewijsbaar, aangezien een vergoeding wegens onregelmatige opzegging geen loon is in de zin van artikel 7:625 BW. [verweerster] heeft geen specifiek verweer gevoerd ten aanzien van de verzochte wettelijke rente. Het hof zal dit verzoek derhalve toewijzen.

transitievergoeding

3.14.

[appellant] heeft een transitievergoeding verzocht ter hoogte van € 2.553,91 bruto.
Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] . [verweerster] heeft verder geen verweer gevoerd met betrekking tot de verschuldigdheid of de hoogte van de transitievergoeding. Het hof zal de door [appellant] verzochte transitievergoeding derhalve toewijzen.

billijke vergoeding

3.15.

[appellant] heeft een grief gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek tot een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW. Hij heeft dit verzoek in hoger beroep vermeerderd tot een bedrag van € 44.000,- bruto. Daarnaast kan het hof ambtshalve een billijke vergoeding toekennen op grond van artikel 7:683 lid 3 BW. Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en [appellant] in hoger beroep geen herstel van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht, is de rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van beide wetsartikelen gegeven. Uiteraard heeft [appellant] recht op maar één billijke vergoeding. Voor de hoogte van het bedrag maakt het in dit geval geen verschil dat de billijke vergoeding zowel op grond van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW als op grond van artikel 7:683 lid 3 BW toewijsbaar is.

Het hof zal voor de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding aansluiting zoeken bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187 New Hairstyle).

3.16.

[verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] met onmiddellijke ingang opgezegd zonder dat zij daarvoor een dringende reden had. Daarmee staat vast dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [appellant] is ten onrechte geconfronteerd met de situatie dat hij van de ene op de andere dag zijn arbeidsovereenkomst en daarmee zijn loon heeft verloren.
voert aan dat [verweerster] tevens ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij met betrekking tot de door haar gestelde eerdere incidenten een verkeerd beeld heeft geschetst van de gebeurtenissen en daarmee moedwillig heeft getracht de kantonrechter op het verkeerde been te zetten. Voorts heeft [verweerster] volgens [appellant] op ernstige wijze zijn privacy geschonden door zonder medeweten of toestemming van [appellant] contact op te nemen met de huisarts van [appellant] .
Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerster] de kantonrechter opzettelijk verkeerd heeft voorgelicht. Voorts heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een schending van zijn privacy, aangezien uit de overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat [appellant] zelf het telefoonnummer van de huisarts aan [verweerster] heeft doorgegeven.

Met betrekking tot de waarde van de arbeidsovereenkomst overweegt het hof als volgt. Als de opzegging van de arbeidsovereenkomst zou zijn vernietigd of de arbeidsovereenkomst zou zijn hersteld, zou [appellant] een loon hebben ontvangen van € 1.915,43 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. Het hof acht aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou zijn ontbonden op grond van verwijtbaar handelen (e-grond) en/of een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Dat laatste volgt reeds uit het feit dat [appellant] blijkens zijn e-mail van 19 november 2018 aan [verweerster] zelf ook een einde van de arbeidsovereenkomst wenste vanwege de verstoorde arbeidsverhoudingen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] vanwege zijn ontstoken oog van korte duur is geweest en daarna geen opzegverbod wegens ziekte gold. De arbeidsovereenkomst had derhalve nog maar een beperkte waarde.

[appellant] voert aan dat hij vanaf 19 november 2018 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering. [appellant] heeft niet toegelicht of hij een aanvraag voor een WW-uitkering heeft gedaan en zo ja waarom deze is afgewezen en of hij bezwaar heeft gemaakt. Voorts heeft het hof nu geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij in dat geval niet alsnog aanspraak kan maken op een WW-uitkering. [appellant] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat hij niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering en dat dit een directe relatie heeft met het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

Het hof houdt bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding voorts rekening met de relatief korte duur van het dienstverband van [appellant] en het feit dat hij een vergoeding ter compensatie van de loonderving ontvangt wegens onregelmatige opzegging van € 2.490,96 bruto en een transitievergoeding van € 2.553,91 bruto.
Gelet op alle omstandigheden acht het hof een billijke vergoeding van € 4.000,- bruto passend. [verweerster] heeft onvoldoende onderbouwd dat betaling van een dergelijk bedrag tot ernstige financiële problemen bij haar zou leiden. Het enkele feit dat [verweerster] in de jaren 2015 tot en met 2018 verlies heeft geleden is daarvoor onvoldoende.

overuren/vakantie-uren

3.17.

[appellant] heeft verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.163,69 bruto ter zake van overuren en vakantie-uren. Hij stelt dat hij nog recht heeft op uitbetaling van 49,8 overuren en 151,1 verlofuren.
Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij naast zijn loon recht heeft op uitbetaling van overuren.
Met betrekking tot het verzoek tot uitbetaling van vakantie-uren overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft als productie 16A bij het verzoekschrift eerste aanleg een berekening van de openstaande vakantie-uren overgelegd. Volgens hem heeft hij over 2016 nog 28,6 uur tegoed, over 2017 38 uur en over 2018 tot datum einde dienstverband (19 november 2018) 84,5 uur. In totaal gaat het om 151,1 vakantie-uren. [verweerster] heeft als reactie een urenoverzicht overgelegd, waaruit volgens haar volgt dat het saldo vakantie-uren 55 uur bedraagt. Dit overzicht begint echter per 1 augustus 2018 en er worden niet alleen opgenomen vakantiedagen in mindering gebracht op het saldo vakantie-uren, maar ook uren die [appellant] volgens [verweerster] te weinig gewerkt heeft, zoals de heer [directeur] tijdens de zitting heeft verklaard en hetgeen [appellant] heeft betwist. Het is aan de werkgever om een goede administratie van de vakantie-uren bij te houden. Nu [verweerster] geen correct en volledig overzicht heeft overgelegd van de vakantie-uren in de jaren 2016 tot en met 2018, heeft [verweerster] de berekening van [appellant] onvoldoende betwist. [verweerster] heeft derhalve nog recht op uitbetaling van 151,1 vakantie-uren. Tussen partijen is niet in geschil dat het uurtarief van [appellant] € 10,77 bedraagt. Het hof zal derhalve een bedrag van € 1.627,35 toewijzen. De door [appellant] verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 18 november 2018 over dit bedrag zijn eveneens toewijsbaar, nu [verweerster] hier geen specifiek verweer tegen heeft gevoerd.

3.18.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. Het hof zal [verweerster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om op grond van artikel 21 Rv de proceskosten geheel of gedeeltelijk voor rekening van [appellant] te brengen dan wel om [appellant] in de reële proceskosten van [verweerster] te veroordelen, nu de vraag of [appellant] gelogen heeft over het contact met zijn huisarts niet bepalend is gebleken voor de uitkomst van deze procedure.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [verweerster] om aan [appellant] te betalen:

  • -

    een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.490,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018;

  • -

    een transitievergoeding van € 2.553,91 bruto;

  • -

    een billijke vergoeding van € 4.000,- bruto;

  • -

    een bedrag van € 1.627,35 bruto ter zake van niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf 20 november 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2018 over het bedrag ad € 1.627,35 bruto en de wettelijke verhoging;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 81,- aan griffierecht en op € 720,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 324,- aan griffierecht en op € 3.918,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Bervoets, P.P.M. Rousseau en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2020.