Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1089

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.258.620_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:12013
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:12939
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:2607
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Zorgregeling.

Evenals rechtbank gezamenlijk gezag in stand laten. Zorgregeling tussen vader en minderjarige verlagen naar 1 ochtend per 5 weken als de minderjarige de grootouders bezoekt. Vader kan reguliere regeling niet waarmaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 26 maart 2020

Zaaknummer: 200.258.620/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/228626 / FA RK 16-4316

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.M. Gijzen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.L.M. Schrouff.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 21 maart 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, met verbetering en of aanvulling van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het oorspronkelijke verzoek van de moeder alsnog toe te wijzen en het verzoek van de vader alsnog af te wijzen, althans een contactregeling vast te stellen die inhoudt dat [de minderjarige] zijn vader zal bezoeken wanneer hij dat zelf wenst.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2019, heeft de vader verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen als zijnde niet-ontvankelijk, althans de verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Tevens heeft de vader incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van het bepaalde “uitbreiding van de zorgregeling in onderling overleg en”, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [de minderjarige] naast het in de beschikking van 21 maart 2019 bepaalde contact in de reguliere weken bij de vader zal verblijven gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans gedurende twee weken in de zomervakantie en één week in de Kerstvakantie, alsmede op Vaderdag en de verjaardag van de vader, althans dat het hof een regeling vaststelt die het hof juist acht.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 16 juli 2019, heeft de moeder verzocht het incidenteel appel van de vader af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Gijzen;

  • -

    mr. Schrouff (namens de vader);

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

De vader is niet verschenen.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd met de zaaksvoorzitter in het bijzijn van de griffier, zonder aanwezigheid van de moeder, de advocaten van partijen en de raad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg van 3 maart 2017 en 29 november 2017;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 12 februari 2020.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn van 19 mei 2004 tot 11 november 2010 met elkaar getrouwd geweest. Tijdens dit huwelijk is geboren:

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

[de minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 21 juli 2010 is de verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld waarbij [de minderjarige] , kort gezegd, een weekend bij de veertien dagen bij de vader verblijft, in de tussenliggende periode een dag afwisselend op zaterdag of zondag en de helft van de vakanties en feestdagen.

Het hof constateert dat partijen nooit uitvoering hebben gegeven aan deze regeling. [de minderjarige] en de vader zien elkaar voornamelijk als de vader in de weekenden bij zijn ouders langsgaat als [de minderjarige] daar logeert.

Procedure eerste aanleg

3.3.1.

De ouders hebben zich beiden tot de rechtbank gewend:

  • -

    de moeder heeft verzocht te bepalen dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] voortaan slechts aan haar toekomt;

  • -

    de vader heeft de rechtbank verzocht de zorgregeling te hervatten.

3.3.2.

De rechtbank heeft vervolgens twee tussenbeschikking gegeven:

  • -

    op 10 april 2017 heeft de rechtbank een raadsonderzoek gelast naar het ouderlijk gezag en de mogelijkheden van een zorgregeling/omgangsregeling;

  • -

    op 6 december 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de contacten tussen [de minderjarige] en de vader voorlopig plaatsvinden onder begeleiding van Xonar/aXnaga (BOR-traject)

3.3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het verzoek van de moeder met betrekking tot wijziging van het ouderlijk gezag afgewezen en voor zover het de zorgregeling betreft de beschikking van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2010 gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] gedurende één zaterdag of zondag per veertien dagen van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft.

3.4.

De moeder kan zich niet deze beslissingen verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader kan zich niet met de beslissing over de zorgregeling verenigen en hij is voor dat gedeelte van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

Het standpunt van de moeder luidt, kort samengevat, als volgt:

- over het ouderlijk gezag

De rechtbank heeft miskend dat de vader weliswaar heeft toegezegd zich te laten behandelen voor zijn alcoholverslaving, maar dat hij die toezegging niet nakomt. Gezamenlijk gezag is onmogelijk en druist tegen het belang van [de minderjarige] in. Door zijn verslaving in stand te houden, zal de vader regelmatig niet in staat zijn weloverwogen beslissingen te nemen en dat levert een onaanvaardbaar risico op dat [de minderjarige] bij voortduren van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen zijn ouders, althans dat maakt dat voortduren van het gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van [de minderjarige] .

