Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1087

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.237.779_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Omvang huwelijksgemeenschap. Bewijswaardering. Inbreng in maatschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.237.779/01

zaaknummer rechtbank : C/02/301595 FA RK 15-4437

beschikking van de meervoudige kamer van 26 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. V.L.M. Lapidaire te Maarssen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Özgül te Breda.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 23 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 20 april 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 januari 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 25 juni 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 11 september 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een brief van de zijde van de man van 20 juni 2019;

  • -

    een brief van de zijde van de vrouw van 25 juni 2019 met bijlagen (productie 2 en 3);

  • -

    een brief van de zijde van de man van 27 juni 2019;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man deels voorgedragen pleitnotitie met het door deze advocaat overgelegde schematische overzicht van de geluidsopnames die bij de mondelinge behandeling zijn afgespeeld.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 3 juli 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6.1.

Bij de genoemde brief van 25 juni 2019 heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de brief van de man van 20 juni 2019. Volgens de vrouw heeft de man in zijn brief gereageerd op stellingen van de vrouw. De man had dat bij zijn verweer op het incidenteel appel moeten doen.

Verder heeft de man aangekondigd dat hij bij de mondelinge behandeling enkele passages van de opgenomen gesprekken tussen de man, de vrouw en haar vader wil afspelen. Ook daartegen maakt de vrouw bezwaar. De opnames hadden door middel van een CD of USB-stick aan het hof kunnen worden toegezonden. Bovendien zijn de gesprekken reeds uitgewerkt op papier.

2.6.2.

De man heeft op deze bezwaren bij genoemde brief van 27 juni 2019 gereageerd. Bij zijn brief van 20 juni 2019 heeft de man geen aanvullend verweer gevoerd, maar een onderbouwing gegeven van “het” gedane verzoek. Verweer mag ook ter zitting worden gevoerd, dus niet valt in te zien waarom dat niet bij brief zou kunnen.

Het gaat om korte geluidsfragmenten, waarvoor maar een klein gedeelte van de spreektijd behoeft te worden gebruikt. De fragmenten zijn verhelderend “ten opzichte van de ingebrachte transcripties”.

2.6.3.

Het hof beslist als volgt op de bezwaren van de vrouw.

Anders dan de vrouw meent, reageert de man in zijn brief van 20 juni 2019 niet op stellingen van de vrouw, maar informeert hij het hof daarin over een nieuwe ontwikkeling, namelijk een hoger beroepsprocedure in België. Hetgeen de man verder opmerkt in zijn brief betreft een toelichting op “het” verzoek, te weten het verzoek om geluidsopnames af te spelen. De brief is kort, zij omvat slechts drie alinea’s, is ingediend met inachtneming van de tien dagen-termijn en niet in strijd met de goede procesorde. Het bezwaar van de vrouw tegen de brief wordt daarom verworpen.

De geluidsfragmenten van de gesprekken zijn in deze zaak toegestaan. Dit is partijen vóór de mondelinge behandeling ook medegedeeld. De reden voor het toestaan, is dat het hof in deze zaak door het afspelen van de fragmenten ook in staat wordt gesteld kennis te nemen van de toon waarop de gesprekken zijn gevoerd (bijv. vriendelijk, zakelijk, verhit etc.), mogelijke nadruk waarmee bepaalde woorden zijn uitgesproken, stiltes die vallen, of een opmerking ironisch is bedoeld, etc. en het hof partijen daarover ook kan bevragen. Dit alles kan bijdragen aan een betere waardering van de transcripties. Volgens de advocaat van de man betrof het verder ook korte geluidsfragmenten waarvoor maar een klein gedeelte van haar spreektijd zou worden benut. Doordat de beslissing over het afspelen van de fragmenten al vóór de mondelinge behandeling is medegedeeld, zijn partijen (in het bijzonder ook de vrouw) voldoende in staat gesteld zich voor te bereiden op de mondelinge behandeling. Ook ter zitting heeft de vrouw kunnen reageren en ook daadwerkelijk gereageerd op de geluidsfragmenten en hetgeen de man daaromtrent naar voren heeft gebracht.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

a. Partijen zijn op 1 mei 1996 te Dongen met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

