Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1141

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
200.264.356_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4607
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, erfgrens, uitsluitend gebruik, voorkomen van hinder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.264.356/01

arrest van 31 maart 2020

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. E. Meuwissen te Maastricht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. J.A.J.A. Luijten te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 december 2019 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/265690 / KG ZA 19-277 gewezen vonnis van 11 juli 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 17 december 2019 waarbij het hof een descente en aansluitend een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van plaatsopneming en bezichtiging alsmede van comparitie van partijen van 19 februari 2020;

  • -

    de appeldagvaarding tevens inhoudende memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens vermeerdering van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    de akte overleggen producties/bijlagen (met de bijlagen 42 tot en met 46) van de zijde van de vrouw;

  • -

    het H12-formulier (inzenden nieuwe stukken tbv zitting) met de aanvullende producties 9 tot en met 12 van de zijde van de man.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

6.1.1.

Partijen zijn in 1990 na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. In 2009 zijn de huwelijkse voorwaarden opgeheven. Op dat moment is tussen partijen een gemeenschap van goederen ontstaan.

6.1.2.

Op 22 februari 2019 is het echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Limburg. De inhoudelijke behandeling van het echtscheidingsverzoek en de nevenverzoeken, waaronder het verzoek tot verdeling, zal, zo is door partijen ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep medegedeeld, plaatsvinden op 7 juli 2020. Op 3 juni 2019 heeft de rechtbank als voorlopige voorziening het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toegekend.

6.1.3.

Partijen hebben tijdens hun huwelijk een (ongedateerd) vennootschap onder firma-contract (hierna: vof-overeenkomst) gesloten. In die vof-overeenkomst is, voor zover in hoger beroep van belang, het hiernavolgende bepaald.

“dat de vennoten sub 1 en 2 (hof: de man en de vrouw) voor eigen rekening en risico een bedrijf exploiteren. De vennoot sub 1 (hof: de man) exploiteert een melkveehouderijbedrijf; de vennoot sub 2 exploiteert een zorgboerderij onder de naam “ [naam] ”;

(…)

Artikel 1: Doel

Ondergetekenden zijn met elkaar een vennootschap onder firma aangegaan, welke ten doel heeft de exploitatie voor gezamenlijke rekening van een melkveehouderij- en zorgboerderij en alles dat in de ruimste zin daartoe behoort of daartoe bevorderlijk kan zijn. De vennootschap draagt de naam “VOF [VOF]”.

(…)

Artikel 10: Einde vennootschap onder firma

De vennootschap onder firma eindigt:

(…)

7. Ingeval de samenwerking tussen de vennoten duurzaam is ontwricht. Tenzij partijen alsdan anders zullen overeenkomen zal de samenwerking geacht worden duurzaam te zijn ontwricht ingeval van een vordering tot echtscheiding (…).

De vennootschap eindigt zodra zich bedoelde feiten en omstandigheden zich voordoen

(…)

Artikel 12: Voortzetting

(…)

2. In het in artikel 10 lid 7 genoemde geval, heeft de [man] het recht om het landbouwbedrijf voort te zetten en heeft de [vrouw] het recht om de zorgboerderij voort te zetten onder de uitdrukkelijk uitgesproken wens van de vennoten om te streven naar continuïteit van de beide bedrijven. “

De man exploiteert aldus thans een landbouwbedrijf en de vrouw een zorgboerderij.

6.1.4.

In 2012 hebben partijen een zorghoeve gebouwd die een permanente woonvoorziening biedt voor 27 dementerende cliënten. De zorghoeve bevindt zich op een perceel dat eigendom is van partijen. De zorghoeve wordt door partijen verhuurd aan stichting “ [stichting] ”. De vrouw is directeur van deze stichting.

6.1.5.

In de langgevelboerderij die zich op het perceel van partijen bevindt, zijn een viertal ruimten aanwezig: de zorgboerderij, de hobbyruimte, de sorteerruimte en de hoge schuur. Aan de zijgevel van de langgevelboerderij bevindt zich verder een kleine opslagruimte die gedeeltelijk van buitenaf bereikbaar is en gedeeltelijk vanuit de zorgboerderij.

In het verleden, toen nog sprake was van een affectieve relatie tussen partijen werden de zorgboerderij en de hobbyruimte voor het zorgbedrijf gebruikt. De sorteerruimte werd zowel voor het landbouwbedrijf als voor het zorgbedrijf gebruikt. De hoge schuur werd hoofdzakelijk voor het landbouwbedrijf gebruikt. De kleine opslagruimte aan de zijgevel werd voor diverse doeleinden gebruikt.

