Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1169

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
20-001059-18; 01-251384-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van winkeldiefstal in vereniging tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001059-18

Uitspraak : 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 22 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-251384-17 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland]op [geboortedatum] 1987,

laatst opgegeven adres volgens de SKDB: [woonplaats] [land], [adres], maar volgens eigen opgave ter terechtzitting thans wonende

aan de [adres] te [woonplaats] [land].

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen

en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde feit zal bewezen verklaren en de verdachte te dier zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden

waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair -voor het geval het hof toch tot een bewezenverklaring zou komen- bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een taakstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de eerste rechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 4 november 2016 te Veldhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 10, althans 1 of meerdere stuks parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 4 november 2016 te Veldhoven tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 10 stuks parfum, toebehorende aan [bedrijf 1] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-1, d.d. 5 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 10-12 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de aangeefster [aangeefster]:

Ik ben namens de benadeelde [bedrijf 1] te Veldhoven gerechtigd tot het doen van aangifte.

Op 4 november 2016, vlak voor sluitingstijd, kwamen twee meiden samen binnen en één kwam twintig seconden later binnen. Zij waren alle drie ongeveer 20 jaar oud. Dit was omstreeks 20.30 uur.

Ik ben werkzaam bij [bedrijf 1] . Ze hadden alle drie een Antilliaans uiterlijk, twee waren heel slank en één was duidelijk veel steviger. De twee slanke dames kwamen samen binnen. De twee slanke dames hadden ieder een zandkleurige gehaakte tas bij zich met een rits bovenin. Een van de twee slanke dames had een half lange legergroene jas aan.

De twee slanke dames toonden opvallend gedrag en ik ben er toen op af gegaan. Ze zeiden dat ze alleen wilden kijken. Omdat ik ze niet vertrouwde ben ik er vervolgens bij gaan staan. Ze stelden een domme vraag over de parfum. Direct hierna kwam de stevige dame mij een vraag stellen en heb ik haar geholpen. Toen ging ik bewust naar achteren om een spatel voor haar te halen en toen heb ik [voornaam] gebeld. [voornaam] is de beveiliger van het Citycentrum. Terwijl ik belde zijn de slanke dames de winkel uitgegaan, de stevige dame was nog in de winkel. [voornaam] stond inmiddels al voor de winkel toen de stevige dame de winkel verliet en [voornaam] heeft haar gevolgd tot aan de roltrappen in de winkelpassage. Inmiddels was de voorraad geteld door een andere medewerkster en wisten we zeker dat er diefstal was gepleegd. Ik ben snel naar [voornaam] toe gegaan om te zeggen dat het een echte diefstal was. [voornaam] en ik hadden steeds zicht op de stevige dame. Wij hebben haar gevolgd tot in de parkeergarage. [voornaam] belde ondertussen 112 toen we achter haar aan gingen. Ik zag dat deze stevige dame links achter in een blauwe Peugeot 308 stapte. Ik zag dat de eerder genoemde twee slanke dames al voor in deze auto zaten als waar de stevige dame instapte. De dame met de groene jas zat aan het stuur. Ik zag toen wij vlak bij de auto kwamen dat beide voorportieren open gingen, dat beide slanke dames eruit stapten en wegrenden. Ze renden weg, de parkeergarage uit. De stevige dame kon niet snel genoeg de auto uit komen. Ze stapte in ons bijzijn uit de auto en bleef wat rondlopen. [voornaam] heeft toen tegen haar gezegd dat ze aangehouden was.

Op een gegeven moment rende ze toch weg. Ik was sneller dan haar en ik ging er voor staan. [voornaam] kwam iets na mij bij haar aan en hij pakte haar vast. Ik heb haar toen ook vastgepakt.