- over de zorgregeling

[de minderjarige] heeft aangegeven niet verplicht te willen worden om contact met zijn vader te hebben, althans waar dat contact inhoudt verblijf bij zijn vader. [de minderjarige] is bang dat de vader ruzie krijgt met zijn vriendin in zijn bijzijn. [de minderjarige] geeft aan dat de vader amper naar hem omkijkt. [de minderjarige] heeft het vermoeden dat de vader toch bier drinkt in zijn bijzijn. Het is onverantwoord om een zorgregeling vast te stellen. [de minderjarige] moet er vrij in zijn om zijn vader uitsluitend te bezoeken wanneer hij dat zelf wenst. [de minderjarige] wil niet bij de vader slapen. Het vertrouwen is weg en de veiligheid van [de minderjarige] kan niet worden gegarandeerd. Bovendien is tot nu toe gebleken dat de vader nauwelijks contact met [de minderjarige] heeft; er is meer sprake van een omgangsregeling met de grootouders.

3.5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder hieraan, kort gezegd, toegevoegd dat de vader de laatste tijd nog maar weinig zijn gezicht laat zien als [de minderjarige] de grootouders bezoekt. Haar grootste zorg zit in de veiligheid van [de minderjarige] . Als de vader alcohol drinkt, komt zijn agressieve gedrag vrij. [de minderjarige] is heel bang dat er dan weer iets gebeurt. Als [de minderjarige] bij de vader is, mag de vader geen alcohol drinken. De vader belooft veel (bijvoorbeeld om te gaan zwemmen met [de minderjarige] ), maar hij laat het vaak afweten. Dan belt hij af en is [de minderjarige] teleurgesteld. De vader belooft al jaren dat hij gaat veranderen, maar doet dat niet. [de minderjarige] gaat in de vakanties vaak logeren bij zijn grootouders. Het is niet zo dat hij daar structureel één weekend in de veertien dagen logeert; gemiddeld is [de minderjarige] één weekend per maand daar.

[de minderjarige] zou het leuk vinden als de vader aanschuift als [de minderjarige] bij de grootouders is en dat de vader hem dan bijvoorbeeld naar handbal brengt.

3.6.1.

Het standpunt van de vader luidt, kort samengevat, als volgt:

- over het ouderlijk gezag

De vader heeft toegezegd dat hij zich zal laten behandelen voor zijn alcoholprobleem. Hij staat inmiddels vier maanden onder behandeling bij Mondriaan verslavingszorg. De behandeling heeft een positief effect op hem. De vader heeft medicatie. Sinds mei 2019 heeft de vader geen alcohol meer gedronken. De vader weerspreekt dat hij niet in staat is om weloverwogen beslissingen te nemen ten behoeve van [de minderjarige] . Tot op heden heeft zich in dit kader nog nooit een probleem voorgedaan. De vader heeft altijd zijn toestemming verleend aan de moeder. Recentelijk nog voor het opvragen van stukken bij Lionarons (instelling waar [de minderjarige] onder behandeling staat).

- over de zorgregeling

De vader vindt het belangrijk dat er een basisregeling op papier staat. Daarmee wordt zekerheid geboden dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader in stand wordt gehouden. [de minderjarige] is te jong om hier volledige zeggenschap in te hebben. Als de basisregeling vervalt, is de vader volledig afhankelijk van de moeder. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en zal het contact niet stimuleren. Het reële risico bestaat dat het contact compleet verloren gaat. De vader heeft geprobeerd gehoor te geven aan de wens van [de minderjarige] . Het is niet in het belang van [de minderjarige] om in nog mindere mate contact te hebben met zijn vader. De angst van [de minderjarige] is ongegrond en de vader zal proberen dit gevoel bij [de minderjarige] weg te nemen. De vader acht het van belang dat er ten aanzien van de vakanties en vrije dagen een regeling op papier komt te staan. Het is niet reëel, te denken dat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken over de uitbreiding van de contactmomenten.

3.6.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vader hieraan, kort gezegd, toegevoegd dat het traject dat de vader nu bij Mondriaan doorloopt, is gericht op gecontroleerd alcoholgebruik. De vader wordt ambulant begeleid door de Levanto-groep. Zij zien dat de vader zijn afspraken nakomt en nooit beschonken is.

Er zit nu geen structuur in het contact met [de minderjarige] . Het liefste wil de vader contact met [de minderjarige] bij hem thuis (en niet bij de grootouders), maar hij snapt dat de afstand tussen hem en [de minderjarige] daar nu te groot voor is. De vader en [de minderjarige] zijn allebei geen praters. Als ze samen op de bank zitten, loopt de communicatie wat stroef. De vader wil graag ondersteuning in hoe hij het contact met [de minderjarige] op gang moet brengen en hoe hij kan leren praten met [de minderjarige] . In een BOR-traject zou het contact tussen de vader en [de minderjarige] kunnen verbeteren; dat zou een optie kunnen zijn. De vader wil graag een kans om te laten zien dat hij zich aan de zorgregeling kan houden. De vader stemt ermee in als de regeling bij de grootouders wordt uitgevoerd.

