Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1088

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.255.323_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.255.323/01

zaaknummer rechtbank : C/02/342858 FA RK 18-1527

beschikking van de meervoudige kamer van 26 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. van Vliet te Breda.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 11 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 27 februari 2019 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 december 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 11 april 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 3 juni 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij faxbericht van de zijde van de vrouw van 29 oktober 2019, ingekomen op 29 oktober 2019, heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de inhoud van voormeld verweerschrift van de man, in het bijzonder voor zover het een reactie van de man betreft op het verweer van de vrouw in het principaal hoger beroep. Het hof heeft de vrouw in het kader van de goede procesorde in de gelegenheid gesteld nader op dat onderdeel van het verweerschrift van de man te reageren. Met instemming van partijen heeft de vrouw daarvan gebruik gemaakt waarmee het bezwaar van de vrouw is weggenomen.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 14 november 2019 met als bijlagen onder meer de producties 10 tot en met 12, ingekomen op 15 november 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 november 2019 met als bijlagen onder meer de producties 13 en 14, ingekomen op 21 november 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 21 november 2019 met als bijlagen onder meer de producties 22 tot en met 28, ingekomen op 22 november 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 28 mei 2004 gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 december 2013 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 16 december 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking is voorts bepaald dat het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking

3.3.

Bij voormeld echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 5 november 2013, zijn partijen onder meer het navolgende overeengekomen:

Artikel 1. Partneralimentatie .

1.1.

De man heeft inkomsten uit loondienst belopend conform jaaropgave 2012 € 38.487,00 en inkomsten als zelfstandige (voetbaltrainer [de voetbalvereniging] ) ad € 10.500,00 bruto per jaar, tezamen neerkomend op ca € 2.650,- netto per maand.

De vrouw heeft een inkomen (winst) uit haar eigen onderneming [de eenmanszaak] , naar

schatting in 2013 neerkomend op een besteedbaar inkomen van ca. € 1.000,- per maand.

1.2.

Zolang de man de in artikel 2.5 hierna genoemde kosten voldoet, heeft de man geen

ruimte voor partneralimentatie.

1.3.

Na verkoop/overdracht van de woning c.q. zolang de in art. 2.5 genoemde kosten niet

meer door de man verschuldigd zijn, dan wel anderszins zich een wijziging van omstandigheden voordoet, zullen partijen in overleg treden om te bezien of de vrouw behoefte heeft aan en of de man draagkracht heeft voor partneralimentatie en zo ja tot welk bedrag.

Artikel 2. De echtelijke woning en daarmee verband houdende rechten en lasten .

(...)

2.5 (...)

De man voldoet tot aan voornoemd tijdstip van verkoop/overdracht de hypotheekrente ad € 1.043,- bruto per maand, de premie polis Reaal ad € 198,- en de zakelijke eigenaarslasten als WOZ eigenaarsdeel, opstalverzekering en waterschapsheffing (forfaitair

€ 95,- per maand). Tevens komen voor rekening van de man de kosten van watergebruik en elektra in de woning.

De vrouw zal de man een vergoeding voldoen van 50% van de voor de man netto hypotheekrente, welke vergoeding door partijen wordt gesteld op € 470,- per maand.

(…”

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van 1 oktober 2017 tot 1 oktober 2018 bepaald op € 639,- per maand en met ingang van 1 oktober 2018 op € 713,- per maand.

4.2.1.

De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans een beslissing te geven die het hof juist acht. Kosten rechtens.

4.2.2.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum, de behoefte van de vrouw, de behoeftigheid van de vrouw, althans haar behoefte aan een aanvullende onderhoudsbijdrage, alsmede op de draagkracht van de man.

4.3.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren en zijn verzoeken af te wijzen, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de feiten en de gronden.

4.4.1.

De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat de draagkracht van de man na een periode van één jaar, na het wijzen van de beschikking waarvan beroep, zal stijgen met het bruto equivalent van € 114,- per maand, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4.4.2.

De grief van de vrouw ziet op de draagkracht van de man.

4.4.3.

De man heeft in zijn verweerschrift tegen incidenteel hoger beroep verzocht de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er, gelet op de verkoop van de voormalige echtelijke woning en de levering op 29 september 2017, sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), gelet op behoefte en draagkracht, beoordeeld dient te worden.

