Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1090

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.258.725_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:889
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.258.725/01

zaaknummer rechtbank : C/03/232801 / FA RK 17-877 en C/03/242994 / FA RK 17-4439

beschikking van de meervoudige kamer van 26 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.M.J. Schoonbrood te Sittard,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.N. Geerman te Sittard.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 31 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 30 april 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 januari 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 12 juni 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 24 juli 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een brief van de zijde van de man van 26 juli 2019 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 november 2018;

  • -

    een brief van de zijde van de man van 28 september 2019 met bijlagen (productie 2 en 3);

  • -

    een brief van de zijde van de man van 1 oktober 2019 met bijlage (productie 4).

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 9 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  1. Partijen zijn, zoals bij de mondelinge behandeling in hoger beroep door hen bevestigd, op 28 juli 1983 te Warschau (Polen) met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

  2. Op 21 april 2015 is een eerste echtscheidingsverzoek ingediend. Bij beschikking van 20 april 2016 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking had voor 20 januari 2017 ingeschreven moeten zijn in de registers van de burgerlijke stand. Geen van partijen is overgegaan tot het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking, zodat deze na 20 januari 2017 zijn rechtskracht heeft verloren.

  3. Op 7 maart 2017 heeft de vrouw een (tweede) verzoek tot echtscheiding ingediend.

  4. Bij beschikking van 24 november 2017 heeft de rechtbank Limburg (Maastricht) daarop de echtscheiding uitgesproken. Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank de zaak aangehouden. Over die verdeling is beslist bij de thans bestreden beschikking.

  5. De echtscheidingsbeschikking is op 21 maart 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is:

a. de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vastgesteld:

aan de vrouw is toegedeeld:

- het appartement aan de [adres] , [postcode] [plaats] ;

aan de man is toegedeeld:

- de vordering op de verkopers van het perceel in Polen;

- Aegon Safe polis;

bepaald dat de vrouw wegens overbedeling aan man zal voldoen een bedrag van

€ 18.633,80;

bepaald dat ieder van partijen in de onderlinge verhouding is gerechtigd is tot de helft van het bedrag van € 80.000,-- in depot bij notaris [de notaris] in [de standplaats] , te vermeerderen met de rente en na aftrek van de kosten;

bepaald dat de Opel Kadett verkocht dient te worden en dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;

de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

bepaald dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;

het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap als volgt dient te geschieden:

  • -

    dat aan de vrouw wordt toegedeeld het appartement aan de [adres] , [postcode] [plaats] ;

  • -

    dat aan de man wordt toegedeeld de Aegon safe polis, zonder dat de man de helft van de waarde aan de vrouw dient te vergoeden;

  • -

    dat wordt bepaald dat de vrouw wegens overbedeling aan de man zal dienen te voldoen een bedrag van € 48.590,80;

  • -

    dat de man van het bedrag van € 80.000,-- in depot bij notaris [de notaris] in [de standplaats] recht heeft op € 42.500,-- en de vrouw een bedrag van € 37.750,--, te vermeerderen met de rente en na aftrek van de kosten, gelijkelijk te delen;

  • -

    dat de vordering op de verkopers van het perceel in Polen ten onrechte aan de man is toegedeeld tegen een waarde van € 36.000,--;

  • -

    dat wordt bepaald dat de vordering op de verkopers van het perceel in Polen gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, indien partijen beslissen de vordering via een procedure in Polen te gelde te maken;

  • -

    dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen van € 350,-- per maand voor het gebruik van het appartement aan de [adres] te [plaats] , voor de periode vanaf 7 maart 2017 tot datum overdracht.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn principaal hoger beroep, dan wel het principaal hoger beroep van de man af te wijzen.

4.3.

De vrouw verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    aan de man wordt toegedeeld de Aegon safe polis tegen een waarde van € 31.835,--, waarvan de man de helft aan de vrouw dient te vergoeden, rekening houdend met de fiscale gevolgen zoals berekend in alinea 74 van het verweerschrift, althans aan de hand van de meest actuele waarde;

  • -

    de man zijn aandeel in de Reaal SNS Polis van € 18.558,33 heeft verbeurd en dat deze daarom volledig aan de vrouw toekomt;

  • -

    de man aan de vrouw uit hoofde van de verdeling tussen partijen zoals vastgesteld door de rechtbank, met aanpassing vanwege de aan het hof verzochte wijzigingen, wegens overbedeling aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 4.748,54.