Deze stevige dame rende weer weg in de richting van parkeerplaats Bree. Bij de achterkant van de huizen aan de Veken had [voornaam] haar weer te pakken. Ik kwam er toen ook weer bij. Ik hoorde deze stevige dame zeggen dat ze het opgaf en mee terug zou gaan. Ze is toen mee terug gelopen naar de auto. Toen kwam de politie en die hebben haar overgenomen. Samen met de politie heb ik in de tassen gekeken. Deze waren geprepareerd zag ik. In de twee tassen zaten de volgende weggenomen goederen ter waarde van ongeveer 800 a 900 euro. Alle waren grote verpakkingen.

  • -

    Chanel Eau Tendre 2x;

  • -

    Coco Chanel twist en spray;

  • -

    Yves Saint Laurent Monparis;

  • -

    Dior Miss Dior 2x;

  • -

    Dior Hypnotic Poison;

  • -

    Dior Pure Poison;

  • -

    YSL Manifesto;

  • -

    Dior Poison Girl.

Deze dames hadden dit heel duidelijk gepland, dit was geen gelegenheidsdiefstal. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-4, d.d. 4 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3]en [verbalisant 4], beiden hoofdagent van politie (p. 19-21 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op 4 november 2016, omstreeks 20.45 uur, waren wij, verbalisanten, belast met directe hulpverlening en handhaving in de gemeente Veldhoven. Wij hoorden dat de voornoemde meldkamercentralist ons portofonisch verzocht te gaan naar de parkeerplaats aan de Bree onder de Citypassage.

Op 4 november 2016, omstreeks 20.50 uur, waren wij ter plaatse aan de voornoemde parkeerplaats en troffen aldaar een blauwkleurige Peugeot 307 voorzien van het kenteken [kenteken]. Wij zagen dat bij deze auto een vrouwpersoon stond gekleed in kleding van Parfumerie [bedrijf 1] . Wij zagen dat bij deze vrouw een manspersoon stond gekleed in het uniform van [bedrijfsnaam] beveiliging.

Vervolgens zagen wij dat in de voornoemde personenauto een vrouw zat die zich later identificeerde als zijnde verdachte [medeverdachte]

Op vrijdag 4 november 2016, omstreeks 20.55 uur, deelde ik, verbalisant [verbalisant 3], de verdachte mede dat ze is aangehouden op verdenking van medeplegen aan diefstal.

Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 4], het voertuig doorzocht zoals genoemd in artikel 96b lid 1 Wetboek van Strafvordering. Ik trof in de personenauto een tweetal geprepareerde tassen aan met hierin meerdere parfums. Ik zag dat deze tassen op de achterbank lagen en ik zag dat er diverse parfums in de tas zaten en dat er nog een paar onder de voorstoel van de auto lagen.

Ik, verbalisant [verbalisant 4], zag in de personenauto een wit kleurige Samsung (het hof begrijpt: een mobiele telefoon) liggen met een kapot scherm, mogelijk eigendom van een van de andere verdachten. Ik, verbalisant, [verbalisant 4], nam hierop deze telefoon in beslag.

Ik verbalisant [verbalisant 3] kreeg van de medewerkster van de [bedrijf 1] een telefoon overgedragen waarvan de verdachte direct aangaf dat deze telefoon van haar was. Ik, verbalisant [verbalisant 3], heb de mobiele telefoon van verdachte in beslag genomen.

Verdachte : [voornamen][medeverdachte] , geboren op 19 juni 1985 te Villa Vasquez in Dominicaanse Republiek.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-11, d.d. 6 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie (p. 26-28 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op zondag 6 november 2016 te 08:45 uur onderzocht ik, verbalisant [verbalisant 5], de mobiele telefoon van de verdachte [voornamen][medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 te [stad] in [land].

Genoemde telefoon was onder haar in beslag genomen. Verdachte [medeverdachte] verklaarde dat deze telefoon haar eigendom was. Ze opende de telefoon voor het onderzoeksteam.

ALGEMEEN BEELD GESPREKKEN:

Uit de whats'app gesprekken en foto's bleek dat de verdachte [medeverdachte] op bestelling goederen gaat stelen. Bij haar kan je kleding en parfum kopen. De klant betaalt bij [medeverdachte] 50% van de winkelwaarde. Zij bezoeken voornamelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 3] winkels omdat het alarm daar makkelijk te omzeilen is. Zij had minimaal 8 klanten in what's app gegevens staan. Er waren lijsten met bestellingen zichtbaar. Enkele foto's van bestellingen zijn gevoegd bij dit proces-verbaal van bevindingen.