6.2.1.

De vrouw vordert – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – in conventie:

  1. het uitsluitend gebruik van het deel van het perceel, waartoe de zorgboerderij en zorghoeve behoren, inclusief het daarbij behorende erf, de tuin en de parkeerplaats, met bevel dat de man dat deel van het perceel dient te verlaten en verder niet mag betreden, op straffe van een dwangsom;

  2. voor de duur van de voorziening onder 1) te bepalen dat de vrouw gerechtigd is om voor rekening van beide partijen een ondoorzichtige afscheiding aan te brengen tussen beide delen van het perceel, in de vorm van een hekwerk of schutting van tenminste twee meter hoogte, te plaatsen zoals door haar is aangegeven op een overgelegde plattegrond;

  3. voor de duur van voornoemde voorziening de man te verbieden om binnen een straal van 50 meter, gemeten vanaf het hekwerk dat om de zorghoeve, de parkeerplaats en de tuin staat, de beregeningsmachine te gebruiken, op straffe van een dwangsom;

  4. de man te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de vrouw voor de schoonmaakkosten en eventuele herstelwerkzaamheden aan (onder andere) de zorghoeve, als gevolg van het gebruik van de beregeningsmachine door de man.

6.2.2.

De man heeft verweer gevoerd. Daarnaast heeft de man een vordering in reconventie ingediend. Hij vordert – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – in reconventie:

I. te bepalen dat dat hij, met ingang van de datum van het vonnis en totdat de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure over de verdeling van de onroerende zaken van partijen in kracht van gewijsde is gegaan, met uitsluiting van de vrouw het gebruik toekomt van het deel van het perceel van partijen dat bestaat uit:

a. de open opslagruimte rechts van de koeienstal;

b. de hoge schuur inclusief de toerit tot de hoge schuur;

c. de opslagruimte links van de hoge schuur;

d. de sorteerruimte;

II. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

6.2.3.

De beslissing van de voorzieningenrechter in conventie luidt, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt:

a. aan de vrouw is, vanaf de datum van het bestreden vonnis totdat de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure over de verdeling van het onroerend goed van partijen in kracht van gewijsde is gegaan, het uitsluitend gebruik toegekend van:

- de zorghoeve met het bijbehorende erf;

- de zorgboerderij, de hobbyruimte, de sorteerruimte en de hoge schuur met het daarbij behorende erf, inclusief het toegangspad tussen de zorgboerderij en de zorghoeve

met het bevel dat de man dat deel van het perceel moet verlaten en niet verder mag betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per keer dat de man het verbod overtreedt, met een maximum van € 10.000,--;

dat voor de duur van de voorziening dat de vrouw gerechtigd is om voor rekening van beide partijen een ondoorzichtige erfafscheiding, die geen definitief karakter heeft, aan te brengen tussen beide delen van het perceel, in de vorm van een hekwerk of schutting van tenminste twee meter hoogte, te plaatsen direct naast het betonpad in de strook met fruitbomen en vanaf de [weg] evenwijdig aan de open opslagruimte veehouderij tot aan de kopse kant van die ruimte en vervolgens vanaf de linker achterzijde van de opslagruimte veehouderij tot aan de koeienstal en vanaf de rechtervoorzijde van de koeienstal tot aan de erfafscheiding die langs het betonpad loopt, een en ander zoals ook met doorgetrokken lijnen aangegeven op bijlage 8 bij dagvaarding en de bijgesloten luchtfoto.

De beslissing van de voorzieningenrechter in reconventie luidt, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, als volgt:

kent aan de man, met ingang van het vonnis totdat de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure over de verdeling van het onroerend goed van partijen in kracht van gewijsde is gegaan, het uitsluitend gebruik toe van:

- de oprit rechts van de echtelijke woning;

- het erf gelegen achter de echtelijke woning;

- de koeienstal en de open opslagruimte rechts daarvan;

- de open opslagruimte veehouderij.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter, in conventie en reconventie:

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.3.1.