De man voert verweer. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep, dan wel haar incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.4.

De man heeft in principaal hoger beroep vijf grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Zijn grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    de geldopname van € 10.000,-- (grief 1);

  • -

    een geldbedrag van € 5.000,-- (grief 2);

  • -

    de percelen in Polen (grief 3);

  • -

    de Aegon safe polis (grief 4);

  • -

    de gebruiksvergoeding (grief 5).

4.5.

De vrouw heeft in haar incidenteel hoger beroep twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Haar grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    de Reaal SNS Polis (grief 1);

  • -

    de Aegon safe polis (grief 2).

4.6.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Geldopname van € 10.000,-- (grief 1 van de man)

5.1.

Met grief 1 vordert de man een bedrag van € 5.000,-- aan schadevergoeding van de vrouw. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De rechtbank heeft op grond van art. 1:99 lid 3 BW jo. 3:170 lid 3 BW, diverse handelingen van de man in de periode tussen 21 april 2015 (de datum van indiening van het eerste verzoek tot echtscheiding) en 20 januari 2017 (de datum waarop de eerste echtscheidingsbeschikking had moeten zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) gekwalificeerd als beschikkingshandelingen die hij niet eenzijdig had mogen verrichten. De rechtbank heeft geoordeeld dat hij daarmee tegenover de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld, op grond waarvan hij de daardoor door de vrouw geleden schade aan haar heeft moeten vergoeden.

De vrouw heeft op haar beurt 13 januari 2015 een bedrag van € 10.000,-- opgenomen van de spaarrekening van partijen. Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de man verrichte handelingen stelt de man dat de vrouw daarmee onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, op grond waarvan zij gehouden is de daardoor door de man geleden schade aan hem te vergoeden.

5.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. De opname door de vrouw van het geldbedrag van € 10.000,-- van de gezamenlijke spaarrekening van partijen in januari 2015 kan niet op grond van art. 1:99 lid 3 BW jo. 3:170 lid 3 BW worden gekwalificeerd als een beschikkingshandeling die zij niet eenzijdig had mogen verrichten. De opname van het geldbedrag door de vrouw heeft ook niet plaatsgevonden in de periode tussen 21 april 2015 en 20 januari 2017, maar ruim voor de indiening van het eerste verzoek tot echtscheiding (op 21 april 2015).

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de situatie waarover de rechtbank heeft beslist en waarop de man zich nu beroept als grondslag voor zijn vordering, is de opname van het geldbedrag van € 10.000,-- van de gezamenlijke spaarrekening van partijen door de vrouw ruim vóór de indiening van het eerste verzoek tot echtscheiding verricht. Van een ontbonden huwelijksgemeenschap was op dat moment nog geen sprake. De man heeft voorts niet duidelijk gemaakt om welke reden de vrouw het bedoelde geldbedrag niet van de spaarrekening van partijen mocht opnemen. De vordering van de man zal dan ook worden afgewezen.

Voor zover de man met zijn grief heeft willen betogen dat het geldbedrag van € 10.000,-- nog aanwezig was op de peildatum van 7 maart 2017, heeft de vrouw dit voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft er op gewezen dat zij van het geld heeft geleefd. De man heeft zijn stelling daartegenover niet nader onderbouwd, noch bewijs aangeboden van zijn stelling. Mitsdien faalt de grief van de man.

Geldbedrag van € 5.000,-- (grief 2 van de man)

5.4.

Grief 2 van de man houdt het volgende in. De rechtbank heeft bij de verdeling van de bij de notaris in depot staande verkoopopbrengst van € 80.000,--, die partijen toekomt ter zake van de verkoop van het appartement dat zij gezamenlijk met hun dochter in eigendom hadden, ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de man in 2015 een bedrag van € 5.000,-- aan de dochter van partijen heeft gegeven ter aflossing van de aan dat appartement verbonden hypothecaire lening.

Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat hij voor die gift de middelen heeft gebruikt die hij had verzilverd uit de Reaal SNS polis, het aandelenpakket Rabo beleggersrekening en de Aegon spaarbeurs. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de man een schadevergoeding aan de vrouw moet betalen, omdat hij tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld door zichzelf de middelen uit de Reaal SNS polis, het aandelenpakket Rabo beleggersrekening en de Aegon spaarbeurs toe te eigenen, had de rechtbank daarmee rekening moeten houden bij de verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement van € 80.000,--.

5.5.

De vrouw heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij de verdeling van de verkoopopbrengst van € 80.000,-- terecht geen rekening gehouden met de stelling van de man dat hij in 2015 een bedrag van € 5.000,-- aan de dochter van partijen heeft gegeven ter aflossing van de hypotheek. Het appartement is in 2018 verkocht en op 31 oktober 2018 aan de koper geleverd. De gift waarop de man doelt, is door hem verricht op 8 januari 2015 (productie 35). Dit is ruim vóór de indiening van enig echtscheidingsverzoek en ook ruim voordat de man zichzelf de middelen uit de Reaal SNS polis, het aandelenpakket Rabo beleggersrekening en de Aegon spaarbeurs heeft toegeëigend. De extra aflossing die de man als gift heeft verricht, heeft hij dus met gemeenschapsgelden verricht.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat de man desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zijn grief niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de vrouw door zichzelf de middelen uit de Reaal SNS polis, het aandelenpakket Rabo beleggersrekening en de Aegon spaarbeurs toe te eigenen.

Het hof begrijpt de grief van de man aldus dat hij zich er op beroept dat hem ter zake van de gift aan de dochter van partijen een vergoedingsrecht toekomt.

De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de gift aan zijn dochter van € 5.000,-- ten laste van zijn salarisrekening heeft voldaan. Dit kan ook worden afgeleid uit het door de vrouw als productie 35 bij haar verweerschrift overgelegde bankafschrift. Daaruit blijkt dat de man op 8 januari 2015 voormeld bedrag van € 5.000,-- aan de dochter van partijen heeft overgemaakt. Op dat moment was de huwelijksgemeenschap van partijen nog niet ontbonden, zelfs niet door het eerste verzoek tot echtscheiding van 21 april 2015. Dit betekent dan ook dat de gift aan de dochter van partijen is voldaan uit gemeenschapsgelden. Van een vergoedingsrecht aan de zijde van de man kan dan ook geen sprake zijn.

De man heeft eerder gesteld dat de gift van € 5.000,-- zou zijn voldaan uit de hemzelf toegeëigende gelden verkregen uit het verzilveren van de Reaal SNS polis, het aandelenpakket Rabo beleggersrekening en de Aegon spaarbeurs. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist door erop te wijzen dat de man die gelden pas heeft verkregen na de indiening van het eerste verzoek tot echtscheiding op 21 april 2015. De man heeft ter zitting in hoger beroep niet volhard in zijn standpunt ter zake.

Het voorgaande betekent dat de grief van de man faalt.

De percelen in Polen (grief 3 van de man)

5.7.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de percelen in Polen, aldus dat zij zijn overeengekomen zoals weergegeven in de aan deze beschikking gehechte overeenkomst. Het hof zal bepalen dat deze overeenkomst onderdeel uitmaakt van de beschikking.

Aegon safe polis (grief 4 van de man, grief 2 van de vrouw)

5.8.

De rechtbank heeft met betrekking tot de Aegon safe polis het volgende overwogen:

“De vrouw heeft verzocht de polis toe te delen aan de man tegen een waarde van € 12.832,=, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. De vrouw is van mening dat de door de man betaalde premie tot april 2015 kan worden verrekend. De man kan de polis voortzetten, waardoor de waardevermeerdering alleen voor hem is.

De man heeft aangevoerd dat het een lijfrentepolis betreft op naam van de man. De afkoopwaarde per 21 december 2017 bedraagt € 8.914,= netto (€ 31.835,= bruto), rekening houdend met de belasting en revisierente, en kan voor die waarde worden toegedeeld aan de man. De man betaalt maandelijks aan premie een bedrag van € 100,=.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling de rechtbank te berichten over de mogelijkheid van splitsing dan wel afkoop van de polis.