Ingangsdatum

5.2.1.

De ingangsdatum is tussen partijen in geschil. De man heeft gesteld dat de door hem te betalen partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan 23 maart 2018, de datum waarop de vrouw haar verzoek bij de rechtbank heef ingediend. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd weersproken.

5.2.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat partijen, zoals zij in het convenant ook zijn overeengekomen, met elkaar in overleg zijn getreden over de vaststelling van partneralimentatie. Er heeft mediation plaatsgevonden. Deze is begin december 2017 zonder resultaat geëindigd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de mediator heeft voorzien van voldoende gegevens om haar behoeftigheid inzichtelijk te maken en dat de man daarom niet eerder dan op de datum indiening verzoekschrift rekening hoefde houden met de verplichting tot het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. Wat de vrouw voorts heeft aangevoerd voor haar standpunt om van een eerdere ingangsdatum uit te gaan, stelt het hof ter zijde. Gelet op het voorgaande stelt het hof de ingangsdatum op 23 maart 2018.

Behoefte van de vrouw

5.3.1.

De man heeft het navolgende gesteld. De rechtbank is bij de bepaling van de behoefte van de vrouw ten onrechte uitgegaan van de hofnorm. De behoefte van de vrouw moet worden onderbouwd, zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de bestaande en de, in redelijkheid met de welstand van partijen overeenkomende, te verwachten kosten van levensonderhoud. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

5.3.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof overweegt dat de hofnorm een nuttige, in de alimentatiepraktijk veel gebruikte en meestal afdoende methode is om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Het op andere wijze vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte komt meestal neer op tijdrovende en moeizame exercities aan de hand van behoeftelijsten, die in de hand werken dat naar de ene en de andere zijde overdreven standpunten worden verdedigd. In de grote meerderheid van die gevallen ziet het hof dat de slotsom geen wezenlijk andere is dan die met gebruikmaking van de hofnorm wordt bereikt.

Het hof overweegt dat de man zijn standpunt, dat de behoefte van de vrouw niet vastgesteld kan worden aan de hand van de door rechtbank gehanteerde hofnorm, in het geheel niet nader heeft onderbouwd. Nu de man niet, althans onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, op grond waarvan de door de rechtbank volgens die maatstaf vastgestelde behoefte niet juist zou zijn, en het hof ook overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die in het onderhavige geval om een andere wijze van behoefteberekening vragen, zal het hof de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, evenals de rechtbank, bepalen op basis van de hofnorm. Naar het oordeel van het hof is deze slotsom - gelet op het hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd - in overeenstemming met de leer van de Hoge Raad welke, kort gezegd, luidt dat het hanteren van de hofnorm als enige maatstaf voor de behoefte niet kan wanneer daarbij voorbij gegaan wordt aan de door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. Het enkele feit dat de man in zijn hoger beroepschrift een aantal zaken in de behoeftelijst van de vrouw heeft benoemd, zonder daar overigens een conclusie aan te verbinden doet aan het voorgaande niet af.

Evenals de rechtbank stelt het hof de behoefte van de vrouw in 2018 op € 2.338,29 netto per maand, welk bedrag als zodanig door de man niet is weersproken.

Behoeftigheid van de vrouw

5.4.1.

De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de vrouw geen hoger inkomen heeft uit haar onderneming dan € 957,- netto per maand. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vrouw niet een hoger inkomen zou kunnen verwerven. De vrouw, heeft, zoals dat tijdens het huwelijk ook het geval was, inkomsten uit zwart werk, althans meer inkomsten dan uit de jaarrekeningen blijkt. Er was sprake van meerdere consulten die niet in de boekhouding werden verantwoord. Dat er sprake was van netto inkomsten uit zwart werk blijkt ook uit het uitgavenpatroon van de vrouw tijdens het huwelijk. Partijen hadden tijdens het huwelijk gescheiden financiën. Zij hebben samen tijdens het huwelijk onder meer vijf reizen naar Bali gemaakt. Ieder betaalde de eigen kosten. De kosten van dergelijke reizen stroken niet met het gestelde inkomen op bijstandsniveau waarvan de vrouw, zoals zij zelf heeft gesteld, leefde. Ook blijkt uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften dat er sprake is geweest van een aantal bijschrijvingen aan de creditzijde, waarvoor de vrouw geen afdoende onderbouwde verklaring heeft gegeven. Verder zijn er grote gedeeltes op de bankafschriften onleesbaar gemaakt. In ieder geval zijn er bedragen gestort door ene Kooijman, in april en juni 2018 van totaal