De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. vernietiging van het bestreden vonnis;

  2. het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vrouw onder 1) en 2);

  3. het alsnog toewijzen van zijn vordering onder I (het hof begrijpt: voor zover die vordering niet (geheel) door de voorzieningenrechter is toegewezen);

  4. veroordeling van de vrouw om al hetgeen de man ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de vrouw heeft voldaan aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

  5. veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor zover voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

De man heeft hiertoe tien grieven aangevoerd. De grieven gaan over:

  • -

    het spoedeisend belang (grief 1);

  • -

    het uitsluitend gebruik van de hoge schuur en de sorteerruimte (grieven 2 tot en met 9);

  • -

    de erfgrens (grief 10).

6.3.2.

De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij heeft voorts incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis vermeerderd. De vrouw concludeert in principaal appel tot niet-ontvankelijkverklaring van de man, althans het ongegrond verklaren en afwijzen van zijn grieven.

In incidenteel appel concludeert de vrouw na vermeerdering van eis, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tot vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van de onderdelen waartegen haar grieven zich richten en opnieuw rechtdoende:

  1. met ingang van de datum van het arrest en totdat de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure over de verdeling van het onroerend goed van partijen, gelegen aan de [adres] te [plaats] , in kracht van gewijsde is gegaan, het uitsluitend gebruik van de gehele langgevelboerderij, inclusief de daarvan deel uitmakende opslagruimte (in het vonnis abusievelijk aangeduid als “open opslagruimte veehouderij (8)”, aan de vrouw toe te kennen, naast de overige delen van het perceel waarvan aan haar reeds bij vonnis van 11 juli 2019 onder 7.1. het uitsluitend gebruik is toegekend, eveneens met het bevel dat de man dat deel van het perceel dient te verlaten en niet verder mag betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per keer dat hij het verbod overtreedt, met een maximum van €10.000,--;

  2. de vorderingen van de vrouw in het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg onder 3) en 4) alsnog toe te wijzen;

  3. de man te veroordelen de sleutel van de zorghoeve binnen 24 uur na arrest aan de vrouw af te geven, op straffe van een dwangsom;

  4. e man te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de vrouw voor de kosten van het herstellen en/of vervangen van het hekwerk van de zorghoeve en de beplanting direct naast het hekwerk, als gevolg van het door de koeien aangerichte schade, ten bedrage van nader door de vrouw in het geding te brengen offertes en/of andere bescheiden.

De vrouw heeft hiertoe grieven aangevoerd. De grieven gaan over:

  • -

    het uitsluitend gebruik van de (door het hof aan te duiden als) kleine opslagruimte (gelegen aan de zijkant van de langgevelboerderij, grenzend aan het erf van de echtelijke woning) (grief I);

  • -

    de schade door de beregeningsmachine (grief II);

  • -

    de afgifte van de sleutel van de zorghoeve (grief III);

  • -

    de schadevergoeding door koeien vernield hekwerk en erfbeplanting (grief IV).

6.3.3.

De man heeft de grieven in incidenteel appel weersproken.

6.4.1.

Op 19 februari 2020 heeft ten overstaan van het hof een descente plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Aan dit proces-verbaal zijn door het hof ter plaatse gemaakte foto’s gehecht. Verder is de door beide partijen gewenste erfgrens ingetekend op een door het hof aan partijen verstrekte plattegrond. Deze tekeningen zijn aan het proces-verbaal gehecht.

Voorts heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Tijdens de comparitie heeft de man aan de vrouw, ten overstaan van het hof, haar de sleutel van de zorghoeve overhandigd. Bij akte van 25 februari 2020 heeft de advocaat van de vrouw bevestigd dat dit de sleutel van de zorghoeve was. Grief III behoeft daarom geen nadere bespreking en op de vordering van de vrouw onder c) behoeft niet meer te worden beslist.

6.4.2.

In dit kort geding in hoger beroep zijn in geschil:

- het (uitsluitend) gebruik van de volgende gebouwen die zich op het perceel van partijen bevinden:

o de sorteerruimte;

o de hoge schuur;

o de kleine opslagruimte;

  • -

    de erfgrens waarop (tijdelijk) een erfafscheiding is geplaatst;

  • -

    het gebruik door de man van de beregeningsmachine en de daardoor, volgens de vrouw, ontstane schade;

  • -

    de schade aan een hekwerk en de beplanting;

  • -

    de proceskosten

Het hof zal deze geschilpunten aan de hand van de grieven bespreken. Daarbij zullen de grieven die betrekking hebben op eenzelfde onderwerp gezamenlijk worden besproken.