De man heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de polis aan hem dient te worden toegedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw, aangezien het een aanvulling op zijn pensioen betreft.

De vrouw wenst uit te gaan van de netto afkoopwaarde van € 8.914,=. Volgens de vrouw heeft de man zijn standpunt tardief gewijzigd.

De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt inderdaad tardief heeft gewijzigd, en gaat daaraan voorbij. De rechtbank is van oordeel dat de polis in de gemeenschap valt en dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde. Nu de man heeft nagelaten de rechtbank nader te informeren over de mogelijkheid van splitsing, gaat de rechtbank uit van afkoop van de polis door de man tegen een waarde van € 8.914,= netto, nu de vrouw daarmee heeft ingestemd. Aan de vrouw komt derhalve toe een bedrag van € 4.457,=.

De man heeft onbetwist gesteld dat hij de premie heeft voldaan en dat deze verrekend moet worden met het aandeel van de vrouw. De man heeft echter nagelaten een opgave te doen van de door hem betaalde premies zodat de rechtbank hierover geen beslissing kan nemen.”

5.9.

Grief 4 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man ter zake van de aan hem toegedeelde Aegon safe polis de helft van de netto afkoopwaarde daarvan aan de vrouw moet voldoen. Verder houdt de grief in dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door de man betaalde premies. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De man heeft de Poolse nationaliteit en is op latere leeftijd geëmigreerd naar Nederland. Om die reden heeft hij geen recht op de volledige AOW wanneer hij de leeftijd van 67 jaar bereikt. Omdat partijen zich hiervan bewust waren, hebben zij gedurende het huwelijk de Aegon safe polis aangeschaft om het gemis aan AOW van de man te compenseren.

Het door de man opgebouwde ABP pensioen wordt reeds gelijkelijk tussen partijen gedeeld. Het is dan ook meer dan redelijk dat de Aegon safe polis aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening van de waarde met de vrouw. Immers, de situatie zal als gevolg van het gemis aan de AOW na de pensioengerechtigde leeftijd tussen partijen niet gelijk zijn. Zelfs indien de Aegon safe polis aan de man wordt toegedeeld zonder verrekening, zal de vrouw meer inkomen na haar 67e hebben dan de man, op grond van hetgeen gedurende het huwelijk is opgebouwd.

5.10.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de man ter zake van de aan hem toegedeelde Aegon safe polis de helft van de waarde aan de vrouw dient te voldoen, alsook dat de rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met de door de man betaalde premies. De vrouw weerspreekt dat partijen de Aegon safe polis hebben aangeschaft ter overbrugging van enig pensioengat van de man. Het betreft simpelweg een lijfrenteverzekering, bedoeld als vermogensbelegging. Dat het ABP pensioen van de man wordt verevend, is geen reden om een bestanddeel van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan de man toe te delen zonder verrekening van de waarde daarvan met de vrouw. De pensioenverevening kent immers een andere wettelijke grondslag.

5.11.

Het hof overweegt als volgt.

De man wenst ter zake van de polis afwijking van een verdeling bij helfte en hij maakt aanspraak op betaling door de vrouw van de helft van de door hem betaalde premies in de periode januari 2015 tot 21 december 2017.

Ten aanzien van de door de man verzochte toedeling van de polis aan zichzelf zonder verdeling van de waarde overweegt het hof het volgende. Ingevolge art. 1:100 lid 1 BW hebben partijen een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voor een uitzondering op deze hoofdregel is slechts plaats in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748; HR 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1393 en HR 9 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1066). Het verzoek tot echtscheiding is gedaan op 7 maart 2017 en dus vóór 1 januari 2018, zodat art. 1:100 (nieuw) BW niet van toepassing is (HR 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:636)).

Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen plaats voor de bedoelde uitzondering. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd weersproken dat partijen de polis hebben afgesloten om het gemis aan AOW van de man te compenseren, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.

