Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1095

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
200.270.608_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging bestreden beschikking, zij het op andere gronden. Eerst is systeemtherapie nodig (waar alle partijen mee hebben ingestemd), om opnieuw de verbinding te leggen tussen alle betrokkenen waarna naar contactherstel toegewerkt kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 26 maart 2020

Zaaknummer: 200.270.608/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/359066 JE RK 19-966

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Krijger,

tegen

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Het hof merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Ergec.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005 (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007 (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),

  • -

    [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Maastricht, van 11 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 11 december 2019, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 11 mei 2019, in zijn geheel te vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de GI af te wijzen.

2.1.1.

Bij brief van 13 december 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de advocaat van de vader het petitum verbeterd, en verzocht de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 11 september 2019, in zijn geheel te vernietigen, en doende wat de rechtbank had behoren te doen, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de GI af te wijzen.

2.2.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V2-formulier van 12 december 2019, ingekomen bij het hof op 13 december 2019, waarbij mr. F. Ergec zich als advocaat voor de moeder stelt;

- het V8-formulier, met bijlage, van 13 december 2019, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op 18 december 2019;

- het V8-formulier, met bijlage, van 14 januari 2020, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op 15 januari 2020;

- de door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingevulde formulieren bij kindgesprek, ingekomen bij het hof op 23 januari 2020;

- het V6-formulier, met bijlagen, van 24 februari 2020, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- de brief van de GI van 3 maart 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- de brief van de GI van 6 maart 2020, ingekomen bij het hof op 9 maart 2020.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad aan het hof de rapportage van de raad van 14 november 2018 overhandigd.

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005 (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007 (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),

  • -

    [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 (hier te noemen: [minderjarige 3] ),

hierna tezamen: de kinderen.

3.2.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt door de moeder en de vader uitgeoefend. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.

3.3.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn met ingang van 3 januari 2019 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 3 januari 2021.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank op verzoek van de GI bepaald dat er geen begeleide dan wel onbegeleide omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader heeft sinds het vertrek van de moeder en de kinderen uit de echtelijke woning geen contact meer gehad met [minderjarige 2] . Met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] is er aanvankelijk een onbegeleide contactregeling geweest. De vader betwist dat er sprake is geweest van enig seksueel misbruik. Wel is het de vader bekend dat de moeder de zorgregeling niet ondersteunt. Gelet op de lang lopende contactregeling tussen de vader en de kinderen, had de GI eerst met de kinderen in gesprek moeten gaan en een onderzoek moeten instellen naar de oorzaak van de problematiek, alvorens de contactregeling abrupt stop te zetten. Ook had de GI de betrokken hulpverleningsinstanties moeten benaderen, zodat die de GI van de benodigde informatie hadden kunnen voorzien, en daarnaast had de GI moeten onderzoeken of de hulpverlening eventueel begeleiding kon bieden bij de omgang. De ongefundeerde stopzetting heeft de vader namelijk ernstig beschadigd en een verkeerd signaal afgegeven naar de moeder, en voor een verwijdering tussen de vader en de kinderen gezorgd. De vader heeft hulpverlening gezocht om te leren omgaan met zijn persoonlijke problematiek. De vader staat tenslotte open voor alle vormen van hulpverlening om het contact met de kinderen weer aan te kunnen gaan.

3.6.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan. Gelet op de zorgen rondom vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader en dat [minderjarige 1] aangeeft zich niet gehoord en gezien te voelen, heeft de GI besloten een verzoek in te dienen bij de rechtbank tot stopzetting van de contactregeling tussen de vader en de kinderen. Sinds de bestreden beschikking videobellen en whatsappen alleen [minderjarige 3] en de vader elkaar af en toe. Tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is geen enkel contact. Sinds het stopzetten van de contactregeling tussen de kinderen en de vader is er bij de kinderen rust gekomen, maar komen er ook herinneringen naar boven die voor nieuwe problemen zorgen, zoals de nachtmerries van [minderjarige 3] . De hulpverlening om de vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag nader te onderzoeken is nog niet opgestart, omdat er sprake is

van een gebrek aan vertrouwen bij met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten opzichte van de hulpverlener. [minderjarige 3] heeft wel aangegeven weer meer contact te willen met de vader.

3.7.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. Dat er tussen de vader en [minderjarige 2] geen contact kan zijn staat buiten kijf gelet op de zorgen die er zijn rondom haar uitlatingen. Sinds de contacten tussen [minderjarige 1] en de vader zijn stopgezet is zij tot rust gekomen en opgebloeid. Ook in haar geval kan er daarom geen contact met de vader plaatsvinden. Ten aanzien van [minderjarige 3] zijn er ook zorgen gelet op de uitlatingen die hij heeft gedaan en de nachtmerries die hij heeft. Mogelijk is er alleen tussen [minderjarige 3] en de vader contact mogelijk, omdat [minderjarige 3] zelf aangeeft hiervoor open te staan.