Spoedeisend belang (grief 1)

6.5.1.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (Zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437).

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde (HR 29 november 2002, LJN AE4553).

6.5.2.

Het hof is van oordeel dat het spoedeisend belang reeds is gelegen in de gespannen verhouding tussen partijen, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat uit die gespannen verhouding extra risico’s voortvloeien voor voortzetting van het door ieder der partijen op het gezamenlijke perceel uitgeoefende bedrijf. Daarmee is sprake van voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Voor zover de man met grief 1 betoogt te stellen dat geen sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw, faalt die grief.

Het uitsluitend gebruik van de sorteerruimte, hoge schuur en kleine opslagruimte (grieven 2 tot en met 9 van de man, grief I van de vrouw)

6.6.1.

De voorzieningenrechter heeft het uitsluitend gebruik van de sorteerruimte en de hoge schuur aan de vrouw toegekend. Daartoe heeft de voorzieningenrechter in rov. 5.5. onder meer het volgende overwogen:

“De man heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij de hoge schuur en de sorteerruimte nodig heeft voor zijn melkveebedrijf. De man heeft immers erkend dat hij maar 18 stuks jongvee houdt in de stal die ruimte biedt aan 90 stuks vee. Daardoor houd de man in de stal voldoende ruimte over om de pallets met voorraad van onder andere veevoer en melkpoeder op te slaan.

Daarnaast heeft de man onvoldoende de stelling van de vrouw betwist dat alle landbouwwerktuigen altijd buiten hebben gestaan en ooit overdekt zijn gestald. Zelfs al zou het nodig zijn gebleken om de werktuigen nu wél overdekt te stallen, dan nog beschikt de man over voldoende ruimte in de koeienstal en in het overkapte lage deel aan de zijkant van de stal.”

6.6.2.

Met zijn grieven 2 tot en met 9 betoogt de man, samengevat, dat hij de sorteerruimte en hoge schuur direct nodig heeft om zijn werktuigen, machines en voorraad droog te stallen. Ter toelichting op die grieven heeft hij het volgende gesteld.

Tijdens de relatie van partijen stonden de sorteerruimte, de hoge schuur en de kleine opslagruimte ten dienste van het landbouwbedrijf. De man heeft deze ruimten nodig in verband met de continuïteit van het landbouwbedrijf. Hij wil het landbouwbedrijf voortzetten en is hiertoe ook genoodzaakt omdat hij door de vrouw is ontslagen als klusjesman bij de zorghoeve. Om in zijn inkomen te kunnen voorzien, moet hij het landbouwbedrijf weer kunnen opbouwen. De activiteiten van het landbouwbedrijf waren een stuk verminderd in de periode dat de aandacht van partijen voornamelijk gericht was op het zorgbedrijf.

De koeienstal is te klein en niet geschikt voor opslag van materiaal, werktuigen en veevoer. Het overkapte lage gedeelte van de stal biedt slechts ruimte voor een beperkt aantal werktuigen. De overige werktuigen moeten noodgedwongen buiten worden gesteld. Dat is schadelijk voor de werktuigen en in strijd met de zorgplicht die de man als verzekeringnemer jegens de verzekeraar in acht moet nemen.

De vrouw heeft de sorteerruimte en de hoge schuur niet nodig voor het zorgbedrijf. Bovendien zal het gebruik van de hoge schuur door de man niet leiden tot overlast. Voor het bereiken van de zorghoeve en de zorgboerderij is het niet noodzakelijk de hoge schuur direct te passeren.

6.6.3.

De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij heeft hiertoe, samengevat, het volgende, gesteld.

Het zorgbedrijf floreert, en dit is niet het geval met het landbouwbedrijf. De vrouw heeft daarom belang bij het gehele gebruik van de langgevelboerderij. Haar belang bij het gebruik van de ruimten weegt zwaarder dan het belang van de man bij het gebruik van de ruimten.

Bovendien rust op de gehele langgevelboerderij een zorgbestemming. Op basis van een verzoek van partijen om een vergunning voor de uitbreiding van het zorgbedrijf, is op 13 april 2017 een omgevingsvergunning verstrekt. Dit betekent dat de ruimten die voorheen door het landbouwbedrijf werden gebruikt, mogen worden ingezet c.q. verbouwd voor het zorgbedrijf. De vrouw wil van die mogelijkheid gebruik maken, zij doet dit feitelijk ook al sinds 2004 en het zorgbedrijf heeft behoefte aan die ruimten.