De omstandigheid dat de man minder AOW zal ontvangen dan de vrouw is evenmin een zeer uitzonderlijke omstandigheid, terwijl ook in het licht van de verdere omstandigheden waarop de man zich heeft beroepen, het beroep dat de vrouw doet op verdeling bij helfte van de polis in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

In zoverre faalt de grief van de man.

Vervolgens ligt de aanspraak van de man op betaling door de vrouw van de helft van de door hem betaalde premies in de periode januari 2015 tot 21 december 2017 ter beoordeling voor. De man heeft bij brief van 28 september 2019 als productie 2 een drietal betalingsbewijzen in het geding gebracht waaruit blijkt dat ter zake van de Aegon safe polis in de jaren in 2015, 2016 en 2017 jaarlijks een premie van € 1.207,68 is betaald. De huwelijksgemeenschap van partijen is op 7 maart 2017 ontbonden. Gelet daarop zou het verzoek van de man voor wat betreft de jaren 2015 en 2016 alleen toewijsbaar zijn indien vast zou staan dat de man in die jaren de hier bedoelde premies uit privémiddelen heeft voldaan. De man heeft dat echter niet aangetoond, zodat er ook geen grond is voor een vergoedingsrecht. Het hof zal het verzoek van de man echter toewijzen voor zover zijn verzoek betrekking heeft op de door hem betaalde premies in de periode ná 7 maart 2017. De huwelijksgemeenschap van partijen is namelijk op laatstgenoemde datum ontbonden en de man heeft met het door hem overgelegde betalingsbewijs genoegzaam aangetoond dat hij in die periode (de periode ná 7 maart 2017) de volledige door beide partijen aan Aegon verschuldigde premies uit privévermogen heeft voldaan. De vrouw heeft dit ook niet weersproken. De man heeft aldus meer betaald dan hem in de onderlinge verhouding met de vrouw aanging (art. 6:10 BW). Derhalve is de vrouw gehouden de helft van de in de periode maart - december door de man betaalde premies van in totaal € 905,76, ofwel € 452,88 aan de man te voldoen. Aldus zal het hof bepalen.

5.12.

Grief 2 van de vrouw houdt, kort gezegd, in dat de rechtbank voor de waarde van de in de verdeling betrokken Aegon safe polis ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van € 8.914,-- waarvan de man de helft aan de vrouw dient te voldoen (€ 4.457,--). Dit bedrag is te laag. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw, samengevat, het volgende aan.

De man heeft de Aegon safe polis niet afgekocht. Daar is ook geen reden toe, omdat de man die polis kennelijk graag wil aanhouden voor een behoorlijke uitkering later. Het is dan ook niet juist om uit te gaan van het heffen van een revisierente, zoals de rechtbank heeft gedaan. Dat werkt onterecht waarde-verlagend. Ook als de verzekering vóór 16 oktober 1990 is afgesloten en de premie daarna niet is verhoogd, wordt er geen revisierente gerekend (bij afkoop). Onder verwijzing naar punt 74 van haar verweerschrift, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man ter zake van de toedeling aan hem van de Aegon safe polis aan haar een bedrag dient te voldoen van € 18.297,17.

5.13.

De man heeft verweer gevoerd. Hij is van mening dat de rechtbank voor de waarde van de Aegon safe polis terecht is uitgegaan van de door hem gestelde afkoopwaarde van

€ 8.914,--. De man wijst in dit verband op de door hem in eerste aanleg als productie 4 overgelegde brief van Aegon waaruit die waarde blijkt.

5.14.

Het hof overweegt als volgt.

Door de vrouw wordt niet betwist dat de man belasting verschuldigd is over de lijfrentepolis. In HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:281 heeft de Hoge Raad overwogen:

“Het hof heeft de afkoopwaarde van de lijfrentepolissen op de peildatum van 1 maart 2009 als uitgangspunt genomen voor de berekening van de te verdelen waarde. Daarmee wordt – zij het fictief – uitgegaan van uitkering van de waarde op die datum. Dat brengt mee dat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen belastingvordering ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde afkoopwaarde (vgl. HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095).”