€ 2.500,-, voor welke stortingen de vrouw evenmin een afdoende onderbouwde verklaring heeft gegeven. Ook rijdt de vrouw in een dure auto, heeft zij hoge tankkosten gemaakt, heeft de vrouw een geheel nieuw interieur aangeschaft en onderneemt de vrouw diverse activiteiten en ondergaat zij diverse behandelingen (botox, fillers), die niet uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden bekostigd.

De man is van mening dat de vrouw zodanig inkomen genereert, dan wel kan verdienen zodat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ter onderbouwing van zijn laatste stelling heeft de man een aantal vacatures overgelegd.

5.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Gelet op haar huidige leeftijd (60 jaar) en haar fysieke beperkingen is de vrouw niet in staat om een hoger inkomen te genereren dan zij thans doet, niet uit haar onderneming en evenmin elders met een aanvullend dienstverband. De vrouw heeft de stelling van de man betwist, kort samengevat, als volgt. Tijdens het huwelijk is er nimmer sprake geweest van consulten die niet in de boekhouding werden verwerkt. De vrouw had ieder jaar in de periode van mei tot medio augustus een terugval in inkomsten omdat de vrouw in die periode geen cursusgroepen had. Het water stond de vrouw aan de lippen en in april en juni 2018 heeft een vriend, Kooiman, de vrouw in financieel opzicht geholpen. De bankafschriften zijn deels onleesbaar gemaakt omdat deze zijn overgelegd in het kader van de behoefte van de vrouw. Afschrijvingen die in dat verband niet van toepassing zijn, zijn onleesbaar gemaakt. De door de man gesignaleerde (extra) tankkosten heeft de vrouw moeten maken omdat de auto van de vrouw was gestolen en zij extra kilometers heeft moeten rijden op zoek naar een andere auto. De vrouw heeft de auto en het deels nieuwe interieur betaald uit een schenking van haar vader. Ook heeft de vrouw extra kilometers moeten rijden in verband met familiebezoek in het ziekenhuis.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Inkomsten uit de onderneming

5.4.3.1. De vrouw is zelfstandige zonder personeel, zij heeft een eenmanszaak handelend onder de naam “ [de eenmanszaak] ” te [vestigingsplaats] . De activiteiten van de onderneming bestaan uit het geven van consulten, lezingen en workshops op spiritueel gebied, alsmede het uitoefenen van activiteiten in de kapsalon en de verkoop van artikelen.

Uit de door de vrouw overgelegde jaarstukken blijkt dat het resultaat in 2017 en de omzet in 2018 incidenteel als volgt zijn beïnvloed. In 2017 is een last opgenomen van € 10.730,-. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat er na verkoop van de echtelijke woning sprake was van een onderwaarde die voor ongeveer de helft voor rekening van de vrouw is gekomen. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de boekhouder ter zake de onderwaarde in 2017 een bedrag van € 10.730,- als last in de winst- en verliesrekening heeft opgenomen. De winst bedroeg in 2017 door deze incidentele last slechts € 1.984,19. In 2018 is er sprake geweest van een bijzondere bate van € 8.196,-. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat deze bate betrekking heeft op de auto van de vrouw, althans op een uitkering van de verzekeraar die, na diefstal van die auto, een bedrag van € 8.196,- aan de vrouw heeft uitgekeerd. Door deze incidentele bate bedroeg de winst in 2018 € 18.635,25. De jaarcijfers 2017 en 2018 behoeven in dit opzicht correctie. Desgevraagd heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling mede in verband met de verwachting voor 2019 verklaard dat er sinds jaar en dag sprake is van stabiele cijfers en dat de vrouw jaarlijks, rekening houdend met betere en slechtere jaren, een omzet heeft van gemiddeld € 30.000,-. Het hof gaat daarvan uit. Uitgaande van de overgelegde jaarstukken over 2017 en 2018 (te weten in 2017 zonder de incidentele last ter zake de woning van € 10.730,-en in 2018 zonder de bate van € 8.196,-) en gelet op de prognose over 2019, schat het hof de gemiddelde kosten van de onderneming op 50% van de omzet. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw becijfert het hof, gebaseerd op een resultaat uit de onderneming van de vrouw van € 15.000,- per jaar, op € 1.219,- per maand. Dat de vrouw thans meer kosten maakt en moet maken voor het geven van cursussen en haar werkzaamheden als kapster heeft zij niet, althans niet voldoende onderbouwd, zodat het hof daarmee geen rekening houdt. Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen gebaseerd op de inkomsten uit de onderneming van de vrouw verwijst het hof naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (zie bijlage).