Op 6 juli 2015 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij (tussen)beschikking van 12 juli 2016 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is daarop de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 29 juli 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft de man een bewijsopdracht gegeven. De bewijsopdracht luidde: te bewijzen dat partijen op 6 juli 2015 (de datum waarop de huwelijksgemeenschap is ontbonden door indiening van het echtscheidingsverzoek) een vordering van € 183.000,-- hadden op de vader van de vrouw, de heer [de vader van de vrouw] , welke vordering tot de gemeenschap van goederen behoorde.

4.2.

De man heeft deze vordering gebaseerd op de stelling dat partijen tijdens hun huwelijk een spaartegoed op een bankrekening van Fortis bank in België ten name van de vrouw hadden, dat het saldo ten bedrage van € 130.568,11 op 15 mei 2009 volledig is opgenomen en geboekt op een nieuw geopende bankrekening bij Fortis Bank ten name van de vader van de vrouw, van welke rekening de man en de vrouw de gevolmachtigden werden. In zijn visie is het geld weliswaar ten name van de vader van de vrouw gezet, maar kregen de vrouw en de man daarmee een vordering op de vader van de vrouw ter grootte van het saldo op voormelde bankrekening op de peildatum, zijnde € 103.000,--. Verder is in of omstreeks 2014 van een Belgische rekening ten name van de vader van de vrouw een bedrag van € 80.000,-- ter beschikking gesteld te behoeve van (een nieuwe teelt van) de rozenkwekerij van partijen. Volgens de man was dit tegoed van € 80.000,-- in werkelijkheid niet van de vader van de vrouw, maar van partijen zelf. Het bedrag van € 80.000,-- is aan de vader van de vrouw terugbetaald uit de opbrengst van een appartement van partijen in België, welk appartement zij in 2016 op verzoek van de Rabobank hebben verkocht.

4.3.

De vrouw heeft weersproken dat partijen op de peildatum (6 juli 2015) een vordering op haar vader hadden. Zij heeft aangevoerd dat haar vader in 1992 bij aanvang van de maatschap tussen haar en de man een lening aan partijen had verstrekt, welke lening op 15 mei 2009 is terugbetaald.

4.4.

De rechtbank heeft in rov. 2.18 geoordeeld dat de man het bewijs heeft geleverd dat partijen op de peildatum een geldvordering op de vader van de vrouw hadden van € 103.000,-- en dat op de vader van de vrouw als ‘tijdelijk beheerder’ van het spaargeld van partijen de verplichting rustte om het geld aan hen terug te betalen. Verder heeft de rechtbank in rov. 2.19 geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat partijen op de peildatum ook een vordering op de vader van de vrouw hadden van € 80.000,--.

4.5.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de vordering van partijen op de vader van de vrouw en opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair deze vordering vast te stellen op een bedrag van € 183.000,--, althans een zodanig bedrag als zal blijken uit de bankafschriften tot overlegging waartoe de vrouw dient te worden veroordeeld;

  • -

    subsidiair de vrouw toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands vast staande en bewezen stellingen van de man inhoudende dat partijen een vordering hebben op de vader van de vrouw van € 183.000,--, althans een zodanig bedrag als zal blijken uit de bankafschriften, bij gebreke waarvan zal worden bepaald dat tot de huwelijksgemeenschap een vordering behoort op de vader van de vrouw van € 183.000,--;

  • -

    primair en subsidiair de ten deze vast te stellen vordering van partijen op de vader van de vrouw toe te delen aan de vrouw onder de verplichting de helft daarvan aan de man uit te keren binnen vier weken na betekening van de ten deze te geven beschikking, of indien het hof dit niet toewijsbaar acht, de vrouw te veroordelen tot betaling van het gehele bedrag binnen vier weken na betekening van de in deze te geven beschikking op een geblokkeerde en gezamenlijke rekening aldus dat partijen uitsluitend met beider schriftelijke instemming over de gelden kunnen beschikken.