De sorteerruimte en hoge schuur zijn noodzakelijk voor bedrijfsbijeenkomsten, bedrijfsfeestjes en PR-activiteiten. De sorteerruimte wordt (in de zomer) ook gebruikt als verblijfsruimte voor cliënten van de zorgboerderij. Ten slotte kan het zorgbedrijf, door het bestreden vonnis, niet langer gebruik maken van de open opslagruimte naast de koeienstal (het aan de man toegekende uitsluitend gebruik hiervan is niet in geschil) zodat de hoge schuur en de sorteerruimte ook nodig zijn voor de opslag van zaken die voorheen werden gestald in de open opslagruimte.

Het landbouwbedrijf van de man heeft de hoge schuur en de sorteerruimte niet nodig. Het landbouwbedrijf is sinds 2004 ondergeschikt aan het zorgbedrijf. Het landbouwbedrijf lijdt louter verliezen, wordt financieel ondersteund door het zorgbedrijf en heeft nauwelijks tot geen bestaansrecht. Doordat sprake is van een kleine veestapel heeft het landbouwbedrijf minder opslagruimte nodig en is er een relatief beperkt machinepark. De man heeft alternatieve opslagmogelijkheden voor werktuigen, machines en voorraad.

Het uitsluitend gebruik van de gehele langgevelboerderij door de vrouw, zal de spanningen tussen partijen aanzienlijk doen verminderen. Gelet op de hinderlijke gedragingen van de man (onder meer het opwerpen van blokkades, het negatief praten over de vrouw jegens derden en fysieke en verbale agressie), is het noodzakelijk dat zij zoveel mogelijk uit de buurt van de vrouw blijft en rust wordt gecreëerd, ook voor de cliënten van het zorgbedrijf.

In het licht bezien van het voorgaande moet ook grief I van de vrouw in incidenteel hoger beroep worden begrepen. Deze grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte het uitsluitend gebruik van de kleine opslagruimte aan de man heeft toegekend. Deze opslagruimte is onderdeel van de langgevelboerderij waarin ook de zorgboerderij is gevestigd. Het is onwenselijk dat de man zich nog steeds in de langgevelboerderij kan begeven, zodat het uitsluitend gebruik van de kleine opslagruimte aan haar moet worden toegekend.

6.6.4.

De man heeft in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel gepersisteerd bij hetgeen hij reeds in zijn memorie van grieven heeft gesteld. Hij betwist dat de vrouw, althans de zorgboerderij, gebruikt maakt van de kleine opslagruimte. Tijdens de relatie van partijen werd deze ruimte gebruikt voor opslag van rommel die niet meer werd gebruikt.

6.6.5.

Het hof stelt vast dat het uitsluitend gebruik van de sorteerruimte, de hoge schuur en de kleine opslagruimte in geschil is. Het hof zal het uitsluitend gebruik van de hoge schuur toekennen aan de man. Het uitsluitend gebruik van de sorteerruimte zal het hof toekennen aan de vrouw. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het uitgangspunt is, en dit volgt uit art. 12 lid 2 van de vof-overeenkomst, dat beide partijen het recht hebben de aan hen gelieerde ondernemingen (de man het landbouwbedrijf en de vrouw het zorgbedrijf), na beëindiging van de vennootschap onder firma, voort te (kunnen) zetten. Daarbij is – zeker in het kader van deze kort geding procedure en de daarin te nemen ordemaatregel – geen plaats voor een discussie over de vraag of en in welke mate met het ene bedrijf of het andere meer winst kan worden gemaakt. Dat is ook niet wat partijen op het oog hebben gehad bij de voortzetting van de respectieve bedrijven; het is hen te doen om en zij zullen streven naar de continuïteit van de beide bedrijven. Evenmin is van belang, bezien in het licht van deze kort geding procedure, dat op de gehele langgevelboerderij een zorgbestemming rust. Die omstandigheid, die zich overigens al sinds 2017 voordoet, heeft immers tot op heden niet geleid tot een wijziging in het gebruik van de langgevelboerderij (tot het bestreden vonnis was sprake van een gezamenlijk gebruik). In het kader van het kort geding en de daarin te nemen ordemaatregel zal met die omstandigheid daar geen rekening worden gehouden.