CONTACT 3 [voornaam verdachte]: Op vrijdag 4 november 2016 te 07:24 uur heeft verdachte [medeverdachte] contact met een persoon die opgeslagen staat in de contactpersonenlijst onder de naam [voornaam verdachte]. Zij maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer].

[voornaam verdachte]: Maak j niet druk ik zet jullie wel maar wordt wel laat. Want we gaan toch werken.

[medeverdachte] : Ja we moeten werke.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een screenshot van de telefoon van de medeverdachte [voorletters] [medeverdachte] , inhoudende een lijst met bestellingen via WhatsApp, d.d. 3 november 2016, gevoegd als bijlage aan het onder 3. genoemde proces-verbaal, (p. 29 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

3 november 2016

1. alien

1. ysl Mon Paris

1. alien

1. gucci bamboo 100 ml

Sii

Gucci bamboo 50ml

Valentino 30 ml

Alien

1. gucci bamboo

2 sii

1. Ysl mon paris

1. gucci bamboo 100 ml

1. gucci bamboo 50 ml

2 ysl manifester

1. armani code

1. givenchy dahlia divin

(het hof begrijpt: allerlei dure merken en types parfum)

5. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-16, d.d. 8 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie (p. 48-49 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 7 november 2016 onderzocht ik een in beslag genomen mobiele telefoon. Deze telefoon werd aangetroffen in een auto waarin twee winkeldieven zaten. De winkeldieven waren uit het voertuig gevlucht. Vermoedelijk had één van hen haar telefoon in het voertuig laten liggen.

Ik onderzocht de bestanden op de telefoon en zag dat de mailbox op het toestel ingesteld stond op het volgende email adres: [voornaam verdachte]_[verdachte]@hotmail.com en [derde voornaam verdachte + cijfers]@gmail.com

De opgeslagen inloggegevens van de gebruiker van de telefoon bij de firma Essent betrof: "[voorletters][verdachte]"

Zichtbaar was dat ze een what's app account had aangemaakt voor het telefoonnummer [telefoonnummer]. Aan dit account was het emailadres [derde voornaam verdachte + cijfers]@gmail.com gekoppeld, haar profielnaam betrof: "[bijnaam]".

Tijdens een what's app gesprek dat ze voerde op 25 oktober 2016 met " [naam] " maakt "[bijnaam]" zich bekend als zijnde [naam]. Vermoedelijk betreft dit een type-fout en bedoelde ze [voornaam verdachte].

Raadpleging in de politie systemen op de naam [voorletters] [verdachte] leidde naar de volgende

persoon:

Naam: [verdachte].

Voornamen: [voornaam verdachte] [voornaam 2 verdachte en voornaam 3 verdachte].

Geboren: [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland].

In het politiesysteem stond een foto van genoemde [verdachte].

Ik, verbalisant, zag dat in de telefoon enkele foto's stonden van een negroïde vrouw.

Ik, verbalisant [verbalisant 5], herken de vrouw op de foto's van de telefoon voor 100% als dezelfde persoon die afgedeeld staat op de foto's in het politiesysteem onder de naam [verdachte].

Gelet op het bovenstaande is de gebruiker van de telefoon met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, genoemde [verdachte].

6. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-10, d.d. 5 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , beiden hoofdagent van politie (p. 74-77 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] :

Op 4 november 2016 werd ik rond 19.00 uur door twee bekenden van mij gevraagd of ik met hen mee wilde gaan. Dat zijn [alias verdachte] en de andere heet [medeverdachte 2]. Zij komen uit Amsterdam. Zij hebben een Surinaamse of Afrikaanse afkomst.