De man heeft hiertoe vier grieven aangevoerd.

4.6.

De vrouw heeft de grieven van de man weersproken. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat tot de gemeenschap van goederen van partijen op de peildatum een vordering op de vader van de vrouw behoorde van € 103.000,-- en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    de man zijn verzoeken ter zake van het betrekken van de vordering van partijen op de vader van de vrouw bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken;

  • -

    in rechte vast te stellen dat geen sprake is van een vordering van partijen van

€ 103.000,-- op de vader van de vrouw.

De vrouw heeft hiertoe drie grieven aangevoerd.

4.7.

De man voert verweer. Hij verzoekt het hof het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

4.8.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep hierna bespreken.

4.9.

Met grief 1 van de man en de drie grieven van de vrouw hebben partijen de waardering van het bewijs aan het hof voorgelegd.

Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij niet het bewijs heeft geleverd dat partijen op de peildatum een vordering op de vader van de vrouw hadden van € 80.000,--. Daarentegen vindt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man het bewijs heeft geleverd dat partijen op de peildatum een geldvordering op de vader van de vrouw hadden van € 103.000,-- en dat daarmee is komen vast te staan dat op de vader van de vrouw als ‘tijdelijk beheerder’ van het spaargeld van partijen, de verplichting rustte om het geld aan hen terug te betalen.

De bewijsstukken zijn de bewijsstukken waarvan de rechtbank is uitgegaan. Het hof noemt:

- productie 2 bij de akte van 14 april 2016, zoals nader gespecificeerd in rov. 2.3 van de bestreden beschikking;

  • -

    een transcriptie van een (volgens de man op 27 oktober 2014 gemaakte) geluidsopname van een gesprek tussen hem, de vrouw en de vader van de vrouw (productie 8 in eerste aanleg);

  • -

    geluidsopnamen en transcripties van deze (volgens de man op 5 oktober 2014 en in november 2015 gemaakte) geluidsopnamen van gesprekken tussen hem, de vrouw en de vader van de vrouw (productie 21 en 22 in eerste aanleg);

  • -

    de verklaringen van de vrouw, de vader van de vrouw en de heren [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die in eerste aanleg op verzoek van de man als getuigen zijn gehoord;

  • -

    de verklaring van de man, die in eerste aanleg op verzoek van de vrouw als getuige is gehoord;

  • -

    de bij de mondelinge behandeling door dit hof afgespeelde geluidsfragmenten.

Het hof heeft het bewijs opnieuw gewogen en gewaardeerd en komt daarbij tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Het hof neemt de door de rechtbank gebezigde motivering over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

De mondelinge behandeling is grotendeels besteed aan het afspelen van de geluidsfragmenten, in het bijzonder een drietal opnames, door de man aangeduid als “Opname [opname 1] : nov 2016”, “Opname [opname 2] : 5 okt 2014 (lijkt kort voor faillissement)” en “Opname [opname 3] kort voor faillissement; ruim voor scheiding”. De man voert aan dat uit deze geluidsfragmenten objectief blijkt dat partijen een vordering op de vader van de vrouw hadden van € 80.000,--.