Het voorgaande betekent dat beide partijen met het oog op de hiervoor bedoelde continuïteit zo veel mogelijk in staat moeten zijn tot het voeren van een zo optimaal mogelijke bedrijfsuitoefening. Hierbij speelt ook een rol (naast het bepaalde in art. 12 lid 2 van de vof-overeenkomst) dat beide partijen in het kader van de ophanden zijnde echtscheiding zo veel mogelijk in staat moeten worden gesteld om in hun eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Dit betekent voor de man dat hij het landbouwbedrijf, waarvan niet in geschil is dat dit gedurende langere tijd in financiële en bedrijfsmatige zin ondergeschikt was aan het zorgbedrijf, moet kunnen voortzetten, partijen verder kunnen gaan met hun eigen leven en bij de invulling daarvan zo min mogelijk worden gestoord door de ex-partner. Voor het zorgbedrijf komt daar nog bij dat de cliënten van die onderneming ook zo min mogelijk worden gehinderd door zowel de man als de vrouw en hun onderlinge (gespannen) relatie alsook de activiteiten van het landbouwbedrijf.

Gelet op bovengenoemde uitgangspunten zal het hof het uitsluitend gebruik van de hoge schuur toekennen aan de man. Naar het oordeel van het hof heeft de man de hoge schuur nodig voor de exploitatie van zijn landbouwbedrijf. In de hoge schuur, waarin zich overigens nog steeds een voersilo bevindt, kunnen landbouwwerktuigen, waaronder de beregeningsmachine, en voorraad worden opgeslagen zodat de man de koeienstal kan gebruiken voor de door hem gewenste uitbreiding van het agrarisch bedrijf.

Weliswaar is deze hoge schuur, zoals het hof uit eigen waarneming heeft kunnen vaststellen, nagenoeg geheel gevuld met roerende zaken van het zorgbedrijf, maar het is het hof niet gebleken dat deze roerende zaken niet buiten (zoals de pallets met stenen) of elders kunnen worden opgeslagen. De afvalcontainers die bestemd zijn voor het zorgbedrijf en die nu zijn gestald in de hoge schuur kunnen worden geplaatst in het schuurtje direct rechts naast de zorghoeve dat hiervoor, zo staat tussen partijen vast, speciaal is gebouwd voor containeropslag. Dat hier in de zomer vooral fietsen van bezoekers worden geplaatst, is geen omstandigheid die ertoe leidt dat de containers in de hoge schuur moeten blijven staan.

Het zorgbedrijf heeft met andere woorden voor het merendeel van de thans opgeslagen roerende zaken de hoge schuur niet nodig. Voor zover zich in de hoge schuur nog roerende zaken bevinden die niet buiten of in het schuurtje voor de containers kunnen worden opgeslagen, kunnen deze zaken worden opgeslagen in de sorteerruimte. Het uitsluitend gebruik van de sorteerruimte zal daarom, en ook omdat deze aan de hobbyruimte van de zorgboerderij grenst en de man heeft verklaard voor zijn landbouwbedrijf slechts de helft van de sorteerruimte nodig te hebben, aan de vrouw worden toegekend.

In de sorteerruimte kan ook de duofiets van het zorgbedrijf worden gestald, zoals thans ook het geval is. Teneinde de gebruikers van de duofiets een onbelemmerd gebruik van de duofiets te kunnen garanderen, dient de man de duofiets en de gebruikers daarvan onbelemmerd de doorgang door de hoge schuur naar de sorteerruimte vice versa dient te verlenen.

Gelet op het voorgaande treffen de grieven 2 tot en met 9 gedeeltelijk doel. In zoverre zal het bestreden vonnis worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd.

De kleine opslagruimte ten slotte (waarvan de man thans krachtens het bestreden vonnis het uitsluitend gebruik heeft en waartegen grief I van de vrouw zich richt) grenst aan het perceel waarvan het uitsluitend gebruik (onbestreden) is toegekend aan de man. Gelet op de gespannen verhoudingen tussen partijen en teneinde onnodig hinder tussen partijen door het betreden van het erf van de man door de vrouw om de het voorste gedeelte van de kleine opslagruimte te kunnen betreden, te voorkomen, treft de grief van de vrouw geen doel.

Het oordeel van de voorzieningenrechter dat het uitsluitend gebruik van de kleine opslagruimte wordt toegekend aan de man, zal daarom worden bekrachtigd.

De erfgrens

6.7.1.