Met [alias verdachte] heb ik telefonisch contact gehad. [alias verdachte] en [medeverdachte 2] zijn vriendinnen van elkaar. Ik vermoedde al langer dat [alias verdachte] en [medeverdachte 2] diefstallen plegen.

Ze wilden ditmaal naar een parfumerie gaan. Ik vermoedde dat we parfum gingen stelen. Ik besloot met hen mee te gaan.

Ik leende de auto van mijn zus. Het was een Peugeot 307, blauw van kleur. We gingen op pad en onderweg hoorde ik van mijn kennissen dat ik een geldbedrag zou krijgen als de 'buit' verkocht zou zijn. Ik schat dat ik 200 euro zou krijgen van hen.

[alias verdachte] heeft de helft van de heenweg naar Veldhoven gereden. [medeverdachte 2] heeft de tweede helft van de heenweg gereden. Zij vertelden mij dat ze de weg wisten.

Wij parkeerden het voertuig in de parkeergarage. Dit was precies onder de city passage. [alias verdachte] en [medeverdachte 2] liepen afzonderlijk van mij de city passage in. Ze zeiden tegen mij dat zij voorop zouden gaan. Ik zou daarna de [bedrijf 1] inlopen en een gesprek met de winkelmedewerker aangaan. Zij hadden dan de tijd om spullen weg te nemen. Toen ik in de [bedrijf 1] kwam, zag ik dat [alias verdachte] en [medeverdachte 2] al in de [bedrijf 1] waren. Ik heb enige tijd door de winkel gelopen en toen heb ik een medewerkster om advies gevraagd. Het was niet mijn bedoeling om iets te kopen. Het enige doel waarmee ik de vrouw aansprak was om haar af te leiden. De vrouw stelde voor een monster voor mij te halen.

Voordat ik het wist waren [alias verdachte] en [medeverdachte 2] weg. Ik zag op dat moment een beveiliger voor de winkel staan. Ik ben toen gegaan. Ik wilde naar de auto toe. Ik liep naar de auto en zag en voelde dat de beveiliger en de winkelmedewerker achter mij aan liepen.

Ik liep steeds sneller en bij de auto gekomen zag ik dat [alias verdachte] en [medeverdachte 2] al in de auto zaten. Ik stapte achter in de auto. Ik toen zag een hoop parfums in de auto liggen. Vrijwel direct zag ik dat [alias verdachte] en [medeverdachte 2] uitstapten en wegrenden. De tassen en de parfum bleven in de auto achter.

De beveiliger en de vrouw van [bedrijf 1] kwamen bij mij staan en zeiden dat ze de politie gingen bellen.

Ik begrijp dat er twee telefoons inbeslaggenomen zijn. De goudkleurige Samsung S6 is van mij. De andere telefoon is niet van mij. Die moet van [alias verdachte] of [medeverdachte 2] zijn.

Ik wist dat we spullen gingen stelen. Ik wist wat de rolverdeling was. Ik heb me aan mijn rol gehouden.

7. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-12, d.d. 6 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , beiden hoofdagent van politie (p. 78-81 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] :

Ik onderhoud contact met [alias verdachte] en ik onderhoud dan weer contact met klanten met mijn telefoon. Ik neem de bestellingen aan en geef dat door aan [alias verdachte] . [alias verdachte] gaat dan op pad om de spullen te gaan stelen. [alias verdachte] geeft mij ook door wat zij gestolen heeft. Ik ga dan de spullen die gestolen zijn weer afleveren aan de klanten. De prijzen worden berekend als de helft van de winkelwaarde. [alias verdachte] steelt voornamelijk kleding. Deze keer was het toevallig parfum. Ik krijg 10 procent van alle verkochte spullen. Sinds juni 2016 is dit begonnen.

U toont mij een Whatsapp gesprek op mijn telefoon. Daarin staat een lijst met diverse parfums. U vraagt mij wie deze lijst verstuurd heeft. Dit heeft [alias verdachte] gedaan.

Noot verbalisant: Verdachte toont mij een whatsapp contact en contact waarmee [alias verdachte] contact heeft met verdachte. De naam die gebruikt wordt bij dit contact is [voornaam verdachte] [telefoonnummer].

