Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1093

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
200.263.313_01 en 200.263.314_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:4535
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; partneralimentatie; bijdrage meerderjarig kind; huwelijksvermogensrecht; rechtsgeldigheid schenkingsovereenkomst met uitsluitingsclausule; art. 3:194 BW lid 2

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.263.313/01 en 200.263.314/01

zaaknummer rechtbank : C/03/235389 / FA RK 17-1797

beschikking van de meervoudige kamer van 26 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat mr. G.J. de Hosson te Utrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, (zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[verzoekster] is op 26 juli 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

[verweerster] heeft op 14 oktober 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

[verzoekster] heeft op 3 december 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van [verzoekster] met producties 8 t/m 14, ingekomen op 3 februari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van [verweerster] met producties 4 t/m 8, ingekomen op 10 februari 2020.

2.5.

De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.263.313/01 (alimentatie) en 200.263.314/01 (afwikkeling huwelijksgemeenschap). De zaken zijn gevoegd behandeld.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

- Partijen zijn op 5 juni 1998 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

- Uit het huwelijk van partijen zijn twee, inmiddels meerderjarige kinderen geboren.

- [verzoekster] heeft op 1 mei 2017 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond.

- Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken.

- De echtscheidingsbeschikking is op 4 november 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat [verweerster] € 639,-- per maand dient te betalen aan [verzoekster] als uitkering tot levensonderhoud en de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vastgesteld zoals in het dictum van die beschikking is weergegeven.

4.2.

Partijen zijn het met deze beschikking niet eens en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.2.1.

[verzoekster] heeft tegen de beschikking drie grieven aangevoerd. Deze grieven betreffen:

- de bijdrage van [verweerster] in de kosten van [dochter] (grief I);

- de schenkingsovereenkomst (grief II);

- de facturen (grief III).

[verzoekster] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hoogte van de partneralimentatie en het bedrag ter zake van de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, en te bepalen dat:

- [verweerster] met ingang van [geboortedatum] 2019 aan haar zal voldoen een bedrag van € 1.340,-- per maand ter zake van partneralimentatie;

- een bedrag van € 30.100,-- aan haar moet worden betaald alvorens partijen overgaan tot verdeling van de overige waarde van het vermogen in de huwelijksgemeenschap;

- [verweerster] aan haar betaalt een bedrag van € 1.500,-- ter zake van voorgeschoten kosten met betrekking tot het huis.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar derde grief ingetrokken, zodat deze geen bespreking behoeft. Het hof zal het verzoek van [verzoekster] ter zake van de voorgeschoten kosten afwijzen.

4.2.2.

[verweerster] heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.

Zij heeft één grief aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Deze betreft de geldleningsovereenkomst.

[verweerster] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van haar vordering op [verzoekster] van de door haar aan haar vader overgemaakte bedragen ter hoogte van € 15.000,-- en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [verzoekster] aan [verweerster] zal voldoen primair een bedrag van € 15.000,--, subsidiair een bedrag van € 7.063,58 en meer subsidiair een bedrag van € 413,93.

Voor het overige verzoekt [verweerster] de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De partneralimentatie (grief I)

5.1.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de partneralimentatie rekening gehouden met de kosten van de kinderen van in totaal € 608,-- per maand (rov. 2.4.5.).

Hiertegen keert zich grief I van [verzoekster]. Zij voert aan dat, nu dochter [dochter] op [geboortedatum] 2019, 21 jaar is geworden, verschillende kosten vervallen, zodat daarmee bij de bepaling van de draagkracht van [verweerster] geen rekening meer moet worden gehouden. Voorts voert zij aan dat zij en haar ouders maandelijks aan [dochter] een bedrag betalen, totdat [dochter] gaat werken. Volgens [verzoekster] krijgt [dochter] wat zij nodig heeft en hoeft dit niet apart vastgelegd te worden.

5.2.

[verweerster] voert daartegen aan dat zij met [dochter] de afspraak heeft dat zij haar ook vanaf haar 21e jaar financieel blijft ondersteunen. Volgens haar is dit geen vrijblijvende gift, maar een duidelijke toezegging waaraan [dochter] haar ook kan houden. Zij stelt zich op het standpunt dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 639,-- per maand gehandhaafd moet worden.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

Ieder van partijen stelt een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud en studie van [dochter] , die, naar verwachting, in juni 2021 haar studie zal afronden. [verweerster] heeft ook met stukken onderbouwd dat zij thans in die kosten bijdraagt, hetgeen overigens ook niet tussen partijen ter discussie staat. Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen dat zowel [verzoekster] als [verweerster] zich op het standpunt stelt dat [dochter] thans nog een bijdrage in haar onderhoud nodig heeft. In die gegeven situatie acht het hof het aangewezen dat met de bijdrage die [verweerster] levert, gedurende de periode dat [dochter] nog studeert, rekening wordt gehouden bij de bepaling van haar draagkracht. Grief I van [verzoekster] faalt.

De schenkingsovereenkomst (grief II)

5.4.