In rov. 5.8. en 5.9. heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, de erfgrens waarop een (tijdelijk) hekwerk met ondoorzichtig materiaal dient te worden bevestigd bepaald gelijk aan het betonnen pad ter hoogte van de koeienstal.

6.7.2.

Grief 10 van de man richt zich tegen dat oordeel. Door deze erfgrens en met name door het plaatsen van een hekwerk op deze erfgrens, heeft hij geen manoeuvreerruimte om de hooischudder in de open opslagruimte naast de koeienstal te plaatsen. Hierdoor wordt hij in zijn bedrijfsuitoefening belemmerd. De man bepleit een andere erfgrens.

6.7.3.

De vrouw heeft de grief weersproken. Zij heeft belang bij deze grens. Zij heeft een hek geplaatst vanwege door haar ervaren hinder en overlast van de man. De landbouwwerktuigen kunnen op pallets worden geplaatst, zodat de man deze met een palletwagen onder het afdak van de open opslagruimte kan plaatsen. Hierdoor is geen behoefte aan extra manoeuvreerruimte.

6.7.4.

Zoals het hof reeds in rov. 6.6.5. hiervóór overwoog, dienen partijen, kort weergegeven, zo min mogelijk hinder van elkaar te ondervinden. Voor het zorgbedrijf komt daar nog bij dat de cliënten van die onderneming ook zo min mogelijk worden gehinderd door zowel de man als de vrouw en hun onderlinge (gespannen) relatie. Het plaatsen van het hekwerk op de erfgrens moet daarom, in het kader van het kort geding, als een passende maatregel worden beschouwd. De omstandigheid dat de man te weinig manoeuvreerruimte voor de hooischudder zou hebben, is geen omstandigheid die afbreuk kan doen aan het belang van beide partijen om zo snel en goed mogelijk weer hun eigen leven op te bouwen en hun beider bedrijven voort te zetten en daarbij zo min mogelijk hinder van elkaar te ondervinden. Bovendien, zo heeft het hof vastgesteld, is het terrein waarvan aan de man het uitsluitend gebruik is toegekend van een zodanige omvang dat hij hier op eenvoudige wijze de hooischudder, desgewenst overdekt in een tijdelijke voorziening, kan stallen. Grief 10 faalt mitsdien en het bestreden vonnis zal op dit punt worden bekrachtigd.

Schade door de beregeningsmachine

6.8.1.

De voorzieningenrechter heeft de vordering tot schadevergoeding vanwege het gebruik van de beregeningsmachine door de man afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog hiertoe in rov. 5.12.:

“De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de man en de beperkt beschikbare gegevens op dit punt in kort geding niet vastgesteld kan worden dat de door de vrouw gestelde schade door de beregeningsmachine van de man is veroorzaakt. Gelet op de aard van deze kort geding procedure is er geen plaats voor het leveren van nader bewijs. De vorderingen die hiermee samenhangen zullen daarom allen worden afgewezen.”

6.8.2.

Grief II van de vrouw richt zich tegen dat oordeel. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de vrouw als bijlage 39 twee foto’s overgelegd waarop is te zien dat de man de beregeningsmachine op slechts enkele meters afstand van de parkeerplaats bij de zorghoeve heeft gebruikt. Dit handelen is onrechtmatig. Ter zitting heeft de vrouw twee filmopnames vertoond. Hieruit blijkt dat de beregeningsmachine schade heeft veroorzaakt aan de schade van de gevel van de zorghoeve. Voor de schade is de man aansprakelijk.

Verder moet het de man verboden worden om de beregeningsmachine binnen een straal van 50 meter van de zorghoeve te gebruiken.

6.8.3.

De man betwist de beregeningsmachine tegen de zorghoeve sproeit. Ook betwist hij dat op de filmopname is te zien dat de beregeningsmachine tegen de gevel van de zorghoeve sproeit. Het waterpunt voor de beregeningsmachine (dat de man tijdens de descente aan het hof heeft getoond) bevindt zich nog steeds op dezelfde plaats als voorheen. De beregeningsmachine wordt altijd zeer nauwkeurig door hem afgesteld om te voorkomen dat de machine over de zorghoeve heen sproeit.

Hij verzoekt het verbod van de vrouw af te wijzen. De landbouwpercelen grenzen direct aan het perceel van de zorghoeve. Indien hij van al deze percelen een gebied van 50 meter breed niet mag beregenen, zal hij aanzienlijk schade lijden omdat deze percelen dan voor een groot deel droog komen te staan.