Aldus dient rekening te worden gehouden met het geldende tarief op de peildatum, die door de man onbetwist is gesteld op 21 december 2017. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingheffing over de lijfrenteverplichting 52% bedraagt. De man dient de helft van de waarde van de lijfrenteaanspraak na aftrek van de daarop rustende belastingheffing van 52% aan de vrouw te voldoen.

Uit de door de man als productie 4 in eerste aanleg overgelegde brief van Aegon volgt dat de bruto waarde van de lijfrenteverzekering op de peildatum € 31.835,-- bedraagt. Na aftrek van de belastingheffing van (52% van 31.835,-- =) € 16.554,20 is de netto waarde € 15.280,80. Gesteld noch gebleken is dat de man voornemens is om de lijfrenteverzekering voor de einddatum af te kopen. Om die reden alsook nu er onvoldoende gegevens zijn verstrekt waaruit blijkt dat voor deze verzekering bij uitkering in één keer aan het einde van de looptijd, revisierente in rekening zal worden gebracht, zal er geen rekening worden gehouden met revisierente. Het hof zal de man dan ook veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 7.640,40. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.

Gebruiksvergoeding (grief 5 van de man)

5.15.

De man verzoekt ter zake van het aan beide partijen in eigendom toebehorende appartement aan de [adres] te [plaats] , dat voorheen werd verhuurd aan derden, een met ingang van 7 maart 2017 tot datum overdracht door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen van € 325,-- per maand, zijnde de helft van het gemis aan maandelijkse huuropbrengsten toen het appartement nog werd verhuurd aan derden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Grief 5 van de man is tegen deze afwijzing gericht.

5.16.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Het is juist dat de vrouw gebruik maakt van het appartement, maar dat was niet de voormalige echtelijke woning. Het appartement is door partijen nimmer als (hoofd)verblijf gebruikt. Nadat partijen uiteen zijn gegaan, heeft de vrouw de echtelijke woning verlaten en heeft zij haar intrek genomen in het appartement van partijen aan de [adres] te [plaats] . Het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding moet ook worden afgewezen, omdat de man, kort gezegd, geen schade lijdt. Als al aangenomen zou worden dat de man schade lijdt, dan dient dit te worden berekend zoals te doen gebruikelijk: een vast percentage over het aandeel van de man in de overwaarde van het appartement. Uitgaande van een percentage van 2,5 % bedraagt de eventueel door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding € 125.000,-- / 2 = € 62.500,-- x 2,5%= € 1.562,50 per jaar / 12 = € 130,-- per maand. Daarop dient nog wel in mindering te strekken de eigenaarslasten die de vrouw volledig voor haar rekening neemt, maar die op grond van zijn mede-eigenaarschap ook voor de helft voor rekening van de man komen.

5.17.

Het hof overweegt als volgt.

Een gebruiksvergoeding vindt haar grondslag in art. 3:169 BW. Dit artikel bepaalt:

“Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.”

Het staat vast dat de man de mede-eigendom van het appartement aan de [adres] te [plaats] heeft. Hij is daarom naast de vrouw gerechtigd tot het gebruik daarvan. Voor het toekennen van een gebruiksvergoeding is plaats als de mede-eigenaar (hier: de man) verstoken blijft van het gebruik en/of genot van de woning heeft waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft. In dat geval dient de man schadeloos te worden gesteld door de vrouw als deelgenoot die wél dit gebruik en genot van de woning heeft; zij woont in de woning. De wetgever heeft het voorbehoud aan het gebruik van een gemeenschapsgoed (“mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is”) bewust zo ruim geformuleerd om voldoende ruimte te laten voor toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid (MvA II, Parl. Gesch. 3, pag. 587).

Vast staat dat de vrouw na het uiteengaan van partijen de echtelijke woning heeft verlaten en zij haar intrek heeft genomen in het appartement aan de [adres] te [plaats] en dat de man sindsdien niet meer over het gebruik en genot van dit appartement kan beschikken. Daarom dient zij, gelet op het bepaalde in art. 3:169 BW, de man schadeloos te stellen.