Daarnaar ter zitting bevraagd, heeft de man verklaard dat aanleiding voor alle opnames was dat de spanning in het huishouden opliep, de man in het kader van “zelfhulp” de opnames heeft gemaakt, dat de opnames nodig waren voor hulp aan de kinderen en dat de vrouw niet op de hoogte was van de opnames. De vrouw was inderdaad niet op de hoogte van de opnames en verder heeft zij verklaard dat de man de opnames “met voorbedachten rade” heeft gemaakt, dat er van psychische zelfhulp geen sprake was, dat de toon van de man emotieloos is en de vrouw emotioneel en dat de man alles heeft voorgekauwd. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de opnames onduidelijk zijn en dat op papier niet alles terug te vinden is wat door de vader van de vrouw is gezegd.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat uit de geluidsopnames blijkt van een vordering op de vader van de vrouw van € 80.000,--. In de geluidsopnames worden diverse geldbedragen genoemd, maar dat de vader van de vrouw een bedrag van € 80.000,-- aan partijen schuldig is, kan daaruit niet worden afgeleid. De afgespeelde opnames zijn bovendien van onvoldoende gewicht om bij te dragen aan het hier door de man te leveren bewijs. Dat de opnames voor psychische zelfhulp zijn gemaakt acht het hof onaannemelijk. Hoe de opnames behulpzaam zouden kunnen zijn (en voor welke psychische problematiek) en hoe het zelfhulptraject eruit zou zien en waar in dat traject de opnames aan de orde zouden komen, dit alles heeft de man onvoldoende duidelijk gemaakt. Veeleer acht het hof aannemelijk dat de man de vrouw zaken in de mond heeft willen leggen, de vrouw spreekt in dit verband van “voorgekauwd”. Het hof heeft bij beluistering van de opnames ook geconstateerd dat de man zijn vragen op een dwingende, sturende toon en voorts tamelijk onbewogen (“emotieloos” volgens de vrouw) formuleert, waarin het hof, samen met de omstandigheid dat het heimelijke opnames betrof, ook een aanwijzing ziet voor het feit dat de man de vrouw iets wil doen zeggen. Ten slotte zijn de opnames gedeeltelijk onverstaanbaar waardoor de overgelegde transcripties geen volledig beeld geven van wat betrokkenen hebben verklaard.

4.10.

De vrouw heeft in hoger beroep nog het volgende verweer gevoerd tegen het door de man beweerde bestaan van een vordering van partijen op de vader van de vrouw. De vader heeft geen geld geleend aan de maatschap, maar aan partijen zelf. De vrouw heeft dit geld ingebracht (“haar inbreng privé”, verweerschrift, pt. 17”). Dit betrof een bedrag van NLG 100.000,--. De vader heeft de lening verstrekt bij oprichting van de maatschap in 1992 (voor het huwelijk van partijen). Ook de man heeft verklaard dat het bedrag van NLG 100.000,-- afkomstig is van de vader van de vrouw (getuigenverhoor, prod. M). De lening was noodzakelijk omdat partijen bij de bank de financiering voor de onderneming niet rond konden krijgen. De lening bedroeg in totaal BEF 400.000,- [hof: de vrouw bedoelt 4 miljoen Belgische frank], met 3% rente. Dit is omgerekend meer dan de inbreng van de vrouw van NLG 100.000, maar met de rest van de lening (ter zitting heeft de vrouw verklaard dat het daarbij eveneens ging om een bedrag van NLG 100.000,--) is ook de noodwoning in de schuur van partijen betaald. De vrouw doet nog een beroep op de akte uitlaten ter zake getuigenverhoren (prod. E). De betaling ad € 130.000,--aan de vader van de vrouw heeft plaatsgevonden uit hoofde van de terugbetaling van deze lening.

Hiertegenover heeft de man het volgende aangevoerd. De financieringsconstructie van de onderneming van partijen is terug te vinden in de openingsbalans uit 1992. Er is geen bewijs voor de dat de inbreng van de vrouw van NLG 100.000,-- door partijen is geleend van haar vader. De openingsbalans vermeldt wel de lening van de vader van de man, maar niet die van de vrouw. Er was ook geen lening nodig. Dat het in 1992 geleende bedrag van NLG 100.000,-- (= € 45.378,--) zou zijn opgelopen tot € 130.000,-- in 2009 is ongeloofwaardig. De verklaring van de vrouw dat sprake zou zijn van een lening van NLG 100.000,-- is ten slotte in strijd met de verklaring van de vrouw en haar vader dat sprake is van een lening van 4 miljoen BEF (= € 99.156). Bij de mondelinge behandeling heeft de man over de noodwoning nog opgemerkt dat deze is bekostigd uit de beschikbare middelen bij de start van het bedrijf.