U vertelt mij dat [alias verdachte] eigenlijk [voornaam verdachte] heet. Ik kan u zeggen dat ik eigenlijk ook al twijfels had of [alias verdachte] ook haar echte naam was. Met name omdat zij dus Whatsappt met de naam [voornaam verdachte].

8. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-17, d.d. 8 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie (p. 82-83 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de medeverdachte

[medeverdachte]:

U toont mij enkele foto's die u aantrof in de telefoon die in de auto van mijn zus werd "achtergelaten" door mijn mededader. De vrouw op de foto's herken ik als zijnde "[alias verdachte] ”.

[voornaam verdachte] had namelijk altijd geld nodig. Ging het bij mij niet snel genoeg, dan ging ze naar iemand anders met de kleding. U vraagt mij waarom ze zoveel geld nodig heeft. Ik denk dat ze geen inkomen heeft. Ze doet de hele dag niets anders als stelen.

Soms zie ik haar twee dagen niet. Dan komt ze en zegt ze dat ze gaat "werken" Met werken bedoelde ze dan vermoedelijk stelen.

9. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam De Kempen, nr. PL2100-2016245309-20, d.d. 13 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door M.H.J. van der Burgt en M.M.F. van Mensvoort, beiden hoofdagent van politie (p. 100-103 van het proces-verbaal met registratienr. PL2100-2016245309), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de verdachte:

V: Ken jij [voornaam medeverdachte][medeverdachte] ?

A: Ja die ken ik.

A: Ik ben in het verleden wel eens met haar mee gegaan.

10. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2019, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

De aangetroffen witte Samsung telefoon is van mij. Ik ben dan ook degene op de foto’s in de telefoon en de berichten zijn ook aan mij gericht. Het klopt dat ik op 4 november 2016 in de auto heb gezeten.

Ik sta als [voornaam verdachte] in de telefoon van P. [medeverdachte] maar zij noemt mij ook [alias verdachte] .

Ik nam bestellingen op en zou op bestelling kleding stelen. Wij gingen samen op pad, maar [medeverdachte] had haar eigen klanten en ik had mijn eigen klanten.

Op 4 november 2016 wilden wij wel gaan werken.

Ik heet [voornaam verdachte] en ik gebruik de naam [bijnaam] bij WhatsApp.

11. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2020, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik ben op 4 november 2016 met onder andere [medeverdachte] vertrokken vanuit Amsterdam in een blauwe Peugeot richting Valkenswaard. [voornaam medeverdachte] had de auto geregeld. De auto stond op naam van haar zusje.

Het klopt dat ik in het verleden met geprepareerde tassen heb gewerkt. Met ‘werken’ wordt echt wel stelen bedoeld.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de door getuige [medeverdachte] afgelegde belastende verklaringen over het daderschap van verdachte dermate onbetrouwbaar zijn dat zij als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven. Bovendien heeft deze getuige nadien tegenover de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep onder ede verklaard dat haar verklaringen bij de politie over het daderschap van verdachte niet kloppen en heeft zij verklaard dat de verdachte niets te maken heeft gehad met de diefstal bij [bedrijf 1] . De zich in het dossier bevindende WhatsApp-berichten waarin kennelijk wordt gesproken over het stelen van goederen op bestelling zijn ook niet tot de verdachte te herleiden en het enkele feit dat de telefoon van verdachte is aangetroffen in de door de daders gebruikte personenauto is onvoldoende om tot bewezenverklaring te kunnen komen.

Het hof overweegt als volgt.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging vindt zijn rechtstreekse weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan de betrouwbaarheid van die van de lezing van verdachte afwijkende bewijsmiddelen te twijfelen.

