Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
200.269.153_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:12458
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8009
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:2584
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:7281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is een inmiddels overleden partij gedagvaard. Is appellante niet-ontvankelijk? Appeldagvaarding betekend op de voet van artikel 53 aanhef en onder b Rv. Geïntimeerde heeft geen in rechte te respecteren belang bij zijn beroep op niet-ontvankelijkheid.

Incidentele vordering tot schorsing van het geding ex artikel 225 Rv wordt afgewezen. Executeur heeft procedure overgenomen. Artikel 4:145 BW.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 53
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 225
Burgerlijk Wetboek Boek 4 145
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2020/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.269.153/01

arrest van 31 maart 2020

gewezen in het incident ex artikel 225 Rv tot schorsing van het geding

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

hierna aan te duiden als: [appellante] ,

advocaat: mr. L. Peeters te Venlo,

tegen

[de excuteur] ,

in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [de erflater] (erflater),

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

hierna aan te duiden als: de executeur,

advocaat: mr. R.C. Breuls te Geleen,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 november 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 augustus 2019, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [de erflater] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/240962 / HA ZA 17-515)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgaande vonnissen van 30 mei 2018 en 20 maart 2019.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het H2-formulier van de executeur voor de rol van 19 november 2019 met de mededeling dat de oorspronkelijke geïntimeerde, [de erflater] , medio september 2019 is overleden, dat [de excuteur] ter zake is aangewezen als executeur en dit zuiver heeft aanvaard en dat hij primair een beroep doet op de niet-ontvankelijkheid van [appellante] wegens het dagvaarden van een overleden partij;

  • -

    de akte schorsing rechtsgeding van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van de executeur.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellante] heeft op 5 november 2019 [de erflater] doen dagvaarden tegen de rol van dit hof van 19 november 2019. De dagvaarding is betekend bij de advocaat van [de erflater] uit de eerste aanleg. [appellante] stelt dat zij op 14 november 2019, na het aanbrengen van de dagvaarding, door de advocaat van [de erflater] werd geïnformeerd dat [de erflater] op 25 september 2019 was overleden. [appellante] wenst het geding thans te schorsen om te achterhalen wie de erfgenamen van [de erflater] zijn, zodat alle erfgenamen in het geding kunnen worden opgeroepen.

3.2.

De executeur stelt zich primair op het standpunt dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar verzoek omdat zij in hoger beroep een inmiddels overleden partij heeft gedagvaard. Subsidiair meent [de excuteur] dat [appellante] geen belang heeft bij het in het geding oproepen van de erfgenamen omdat hij zich reeds heeft gesteld als executeur in de nalatenschap van wijlen [de erflater] .

3.3.

Het hof zal allereerst ingaan op het preliminaire verweer van de executeur dat [appellante] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij in hoger beroep een inmiddels overleden partij heeft gedagvaard. Vooropgesteld wordt dat het volgens vaste rechtspraak niet mogelijk is om, wanneer een nieuwe instantie aanvangt, te procederen op naam van of tegen een inmiddels overleden procespartij. Het op het overlijden volgend hoger beroep, of cassatieberoep, dient niet tegen de overledene, maar tegen diens erfgenamen te worden ingesteld. Wordt het beroep niettemin tegen de overledene ingesteld, dan volgt in beginsel niet-ontvankelijkverklaring. Op deze regel heeft de Hoge Raad een aantal uitzonderingen aanvaard. Bijvoorbeeld indien de wederpartij van het overlijden niet op de hoogte was, noch redelijkheidwijs kon zijn of indien de erfgenamen verschijnen en bij een beroep op niet-ontvankelijkverklaring geen in rechte te respecteren belang hebben.

3.4.

Vast staat [appellante] de appeldagvaarding op 5 november 2019 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 53 aanhef en onder b Rv heeft laten betekenen ten kantore van de advocaat bij wie [de erflater] , die op 25 september 2019 is overleden, in eerste aanleg domicilie heeft gekozen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat [appellante] van dit overlijden op de hoogte was, moet voor deze advocaat, voor de gezamenlijke erfgenamen en voor de executeur evident zijn geweest dat [appellante] van dit overlijden niet heeft geweten. Aangezien inmiddels [de excuteur] is aangewezen als executeur, hij dit zuiver heeft aanvaard en de procedure op de eerst dienende dag van de overledene heeft overgenomen, is het hof van oordeel dat de executeur geen in rechte te respecteren belang heeft bij zijn beroep op niet-ontvankelijkheid en daarom zal dit beroep niet zal worden gehonoreerd.

3.5.

Het hof komt daarmee toe aan de vraag of het geding op de voet van artikel 225 Rv moet worden geschorst zodat [appellante] kan achterhalen wie de erfgenamen van [de erflater] zijn en deze in het geding kunnen worden opgeroepen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de executeur de onderhavige procedure direct bij aanvang van de overledene overgenomen.

Op grond van het bepaalde in artikel 4:145 BW heeft de executeur de taak de goederen der nalatenschap te beheren en vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. Die erfgenamen zijn, zolang de taak van de executeur niet is geëindigd, niet bevoegd zelfstandig in rechte op te treden noch als eiser noch gedaagde. De vordering van [appellante] zal daarom worden afgewezen.

3.6.

De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.7.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellante] tot schorsing van het geding af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 mei 2020 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2020.

griffier rolraadsheer