Het hof oordeelt hierover als volgt. De vrouw heeft nagelaten uit te leggen waarom, hoewel partijen samen een geldleningsovereenkomst met haar vader zouden zijn aangegaan, alleen zij het geleende geld heeft ingebracht in de maatschap van partijen (en het geleende geld dus niet mede door de man is ingebracht). De man zou dan dus een verplichting tot terugbetaling zijn aangegaan, terwijl alleen de vrouw daarvan voordeel heeft, omdat het háár inbreng betreft. De vrouw had dit temeer moeten uitleggen omdat partijen in 1992 nog niet gehuwd waren en pas in 1996 door het aangaan van het huwelijk sprake was van een algehele gemeenschap van goederen. Het beroep dat de vrouw doet op prod. E kan haar niet baten. De man verklaart daarin dat het bedrag van NLG 100.000,-- bestond in een schenking. Dát zou juist verklaren waarom alleen de vrouw heeft ingebracht. Dat een bedrag van NLG 100.000,-- c.q. BEF 4 miljoen noodzakelijk was, betekent nog niet dat dit bedrag geleend is. Het kan ook zijn geschonken. Waarom partijen met de vader een rente van 3% zouden hebben afgesproken, heeft de vrouw niet duidelijk gemaakt. Enige noodzaak voor de financiering, laat staan tot een bedrag van BEF 4 miljoen, laat de vrouw na te onderbouwen. Dat (het restant van) de beweerde lening is aangewend voor de noodwoning heeft de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd. Waarom de beschikbare middelen daartoe ontoereikend zouden zijn, een punt dat door de man naar voren is gebracht, ook daarover geeft de vrouw geen helderheid. Het verweer van de vrouw dat de overboeking van het spaargeld naar een bankrekening ten name van haar vader ten titel van terugbetaling van diens lening geschiedde, verwerpt het hof gelet op de het bovenstaande. De grieven van de vrouw falen.

Afgifte bankafschriften (grief 2 van de man)

4.11.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit verzoek moet worden afgewezen. De rekening staat niet op naam van de vrouw, maar op naam van haar vader. De vrouw betwist ter zake enige toezegging te hebben gedaan (verweerschrift, pt. 11).

Omkering bewijslast (grief 3 van de man)

4.12.

Voor omkering van de bewijslast zoals door de man verzocht, ziet het hof geen reden. De man kan de vader van de vrouw in rechte betrekken, zoals hij inmiddels ook heeft gedaan in een procedure voor de Belgische rechter. De vrouw heeft ter zake productie 1 overgelegd waaruit dit blijkt. Bij de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat thans de hoger beroepsprocedure in België loopt. Het verzoek de onderhavige procedure aan te houden tot de man de beschikking op grond van die procedure heeft over de bankafschriften waar het hem om te doen is (verweerschrift incid. appel, p. 3), zal het hof afwijzen. Wanneer een uitspraak in de Belgische hoger beroepszaak kan worden verwacht, heeft de man niet kunnen zeggen, terwijl bovendien onzeker is of die uitspraak toewijzend is en hij op grond van die uitspraak de beschikking krijgt over de door hem gewenste stukken.

Verzoek tot toedeling (grief 4 van de man)

4.13.

Met grief 4 heeft de man verzocht de geldvordering van partijen op de vader van de vrouw toe te delen aan de vrouw onder de verplichting de helft daarvan aan de man uit te keren. Het hof zal dit verzoek van de man toewijzen, nu het gaat om een vordering op de vader van de vrouw en gesteld noch gebleken is de vrouw niet op goede voet met haar vader zou staan. Of en in hoeverre de vader van de vrouw eventueel een beroep zou kunnen doen op verjaring, zoals de vrouw heeft gesteld, is een vraag die niet in het kader van deze procedure kan en zal worden beantwoord.

5 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en in aanvulling daarop de vordering van partijen op de vader van de vrouw van € 103.000,-- toedelen aan de vrouw onder de verplichting de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 51.500,--, te vergoeden aan de man.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 23 januari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in aanvulling daarop:

deelt toe aan de vrouw de geldvordering van partijen op de vader van de vrouw van € 103.000,-- onder de verplichting de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 51.500,--, te vergoeden aan de man;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en
H.J.M. van Arkel-van Gasselt, en is op 26 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.