De medeverdachte [medeverdachte], die naar aanleiding van de ten laste gelegde diefstal ter plaatse op heterdaad is aangehouden, heeft op verschillende momenten in de strafprocedure een verklaring afgelegd. Op de eerste plaats heeft zij bij gelegenheid van het opsporingsonderzoek tegenover de politie als verdachte drie verklaringen afgelegd, te weten: op respectievelijk 5 november 2016, 6 november 2016 en 8 november 2016, welke verklaringen er in het kort op neerkomen dat:

  • -

    zij de onderhavige diefstal samen met ‘[alias verdachte] ’ en ‘[medeverdachte 2]’ heeft gepleegd waarbij tevoren was afgesproken dat zij een gesprek zou aangaan met de winkelmedewerker, zodat zij, ‘[alias verdachte] ’ en ‘[medeverdachte 2]”, tijd zouden hebben om spullen weg te nemen;

  • -

    zij sinds juni 2016 via haar telefoon bestellingen aanneemt en die doorgeeft aan [alias verdachte], die dan vervolgens op pad gaat om de spullen te stelen;

  • -

    [alias verdachte] vervolgens aan haar doorgeeft wat zij gestolen heeft;

  • -

    zij dan de spullen die gestolen zijn weer gaat afleveren aan de klanten, die de helft van de winkelwaarde van de gestolen spullen betalen;

  • -

    [alias verdachte] voornamelijk kleding steelt maar dat het deze keer toevallig parfum was;

  • -

    zijzelf 10 procent van de verkoop van alle verkochte spullen krijgt.

  • -

    zij twijfelt of ‘[alias verdachte] ’ wel haar echte naam is, omdat ‘[alias verdachte] ’ whatsappt met de naam [voornaam verdachte] ;

  • -

    zij de persoon op foto’s waarop de verdachte staat afgebeeld, afkomstig uit de door verdachte in de auto achtergelaten telefoon, herkent als ‘[alias verdachte]’.

Medeverdachte [medeverdachte] is vervolgens op 29 januari 2019 als getuige door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof gehoord. Bij die gelegenheid heeft zij haar eerdere verklaringen bij de politie ingetrokken door te verklaren dat ‘[alias verdachte]’ niet bij voormelde diefstal aanwezig was en dat haar twee mededaders ‘[voornaam 4]’ en ‘[voornaam 5]’ zijn genaamd. Voorts heeft zij daarbij verklaard dat zij met ‘[alias verdachte]’ ‘[voornaam verdachte] [achternaam verdachte]’, oftewel de verdachte, bedoelt.

Bij gelegenheid van haar verhoor door de politie op 30 januari 2019 heeft medeverdachte [medeverdachte], gehoord als verdachte van meineed, haar tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring bevestigd.

Het hof heeft medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting van 11 maart 2020 opnieuw als getuige gehoord. Bij die gelegenheid heeft zij een derde versie van het gebeuren naar voren gebracht, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat zij de onderhavige diefstal weliswaar heeft gepleegd samen met ‘[alias verdachte]’ en ‘[medeverdachte 2]’, maar dat ‘[alias verdachte]’ niet de verdachte is, maar de persoon die zij eerder ‘[voornaam 4]’ heeft genoemd.

