Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1112

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
200.275.263_01 en 200.275.263_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:1021
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1455
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 26 maart 2020

Zaaknummers : 200.275.263/01 en 200.275.263/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/367873/ JE RK 20-89

in de zaken in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Loonstein,

tegen

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2020, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek strekkende tot een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog af te wijzen, voorts met het verzoek om op de kortst mogelijke termijn op de voet van artikel 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad te bevelen. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 maart 2020, heeft de GI het hof verzocht, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet te schorsen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2020, heeft de vader het hof verzocht, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 16 november 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 16 mei 2020.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 28 februari 2020 tot uiterlijk

16 mei 2020 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Het hof heeft begrepen dat [minderjarige] na de bestreden beschikking is weggelopen van huis en is ondergedoken. Ondanks dat [minderjarige] op de hoogte is van de uitnodiging van het hof voor een kindgesprek, voelt zij zich niet vrij om naar het hof te komen. Zij is kennelijk bang dat zij dan direct in een gezinshuis wordt geplaatst.

Het hof is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige] een belangenstrijd in de zin van artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW) voordoet. Daarbij komt dat het hof het heel belangrijk vindt dat [minderjarige] gehoord wordt. Louter om haar een stem te geven in de onderhavige procedure, acht het hof het daarom noodzakelijk dat er een bijzondere curator wordt benoemd die haar in rechte kan vertegenwoordigen.

3.6.

Mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door het hof worden benoemd.

3.7.

De moeder, de vader, de GI en de raad zijn telefonisch door het hof op de hoogte gebracht van het voornemen van het hof om een bijzondere curator te benoemen.

3.8.

De bijzondere curator dient namens het hof [minderjarige] te horen over de onderhavige zaak en dit terug te koppelen aan het hof. De bijzondere curator wordt verzocht daartoe een gesprek te voeren met [minderjarige] . Dit kan, mede gelet op de huidige situatie in verband met de corona-crisis en de daarmee verband houdende afgekondigde maatregelen, telefonisch dan wel via Facetime, Skype of vergelijkbare kanalen gebeuren.

De bijzondere curator wordt verzocht een verslag van haar bevindingen uit te brengen.

Dit mag in een schriftelijk verslag maar kan ook mondeling tijdens de nog te plannen (telefonische) mondelinge behandeling bij het hof.

Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, staat het haar eveneens vrij aan het hof een advies in dezen uit te brengen.

Nu het hof de bijzondere curator geen opdracht tot onderzoek verleent, zo als dat meestal wel het geval is, volstaat het hof met de aanwijzing dat de bijzondere curator zich, indien zij tevens een advies wenst uit te brengen, in dat geval van haar wordt verwacht dat op inzichtelijke en consistente wijze wordt uiteengezet op welke gronden het advies steunt.

3.9.

In verband met het voorgaande heeft het hof de eerder op 24 maart 2020 te 14:30 uur geplande mondelinge behandeling aangehouden.

3.10.

Het voorgaande brengt mee dat als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt het hof zich iedere verdere beslissing voor.

4 De beslissing

Het hof

benoemt - met inachtneming van het hiervoor overwogene - over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , tot bijzondere curator: mr. M.A. Breewel-Witteveen, kantoorhoudende te ( [postcode] ) Roosendaal aan [adres] (telefoonnummer: [telefoonnummer] , e-mail adres: [e-mailadres] );

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de bijzonder curator zendt en ook een volledig afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking stelt;

verzoekt de bijzondere curator, wanneer zij schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en haar eventueel advies, dan wel, vooruitlopend op een mondeling verslag ter mondelinge behandeling, het hof anderszins schriftelijk bericht, dit te doen uiterlijk op 9 april 2020, met gelijktijdige verzending daarvan aan de GI en aan de betrokken advocaten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de zaak pro forma aan tot de hiervoor genoemde datum, zulks in afwachting van voornoemd verslag of een ander schriftelijk bericht van de bijzondere curator, en van de overige procedurele verrichtingen die in deze zaak nog zullen volgen;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens, H. van Winkel en is door mr. C.N.M. Antens in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.