Er is geen reden voor een gezagswijziging. [de minderjarige] zit niet klem tussen zijn ouders. De vader accepteert de hulpverlening en werkt overal aan mee. Hij is ondersteunend naar de moeder toe in haar opvoedrol.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] erg belangrijk is voor [de minderjarige] . Dat contact is nu erg belastend voor [de minderjarige] . Veiligheid speelt een belangrijke rol. [de minderjarige] heeft nare associaties bij het alcoholgebruik van de vader. Een praktische oplossing zou zijn dat de vader alleen in de ochtend aanschuift als [de minderjarige] bij de grootouders is. In de ochtenden drinkt de vader hopelijk geen alcohol. Structuur is belangrijk. De raad denkt aan de lage frequentie van eenmaal per maand of eenmaal per zes weken. De vader moet zich er dan wel aan houden zodat [de minderjarige] op hem kan vertrouwen. Iedereen wil voorkomen dat [de minderjarige] teleurgesteld wordt. Eerst is het nodig dat de vader laat zien dat hij betrouwbaar is in het nakomen van afspraken en dat [de minderjarige] zich veilig voelt. Stel dat de vader dat een half jaar doet, dan zou de vader daarna iets kunnen gaan doen met [de minderjarige] , zoals hem naar de handbal brengen. Over een tijdje zou de vader via de gemeente een indicatie bij Xonar kunnen aanvragen om hulp te krijgen om meer inhoudelijke betekenis te geven aan zijn contacten met [de minderjarige] . Deze hulp ziet dan niet op de frequentie van het contact, maar op de kwaliteit van dit contact.

Het hof overweegt als volgt

Ouderlijk gezag

3.8.1.

Na beëindiging van het huwelijk zijn de ouders samen het gezag blijven uitoefenen over [de minderjarige] .

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 1:253n BW lid 2 bepaalt dat artikel 1:251a BW lid 1 van overeenkomstige toepassing is. Dat houdt in dat de rechter kan bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt als:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.8.3.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

3.8.4.

Partijen hebben een heftige geschiedenis met elkaar gehad. Het problematische alcoholgebruik van de vader heeft tot veel incidenten geleid. In 2016 is de vader veroordeeld voor bedreiging van de moeder en mishandeling van haar partner. Het verleden met de vader heeft diepe sporen achtergelaten bij de moeder. Hoewel het invoelbaar is dat zij de communicatie met de vader liever uit de weg wenst te gaan, verlangt het hof toch dat zij dat contact aangaat. De moeder heeft ook al laten zien dat zij daartoe in staat is. Het verdient een compliment dat de ouders, zoals blijkt uit het BOR-verslag van Xonar uit 2018, hebben laten zien dat zij kunnen samenwerken, het belang van [de minderjarige] voorop te kunnen stellen en gehoor te geven aan [de minderjarige] ’s wensen. Het hof ziet op ouderniveau bij beide ouders kwaliteiten waar [de minderjarige] alleen maar van kan profiteren. Partijen blijven samen de ouders van [de minderjarige] en zij hebben nog steeds een gezamenlijke verantwoordelijkheid in het nemen van gezagsbeslissingen voor [de minderjarige] . Dat de vader dit vanwege zijn huidige alcoholgebruik niet zou kunnen, is niet gebleken. Het hof acht het onvoldoende aannemelijk dat bij voortzetting van het gezamenlijk gezag, partijen het niet eens zouden kunnen worden over belangrijke beslissingen over [de minderjarige] , zoals schoolkeuzes, medische zaken en dergelijke. Niet is gebleken dat de ouders een geheel andere visie hebben over onderwijs of medische aangelegenheden. Evenmin is gebleken dat de vader overleg met de moeder heeft geweigerd en/of dat de vader het nemen van beslissingen over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] heeft belemmerd of zich daarmee heeft willen bemoeien op een wijze die ten koste gaat van [de minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader benadrukt dat de vader ondersteunend is naar de moeder in haar opvoedrol en dat hij overal aan meewerkt. Het hof heeft van de moeder geen signalen ontvangen dat dit niet het geval zou zijn.

Concluderend is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] bij voortzetting van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen zijn ouders of dat de door de moeder verzochte gezagswijziging anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

3.8.5.

Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigen.

Zorgregeling

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande dan wel een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.2.