Grief II van [verzoekster] houdt in dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inhoud van de schenkingsovereenkomst (rov. 2.5.27. en 2.5.28), die zij in hoger beroep als productie 3 in het geding heeft gebracht. Ter toelichting op haar grief voert [verzoekster] het volgende aan.

Uit de schenkingsovereenkomst die tussen haar en haar ouders is gesloten, volgt dat i) gedurende het huwelijk van partijen schenkingen zijn gedaan (tot een bedrag van

€ 30.100,--) en dat ii) deze schenkingen niet vallen in de huwelijksgemeenschap . De schenkingen zijn altijd op haar privérekening gestort. Het bedrag van € 30.100,-- moet daarom aan haar worden uitgekeerd.

5.5.

[verweerster] betoogt dat de door [verzoekster] in het geding gebrachte schenkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is en zij betwist dat er sprake is van een uitsluitingsclausule. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

De beweerde schenkingovereenkomst is haar onbekend. Zij heeft deze nooit gezien, terwijl partijen toch zeer geruime tijd samenleefden. De handtekening op de schenkingsovereenkomst heeft zij nooit gezet; die moet vervalst zijn. Het is eerder voorgekomen dat [verzoekster] haar handtekening zonder medeweten van [verweerster] heeft gezet.

Vermoedelijk is de schenkingsovereenkomst pas onlangs opgemaakt ten behoeve van deze procedure. Aanwijzingen hiervoor zijn dat de schenkingsovereenkomst voor het eerst in hoger beroep wordt overgelegd, er over de totstandkoming ervan geen stukken (mails, brieven of andere berichten) zijn overgelegd en de bijzondere inhoud van de schenkingsovereenkomst: aanvankelijk zou volgens de overeenkomst € 100,-- per maand worden geschonken en na één jaar en elf maanden € 200,-- per maand. Het lijkt erop dat de bedragen achteraf in kaart zijn gebracht en de schenkingovereenkomst daarmee in overeenstemming is gebracht.

Het is aan [verzoekster] te bewijzen dat de schenkingsovereenkomst in 2002 is opgemaakt en dat het [verweerster] is geweest die de handtekening heeft gezet.

Voor het geval het hof van oordeel is dat wel sprake is geweest van een geldlening onder uitsluiting, dan geldt dat [verzoekster] deze bedragen zelf op haar rekening heeft gekregen en de bedragen zelf heeft aangewend, vermoedelijk voor vakanties e.d. De verschillende bedragen zijn nimmer verweven met de gemeenschappelijke goederen.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat er door de ouders van [verzoekster] schenkingen zijn gedaan. Wel betwist [verweerster] dat de schenkingen zijn gedaan onder uitsluitingsclausule. Voorts betwist [verweerster] de echtheid van haar handtekening onder de schenkingsovereenkomst.

De bewijslast van de echtheid van de handtekening rust conform de gebruikelijke bewijslastverdeling van art. 150 Rv op [verzoekster] . Bewijs van de echtheid van de handtekening heeft zij niet eerder dan ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangeboden. Dit bewijsaanbod is te laat gedaan, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Het hof overweegt verder nog het volgende.

Artikel 2 van de door [verzoekster] overgelegde schenkingsovereenkomst bepaalt dat:

“De over de onderhavige schenking verschuldigde schenkbelasting (…) door [de ouders van [verzoekster] zal] worden voldaan”.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken dat de term “schenkbelasting” eerst geïntroduceerd is in de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (Stb. 2009, 564). Deze wet is op 1 januari 2010 in werking is getreden. Voor die datum werd de term “schenkingsrecht” gebruikt. Dat de door [verzoekster] in het geding gebrachte schenkingsovereenkomst van 31 december 2002 spreekt over “schenkbelasting” is daarom opmerkelijk te noemen. Ter mondelinge behandeling daarop bevraagd, is [verzoekster] een verklaring over het gebruik van de term schenkbelasting in de overeenkomst schuldig gebleven.

[verzoekster] heeft voorts nagelaten enig inzicht te geven in de totstandkoming van de schenkingsovereenkomst en nagelaten uitleg te geven over de (opbouw in de) geschonken bedragen. Dit had naar het oordeel van het hof gelet op de door [verweerster] , hiervoor in rov. 5.5. weergegeven kanttekeningen, wel op haar weg gelegen. Zo had [verzoekster] nader dienen uit te leggen waarom in de overeenkomst voor een opbouw is gekozen, waarin aanvankelijk € 100,-- per maand en na één jaar en elf maanden € 200,-- per maand wordt geschonken. Dit heeft zij echter nagelaten.

De conclusie van het voorgaande is dat de door [verzoekster] in het geding gebrachte schenkingsovereenkomst niet als bewijs kan dienen van haar stelling dat zij gedurende het huwelijk van partijen schenkingen met uitsluitingsclausule van haar ouders heeft gekregen.