3.8.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. De raad is er van overtuigd dat de huidige koers die is ingezet door de GI niet de juiste is. Zelfs als de beschuldigingen al terecht zouden zijn, dan is geen contact tussen de vader en de kinderen niet de oplossing.

Zolang de huidige situatie binnen dit gezinssysteem niet heelt, zijn de kinderen niet alleen hun vader, maar ook hun moeder kwijt. Het is daarom nodig om op de kortst mogelijke termijn voor het volledige gezin systeemtherapie in te zetten (uitgevoerd door een professional met een achtergrond in de psychiatrie) met als doel opnieuw de verbinding te maken tussen alle vijf de gezinsleden. Dit betekent helaas wel dat het opstarten van het contact tussen de vader en de kinderen op dit moment nog niet mogelijk zal zijn.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

3.9.2.

Vanwege deze toepasselijke wettelijke bepaling moet het hof beoordelen of het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat er geen fysieke contactregeling tussen de vader en de kinderen is. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. Er is geen contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige 2] sinds de moeder met de kinderen is vertrokken uit de voormalig echtelijke woning in november 2017. Wel heeft de vader in die tijd contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Uit de OTS Rapportage van de GI van 30 mei 2019 blijkt dat dit contact (tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ) in de periode januari 2018 tot mei 2018 vijf keer begeleid heeft plaatsgevonden. Daarna heeft de Gezinsmanager eind mei 2018 besloten dat de bezoeken aan de vader voortaan onbegeleid plaats kunnen vinden en bovendien zijn de bezoeken verder uitgebreid. Volgens de hulpverlening was er sprake van een warme band tussen [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en de vader. Daarna is de situatie veranderd en heeft de GI in mei 2019 – na het uitspreken van de ondertoezichtstelling door de rechtbank in januari 2019 – besloten dat er geen fysiek contact meer tussen de vader en [minderjarige 3] en [minderjarige 1] moet zijn. De rechtbank heeft het op 29 mei 2019 bij de rechtbank ingediende verzoek om geen fysieke omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, toegewezen in de bestreden beschikking. Nadien heeft alleen nog telefonisch contact (videobellen/whatsappen) plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige 3] . Tussen de vader en [minderjarige 1] is er sinds de bestreden beschikking helemaal geen contact meer geweest, en voor [minderjarige 2] geldt aldus dat er al geen contact meer is sinds november 2017. De hulpverlening om nader te onderzoek te verrichten naar de onderliggende problematiek en het contact te herstellen is nog altijd niet van de grond gekomen en de ondertoezichtstelling is inmiddels verlengd. De raad heeft vervolgens tijdens de mondelinge behandeling bij het hof een zeer duidelijk advies gegeven, namelijk dat de huidig ingezette koers niet de juiste is

en de in het verleden ingezette hulpverlening niet heeft geleid tot waar de kinderen recht op hebben, te weten veiligheid binnen het systeem en contact met de vader. Geen enkel contact tussen de vader en de kinderen is op dit moment niet de oplossing. Volgens de raad is het noodzakelijk dat er voor het gezin op de kortst mogelijke termijn systeemtherapie door een GGZ-psychiater wordt opgestart. Alle betrokken partijen (de GI, de moeder en de vader) hebben eensluidend ingestemd met dit advies.

Het hof gaat er vanuit dat de GI hiertoe zo spoedig mogelijk de benodigde stappen zal zetten en partijen op de hoogte zal houden van de door haar te nemen stappen, waarbij ook gewerkt moet worden aan het verbeteren van de relatie tussen de GI en de vader. Ook de vader zal daartoe zijn uiterste best moeten doen. De vader acht de werkrelatie met de GI kennelijk nog zeer beschadigd, nu hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan van de beschikking van de rechtbank van 20 december 2019 (in ieder geval aangaande de afwijzing van zijn verzoek om de GI te vervangen door Stichting Intervence). Het is van belang dat met de hulpverlening in de komende tijd wordt gewerkt aan het herstel van de veiligheid voor de kinderen en aan de contacten tussen hen en de vader. Gelet op het voorgaande kunnen de contacten tussen de vader en de kinderen echter niet direct worden hervat/opgestart. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek bij het hof uitdrukkelijk hun weerstand hebben geuit tegen hervatting van de contacten met de vader. Dit betekent dat het stopzetten van het fysiek contact tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ten tijde van de bestreden beschikking en ook op dit moment nog in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het staat de GI overigens uiteraard vrij, indien daar aanleiding toe is, de contacten tussen de vader en de kinderen reeds op een eerder moment te laten hervatten, zeker nu [minderjarige 3] heeft aangegeven hiervoor open te staan (hetgeen ook door de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is bevestigd).

3.9.3.

Het voorgaande leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 september 2019;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020

door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.