6.8.4.

Het hof heeft tijdens de descente vastgesteld dat zich op de kozijnen van de zorghoeve roestvorming ten gevolge van ijzerhoudend grondwater bevindt. Op basis van het ter comparitie getoonde filmmateriaal stelt het hof vast dat de beregeningsmachine op de kozijnen van de zorghoeve sproeit. Daarmee, ook al zou dit niet opzettelijk door de man zijn gebeurd maar bijvoorbeeld de wind hierop een negatieve invloed heeft uitgeoefend, is sprake van onrechtmatig handelen door de man. Hij is daarom aansprakelijk voor de hieruit voortgevloeide schade. Het is de man, anders dan hij meent, niet verboden de bedoelde percelen te beregenen. Wél dient hij de beregeningsmachine daarbij nauwkeurig af te stellen (waarover de man ook heeft verklaard dat dit mogelijk is). Ook staat het hem vrij op andere wijze tot beregening over te gaan (zonder op de zorghoeve te sproeien De man zal gelet op het voorgaande worden veroordeeld tot het aan de vrouw betalen van een bedrag van door haar geleden schade van € 290,40 (bijlage 45 bij akte vrouw) zijnde kosten voor het schoonmaken van de raamkozijnen van het schoonmaakbedrijf, nu enkel die schade is komen vast te staan.

Dit betekent ook, ter voorkoming van toekomstig onrechtmatig handelen, dat de man zal worden verboden de beregeningsmachine zodanig af te stellen dat bij het beregenen sproeiwater terecht komt op de zorghoeve, de parkeerplaats en tuin van de zorghoeve. Grief II slaagt derhalve en in zoverre zal de vordering sub b in hoger beroep (vordering onder 3 en 4 eerste aanleg) in zoverre toewijzen. Gelet op de onderlinge verhouding tussen partijen zal het hof aan die veroordeling een dwangsom verbinden als na te melden verbinden.

Schade door de koeien

6.9.1.

De vrouw vordert, na vermeerdering van eis in hoger beroep, de man te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding omdat, kort gezegd, de koeien van de man schade hebben toegebracht aan het hekwerk en de beplanting nabij de zorghoeve. De man heeft de koeien te weinig eten gegeven, waardoor de koeien de beplanting van de zorghoeve achter het hekwerk hebben kaalgevreten. Hierdoor is schade ontstaan aan het hekwerk. De man is aansprakelijk voor de door de vrouw geleden schade.

6.9.2.

De man betwist dat zijn koeien schade hebben veroorzaakt. Het hekwerk is beschadigd door twee Schotse hooglanders en een stier die de vrouw in de wei had gezet.

6.9.3.

Het hof is van oordeel dat gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de man en de beperkt beschikbare gegevens op dit punt in kort geding niet vastgesteld kan worden dat de door de vrouw gestelde schade door de koeien van de man is veroorzaakt. Gelet op de aard van deze kort geding procedure is er geen plaats voor het leveren van nader bewijs. Grief IV faalt daarom en de vordering sub d zal worden afgewezen.

Samenvatting

6.10.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor wat betreft het uitsluitend gebruik van de hoge schuur en de schade veroorzaakt door de beregeningsmachine en het gebruik daarvan. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten

6.11.

Het hof zal, met toepassing van art. 237 jo art. 353 Rv (partijen zijn echtelieden) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vordering van de man wordt daarmee afgewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en uitsluitend voor wat betreft:

  • -

    het uitsluitend gebruik van de hoge schuur;

  • -

    de schade door de beregeningsmachine en het gebruik daarvan;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

kent aan de man, met ingang van heden totdat de beslissing van de rechtbank in de echtscheidingsprocedure over de verdeling van de onroerende zaken van partijen in kracht van gewijsde is gegaan toe het uitsluitend gebruik van de hoge schuur;

veroordeelt de man aan de vrouw als schadevergoeding voor de schoonmaakkosten van de zorghoeve te voldoen een bedrag van € 290,40 (tweehonderdnegentig euro en veertig eurocent);

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige;

verbiedt de man dat hij de beregeningsmachine zodanig afstelt dat bij het beregenen sproeiwater terecht komt op de zorghoeve, de parkeerplaats en de tuin van de zorghoeve op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per keer dat de man het bevel overtreedt met een maximum van € 10.000,--;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2020.

griffier rolraadsheer