Het hof overweegt tot slot nog dat, ook indien het hof wel een schenkingovereenkomst met uitsluitingsclausule zou aannemen, het beroep van [verzoekster] op een vergoedingsrecht (zo begrijpt het hof haar stelling dat de geschonken bedragen altijd op haar privérekening zijn gestort) niet kan slagen, nu [verzoekster] daartoe onvoldoende heeft gesteld. De enkele storting op een privérekening levert niet een vergoedingsrecht op. [verzoekster] had duidelijk moet maken wat er vervolgens met die gelden is gebeurd (of die gelden zijn vermengd met gemeenschapsgelden; of de gelden door de gemeenschap zijn uitgegeven dan wel door haar in privé), maar dit heeft zij nagelaten.

Grief II faalt eveneens.

De geldleningsovereenkomst (de grief van [verweerster] )

5.7.

De grief van [verweerster] houdt in dat de rechtbank ten onrechte het bedrag van € 15.000,-- dat [verzoekster] aan haar vader heeft overgemaakt, heeft weggestreept tegen het bedrag van € 14.127,15 dat [verweerster] aan zichzelf had overgemaakt van de ING-spaarrekening (rov. 2.5.29). Ter toelichting voert [verweerster] , samengevat, het volgende aan.

Door een geldleningsovereenkomst voor te wenden, heeft [verzoekster] getracht op oneigenlijke wijze gelden veilig te stellen. [verzoekster] heeft de gelden opzettelijk zoek gemaakt en om die reden is er een situatie als bedoeld in art. 1:139 BW dan wel art. 1:135 BW (het hof begrijpt: art. 3:194 BW lid 2) ontstaan.

Anders dan [verzoekster] is [verweerster] open geweest over de door haar opgenomen bedragen. Zij is zonder inboedel op straat gezet en was genoodzaakt een nieuwe woning in te richten.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de bedragen die ieder van partijen heeft opgenomen nagenoeg gelijk waren. [verzoekster] heeft behalve de bedragen die zij naar haar vader heeft overgemaakt, ook nog bedragen opgenomen om van te leven.

Primair dient [verzoekster] dus nog een bedrag van € 15.000,-- aan haar te betalen. In het geval het hof van oordeel is dat [verweerster] ten onrechte bedragen heeft opgenomen ter hoogte van € 14.127,15, dan is zij de helft van dat bedrag (€ 7.063,58) aan [verzoekster] verschuldigd.

In het geval het hof van oordeel is dat dat een beroep op art. 1:139 BW dan wel art. 1:135 niet van toepassing is, dan nog is [verzoekster] overbedeeld met een bedrag van € 827,85 en dient zij de helft daarvan (€ 413,93) aan [verweerster] te betalen.

5.8.

[verzoekster] heeft daartegen het volgende aangevoerd.

Op 1 januari 2017 stond op de ING-rekening van [verweerster] nog een saldo van € 10.000,-- respectievelijk € 12.127,13. Na die datum heeft [verweerster] dit bedrag zonder overleg naar een voor haar onbekende nieuwe rekening overgeboekt om dit buiten de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap te houden. ( [verzoekster] verwijst naar de prod. 4 en 5, overgelegd bij verweerschrift in incidenteel appel).

De huurlast van de nieuwe huurwoning van [verweerster] bedroeg € 750,--. [verweerster] heeft tweedehands spullen aangeschaft om de woning in te richten. De waarde daarvan staat in geen enkele verhouding tot de opgenomen bedragen van in totaal € 22.127,13.

[verweerster] heeft inmiddels ook de helft van de inboedel in haar bezit (prod. 7).

5.9.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat [verweerster] , in dezelfde periode waarin [verzoekster] bedragen aan haar vader overboekte, op haar beurt ook een substantieel bedrag van haar bankrekening heeft gehaald. Nu daartegen geen (duidelijke) grieven zijn gericht gaat het hof uit van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 14.127,15. Ook in hoger beroep heeft [verweerster] haar stelling dat zij die opnames heeft gedaan voor (de inrichting van) een andere woning in het geheel niet onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , wel op haar weg had gelegen.

Het komt het hof dan ook voor dat na het uiteengaan van partijen een situatie is ontstaan waarin partijen ervoor hebben gekozen ieder hun eigen gang te gaan, waarbij zij vervolgens zonder nader overleg of elkaars medeweten opnames van hun respectievelijke bankrekeningen hebben gedaan. Het staat vast dat beide partijen over hun bankrekeningen hebben beschikt zonder daarover openheid van zaken te geven. In deze omstandigheden, waarin beide partijen bedragen van hun respectievelijke bankrekeningen hebben gehaald, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken van een situatie waarin (juist) [verzoekster] bedragen opzettelijk heeft zoekgemaakt/ en of verborgen heeft gehouden als bedoeld in art.3: 194 lid 2. BW. In zoverre faalt de grief van [verweerster] .

Gegeven de situatie zoals die is ontstaan, acht het hof het aangewezen dat [verzoekster] slechts de helft van hetgeen zij meer heeft opgenomen dan [verweerster] , derhalve een bedrag van € 413,93, aan [verweerster] betaalt. Het hof zal aldus bepalen. In zoverre slaagt de grief van [verweerster] .

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen zoals hierna onder 7 is weergegeven.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2019, voor zover het de geldleningsovereenkomst betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [verzoekster] aan [verweerster] het bedrag van € 413,93 betaalt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en K.A. Boshouwers en is op 26 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.