Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1157

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
29-07-2021
Zaaknummer
200.260.428_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:687
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk. Verjaringsverweer van de aannemer op grond van artikel 7:761 lid 1 BW. Beroep van de opdrachtgever op verlenging van de verjaringstermijn ingevolge artikel 7:761 lid 3 BW. Stuiting van de verjaringstermijn door erkenning (artikel 3:318 BW)? Afstand van het beroep op verjaring (artikel 3:222 BW)? Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW)?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.260.428/01

arrest van 31 maart 2020

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

hierna aan te duiden als: [appellant] ,

advocaat: mr. M. van Kempen te Tilburg,

tegen

Timmerbedrijf [Timmerbedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M. Struik te Veldhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 juli 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6918575 CV EXPL 18-3834 gewezen vonnis van 14 februari 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 30 juli 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 september 2019;

  • -

    de memorie van grieven, tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv met producties van [appellant] ;

  • -

    de conclusie in het incident van [geïntimeerde] .

Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident.

6 De beoordeling

In het incident

6.1.

In 2009 heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] een casco chalet gebouwd op camping [camping] in [plaats] . Omdat [appellant] werd geconfronteerd met vochtproblemen en lekkages, heeft hij bij [geïntimeerde] geklaagd. [geïntimeerde] heeft de situatie ter plaatse bekeken en heeft ook de leverancier van de gevelbekleding van het chalet, Milin B.V. (hierna: Milin), de situatie ter plaatse laten beoordelen. Medio 2017 heeft [geïntimeerde] Milin in rechte betrokken. [appellant] heeft op zijn beurt in 2018 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen [geïntimeerde] . Hij stelt dat [geïntimeerde] ondeugdelijk werk heeft geleverd en vordert – kort gezegd – dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om herstelwerkzaamheden te verrichten.

6.2.

In het incident vordert [appellant] dat aan [geïntimeerde] op grond van artikel 843a Rv, onderscheidenlijk artikel 22 Rv, het bevel wordt gegeven om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen twee weken het volledige procesdossier in de procedure tussen [geïntimeerde] en Milin, inclusief alle producties, in het bijzonder de door beide partijen overgelegde, althans opgestelde deskundigenrapporten, aan [appellant] ter hand te stellen en in het geding te brengen.

6.3.

Kort gezegd stelt [appellant] daartoe dat hij recht en belang heeft om afschrift van, althans inzage te krijgen in de hiervoor bedoelde processtukken omdat uit die stukken kan blijken of er wat mis is, en zo ja wat, aan de door Milin ten behoeve van het chalet aan [appellant] geleverde geveldelen en of, en zo ja in hoeverre, er volgens de rechtbank in die zaak sprake is van fouten van [geïntimeerde] bij de montage van de geveldelen bij de bouw van het chalet. Volgens [appellant] is er voldoende verband met het geschil tussen [geïntimeerde] en Milin en zijn de gevraagde stukken naar herkomst, aard en aantal voldoende afgebakend. [appellant] concludeert dat aan de drie voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan.

6.4.

[geïntimeerde] voert als verweer dat de vordering van [appellant] op grond van artikel 7:761 BW is verjaard en dat [appellant] daarom geen belang meer heeft bij zijn vordering

ex artikel 843a Rv. Daarnaast meent [geïntimeerde] dat de vordering van [appellant] het karakter heeft van een fishing-expedition omdat [appellant] ook nu weer heeft nagelaten om het rapport van de bouwkundige waarop hij zich beroept in het geding te brengen. Volgens [geïntimeerde] heeft het er alle schijn van dat een dergelijk rapport niet voorligt. Kennelijk is [appellant] niet in staat om aan te tonen dat het gebrek aan de gevelbekleding van het chalet als een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] moet worden gekwalificeerd en vermoedt hij dat het procesdossier in de procedure tussen [geïntimeerde] en Milin steun kan opleveren voor zijn stelling dat het gaat om een gebrek dat een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] oplevert. Maar daarvoor kan artikel 843a Rv niet worden gebruikt.

Wat betreft het beroep van [appellant] op artikel 22 Rv meent [geïntimeerde] dat er geen goede redenen zijn om dit artikel toe te passen indien op de vordering ex artikel 843a Rv afwijzend wordt beslist.

Tot slot merkt [geïntimeerde] op dat in geval de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zij vrijwillig een afschrift van het gevraagde procesdossier in het geding zal brengen. Het opleggen van dwangsommen is niet nodig.

6.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, welke vordering, bij gebreke van eventuele tegenspraak, in beginsel toewijsbaar is. Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan

te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

6.6.

In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer.

In deze zaak gaat het om afschrift van het volledige procesdossier van de procedure die [geïntimeerde] tegen Milin heeft gevoerd over de gevelbekleding die [geïntimeerde] heeft betrokken bij Milin en heeft toegepast op het chalet van [appellant] . Aangezien [geïntimeerde] niet heeft betwist dat de procedure die zij tegen Milin heeft gevoerd betrekking heeft op dezelfde problematiek als die aan de orde is in de onderhavige procedure, is het hof van oordeel dat [appellant] met het oog op zijn vordering in de hoofdzaak een rechtmatig belang heeft bij een afschrift van bedoelde stukken.

Het hof gaat voorbij aan het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vordering ex artikel 843a Rv omdat de vordering in de hoofdzaak is verjaard. Dit verjaringsverweer komt aan de orde in de hoofdzaak bij de beoordeling van grief 1 en niet bij de beoordeling van de vordering in dit incident, dat het hof beschouwt als een nieuwe incidentele vordering ex artikel 843a Rv. Ander verweer tegen het door [appellant] gestelde rechtmatig belang heeft [geïntimeerde] niet naar voren gebracht.

6.7.

Uit het voorgaande volgt dat de verlangde stukken ook voldoende bepaald zijn omdat het over het volledige procesdossier gaat van de procedure die [geïntimeerde] tegen Milin heeft gevoerd. Aangezien [appellant] voldoende heeft toegelicht waarom hij verwacht dat het procesdossier relevant is, is naar het oordeel van het hof van een "fishing expedition" geen sprake. Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat [appellant] bij de comparitie na aanbrengen op 30 september 2019 een eigen deskundigenrapport van COT in het geding heeft gebracht van de beoordeling van de huidige staat (in juli 2019) van de gevelbekleding van het chalet.

6.8.

Aangezien [geïntimeerde] verder niet heeft betwist dat de vordering betrekking heeft op bescheiden die kunnen worden aangemerkt als bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin [appellant] partij is, noch een beroep heeft gedaan op een van de uitzonderingen van artikel 843a lid 4 Rv, leidt een en ander tot de conclusie dat de vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsomsanctie zal worden afgewezen aangezien [geïntimeerde] heeft toegezegd vrijwillig een afschrift van het volledige procesdossier in het geding te zullen brengen.

6.9.

De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de beslissing in het eindarrest.

In de hoofdzaak

6.10.

De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 19 mei 2020 voor memorie van antwoord.

7 De uitspraak

Het hof:

in het incident:

beveelt [geïntimeerde] om binnen vier weken na betekening van dit arrest aan [appellant] een afschrift te verstrekken van het procesdossier, inclusief alle producties, van het geschil tussen [geïntimeerde] en Milin, bekend onder dossiernummer 2.15.094751 bij DAS die namens [geïntimeerde] als haar belangenbehartiger in dat geschil heeft opgetreden;

verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 mei 2020 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2020.

griffier rolraadsheer