Netto inkomsten

5.4.3.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat de vrouw de stelling van de man dat de vrouw over meer inkomsten beschikt gelet op haar niet met het gestelde bijstandsniveau corresponderende levensstijl niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw onder meer verklaard dat zij voor het overlijden van haar vader in 2016 een schenking van haar vader heeft gekregen van € 20.000,-. De vrouw heeft van dat bedrag (plus inruil van de oude auto) een nieuwe auto gekocht, omdat, zoals de vrouw heeft verklaard, haar vader het noodzakelijk vond dat de vrouw over een goede auto beschikte. Het hof overweegt dat de vrouw daarmee weliswaar in redelijkheid heeft kunnen verklaren hoe het komt dat zij, ondanks het gestelde bijstandsniveau, een auto voor een dergelijk bedrag heeft kunnen aanschaffen, doch de vrouw heeft niet, althans niet voldoende onderbouwd hoe zij haar (overige) levensstijl zoals door de man geschetst heeft kunnen bekostigen. De vrouw heeft, mede gelet op deels weggelakte bedragen niet, althans niet voldoende, inzicht gegeven in haar financiële situatie. Verder heeft de vrouw de door de man in hoger beroep overgelegde producties 12, 13 en 27 die blijk geven van het uitgavenpatroon van de vrouw niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. Alles overziend gaat het hof ervan uit dat de vrouw netto inkomsten heeft die maken dat zij een leven leidde (ruim) boven het door de vrouw gestelde bijstandsniveau. Het hof schat deze inkomsten redelijkerwijs op 1/4 van haar voormeld netto besteedbaar inkomen, te weten op afgerond € 300,- netto per maand.

Voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw gaat het hof derhalve uit van een totaal netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.519 ,- per maand. De stelling van de man dat de vrouw redelijkerwijs een inkomen zou kunnen verdienen waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien en hoger dan het hof thans heeft berekend, heeft de man niet, althans niet voldoende onderbouwd.

De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt met ingang van 23 maart 2018 € 819,29 netto per maand.

Draagkracht van de man

5.5.

De man heeft gesteld dat hij, voor zover de vrouw er al behoefte aan heeft, niet in staat is de door rechtbank vastgestelde partneralimentatie te voldoen. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

5.6.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens.

Inkomen van de man

5.7.

Het hof gaat uit van een belastbaar inkomen van de man van € 40.356,-, zoals blijkt uit de aan de bestreden beschikking gehechte draagkrachtberekening (v.a. 1 oktober 2018), nu de vrouw de stelling van de man op dit punt niet, althans niet voldoende heeft weersproken. Onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.420,- per maand (zie bijlage).

Draagkrachtloos inkomen

5.8.

Het hof volgt ook ter zake het draagkrachtloos inkomen van de man de voormelde draagkrachtberekening van de rechtbank, met uitzondering van het navolgende posten die tussen partijen in hoger beroep in geschil zijn.

1) de man heeft gesteld dat ook rekening gehouden moet worden met de aflossing op de schuld van de auto (grief 6 van de man);

2) de vrouw heeft gesteld dat de draagkracht van de man na 1 jaar zal stijgen met het bruto equivalent van € 114,- per maand ter zake de advocaatkosten.

3) de man heeft gesteld dat het gelet op de omvang van de advocaatkosten onredelijk is om als uitgangspunt voor de advocaatkosten het tremarapport te hanteren en deze kosten qua duur te beperken.

De schuld ter zake de auto

5.9.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aflossing op de schuld van de auto waarvoor hij een lening heeft afgesloten van € 5.000,- met een aflossing van € 101,85 per maand, met welke aflossing het hof alsnog rekening dient te houden. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt het navolgende.