Anders dan de man voorstaat, gaat het hof voor de hoogte van de gebruiksvergoeding uit van een rendementspercentage over de (over)waarde van het appartement en niet van de gemiste huuropbrengsten. De vrouw heeft namelijk onbetwist gesteld dat zij appartement na het uiteengaan van partijen met instemming van de man heeft betrokken. Bovendien heeft de rechtbank het appartement aan de vrouw toegedeeld tegen de waarde in onverhuurde staat.

Het rendementspercentage van 2,5% dat de vrouw heeft gehanteerd, is door de man niet weersproken. Nu het hof dit percentage billijk voorkomt, bepaalt het hof de aan de man als schadeloosstelling toe te kennen gebruiksvergoeding op de helft van 2,5% van de (over)waarde van het appartement. Tussen partijen is niet in geschil dat ten behoeve van dit appartement geen hypothecaire geldlening is afgesloten.

Voor de (over)waarde van het appartement gaat het hof uit van de waarde waarvoor het appartement aan de vrouw is toegedeeld (een bedrag van € 125.000,--). Dit in aanmerking nemende stelt het hof de gebruiksvergoeding vast op de helft van 2,5% over € 125.000,-- = € 1.562,50 per jaar, zijnde € 130,21 per maand tot aan de datum van overdracht van het appartement. Daarop dient in mindering te strekken de helft van de door de vrouw reeds betaalde en nog te betalen onroerende zaakbelasting (in 2017 € 202,52 per jaar, in 2018 € 204,15 per jaar en in 2019 € 241,73), waarvan niet in geschil is dat de vrouw deze eigenaarslast sinds de peildatum volledig voor haar rekening neemt. Met de overige door de vrouw opgevoerde kosten houdt het hof geen rekening, nu deze kosten (deels) gebruikerslasten zijn en de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel puur op het zijn van eigenaar betrekking heeft.

Reaal SNS polis (grief 1 van de vrouw)

5.18.

De vrouw stelt dat er aan de zijde van de man sprake is van het opzettelijk verzwijgen in de zin van art. 3:194 lid 2 BW. Het gaat om de gelden afkomstig uit de Reaal SNS polis van € 18.558,53. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man krachtens art. 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de waarde van de Reaal SNS polis van € 18.558,33 aan haar heeft verbeurd.

5.19.

De man heeft verweer gevoerd. Hij betwist uitdrukkelijk dat hij de gelden uit de Reaal SNS polis zou hebben verzwegen. De Reaal SNS polis is onderdeel geweest van de procedure in eerste aanleg. De rechtbank heeft de polis ook bij de verdeling betrokken. Van verzwijging van de polis als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW is dan ook geen sprake.

5.20.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de rechtbank in eerste aanleg de waarde van de Reaal SNS polis in de verdeling heeft betrokken door - kort gezegd - de man langs de weg van de onrechtmatige daad te veroordelen om de helft van de waarde van de Reaal SNS polis aan de vrouw te voldoen. Dat de man de aan hem uitgekeerde gelden opzettelijk voor de vrouw heeft willen verzwijgen, is gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd door de vrouw. Voor toepassing van art. 3:194 lid 2 BW ziet het hof dan ook geen aanleiding. Derhalve faalt de grief van de vrouw.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 31 januari 2019, voor zover daarbij:

  • -

    is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 4.457,-- dient te voldoen ter zake van de toedeling van de Aegon Safe polis;

  • -

    het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding is afgewezen;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 7.640,40 ter zake van de door de rechtbank aan hem toegedeelde Aegon Safe polis;

bepaalt dat de vrouw gehouden is om aan de man de helft van de door de man betaalde premies aan Aegon in de periode van 7 maart 2017 tot 21 december 2017, ofwel € 452,88, te voldoen;

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 7 maart 2017 tot aan de dag dat het onverdeelde aandeel van de man in het appartementsrecht rechtgevend op het gebruik van de woning aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw of aan een derde is geleverd, een gebruiksvergoeding dient te voldoen van € 193,-- per maand minus de door de vrouw reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen onroerende zaakbelasting;

bepaalt dat de aan deze beschikking gehechte overeenkomst onderdeel uitmaakt van deze beschikking;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en K.A. Boshouwers, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 26 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.