Het hof ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag van welke verklaringen van de getuige [medeverdachte] moet worden uitgegaan. Het hof kiest voor de verklaringen die zij bij de politie heeft afgelegd als verdachte van het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal. Zoals gezegd, heeft [medeverdachte] op drie verschillende momenten kort na de diefstal bij de politie als (mede)verdachte een bekennende verklaring afgelegd over die diefstal en haar contacten (in de voorafgaande periode) met één van haar medeverdachten. Zo heeft de getuige op 5 november 2016 – nadat zij voorafgaand aan het verhoor als verdachte contact heeft gehad met een advocaat – een gedetailleerde verklaring afgelegd over het ten laste gelegde en haar rol in het kader van de met de medeverdachten afgesproken uitvoering van het delict. Bij gelegenheid van haar verhoor als verdachte op 6 november 2016 heeft de getuige niet naar voren gebracht dat haar een dag eerder afgelegde verklaring niet de waarheid betreft. De getuige heeft dat bij gelegenheid van haar verhoor als verdachte op 8 november 2016 – nadat zij voorafgaand aan het verhoor wederom een advocaat had gesproken – evenmin gedaan. De getuige heeft als verdachte noch op 6 november 2016 noch op 8 november 2016 naar voren gebracht dat zij uit angst, verwardheid of vanwege de omstandigheid dat zij naar huis wilde (reeds eerder) een verklaring heeft afgelegd die in strijd is met de waarheid. Het hof houdt de getuige derhalve aan de verklaringen die zij bij de politie als (mede)verdachte heeft afgelegd en schuift de verklaring die zij als getuige bij de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als ongeloofwaardig terzijde. Daarbij heeft het hof ook gelet op het feit dat de verklaringen van de getuige als verdachte bij de politie, - anders dan die later door haar zijn afgelegd- , gedetailleerd en consistent zijn, authentiek en spontaan overkomen, zij zichzelf daarin ook nadrukkelijk belast en dat die verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het hof overweegt verder als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 19 juni 2019 verklaard dat zij als ‘[voornaam verdachte]’ in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] staat en dat deze haar ook ‘[alias verdachte]’ noemt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat:

  • -

    de verdachte op 4 november 2016, kort voorafgaand aan de onderhavige diefstal, aan medeverdachte [medeverdachte] een WhatsApp-bericht heeft verzonden, inhoudende: “Maak je niet druk ik zet jullie wel maar wordt wel laat. Want we gaan toch werken.”;

  • -

    de verdachte ter terechtzitting van het hof van 11 maart 2020 heeft verklaard dat met ‘werken’ echt wel ‘stelen’ wordt bedoeld;

  • -

    de telefoon van de verdachte is aangetroffen in de personenauto die bij de onderhavige diefstal door de drie daders is gebruikt.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden staat voor het hof buiten iedere twijfel vast dat de verdachte en de door medeverdachte [medeverdachte] bij gelegenheid van haar eerste politieverhoren genoemde mededader ‘[alias verdachte]’ en verdachte één en dezelfde persoon zijn en dat beiden zich in vereniging met de andere (derde) medeverdachte aan de ten laste gelegde diefstal hebben schuldig gemaakt. Dat sprake is van medeplegen vloeit rechtstreeks voort uit de bewijsmiddelen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

II.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het hier gaat om het plegen van een brutale en professionele winkeldiefstal in vereniging, waarbij de weggenomen producten klaarblijkelijk tevoren bij de medeverdachte [medeverdachte] waren besteld;

  • -

    de omstandigheid dat door een dergelijk feit in het algemeen schade teweeg wordt gebracht aan het betrokken winkelbedrijf en overlast en ergernis wordt veroorzaakt aan de gedupeerde;

  • -

    de omstandigheid dat ook de maatschappij als geheel schade ondervindt van winkeldiefstallen als de onderhavige, doordat de schade die door dergelijke feiten wordt veroorzaakt uiteindelijk wordt doorberekend in de consumentenprijzen van producten en doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door de consumenten worden betaald.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2020, waaruit blijkt dat zij voorafgaand aan het bewezen verklaarde reeds vele keren door de Nederlandse en Belgische strafrechter onherroepelijk ter zake van soortgelijke winkeldiefstallen is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het haar betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Advies- & Toezichtunit 3 Zuid, d.d. 12 juni 2018, opgemaakt door mevr. [naam], onder meer inhoudende de conclusie dat de reclassering het recidiverisico inschat als hoog;

  • -

    de omstandigheid dat zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend zich opnieuw schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal in vereniging, te weten: op 6 februari 2020 te Waalwijk, andermaal bij parfumerie [bedrijf 1] en wederom met gebruikmaking van een geprepareerde tas;

  • -

    haar overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, onder meer de omstandigheden dat zij woonachtig is in [land], dat zij samenwoont met haar twee minderjarige kinderen en met haar moeder en dat zij werkzaam is als schoonmaakster in een ziekenhuis en verkoopster bij een meubelzaak.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.