Voor zover de vader heeft bedoeld dit te verzoeken, ziet het hof geen aanleiding om partijen te verwijzen naar een hulpverlenende instantie voor – nieuwe – deelname aan een BOR-traject. Het BOR-traject bij Xonar is in 2018 goed verlopen: [de minderjarige] en de vader hadden het leuk met elkaar. Het hof heeft de indruk dat vader het in zich heeft om méér invulling te geven aan zijn ouderrol dan hij nu doet. [de minderjarige] heeft hier ook behoefte aan. In het gesprek dat [de minderjarige] met het hof heeft gehad, heeft hij duidelijk verteld dat hij graag iets met zijn vader wil doen: potje voetballen, zwemmen of een bal overgooien. [de minderjarige] vindt het jammer dat zijn vader dat nu niet doet. Ook zou [de minderjarige] het erg leuk vinden als zijn vader met hem naar handbal zou gaan in het weekend. Nu is het zo dat de vader en [de minderjarige] stilletjes bij elkaar zitten en er niet echt een gesprek plaatsvindt. [de minderjarige] heeft het idee dat zijn vader niet is geïnteresseerd in wat [de minderjarige] meemaakt. [de minderjarige] zou het leuk vinden als zijn vader interesse zou tonen in de handbal en in school; [de minderjarige] heeft best wat ideeën over wat hij zijn vader dan zou willen vertellen. [de minderjarige] ziet zijn vader graag, maar hij zou zich veiliger voelen als zijn vader geen bier zou drinken. Dit komt voort uit vervelende dingen die [de minderjarige] met zijn vader heeft meegemaakt als hij teveel bier had gedronken.

3.9.3.

Het hof is het eens met de moeder, [de minderjarige] en de raad dat het alcoholgebruik van de vader een grote rol speelt; groter dan de vader wellicht zelf inziet. Dit heeft in het verleden geleid tot vervelende incidenten waar [de minderjarige] getuige van was en waar hij nog actieve herinneringen aan heeft. Dat [de minderjarige] zich onveilig voelt als hij de vader alcohol ziet drinken, begrijpt het hof helemaal. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de hulpverlening vanuit Mondriaan bij de vader inzet op ‘gecontroleerd alcoholgebruik’. Dit geeft het hof aanleiding om te beslissen dat de contacten tussen de vader en [de minderjarige] niet bij de vader thuis moeten plaatsvinden: dit voelt voor [de minderjarige] te onveilig en zou hem teveel belasten. Onder deze omstandigheden kan het vastleggen van een vaste zorgregeling, zoals de vader verzoekt, niet aan de orde zijn. De vader lijkt dit ook te begrijpen. Zijn advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vader ermee instemt als de regeling bij de grootouders wordt uitgevoerd. Deze constructie acht het hof momenteel het meest haalbaar. [de minderjarige] komt regelmatig bij zijn grootouders, volgens de moeder gemiddeld één keer per maand . Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de vader één ochtend per vijf weken contact heeft met [de minderjarige] bij de grootouders. Het is nu zo dat de vader dan soms zijn gezicht laat zien en soms niet. Het hof wijst erop dat de vader met de moeder samen blijft belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , waardoor ook hij verantwoordelijk is voor [de minderjarige] ’s opvoeding en verzorging. Het hof legt mede met het oog op zijn rol als gezagsouder, de vader deze zorgplicht op, die hij moet nakomen. Het hof doet dan ook een dringend beroep op de vader om op dit punt zijn verantwoordelijkheid te nemen.

Van de moeder verlangt het hof dat zij tijdig een logeerafspraak maakt met de grootouders. Het is dan aan de vader om tijdig te laten weten aan grootouders, [de minderjarige] en de moeder of hij in dat logeerweekend op zaterdagochtend of op zondagochtend komt. [de minderjarige] en de vader geven allebei aan dat de invulling van de contacten voor verbetering vatbaar is. Deze constructie geeft de vader de mogelijkheid om van te voren na te denken (en eventueel daarvoor gepast advies in te winnen) wat hij met [de minderjarige] wil gaan doen. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, kan de vader ook bij de gemeente een indicatie aanvragen voor hulp van een instantie die hem handvatten geeft om meer inhoud te geven aan zijn contacten met [de minderjarige] .

3.9.4.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de zorgregeling vastleggen zoals hiervoor beschreven. Op dit moment is dat het meest haalbare. Vastlegging van vakanties en feestdagen, zoals de vader ook heeft verzocht, is nu ook niet aan de orde. Eerst moet de vader laten zien dat hij deze regeling kan naleven en dat [de minderjarige] weet wanneer hij weer een leuke ochtend met zijn vader zal hebben zonder zich zorgen te maken of de vader wel komt, en áls hij al komt, of hij dan geen alcohol gaat drinken. Alleen de vader kan [de minderjarige] dit bieden.

3.9.5.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen wat de zorgregeling betreft, en een zorgregeling als volgt vaststellen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige] betreft;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 21 juli 2010 voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedtaken;

en, opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat [de minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007) in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken contact heeft met zijn vader één ochtend in de vijf weken bij de grootouders, nader in onderleg overleg tussen de ouders vast te stellen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 26 maart 2020 uitgesproken door mr. C.N.M. Antens in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.