Desgevraagd heeft de man ter mondelinge behandeling verklaard dat hij een nieuwe Nissan Qashquai heeft gekocht voor € 28.000,- en dat hij, na inruil van zijn Toyota Auris, € 5.000,- heeft moeten bijbetalen voor welke bedrag de man de betreffende lening heeft afgesloten. Ter mondelinge behandeling heeft de man bevestigend geantwoord op de vraag of hij in plaats van deze nieuwe auto niet had kunnen volstaan met een andere goedkopere auto. Nu de man, gelet op zijn uitlating ter mondelinge behandeling, ook voor een lager bedrag een vervangende auto had kunnen aanschaffen, is de noodzaak van de lening die man is aangegaan niet komen vast te staan en dient de verplichting tot het bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw te prevaleren.

Gelet op het voorgaande houdt het hof geen rekening met de aflossing op de schuld ter zake de auto.

De advocaatkosten

5.10.

Met betrekking tot de advocaatkosten heeft de vrouw in incidenteel hoger beroep gesteld dat de draagkracht van de man na een periode van een jaar zal stijgen met het bruto equivalent van € 114,- per maand. De vrouw heeft in haar petitum verzocht te bepalen dat de draagkracht van de man na een periode van één jaar, na het wijzen van de beschikking waarvan beroep, zal stijgen met het bruto equivalent van € 114,- per maand, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij heeft betoogd dat hij ook na verloop van een jaar nog advocaatkosten heeft te voldoen.

Uitgaande van het conform het Trema rapport gangbare uitgangspunt houdt het hof gedurende een jaar rekening met reservering voor advocaatkosten van € 114,- per maand, zij het met ingang van 23 maart 2018 tot 23 maart 2019. De man heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking van voormeld uitgangspunt rechtvaardigen. De incidentele grief van de vrouw slaagt niet, nu de rechtbank in de bestreden beschikking ook is uitgegaan van een periode van een jaar.

5.11.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 595,-, waarvan 60% beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie. Betaalde partneralimentatie is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Daarmee rekening houdend heeft de man de draagkracht om van 23 maart 2018 tot 23 maart 2019 een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van € 603,- per maand (zie bijlage), aan welk bedrag de vrouw behoefte heeft.

5.12.

Met ingang van 23 maart 2019 heeft de man, uitgaande van voormelde uitgangspunten maar nu zonder reservering van de advocaatkosten , de draagkracht om een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van € 710,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (zie bijlage), aan welk bedrag de vrouw behoefte heeft.

Partneralimentatie

5.11.

Gelet op het voorgaande stelt het hof de partneralimentatie van 23 maart 2018 tot 23 maart 2019 op € 606,- per maand en met ingang van 23 maart 2019 op € 710,- per maand.

Te veel betaalde partneralimentatie?

5.12.

Blijkens de door de vrouw overgelegde brief van het LBIO van 20 september 2019 is de man (pas) vanaf januari 2019 de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie gaan betalen en is de inning hiervan vanaf oktober 2019 door het LBIO stopgezet in verband met de lopende rechtszaak. Indien en voor zover de man op basis van deze beschikking te veel ter zake partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan, dan wel indien en voor zover te veel ter zake partneralimentatie op de man is verhaald, dient de vrouw het te veel betaalde aan de man terug te betalen, dan wel mag de man hetgeen te veel op hem is verhaald met de aan de aan de vrouw te betalen alimentatietermijnen met de vrouw verrekenen.

Proceskosten

5.13.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

5.14.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 11 december 2018 uitsluitend voor zover het de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft en wijzigt de afspraak tussen partijen vervat in het echtscheidingsconvenant van 5 november 2013 in zoverre,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen:

- van 23 maart 2018 tot 23 maart 2019 een bedrag van 606,- per maand, en

- met ingang van 23 maart 2019 een bedrag van € 710,- per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de eventueel door de man te veel betaalde bijdrage in haar levensonderhoud aan de man dient terug te betalen, althans dat de man hetgeen ter zake bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te veel door hem is betaald, dan wel op hem is verhaald met de toekomstige alimentatietermijnen mag verrekenen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M Graafland-Verhaegen, H. van Winkel en

P. Vlaardingenbroek en door mr. H. van Winkel op 26 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.